Legenden en Romances van Spanje

Chapter 18

Chapter 183,742 wordsPublic domain

Nu wilde het ongeluk, dat er een twist ontstond tusschen González, den jongsten der zeven broeders, en een zekeren Alvarez Sanchez, een familielid der bruid. Donna Lombra achtte zich beleedigd, en toen de jonge ridders haar te paard naar het kasteel van haar gemaal geleidden, gaf zij, om zich te wreken, één harer slaven het bevel, González een wilde komkommer, gedoopt in bloed, naar het hoofd te werpen, een zware beleediging en een hevige smaad, volgens de toenmaals in Spanje heerschende gewoonten en opvattingen. De verborgen beteekenis van deze beleediging doet hier niets ter zake. Maar wat ook de bedoeling ervan moge geweest zijn, de jonkvrouw, wier oogen gesloten waren voor de ruwheid van de eeuw, waarvan zij een sieraad was, vernederde zichzelf door deze daad van groote onbeschaafdheid meer, dan dat zij het haar vijand deed. Nadat de slaaf haar bevel had opgevolgd, zocht hij bescherming tegen de woede der jonge ridders aan de zijde zijner meesteres. Maar het hielp hem niets, want de beleedigde Infantes doodden hem »in de plooien van het feestgewaad der bruid.«

Ruy Velásquez, die in vreeselijke woede ontstak over hetgeen hij als een beleediging zijn bruid en dus ook hemzelf aangedaan, beschouwde, besloot tot een vreeselijke wraakneming. Maar hij verborg zijn plan op listige wijze voor de jonge edellieden en gedroeg zich tegenover hen, alsof er niets ernstigs gebeurd was. Eenigen tijd daarna belastte hij Gustio González, den vader van de zeven jonge ridders, met een zending naar Cordova. Het doel dezer reis was schijnbaar geld voor hem in ontvangst te nemen van den schatplichtigen Moorschen Koning dezer stad; maar Velásquez gaf Gustio een brief mede, die in het Arabisch geschreven was, een taal, die hij niet lezen kon, en waarin den Saraceenschen bevelhebber verzocht werd, den boodschapper te dooden. Maar de Moor was blijkbaar menschlievender dan de Christen, en inplaats van te voldoen aan het verzoek, zette hij den niets kwaads vermoedenden afgezant in de gevangenis.

Om zijn verdere plannen ten uitvoer te brengen, deed Velásquez een schijninval in het Moorsche rijk, waarbij hij zich liet vergezellen door de Infantes van Lara en tweehonderd hunner volgelingen. Met waarlijk duivelsche slimheid slaagde hij erin, hen in een hinderlaag te lokken. Aan alle kanten omringd door Saraceensche troepen, besloten zij hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. Zij stonden rug aan rug, en richtten een gruwelijk bloedblad onder de Mooren aan; en één voor één vielen zij, verslagen maar niet overwonnen. Hunne hoofden werden door den Moorschen Koning aan Velásquez gezonden als een pand van vriendschap, en zij werden in het openbaar vertoond voor de oogen van hem en den rampzaligen vader, die was vrijgelaten, opdat Velásquez zich zou kunnen verheugen in den aanblik van zijn smart. Toen hij op deze wijze voldaan had aan zijn wraaklust, gaf hij den wanhopigen vader toestemming naar zijn eenzame haard terug te keeren.

Maar Ruy Velásquez zou zijn gerechte straf niet ontgaan. Terwijl Gustio González zich in Moorsche gevangenschap bevond, had hij liefdesbetrekkingen aangeknoopt met de zuster van den Koning van Cordova, en uit deze verbintenis was een zoon, Mudara, geboren. Toen de knaap den leeftijd van veertien jaren bereikt had, ging hij, op aandringen van zijn moeder, op zoek naar zijn vader; en toen hij hem, die nu reeds een man op hoogen leeftijd was, gevonden had, hoorde hij, door welk een verraderlijken daad zijne zeven broeders om het leven waren gekomen. Vastbesloten tot wraak, wachtte hij rustig zijn tijd af, en toen hij ter gelegenheid van een jachtpartij Ruy Velásquez ontmoette, doodde hij hem met eigen hand. Daarna verzamelde hij een troep dappere mannen om zich heen, en omsingelde met hen het kasteel Villaren; hij nam een vreeselijke wraak op Donna Lombra, die hij liet steenigen en op den brandstapel ter dood brengen. Na verloop van tijd werd hij door de echtgenoote zijns vaders, Donna Sancha, als haar zoon aangenomen, en zij erkende hem als erfgenaam van zijn vaders bezittingen.

