Legenden en Romances van Spanje

Chapter 16

Chapter 163,973 wordsPublic domain

De overlevering vermeldt dan, hoe Roderick, toen hij op het punt stond zich in de golven der Guadalquivir te storten, plotseling beschenen werd door een hemelsch licht en hoe een innerlijke stem hem bezwoer te blijven leven, om boete te doen voor zijne zonde. Hij volgde den raad van deze stem op, ontdeed zich van de teekenen zijner koninklijke waardigheid, trok de eenvoudige kleederen van een gesneuvelden boer aan, en verliet heimelijk het slagveld. Gedurende den geheelen nacht liep hij door, gekweld door de vreeselijkste visioenen van goddelijke wraak. Waarheen hij den blik wendde, overal zag hij de gruwelijke gevolgen van zijn nederlaag. En verder strompelende over de slagvelden, werd hij diep getroffen door de tooneelen van verwoesting. Na zeven dagen kwam hij eindelijk bij het klooster Canlin aan, dat gelegen was aan de oevers van de rivier Ana, in de nabijheid van Minda. Het klooster was geheel verlaten, maar de rampzalige vluchteling wierp zich voor het altaar neder, om in gebed zijn noodlot af te wachten, want hij was er vast van overtuigd, dat de heidenen hem zouden opsporen en dooden. Hij voedde de lampen met olie, en verliet slechts zoo nu en dan het altaar, om te zien of de Saracenen naderden. Hij lag voor het crucifix geknield, en omvatte de voeten van het beeld des Verlossers, terwijl hij bloedige tranen van het diepste berouw schreide. Terwijl hij daar in het stof gebogen terneder lag, bemerkte hij, dat iemand de kapel was binnengetreden, en toen hij de oogen opsloeg, in de hoop, dat het kromme zwaard van een Moorsch soldaat hem den verlossenden dood zou brengen, zag hij tot zijn verbazing een monnik, die hem vriendelijk toesprak en hem zeide, dat hij naar het klooster, dat hem vijf en zestig jaren tot woonplaats had gediend, was teruggekeerd in het vertrouwen, dat hij zou mogen sterven door de hand van een heiden, en dat hij op deze wijze den martelaarskroon zou verwerven.

Roderick openbaarde den monnik wie hij was, en de vrome man, die diep getroffen was door den toon van innig berouw die uit zijne woorden sprak, knielde naast hem neder, en verleende den rampzaligen vorst gedurende den langen nacht geestelijken bijstand. Hij zeide hem, dat hij moest blijven leven, werkende aan het heil zijner ziel; en toen de morgen aanbrak verlieten de oude priester en hij, die gisteren nog een der machtigste koningen van het Christendom was geweest, de kapel, om hun moeilijken weg te gaan.

De vrome monnik bracht den onttroonden Koning naar een hut, waar hij hem verder geestelijken raad gaf en hij beval hem op deze plaats te blijven, zoo lang dit God zou behagen. »Wat mij betreft«, sprak hij, »over drie dagen zal ik uit deze wereld scheiden; dan moet gij mij begraven, mijne kleederen aantrekken en tenminste een jaar hier blijven om honger en koude en dorst te lijden uit liefde voor onzen Heer, opdat Hij zich over u ontferme.« Zooals de kluizenaar voorspeld had, gaf hij drie dagen later den geest. Roderick was diep bedroefd over zijn dood; hij maakte zich dadelijk gereed om zijn laatste wenschen uit te voeren, en groef met zijn bloote handen en met behulp van een boomtak een graf voor den vromen monnik. Toen hij hem aan de aarde wilde toevertrouwen, zag hij, dat de doode kluizenaar een papierrol in de hand had, die beschreven was met raadgevingen omtrent zijn toekomstige levenswijze in de kluizenaarshut. De onttroonde Koning las het geschrift met groote aandacht, en hij besloot de aanwijzingen nauwkeurig te volgen.

