Legenden en Romances van Spanje
Chapter 17
»Is het waar, Don Alarcos«, vroeg hij, »dat gij mijn dochter trouw beloofd hebt, en dat gij haar hebt bedrogen? Luister dan goed naar mij: Uw vrouw neemt de plaats in, die mijn dochter toekomt: zij moet dus sterven. Neen, ga niet weg! Verspreid het bericht, dat zij aan een ernstige ziekte gestorven is, en dan moet gij de Infante huwen. Gij hebt schande gebracht over uw Koning, en hij eischt van u het eerherstel, dat gij bij machte zijt te geven.«
»Ik kan niet ontkennen, dat ik de Infante bedrogen heb«, antwoordde Alarcos. »Maar ik smeek u, heb medelijden, en spaar mijn onschuldige vrouw. Straf mij zoo zwaar als gij wilt voor mijn misdaad, maar tref mijn vrouw niet.«
»Het is onmogelijk«, antwoordde de strenge oude Koning. »Ik zeg u, dat zij sterven moet, en dat nog dezen nacht. Wanneer het wapenschild van een Koning bevlekt is, doet het er niet toe, of het bloed, dat deze vlek moet uitwisschen, schuldig of onschuldig is. Ga heen, en volg mijn bevel op, of gij zult uw misdaad met uw leven betalen.«
Beangst door de gedachte aan een verradersdood, want zulk een einde was het vreeselijkste, wat een Castiliaansch edelman zich kon denken, stemde Alarcos erin toe, het bevel des Konings uit te voeren, en hij reed naar huis, wanhopig, en gekweld door het vreeselijkste berouw. De gedachte, dat hij de vrouw zou moeten dooden, die hij zoo innig lief had, de moeder zijner drie mooie kinderen, maakte hem waanzinnig van smart; en toen hij haar bij de poort van zijn kasteel ontmoette, vergezeld van hare kinderen, en zoo onverholen toonende, hoe verheugd zij was over zijn terugkeer, trok hij zich uit haar liefkoozing terug, en hij kon slechts stamelen, dat hij slecht nieuws had, dat hij haar in haar kamer zou mededeelen.
Zij nam haar jongste kind bij de hand, en bracht hem naar hare vertrekken, waar het avondmaal was neergezet. Maar Graaf Alarcos kon eten noch drinken, en hij legde het hoofd op de tafel en schreide, alsof zijn hart zou breken. Toen herinnerde hij zich zijn vreeselijk voornemen, hij grendelde de deuren, en plaatste zich met overelkaar geslagen armen voor zijn vrouw, om zijn zonde te bekennen.
»Lang geleden heb ik een jonkvrouw liefgehad,« zeide hij. »Ik beloofde haar trouw, en sloot een geheim huwelijk met haar. Zij is de dochter des Konings. Zij eischt mij voor zich op, en wil, dat ik mijn belofte aan haar nakom. De Koning, wee mij, dat ik het zeggen moet! heeft bevolen, dat gij sterven moet, en dat nog dezen avond.« »Wat,« riep de gravin verschrikt, »is dit de belooning voor mijn trouwe liefde voor u, Alarcos? Waarom moet ik sterven? O, zend mij terug naar mijn ouderlijk huis, waar ik in vrede en vergetelheid leven kan, en mijn kinderen kan opvoeden, zooals ik dat tegenover uwe kinderen verplicht ben.«
»Het is onmogelijk,« antwoordde de rampzalige Graaf; »ik heb mijn woord gegeven.«
»Ik heb geen vrienden in dit land,« riep de ongelukkige vrouw uit, »maar laat mij tenminste mijne kinderen kussen, voordat ik sterf.«
»Gij moogt het kleintje, dat aan uw borst rust, omhelzen,« kermde Alarcos; »de andere kinderen moogt gij niet meer zien. Maak u gereed om te sterven.«
De veroordeelde Gravin kuste haar kindje, prevelde een Ave, stond op en smeekte haar hardvochtigen echtgenoot, goed voor de kinderen te zijn. Zij schonk hem vergiffenis, maar legde op den Koning en zijn dochter de vreeselijke vloek, die in de middeleeuwen onder het volk bekend was als Het Gericht der Stervenden, waarvan zoo menigmaal werd gebruik gemaakt door hen, die onschuldig ter dood veroordeeld waren. Door middel van deze vervloeking riep het slachtoffer zijn moordenaars op, om binnen dertig dagen met hem voor Gods troon te verschijnen, om zich voor het aangezicht van hun Schepper te verantwoorden over hun misdaad.