Wij hebben reeds gewezen op de boeiende manier, waarop de »Wraak van Mudara« werd beschreven. De ballade uit Lockhart's verzameling, waarin de rampzalige vader de zeven hoofden zijner vermoorde zonen aanschouwt, staat lang niet op dezelfde hoogte, wat betreft de kracht van uitdrukking.

»Mijn lieve, dappre jongens,« sprak Lara diep bedroefd. »Hoe vreeslijk wordt uw vader op dezen dag beproefd; De zeven liefste knapen, die Spanje ooit bracht voort Zijn door die laffe handen verraderlijk vermoord.« -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- Zacht streelde hij de hoofden, ze kussend keer op keer, En op de blonde lokken vielen zijn tranen neer; Hij sloot hun doode oogen met sidderende hand, Kuste de bleeke lippen, door droefheid overmand. »Waart gij naast mij gevallen in glorierijken strijd, Uw vader had geen tranen van zwakheid dan geschreid. O, waart gij toch gestorven den schoonen heldendood, De speer omhoog geheven, van Moorenbloed nog rood!«

HET HUWELIJK VAN JONKVROUW THERESA.

»Het Huwelijk van Jonkvrouw Theresa« is een half-historische ballade, waarin de gedwongen verbintenis behandeld wordt van een Christelijke jonkvrouw met een Moorsch vorst. Alfonso, Koning van Leon, wenschte zijn bondgenootschap met de heidenen duurzaam te maken, en hij besloot daarom zijn zuster, Donna Theresa, op te offeren aan zijne politieke doeleinden. Hij baande den weg tot dit verraad door haar de verzekering te geven, dat Abdalla, de Koning der Mooren, tot den Christelijken godsdienst was overgegaan, en door haar te wijzen op de groote voordeelen, die voor haar verbonden waren aan een huwelijk met den Saraceenschen vorst. Misleid door deze valsche voorstelling van de situatie, stemde de jonkvrouw in dit huwelijk toe, en zij vertrok naar Toledo, waar deze echt met groote praal voltrokken werd. Maar op den trouwdag kwam Theresa tot de ontdekking, dat haar broeder haar schandelijk bedrogen had, en toen zij met den Moorschen vorst alleen was, wees zij hem af, en verklaarde, dat zij weigerde anders dan in naam zijn vrouw te zijn, zoolang hij en zijne onderhoorigen niet tot het Christendom zouden zijn overgegaan. Maar Abdalla lachte haar uit en maakte misbruik van haar hulpeloozen toestand. Zooals zij voorspeld had, werd hij voor deze schanddaad gestraft met een vreeselijke ziekte. Doodelijk verschrikt zond hij Theresa, overladen met geschenken, naar haar broeder terug, en zij trok zich terug in het klooster St. Pelagius in Leon, waar zij hare verdere levensdagen in gebed en vrome werken doorbracht.

Verslagen hoorde zij 't bericht van de overeenkomst aan, Het wreede vonnis, dat haar dwong tot 't vreemde volk te gaan, En hoe zij, hooggeboren maagd, haar Christengodsdienst trouw, Moest trekken naar het heidensch land als Moorsche Koningsvrouw. Maar ach, geen smeeken baatte hier, noch bittre tranenvloed, Toen ging zij, zielsbedroefd en bleek, haar meester tegemoet.

Deze ballade dateert uit de zestiende eeuw en schijnt op de historie te berusten. Maar Kelly wijst er op, dat de schrijver aan den éénen kant Almanzor verwart met Abdalla, den gouverneur van Toledo, en aan den anderen kant Alfonso V van Leon met zijn vader, Bermudo II, waardoor hij eenige chronologische moeilijkheden schept.

Wij zullen de balladen van den Cid overslaan, daar wij aan dezen held reeds genoeg aandacht geschonken hebben en dus komen wij nu aan

GARCIA PÉREZ DE VARGAS.