Maar Satan was niet van plan den Koning ongehinderd te laten arbeiden aan de redding zijner ziel, en hij verscheen hem dienzelfden nacht, terwijl hij bezig was den kluizenaar in het graf te leggen. Hij kwam in de gedaante van een priester, zijn gelaat was verborgen in de monnikskap, terwijl een lange witte baard hem een eerwaardig voorkomen gaf, en hij leunde op een stok, alsof hij kreupel was. Roderick dacht, dat hij een vriend van den dooden kluizenaar was en wilde hem de hand kussen, maar de Booze week achteruit en zeide: »Het zou niet gepast zijn, wanneer een Koning de hand zou kussen van een eenvoudig dienaar van God.« Toen de Koning bemerkte, dat zijn bezoeker bekend was met zijne omstandigheden, hield hij den Duivel voor een heilige, die zich op deze wijze aan hem openbaarde. »Helaas«, zeide hij, »ik ben geen Koning, maar een ellendige zondaar, van wien het beter zou zijn geweest indien hij nooit geboren ware, zooveel wee is over het land gekomen door mijn misdaad.«

»Gij zijt niet zoo schuldig als gij wel meent«, antwoordde Satan, »want de ramp, waarover gij spreekt, zou in ieder geval het land getroffen hebben, God heeft het zoo gewild, en het was niet uw schuld. Dit zijn niet mijn woorden, maar het is de geest van God, die door mijn mond spreekt.« De Booze zeide daarna, dat hij den langen weg van Rome te voet had afgelegd om Roderick in zijn strijd bij te staan, en toen de Koning dit hoorde, was hij zeer verheugd en luisterde met grooten eerbied naar de woorden, die Satan sprak en die ten doel hadden den invloed van den dooden kluizenaar door allerlei drogredenen te vernietigen. Maar toen de Koning den pseudo-heilige verzocht hem te helpen bij het begraven van het stoffelijk omhulsel van den kluizenaar, was hij zeer verbaasd, hem niettegenstaande zijn voorgewende kreupelheid de vlucht te zien nemen.

Den volgenden middag kwam de duivel terug met een mand vol van de heerlijkste spijzen en dranken. Maar de doode monnik had Roderick bevolen, niets anders te eten dan het grove brood, dat de herders hem éénmaal per week zouden brengen; en gedachtig aan dit bevel, weerstond hij den verleider. Het gesprek tusschen den Koning en Satan wordt dan verder met de gebruikelijke middeleeuwsche langdradigheid uitgewerkt, en is een getrouwe afspiegeling van de haarkloverij en het theologische geredekavel van dien tijd. Maar zelfs van een schrijver uit de middeleeuwen zou men hebben mogen verwachten, dat hij het onderhoud van den Koning met den Heiligen Geest zou hebben weggelaten, en wat dit betreft volsta ik dan ook met de vermelding, dat op een woord van den Heiligen Geest de Booze ontvluchtte in zijn ware gedaante van een vreeselijken duivel.

DE KRIJGSLIST VAN SATAN.

Maar de Booze gaf het nog niet op, want op zekeren avond, toen de zon onderging, zag de koninklijke kluizenaar iemand naderen, die met groot vertoon van pracht en praal aan het hoofd reed van een gewapenden troep. Toen de stoet dichterbij kwam, herkende Roderick tot zijn verbazing in den aanvoerder Graaf Julianus, die hem naderde met groot eerbetoon, hem de hand wilde kussen, en zich, zijn verraad volledig bekennende, aan den wraak en de rechtvaardigheid van den Koning overgaf. De pseudo-Julianus smeekte hem op te staan en weer de plaats in te nemen, die hem toekwam aan het hoofd der Spaansche troepen, opdat de heidenen uit Spanje verdreven zouden worden. Maar Roderick, die een nieuwe duivelsche list vermoedde, schudde het hoofd en verzocht Julianus zelf het opperbevel over het Gothische leger te aanvaarden, daar zijn gelofte hem niet toestond zich langer met wereldsche zaken bezig te houden. Julianus keerde tot zijne volgelingen terug, onder wie Roderick verscheiden ridders ontdekte, van wie hij dacht, dat zij gesneuveld waren, en dezen ondersteunden met warmte het verzoek van hun aanvoerder. Maar toen de helsche machten zagen dat zij hun pleit niet konden winnen, trokken zij zich terug naar de lager gelegen vlakte, waar zij zich opstelden in gevechtspositie, alsof zij een vijandelijken aanval afwachtten. En zie! daar rukte een menigte pseudo-heidenen voorwaarts, zoodat er een vreeselijk bloedbad volgde. Het scheen den Koning, die in angstige spanning het schouwspel gadesloeg, dat zij, die het Christelijk leger voorstelden, de heidenen op de vlucht dreven, en er kwamen ijlboden naar de kluizenaarshut met de mededeeling, dat zijne troepen een schitterende overwinning hadden behaald. Maar toen de haan kraaide, verdween het geheele schouwspel van den veldslag als rook in den wind, en toen wist de Koning, dat hij ten tweeden male de verlokkingen des Duivels had weerstaan.