De Graaf worgde zijn vrouw met een zijden zakdoek en toen de afschuwelijke daad volbracht was, en zij verstijfd terneder lag, riep hij zijne vasallen te zamen, en gaf hij zich over aan zijn groote droefheid.
Binnen twaalf dagen stierf de wraakgierige Infante onder vreeselijke pijnen; acht dagen later gaf de hardvochtige Koning den geest, en voordat de maand voorbij was, overleed ook Graaf Alarcos. Wreed en tragisch als een Grieksch treurspel is de geschiedenis van Alarcos. Maar bij het lezen ervan, en onder den indruk van de diepe ontroering, die zich daarbij van ons meester maakt, kunnen wij er moeilijk een legende in zien, en wij weten niet, voor wie wij den grootsten afschuw gevoelen: voor de wraakgierige Prinses, den wreeden Koning of den laffen echtgenoot, die zijn liefhebbende en trouwe gade opofferde aan het merkwaardige begrip van »eer«, dat onder de edellieden van dien tijd heerschte, en waarvoor bijna evenveel menschen in den dood zijn gegaan, als voor iederen anderen vorm van bijgeloof of fanatisme.
HOOFDSTUK IX: DE ROMANCEROS OF BALLADEN.
De Ilias zonder een Homerus.
Lope de Vega.
De naam romancero wordt in het moderne Spaansch eigenlijk uitsluitend toegepast op een bepaalden versvorm, een verhalend gedicht, dat geschreven is in zestienlettergrepige regels, die alle in eenzelfden assonant eindigen. Oorspronkelijk werd het woord gebruikt voor die dialecten of talen, die aan het Romaansch of Latijn verwant waren, de spreektaal dus van het oude Rome in hare moderne vormen. Later duidde men er slechts de geschreven vormen dezer talen mede aan, en ten slotte alleen maar den poëtischen lyrisch-verhalenden vorm, zooals wij reeds eerder opmerkten. De romancero verschilt dus van de romance hierin, dat zij in verzen geschreven is; en het blijkt uit hetgeen hierboven gezegd is, dat de naam »romance« ontstaan is in het overgangstijdperk, toen het woord werd gebruikt voor hetgeen geschreven werd in modern Latijnsch-Castiliaansch, Portugeesch, Fransch en Provençaalsch, onafhankelijk van de omstandigheid, of het proza of poëzie was. Wij hebben gezien, dat feitelijk alle echte romances--zooals Amadis, Palmerin en Partenopex--in proza geschreven waren, maar de romancero was vóór alles een verhaal in verzen. Zoo behooren de drie verhalen, die wij in het vorige hoofdstuk behandelden, tot de groep der romanceros--een versvorm, die, zooals wij zullen zien, even geliefd was bij de lagere volksklassen van het Schiereiland als de echte romance dat was bij den hidalgo en den caballero. De romancero was dus de volksballade van Spanje.
In een vorig hoofdstuk heb ik getracht de verschillende typen van de Spaansche ballade of romancero als volgt te schetsen:
1. Die, welke in vroeger tijd uit het volk zijn voortgekomen.
2. Die, welke gebaseerd zijn op gedeelten van de kronieken of cantares de gesta.
3. Volksballaden van betrekkelijk laten datum.
4. De latere balladen, die het uitvloeisel waren van een bewuste kunst.
Wij kunnen de Spaansche balladen verdeelen in twee groote groepen:
1. Die, welke uit het volk zijn voortgekomen.
2. Letterkundige producten.
Wat de eerste soort der romanceros betreft, ik heb er evenmin als Sancho Panza een oordeel over, hoe oud zij zijn. Over deze vraag zijn de tegenstrijdigste beweringen geuit, maar zooals ik reeds gezegd heb, het zou al heel verwonderlijk zijn, wanneer geen overblijfselen van het oude Castiliaansche volkslied in een veranderden vorm tot ons gekomen waren. Ik meen, dat het volkslied een even groote kans heeft, bewaard te blijven, als een oude gewoonte of een legende, en wij weten hoe deze in bepaalde streken onveranderd bewaard zijn gebleven. Ik zie dus niet in, waarom niet een zeker aantal oorspronkelijke Spaansche balladen tot ons gekomen zouden zijn in een veranderden vorm, zoodat degeen, die ze dichtte ze niet herkennen zou als zijn schepping; want ook de dichter van Tom de Rijmer, de oude Schotsche ballade, zou zijn werk niet meer herkennen, wanneer hij het in den lateren vorm weer onder de oogen zou hebben gekregen.