Van deze ballade maakt Kelly zich met enkele woorden af, ofschoon het mij toeschijnt, dat zij onze aandacht wel waard is. De Vargas onderscheidde zich door groote dapperheid bij het beleg van Sevilla in 1248. Toen hij op zekeren dag langs de oevers van de rivier reed, door slechts één metgezel begeleid, werd hij aangevallen door zeven Moorsche ruiters. Zijn metgezel vluchtte, doch Pérez sloot zijn visier en wachtte de Saraceensche krijgslieden af. Toen deze bemerkten wien zij tegenover zich hadden, maakten zij haastig rechtsomkeert. Terwijl hij terug reed naar zijn kamp, ontdekte Pérez, dat hij zijn ceintuur, het onderpand zijner geliefde, verloren had, en hij keerde oogenblikkelijk om, om haar te zoeken. Maar ofschoon hij zich ver in de gevaarlijke zone waagde voordat hij zijn eigendom gevonden had, ontweken de Mooren hem voortdurend, en hij bereikte veilig het Spaansche kamp. In de ballade ontrukt Pérez de ceintuur aan de Mooren, die haar gevonden en »op een speer gestoken« hadden.

»Halt, roovers! halt, gij dieventuig! geeft mij mijn gordel weer!« Riep hij, en woedend velde hij de Moorenbende neer. -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- Toen hij in 't Spaansche kamp verscheen als overwinnend vorst, Bedekte de herwonnen schat zijn trotsche heldenborst. Bloot was zijn hoofd, rood was zijn zwaard, en als een krijgstrophee Bracht hij het afgeslagen hoofd van zeven Mooren mee.

PEDRO DE WREEDE.

Wij zijn nu gekomen bij de balladen, die de boeiende maar bloedige geschiedenis van Pedro den Wreede verhalen. Men heeft menigmaal getracht te bewijzen, dat Pedro volstrekt niet zulk een onmensch was, als de balladeschrijvers hem ons hebben voorgesteld; maar het is waarschijnlijk, dat de zangers het in dezen bij het rechte eind hebben, en niet de moderne geschiedschrijvers, die alles gedaan hebben om den verafschuwden naam van Pedro te zuiveren. Zijn eerste daad van wreedheid was die, welke in »De Meester van St. Jago« beschreven is, en die betrekking heeft op zijn natuurlijken broeder. Bij den dood van dien edelman vluchtte zijn vader, die het wraakzuchtige karakter van Pedro kende, naar de stad Coimbra in Portugal. Maar daar hij vertrouwde op de plechtige verzekering van Pedro, dat hij hem geen geweld zou aandoen, nam hij diens uitnoodiging aan, om naar het Hof van Sevilla te komen, waar grootsche tournooien zouden worden gehouden. Zoodra hij echter was aangekomen, werd hij heimelijk ter dood gebracht, naar men gelooft, op aandringen van Pedro's minnares, Maria de Padilla.

De ballade verhaalt, hoe Pedro later de valsche Maria de Padilla gevangen liet zetten, maar er is geen enkel zeker bewijs, dat zij de aanstichtster was van de misdaad, of dat zij ervoor gestraft werd. Fitzmaurice Kelly is van oordeel, dat de romance ontegenzeggelijk dramatische kwaliteiten bezit; indien hij gesproken had van melodramatische kwaliteiten, zouden wij ons beter met zijn oordeel kunnen vereenigen.

»Het staat vast, dat Pedro schuldig was aan den gewelddadigen dood van de jonge en onschuldige Prinses Blanche de Bourbon, die hij gehuwd en dadelijk na het huwelijk verlaten had,« zegt Lockhart. Maar of hij wèl of niet zijn koningin vermoordde, zijn bijzit, Maria de Padilla, was in geen geval medeplichtig aan deze misdaad, waarvan de ballade haar beschuldigt; en het is duidelijk, dat de verzen, die op haar betrekking hebben, geschreven zijn met oneerlijke politieke bedoelingen. Mariana, die betrouwbaar geacht mag worden, verhaalt, dat Pedro's gedrag tegenover zijn koningin de verontwaardiging opwekte van velen zijner edelen, die een geschreven protest bij hem indienden. Pedro met zijn heftig en bloeddorstig karakter, ontstak in woede over hetgeen hij beschouwde als een ongepaste inmenging in zijne persoonlijke aangelegenheden, en hij gaf oogenblikkelijk bevel, zijne ongelukkige echtgenoote in de gevangenis door vergif om het leven te brengen. De ballade beschrijft echter, hoe Pedro en zijn minnares te zamen den moord op de ongelukkige Koningin beramen.