Gedurende drie maanden liet Satan Don Roderick nu met rust; maar na verloop van dien tijd zond hij hem een beproeving, die zwaarder was dan alle verleidingen, die hij tot nu toe had weerstaan. Terwijl hij zijne gebeden opzegde op het uur van de vesper, zag hij een stoet ruiters in de richting van zijn hut komen, en toen zij daar stilhielden en afstegen, kwam een jonkvrouw op hem toe in de gedaante van dezelfde Cava, de dochter van Graaf Julianus, die hij zulk een gruwelijk onrecht had aangedaan. Bij haar aanblik stond het hart van den rampzaligen Koning bijna stil, maar voordat hij een woord kon uitbrengen, vertelde zij hem, dat haar vader het zwaard tegen de Mooren gekeerd had, en hen had overwonnen; dat Eliaca, de echtgenoote des Konings, gestorven was, dat een monnik haar bevolen had, Don Roderick op te sporen en hem zoo spoedig mogelijk te huwen, en dat hij haar voorspeld had, dat zij het leven zou schenken aan een zoon, Elbersan genaamd, die de geheele wereld onder den scepter van Spanje zou brengen. Toen Roderick deze woorden hoorde, begon hij vreeselijk te beven, want hij had Cava zeer liefgehad. Zij gaf hare dienaren bevel, een tent op te slaan in de nabijheid van de kluizenaarshut en de leden van haar gevolg richtten een overvloedig maal aan. Toen de Koning haar groote schoonheid aanschouwde, sidderde hij, alsof hij door een beroerte was getroffen, maar hij vouwde zijne handen in gebed en wendde zich tot God, smeekende, dat Hij deze verzoeking aan hem zou laten voorbijgaan. Toen hij het teeken des Kruises maakte, ontvluchtte de valsche Cava hem, luidkeels schreeuwende, en de helsche machten, die haar vergezelden, volgden haar in zulk een hevige verwarring en met zulk een geweld, dat het scheen alsof de wereld verging. Nogmaals waarschuwde de Heilige Geest Don Roderick, op zijn hoede te zijn voor de listen des Duivels, en tot laat in den nacht stortte de berouwvolle, maar zegevierende Koning zijn dankbaar hart uit in gebeden tot God, die hem in Zijne goedertierenheid verlost had van den Booze.

DE DOOD VAN RODERICK.

De tijd naderde, waarop de Koning de plaats zijner afzondering zou verlaten, waar hij zoo menige vreeselijke verzoeking had weerstaan. Hij volgde de richting van een wolk, die hem leiden zou, gordde zijne lendenen en begaf zich op reis. Voordat de avond van den eersten dag viel, kwam hij bij een andere kluizenaarswoning, waar hij bleef overnachten. Na een reis van twee dagen bereikte hij een klooster, waarvan de naam niet genoemd wordt in de kroniek, en dat bestemd was zijn laatste rustplaats te zijn. De Abt van het klooster beval hem, naar een bron te gaan, die zich in de nabijheid der hut bevond, die hem als woonplaats werd aangewezen, en waar hij een gladden steen zou vinden. Dezen moest hij optillen en hij zou daaronder drie kleine slangen vinden, van welke de één twee koppen had. Deze tweehoofdige slang moest hij in een flesch plaatsen en haar in het geheim voeden, zoodat niemand van haar bestaan afwist; zij zou verborgen moeten blijven, totdat zij groot genoeg zou zijn, om haar lichaam langs den wand der flesch in drie kronkels te leggen en dan den kop naar buiten te steken. Dan moest hij haar in een graf leggen en er zelf ontkleed naast gaan liggen, want dit zou volgens den wil van God zijn boete zijn; dit alles had een stem den Abt geopenbaard in de kapel van het klooster.