Welke geleerde argumenten, hetzij oudheidkundige, of taalkundige, men hiertegen ook zou aanvoeren, niemand zal mij deze overtuiging kunnen ontnemen. Voor sommige menschen is de oudheid een warm en levend iets, een wereld, waarvan zij de paden en gewoonten beter kennen dan van de wereld, waarin zij nu leven. Voor anderen is de oudheid--een museum. Ik heb niets tegen de beheerders van dat museum, en ik lees met genoegen hunne boeken, die een land beschrijven, dat door weinigen van hen bezocht is. Maar wanneer zij er op staan, een bewijs te weerleggen, dat geleverd is door een instinct, dat zij missen, dan worden zij vervelend. De oudheidkunde heeft, evenals de kunst, hare ingevingen, haar hoogere visie, en het is betreurenswaardig, dat zij, die deze intuitie missen, de juistheid hunner opvatting willen bewijzen door doode logica.
Daarom zal ik niets meer zeggen over den ouderdom der balladen van het Oude Spanje, maar wil ik slechts met Sancho Panza opmerken, »dat zij te oud zijn om te liegen.« Ik heb duidelijk aangetoond, dat voor een aantal balladen de stof werd geput uit de kronieken en cantares, een omstandigheid, die op zichzelf al pleit voor hun betrekkelijk hoogen ouderdom. Wij zullen ons hier niet bezighouden met de latere kunstmatige imitaties van Góngora en Lope de Vega en met andere producten van eenzelfde soort. Wij kunnen ten slotte slechts de Spaansche balladen nemen, zooals wij ze in de cancioneros vinden. Evenals de balladen van Schotland en Denemarken zijn de Spaansche balladen eeuwen geleden verzameld en uitgegeven, en in de bladzijden der cancioneros is oud en nieuw, volkslied en letterkundig product, zonder eenig oordeel des onderscheids bijeen gevoegd. Laat ons dus de geschiedenis dezer cancioneros eens nader beschouwen, deze schatkamer der dichtkunst van een volk, en laat ons hun ontwikkelingsgang volgen, om te komen tot de Spaansche ballade in het algemeen. Wanneer wij dit hebben gedaan, kunnen wij hun oorsprong behandelen met kritisch oordeel en met juist begrip.
DE »CANCIONERO GENERAL«.
Met uitzondering van de fragmentarische verzameling van Juan Fernandez de Constantina, werd de Cancionero General of het »Algemeen Liederenboek«, zooals men het zou kunnen noemen, verzameld en uitgegeven in het begin der zestiende eeuw door een zekeren Fernando del Castillo. De balladen, die er in voorkomen zijn, noch naar tijdsorde, noch naar inhoud, stelselmatig gerangschikt, ofschoon de voortbrengselen der verschillende schrijvers gescheiden zijn gehouden. Er volgden verscheiden nieuwe uitgaven van dit werk, en telkens wanneer de verzameling werd uitgebreid, werd het nieuwe gedeelte achter het oude gevoegd. De verzameling bestaat voor het grootste gedeelte uit de balladen van schrijvers uit de vijftiende en het begin der zestiende eeuw, zooals Tallante, Nicolas Núñez, Juan de Mena, Porticarrero en den nog ouderen Markies de Santillana.
Het eerste gedeelte van het werk wordt ingenomen door geestelijke liederen (obras de devoción). Deze zijn eentonig en zeer fanatiek. De daarop volgende »zedelijke liederen« zijn al evenmin aantrekkelijk; zij geven zinnebeeldige voorstellingen van deugden en ondeugden volgens de opvattingen van een schoolsche filosofie. De liefdesgedichten uit de verzameling zijn meer eenvoudig dan poëtisch; er ontbreekt diep gevoel aan en er is iets kouds en kunstmatigs in het eeuwig herhalen van uitdrukkingen van vurige hartstocht en uitbundig leed over ongestild liefdesverlangen, vermengd met een pseudo filosofisch beroep op het verstand. Toch ontbreken ook de vroolijke, sierlijke liefdesliedjes niet in dezen bundel, zooals bv. »Muy más clara que de luna« van Juan de Meux, of »Pensamienti, pues mostrays«, van Diego Lopez de Haro. Maar ook deze ontaarden in een wijsgeerige verhandeling, en het teedere gevoel, waaruit zij geboren zijn, en waarvan hun aanvang getuigde, loopt uit in vervelende en onbeteekenende redeneeringen.