In »De Dood van Pedro« krijgen wij de bloedige beschrijving van den vreeselijken strijd tusschen de koninklijke broeders. Pedro, die door Henrico van Trastamara, zijn natuurlijken broeder, is gevangen genomen, wordt op laffe wijze door dezen beleedigd, en vliegt hem, in een uitbarsting van dierlijken moed en koninklijke woede, naar de keel. Met stomheid geslagen bij den aanblik van het gevecht op leven en dood tusschen vorst en overweldiger, kijken Henrico's mannen, onder wie de beroemde Du Guesclin, toe. Pedro houdt den Heer van Trastamara tegen den grond, en hij heft zijn dolk op om toe te stooten. Maar Du Guesclin wendt zich tot den page van Henrico: »Laat gij uw meester zóó sterven, gij, die zijn brood eet!« roept hij schamper uit. De schildknaap werpt zich op Pedro, omklemt zijne armen en trekt hem van Henrico weg, zoodat deze zich kan opheffen, en een opening kan zoeken in het pantser van den Koning. Dan stoot hij zijn dolk diep in het wreede hart. De moordenaar, de vriend van Joden en Saracenen, is gedood. Zijn hoofd wordt afgeslagen, en zijn trotsch lichaam door paardenhoeven vertrapt.

Zóó dreigend staren Pedro's doode oogen nog zijn broeder aan, Zóó onheilspellend, of hij tot de wrake op zal staan! Daar staat de broeder met het Cainsteeken, bloedig rood; Ach Pedro waar' zijn Cain, had' hij hem niet eerst gedood.

zegt de ballade. »Zijn deze wreede oogen werkelijk dood? Zie ik er geen dreiging in? Mijn handen zijn rood van het bloed mijns broeders, maar het is slechts toeval, dat de zijne niet bevlekt zijn met mijn bloed.« Dit gedeelte van het gedicht is treffend om de atmosfeer van doodelijke kilte, die volgt op het oogenblik van den moord--beangstigend, beklemmend. Ook de diepe droefheid der minnares van den Koning is goed geteekend:

Wanhopig blikt zij dan omlaag, haar wangen brandend heet, Eerst ziet zij naar Henrico's kroon, en naar zijn vorstlijk kleed; Dan staart zij op 't verscheurd gewaad, dat nauwelijks bedekt Het lijk van Pedro, marmerkoud, vertrapt, met bloed bevlekt.

DE MOOR REDUAN.

Wij slaan »De Heer van Brutayo« en »De Koning van Arragon« over, en komen dan aan de ballade, die tot titel heeft: »De Moor Reduan«, een gedicht, dat betrekking heeft op het beleg van Granada, de laatste vesting der Mooren. Het is de eerste van een groep balladen, die romanceros fronterizos of »grensromances« genoemd worden, en die, zooals wij reeds opmerkten, sterk onder Moorschen invloed staan. Het is zelfs zeer goed mogelijk, dat zij in meerdere of mindere mate een nabootsing waren van de Moorsche dichtkunst, of dat zij zelfs de gegevens eruit putten. In zijn verhandeling over de romancero zegt Kelly: »Men kan er Lockhart natuurlijk geen verwijt van maken, dat hij de ballade getrouw uit het oorspronkelijke vertaalde; van ieder schrijver, die op het oogenblik een nieuwe vertaling ervan zou willen geven, zou hetzelfde verlangd mogen worden. Maar hij zou het zeker noodig oordeelen, in een noot het resultaat neer te leggen van de onderzoekingen, die in den tijd van Lockhart nauwelijks begonnen waren. Het is nu wel zeker, dat Pérez de Hita twee romanceros door elkander werkte, en dat de verzen van het vierde gedeelte van Lockhart's vertaling:

»Zij trokken met ontplooide vaandels door Elvira's poort«,

thuis hooren in een ballade, die betrekking heeft op de veldtocht van Boabdil tegen Lucena in 1483. Lockhart wist zeer goed, dat het gedicht niet homogeen was; want hij zegt: »Het volgende is een vertaling van bepaalde gedeelten van twee balladen, maar hij schijnt niet te hebben geweten, dat één dezer gedeelten handelde over de tocht van Boabdil. En juist dit gedeelte behoort tot het allerbeste uit het gedicht.

Tulbanden groen en sierlijk, en kaftans hel getint, De pluimen en de veeren, ze wapp'ren in den wind; De kromme zwaarden schitt'ren, 't is glans, waarheen men ziet. De dapp're harten zingen een heerlijk strijderslied.

HOOFDSTUK X: DE ROMANCEROS OF BALLADEN (VERVOLG).

Daar was rumoer in Granada, des avonds bij 't gebed: Want de één riep de Drieëenheid aan, de ander Mahomed; Hier stierf een trouwe Moor--daar werd een Christenkind geboren; Hier klonk de Christenkerkklok en daarginds de Moorsche horen.