Roderick volgde nauwgezet de voorschriften van den Abt op; hij vond de slang en wachtte geduldig totdat het tweehoofdige dier in de flesch tot vollen wasdom gekomen was. Toen ontkleedde hij zich in tegenwoordigheid van den Abt, en zocht het graf op, waarin hij zich nederlegde. Daarna nam de Abt een hefboom en plaatste daarop een grooten steen. Nadat de Koning daar drie dagen gelegen had, terwijl de Abt onder gebed de wacht hield, hief de slang hare koppen in de hoogte, en begon met één kop zijn zondige natuur en met het andere zijn hart te verslinden. Roderick lag onder vreeselijke kwellingen ter neder, maar ten slotte doorboorde de slang het hart, waarop de Koning onmiddellijk zijn geest aan God gaf, die in zijn Heilige Barmhartigheid hem in Zijn Heerlijkheid opnam. En in zijn stervensuur begonnen alle klokken van het klooster te luiden als werden ze door menschenhanden bewogen.

Zoo eindigt in den eigenaardigen geest van middeleeuwsche mystiek het droevige verhaal van Don Roderick van Spanje. Wie zal de diepe beteekenis verklaren van het slot dezer legende, tenzij men, zooals Thomas Newton in zijn Notable History of the Saracens gelooft, »dat de slang met de twee koppen beteekent zijn zondig en schuldig geweten?« Requiescas in pace, Domine Roderice!

HOOFDSTUK VIII: »CALAYNOS DE MOOR«, »GAYFEROS« EN »GRAAF ALARCOS«.

Ik neem deze drie romances te zamen in dit hoofdstuk, niet alleen omdat zij blijkbaar bij het publiek van het Oude Spanje in zulk een hooge gunst hebben gestaan, maar ook, omdat zij een juister beeld geven van den smaak en de gezindheid der bevolking, dan andere romances van dezelfde soort; wanneer zij tenminste niet op zichzelf een afzonderlijke groep vormden, wat ik altijd verondersteld heb op grond van het feit, dat in alle Castiliaansche verhandelingen over de romance, deze drie gedichten te zamen worden vermeld. Hieruit meen ik te mogen opmaken, dat deze drie romances een eigen genre vertegenwoordigden. Zij ademen dien geest van ernst en strengheid, die zoo kenmerkend is voor de zuiver Spaansche letterkunde, en tenminste in één dezer drie gedichten vindt men zoo duidelijk de atmosfeer van groote droefheid en van wreedheid, die slechts wordt opgewekt door Latijnsche en Grieksche treurspelen. Want zelfs niet de grootste meesters van het Noorden, Marlowe noch Massinger, Goethe noch Shakespeare, zijn er in geslaagd, met zulke sombere kleuren hunne tooneelen af te schilderen, als de Spanjaarden Calderon of Lope dat hebben gedaan.

CALAYNOS.

Calaynos, een van de beroemdste Moorsche ridders, is de held van verscheidene berijmde romances. Maar de meest bekende daarvan is de Coplas de Calainos, waarvan Lockhart zulk een goed geslaagde vertaling heeft geleverd in zijn Spaansche Balladen.

De Moorsche ridder, zoo verhaalt de romance, was verliefd op een jonkvrouw van zijn eigen ras, en om haar gunst te winnen, bood hij haar uitgebreide landerijen en ontzaglijke rijkdommen aan. Maar in haar overmoed weigerde zij deze eenvoudige hulde, en zij eischte van hem de hoofden van drie der dapperste ridders der Christenheid: Rinaldo, Roland en Olivier! Calaynos kuste haar tot afscheid en begaf zich oogenblikkelijk op weg naar Parijs. Daar aangekomen ontplooide hij de Moorsche banier voor de St. Janskerk en blies luid op zijn hoorn, waarvan Karel de Groote en zijne twaalf ridders dadelijk den klank herkenden, terwijl zij op jacht waren in het woud, dat eenige mijlen van de stad verwijderd was. Korten tijd daarna ontmoette de koninklijke stoet een Moor, en de Keizer vroeg hem uit de hoogte, hoe hij het durfde wagen zijn groenen tulband binnen de grenzen van zijn rijk te vertoonen. De Moor antwoordde, dat hij in dienst was van Calaynos, die Karel den Groote en al zijne ridders uitdaagde, en die hun aanval in Parijs afwachtte. Toen zij terugreden om met den overmoedigen heiden te strijden, stelde Karel de Groote Roland voor, dat deze Calaynos zou tuchtigen; maar de trotsche ridder meende, dat dit de taak behoorde te zijn van een of anderen saletjonker, daar hij het beneden zijn waardigheid vond met één enkelen Moor te vechten. Heer Boudewijn, de neef van Roland, blufte, dat hij den groenen tulband van Calaynos in het stof zou laten rollen; hij reed in galop vooruit en bevond zich spoedig tegenover den strengen Moorschen Vorst, die hem minachtend een plaats als page aanbood, in dienst van zijn geliefde.