Boeiender zijn de canciones of lyrische gedichten, die al iets moderner zijn, en reeds een eigen karakter en metrischen vorm vertoonen. Zij bestaan gewoonlijk uit twaalf regels, en zijn in twee gedeelten gescheiden. De eerste vier regels bevatten de gedachte waarop het gedicht is gebaseerd, en die in de acht volgende regels wordt uitgewerkt of toegelicht. De Cancionero General bevat honderdzesenvijftig van deze gedichtjes, en sommige daarvan behooren tot het beste uit den geheelen bundel. Waarschijnlijk is hun beknoptheid wel de voornaamste oorzaak van hun poëtische waarde. Een daaraan verwante vorm is de villancico, een versje van gewoonlijk drie of vier regels, een invallende gedachte, een gedichtje, waarin een vluchtige ontroering is vastgelegd.
DE »ROMANCERO GENERAL«.
De titel Romancero General werd gegeven aan verscheiden verzamelingen van Spaansche liederen en verhalende berijmde romances, die in de zeventiende eeuw en later zijn uitgegeven. Alleen de oudere hiervan komen in aanmerking voor een nadere beschouwing. De eerste bundel der verzameling van Miquel de Madrigal verscheen in 1604; een ander werk, dat meer dan duizend romances bevat, en dat denzelfden naam draagt, werd in hetzelfde jaar uitgegeven. Zeer belangrijk is ook de verzameling van Pedro de Flores (1614). Dit is een bloemlezing, die blijkbaar is samengesteld door een boekhandelaar, maar dat doet niets af aan de waarde van het geheel; onjuist is echter de bewering van den uitgever, dat deze verzameling alle Spaansche romanceros bevat, want wij vinden er geen enkel gedicht uit de Cancionero General in. Al deze bundels bevatten een groot aantal liefdesliederen van de soort waarvan de Cancionero General er zoovele geeft; maar deze zijn voor ons niet van groote beteekenis, en onze belangstelling gaat meer uit naar de echte romanceros. Deze stammen voor het grootste gedeelte uit de vijftiende eeuw, en zij handelen voornamelijk over de burgeroorlogen van Granada, het laatste Moorsche Vorstendom in Spanje, en over de heldhaftige en ridderlijke avonturen van Moorsche ridders. Het is in dit werk, dat wij voor het eerst een Moorsch element in de Spaansche letterkunde waarnemen, waarover wij reeds in een vorig hoofdstuk spraken; maar daarmede willen wij volstrekt niet zeggen, dat deze gedichten een navolging waren van Moorsche poëzie. Maar er zijn ook vele Castiliaansche onderwerpen en verhalen in te vinden, zooals alles wat betrekking heeft op Roderick, Bernaldo de Carpio, Fernán González, de Infantes van Lara en de Cid. De meeste dezer verhalen zijn geschreven door menschen uit het volk, de laatste vertegenwoordigers van het geslacht der jùglares, die de cantares de gesta [24] hadden gedicht of voorgedragen.
Van alle moderne critici is James Fitzmaurice Kelly zeker wel degeen, die het best op de hoogte is, waar het de romancero betreft. In zijn knap werk over Spaansche letterkunde voert hij ons door de belangrijkste provincies van het rijk der Spaansche dichtkunst, en wijdt hij aan de romancero ongeveer veertig bladzijden, die, zoowel om het kritisch oordeel als om de conclusies, waartoe hij komt, interessant zijn. Hij put zijn stof uit Lockhart's Spaansche Balladen, en levert een geestige kritiek op de verzameling van den Schotschen vertaler. Een betere handleiding voor den Engelschsprekenden lezer zou moeilijk gevonden kunnen worden, want het boek van Lockhart is algemeen bekend, en werd in den tijd van Koningin Victoria in de woning van bijna elk ontwikkeld Engelschman aangetroffen. Wij zullen dus het voorbeeld van Kelly volgen, en uit de vertalingen van Lockhart de balladen, die ons het belangrijkst voorkomen, wat het onderwerp en de bewerking betreft, aan een nadere beschouwing onderwerpen. In navolging van Depping verdeelt Lockhart zijn hoofdstuk over de balladen in drie paragraphen: een Historisch, een Moorsch en een Romantisch gedeelte. Met de eerste twee groepen, of juister gezegd, met de onderwerpen daarvan, nl. Koning Roderick en Bernaldo de Carpio, hebben wij in een vorig hoofdstuk reeds kennis gemaakt.