Deze regels geven ons een duidelijk beeld van de verwarring, die volgde op de vlucht der Mooren uit Granada, de laatste vesting der Saracenen in Spanje; deze stad werd ingenomen door het zegevierende leger van Ferdinand en Isabella op den zesden Januari 1492, het jaar van de ontdekking van Amerika. Het verdere gedeelte der ballade is vrij onbeduidend, en dus zullen wij er niet langer bij stilstaan.

DON ALONZO DE AQUILAR.

Na den val van Granada beijverden Ferdinand en Isabella zich, om de Mooren uit deze provincie tot het Catholicisme te brengen. De meesten der overwonnen heidenen gehoorzaamden, ten minste uiterlijk, aan het koninklijk decreet; maar in de Sierra van Alpuxarra bleef het onder de Mooren gisten, en zij weigerden den doop te ontvangen uit de handen der priesters, die gezonden waren om hen te bekeeren. Ten slotte werd er een koninklijk bevel uitgevaardigd, dat de onwilligen met geweld van wapenen moesten worden gedwongen tot het ondergaan van de plechtigheid. De Mooren boden eenigen tijd weerstand met den koppigen moed, die hun ras eigen is, maar ten slotte werden zij onderworpen en bijna uitgeroeid. Hun ondergang ging echter gepaard met zware verliezen aan de zijde van hunne quasi-weldoeners, onder wie één der voornaamsten was Don Alonzo de Aquilar, de broeder van Gonzalvo Hernández de Cordova de Aquilar, die wijdvermaard was onder den naam van »Den Grooten Kapitein«. Maar de ballade houdt zich niet aan de historie, want zij laat Aquilar sterven vóór den val van Granada, terwijl hij in werkelijkheid eerst in 1501 is gestorven. Fitzmaurice Kelly besluit hieruit, »dat de romance eerst geschreven werd, lang nadat de inneming der stad plaats greep, toen de bijzonderheden reeds vergeten waren.« Maar waarom zouden wij een geheel volk laken om iets, dat misschien een lapsus memoriae is geweest van een enkelen balladeschrijver? En zou Kelly één enkele ballade kunnen aanwijzen, die uit het volk is voortgekomen, en waarvan de bijzonderheden den toets van een nauwkeurig geschiedkundig onderzoek kunnen doorstaan?

Lockhart geeft van deze ballade een vertaling, die, zooals dat meestal met hem het geval is, goed begint, maar eindigt in een bewerking, die zoo goed als geen overeenkomst heeft met het Spaansche origineel.

Fernando, Spanje's hooge vorst, ligt voor Granada's wallen Met alle grandes van het land, met heel zijn staf vazallen; En met Castilië's ridderschaar in al haar hoofsche pracht, Jaagt hij Boabdil van de poort, verslaat diens legermacht.

Wij komen nu tot een serie gedichten, die door Lockhart

DE MOORSCHE BALLADEN

worden genoemd. Wij hebben het vraagstuk van de meerdere of mindere »Moorschheid« dezer balladen reeds besproken, en wij zullen ze dus nu slechts als balladen zonder meer beschouwen. De eerste, Het Stierengevecht van Ganzul, is een beroemd gedicht, waarin de vaardigheid van den Moorschen ridder Ganzul in de arena beschreven wordt; deze ballade draagt een beslist Moorsch karakter:

Almanzor, Vorst van Granada, riep met trompetgeschal, De eedlen samen uit zijn rijk, van heuvel en uit dal. Van Vega, Sierra en Xenil, van vlakten en uit 't woud, Met helm en met kuras van staal en van gedreven goud. -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- Acht dappre ridders uit het land houden zich nu bereid, Wanneer de woeste stieren dan, aanstormen tot den strijd; Maar vóór de zon ten middag stijgt, ligt elke Moorsche held Reeds in het zand, want door den stier werd hij terneer geveld.

Dan dreunt de zware roffel, en dan klinkt de schelle horen; »Maakt plaats, maakt plaats voor Ganzul!«... de ridder treedt naar voren. Nog feller raast de trommel; laat luid den horen schallen: D'Alcaydé van Agalva komt, de dapperste van allen!

Hij verslaat de stieren, die op hem worden afgezonden, met uitzondering van Harpado, een woest, maar verstandig dier.

Zijn donkre huid glanst in de zon, daaronder kookt het bloed; Zijn felle oogen, wit omringd, zij stralen vuurgen gloed, Als hij het strijdperk binnenraast in ongetemde vaart, Dan gloeien zij in woesten glans als hij den held ontwaart.

Maar de trotsche Harpado moet het afleggen tegen den Moorschen ridder, die het onderwerp is van zoovele verhalen, die vooral betrekking hebben op zijn liefdesverhouding met een Moorsche schoone.

DE BRUID VAN DEN ZEGRI.

Dit is een ballade, die tot onderwerp heeft de veete tusschen twee Moorsche families in Granada, de Zegris en de Abencerrages, de Montagues en Capulets uit de laatste Moorsche stad, waarvan de val ongetwijfeld verhaast werd door de voortdurende twisten dezer adellijke geslachten.

Lisaro is het trotsche hoofd van Zegri's hoog geslacht; Geen is er, die de werpspies voert met zulk een groote kracht. Vanuit zijn grondgebied rijdt hij nog vóór de dageraad Van Alcala de Henares in somber rouwgewaad.

De jonge Zegri, zoo verhaalt de ballade, is gekleed voor den strijd, niet voor een plezierrit of een optocht. Hij draagt dan ook een donkere wapenrusting, en zijn paard is in sombere kleuren opgetuigd, zoodat hij onopgemerkt door het vijandelijk land kan trekken:

Zijn gordel en 't gevest zijn zwart, maar glanzend is zijn zwaard; Zwart zijn het kleed en 't zaâl, maar licht de hoeven van zijn paard.

Lisaro draagt op zijn muts een lauriertakje, dat zijn geliefde, Zayda, hem gegeven heeft:

En telkens keek hij naar de bloem, die hem zijn liefste gaf..., »God weet, of ik niet heden nog zal rusten in mijn graf.«

Maar hij blijft in het leven, en verovert zijn bruid, zooals wij lezen in het korte slotcouplet:

De jonge edelman rijdt voort, maar na een korten tijd Treft hij den vijand op zijn pad, en fel ontbrandt de strijd. De Zegri vocht den ganschen dag met woede om zijn bruid, En zegevierend voerde hij haar weg als oorlogsbuit.

DE BRUILOFT VAN ANDELLA.

Deze kleurrijke ballade is waarlijk Oostersch getint:

Sta op, sta op, Xarifa, kom aan het vensterraam, Zie naar de bonte vlaggen, met heel de stad tezaam; Hoor naar de zilv'ren tonen van de luiten en guitaren, Naar 't schetterend trompetgeschal, en 't lieflijk spel der snaren, Zie naar de bonte vaandelpracht van venster en balkon, En naar des bruigoms vederbos, die wappert in de zon. Sta op, sta op, Xarifa, kom aan het vensterraam, Zie naar de bonte vlaggen, met heel de stad te zaam.

Maar de jonkvrouw wilde niet kijken, want Andella, de bruidegom, had zich trouweloos tegenover haar gedragen. De ballade-literatuur is niet bepaald een getuigenis van menschelijke standvastigheid. In het land der balladen wemelt het van ontrouwe jongelingen, zwarte en witte, hoog- en laaggeborenen. Wellicht werd de Engelsche wet op het verbreken der trouwbelofte ontworpen door een taalgeleerde, die bijzondere studie van de ballade gemaakt heeft; hoe het zij, deze wet schijnt een einde te hebben gemaakt aan het schrijven van balladen, waarschijnlijk omdat zij de voornaamste voorwaarde daarvoor heeft weggenomen.

ZARA'S OORRINGEN.

Deze ballade draagt het karakter van een volkslied. Misschien is zij van Moorschen oorsprong, maar schijn bedriegt wel eens. In ieder geval is zij bekoorlijk genoeg om gedeeltelijk te worden weergegeven.

»Mijn oorringen, mijn oorringen, zij vielen in de bron, Wist ik maar, wat ik Muça, mijn liefste, zeggen kon!« En stil en treurig hoorde zij naar 't zacht fonteingeklater. »Zij liggen in de diepe bron, in 't koude, blauwe water. Hij gaf ze mij bij het vaarwel, en kuste mij zoo teêr, 'k Weet niet, wat ik hem zeggen moet, komt hij eens tot mij weer!«

Het meisje besloot eindelijk tot het beste, wat zij in de gegeven omstandigheden doen kon, nl. de waarheid te zeggen. Er bestaan talrijke romances over dezen Muça, die van hooge geboorte schijnt te zijn geweest, evenals Celin of Selin, aan wien Lockhart en Depping ook eenige bladzijden gewijd hebben.

ROMANTISCHE BALLADEN.