DE CIJNS DER MAAGDEN.
Deze ballade heeft tot onderwerp den eisch van den Moorschen Vorst Abderahman, dat hem jaarlijks honderd Christenmaagden zouden worden gebracht. Koning Ramiro weigerde aan dezen schandelijken eisch te voldoen en trok ten strijde tegen den Moor. Twee dagen lang werd er gevochten bij Alveida en aan het einde van den eersten dag had het er allen schijn van, dat de Saracenen tengevolge van de strenge discipline die in hun leger heerschte, de overwinning zouden behalen over de Castilianen. Maar in den nacht verscheen de schutspatroon van Spanje, St. Jago, den Koning in den droom, en hij beloofde hem voor den volgenden dag zijn bijstand op het slagveld. Des morgens werd de strijd hervat, en de Heilige voerde, zooals hij beloofd had, het Spaansche leger aan, zoodat de Saracenen verslagen werden. Daarna werd de cijns der maagden nooit meer betaald.
De vertaling van Lockhart blijft ver beneden het oorspronkelijke gedicht, en Kelly wijdt er dan ook slechts weinig woorden aan.
GRAAF FERNÁN GONZÁLEZ.
»De ontvluchting van Graaf Fernán González«, waarvoor de stof is geput uit de oude Estoria del noble caballero Fernán González, een populaire bewerking van de Cronica General (1344), is van lateren datum dan twee andere balladen, die volgens Kelly en anderen verloren zijn gegaan. Aan den naam van dezen ridder is een schat van legenden verbonden, en een reeks van romanceros werden door hem geïnspireerd. Maar moeten wij daarom aannemen, dat in elk geval, waarin een beroemde persoonlijkheid het onderwerp van balladen is, deze onveranderlijk zijn voortgekomen uit één groot heldendicht, dat zich heeft opgelost in kleinere volksliederen? Is er één zeker bewijs voor de veronderstelling, dat zulk een proces ooit heeft plaats gehad? En geeft het ontbreken van zulk een bewijs eenige zekerheid, dat het tegendeel het geval was? Praktische dichters (Voor zoover een dichter ooit praktisch zijn kan) staan eenigszins afwerend tegenover deze stelling: zij erkennen een principieel verschil tusschen den geest van het heldendicht en dien van het volkslied, en zij zijn van oordeel, dat in het geval, waarin beide hetzelfde onderwerp bezingen, de keus een toevallige was, en niet het noodzakelijk gevolg van een natuurlijk ontwikkelingsproces.
Fernán González had zijn romantische reputatie voornamelijk te danken aan zijn vrouw, die hem bij tenminste twee gelegenheden uit de gevangenis verloste. In de ballade, die deze gebeurtenissen beschrijft, wordt zij voorgesteld als een trouwe, liefhebbende gade, en een ware heldin. González was door zijne vijanden gevangen genomen en naar een vesting in Navarra gebracht. Een Moorsch ridder, die door dat land reisde, verzocht den gouverneur van het kasteel om een onderhoud met den gevangene, en daar hij hem een groote som aanbood, liet de hooge beambte zich gemakkelijk omkoopen. Toen het onderhoud geëindigd was, vertrok de ridder weer, en hij begaf zich naar het paleis van Koning Garcia van Navarra, die González had laten gevangen zetten. Een van de beschuldigingen tegen den gevangene schijnt te zijn geweest, dat hij Garcia om de hand zijner dochter had gevraagd, en het was tot deze prinses, die den gevangene heimelijk liefhad, dat de ridder de volgende woorden sprak:
De Mooren mogen juichen, maar groot is Spanje's leed: Zijn ridder is gevangen, die voor Castilië streed. De Mooren overstroomen als een rivier het land, Vervloekt de Christenkoning, die bindt González hand.
In het holst van den nacht stond de Infante op en zij begaf zich geheel alleen naar het kasteel, waar González gevangen zat; daar bood zij den gouverneur zulk een groote som aan, dat hij voor de verzoeking bezweek en het zijn gevangene mogelijk maakte te vluchten. Maar de handen van den held waren nog steeds geboeid, en toen het paar werd aangehouden door een jager-priester, die dreigde hun verblijfplaats aan de houtvesters van den Koning te verraden, indien de Infante zich niet aan hem gaf, was González niet in staat, hem te straffen zooals hij dat verdiende. Maar toen de ellendeling de prinses omhelsde, greep zij hem bij de keel, en González raapte de speer op, die hij had laten vallen, en doodde hem daarmede. Eenigen tijd daarna ontmoetten zij een afdeeling van zijne eigen manschappen, en hiermede eindigt de nacht, die zoo rijk was aan gebeurtenissen.
DE INFANTES VAN LARA.
Er zijn weinig Spaansche romanceros, die een treffender en tragischer onderwerp behandelen dan den moord van de ongelukkige Infantes of Prinsen van Lara, door hun verraderlijken oom, Ruy of Roderigo Velásquez. Fitzmaurice Kelly veronderstelt, dat één dezer romanceros is ontstaan uit een verloren heldengedicht, dat tusschen 1268 en 1344 werd geschreven, »of misschien wel uit een verloren imitatie van dit verloren heldengedicht.« Het lijkt mij vreemd toe, dat al deze gedichten verloren zouden zijn gegaan. Verder beweert hij, dat Lockhart van »krachtiger« balladen gebruik had moeten maken om een juisten indruk te geven van deze legende, maar ik vind, dat hij met deze bewering onrecht doet aan de mooie en levendige vertaling van »De Wraak van Mudara.«
O, vergeefs heb 'k gedood de Infantes van Lara, Want een erfgenaam leeft nog, de bastaard Mudara, 't Is het jong van de afvallige, 't heidensche broed: O, moge mijn speer eens vergieten zijn bloed!
Wanneer ik deze regels lees, komt de herinnering tot mij, aan een groote, rustige kamer, waarvan de kleine vensters uitzien op een wildernis van tuinheesters, die gebaad zijn in die onwezenlijke gele kleur, die slechts de avondschemering geven kan. Op de tafel van wormstekig rozenhout ligt een deel van de Spaansche Balladen, in een beschadigden leeren prachtband uit de dagen, waarin zulke boeken nog ten geschenke werden gegeven, en slechts voor pronk dienden. Als kind van tien jaar was ik deze kamer binnen geslopen, dit hemelsch verblijf van rozenbladeren en snuisterijen; en toen ik zonder een bepaald doel het boek opende, viel mijn oog op bovenstaande dichtregels. Voor het eerst in mijn leven werd ik getroffen door de schoonheid van het rhytme, van muziek in woorden. De verzen hechtten zich vast in mijn brein. En terwijl ik het boek doorbladerde totdat de duisternis viel, scheen het mij toe, dat er niets mooiers denkbaar was, dat er geen verzen konden bestaan, waarin zulk een heerlijke gang zat. Maar ik had eenmaal uit dezen beker gedronken, en mijne dagen en nachten werden een hunkeren naar woorden, die tegelijk muziek zouden zijn. Het duurde geruimen tijd voordat ik iets ontmoette, dat het heerlijke rhytme van »De Wraak van Mudara« overtrof of zelfs evenaarde. De jaren hebben mij in aanraking gebracht met veel schoons, waarnaast mijn eerste ontdekking verbleekte, boeken van een fijneren geest, die mij een diepe ontroering gaven; maar geen enkel dichtwerk was mij ooit zulk een openbaring als deze bladzijde van dit onvergetelijke boek in die onvergetelijke kamer.
De eerste der balladen, waarin Lockhart het onderwerp van de Infantes van Lara behandelt, (want het gedicht, waarvan zooeven sprake was, volgt op deze ballade) is getiteld: »De zeven Hoofden«, en beschrijft den moord van de ongelukkige prinsen. Uit de Historia de España van Juan de Marinia (1537-1624) leeren wij, dat in het jaar 986 Ruy Velásquez, Heer van Villaren, te Burgos in het huwelijk trad met Donna Lombra, een jonkvrouw van hooge geboorte. Deze gebeurtenis werd met schitterende feesten gevierd, en onder de gasten bevonden zich Gustio González, Heer van Salas en van Lara, en zijne zeven zonen. Deze jongelingen uit het geslacht der Graven van Castilië, waren bekend om hun grooten moed en ridderlijkheid, en allen waren zij op denzelfden dag tot ridder geslagen.