Boudewijn was woedend, toen hij deze woorden hoorde; hij slingerde Calaynos zijn uitdaging in het gezicht, en riep hem toe zich gereed te maken tot den strijd. De Moor wierp zich in het zadel, richtte zijn lans op de borst van zijn tegenstander, reed in vollen draf op Boudewijn toe, en wierp hem ter aarde, waarna hij hem dwong om genade te smeeken. Maar Roland, de oom van den jeugdigen ridder, was in de nabijheid; hij zwaaide zijn geweldig zwaard en riep Calaynos toe, dat hij zich moest wapenen voor een nieuwen strijd. »Wie zijt gij?« vroeg Calaynos. »Gij draagt een kroontje op Uw helm, maar ik ken U niet.«

»Zwijg, ellendige Moor!« antwoordde Roland. »Uw laatste uur is geslagen«; en dit zeggende, reed hij in vollen draf op zijn vijand toe. De trotsche heiden viel ter aarde, en Roland sprong van zijn paard, en boog zich met getrokken zwaard over hem heen.

»Hoe heet gij, heiden?« vroeg hij, »spreek of sterf.«

»Heer,« antwoordde Calaynos, »ik dien een trotsche Spaansche jonkvrouw, die geen ander geschenk van mij wilde ontvangen dan de hoofden van de drie edelste paladijnen van Karel den Groote.«

»Zoo,« lachte Roland, »dan zijt gij een groote gek; zij kan u onmogelijk hebben liefgehad, als zij u bevolen heeft ons te trotseeren. Gij zijt hierheen gekomen om te sterven«; en met deze woorden sloeg hij hem het hoofd af, en hij vertrapte den helm met de halve maan. »Deze maan zal nooit meer opgaan boven de Seinevlakte,« riep hij uit, terwijl hij zijn zwaard in de scheede stak.

Zoo werd Calaynos bedrogen door den overmoed van een jonkvrouw en door zijn eigen trots. Deze geschiedenis is natuurlijk zeer onwaarschijnlijk, want het is niet denkbaar, dat een Moorsch ridder ooit met zulk een opdracht naar Parijs is gekomen. Maar het verhaal draagt een zeer menschelijk karakter en is niet zonder zedelijke strekking.

GAYFEROS.

Gayferos is een geliefde figuur in de Spaansche romantiek; zijn geschiedenis hangt samen met den cyclus van Karel den Groote, en werd opgenomen in de pseudo-kroniek van Aartsbisschop Turpinus. Ofschoon hij een Fransch ridder was, schijnt hij bijzonder aantrekkelijk te zijn geweest voor den Castiliaanschen geest, hetgeen hij waarschijnlijk te danken had aan de omstandigheid, dat hij zeven jaren heeft gezocht naar zijn vrouw, die zich in Spaansche gevangenschap bevond. Gayferos van Bordeaux was een bloedverwant van Roland, den onoverwinnelijken held uit de Chansons de gestes, en hij was gehuwd met Melisenda, een dochter van Karel den Groote. Kort na haar huwelijk werd de dame geschaakt door de Saracenen, en in een versterkte toren te Saragossa opgesloten. Gayferos was vastbesloten haar uit de macht der heidenen te bevrijden, en dus begaf hij zich op weg om zijn vrouw te zoeken. Maar na zeven lange jaren was hij er nog niet in geslaagd de plaats te vinden, waar zij gevangen zat. Hij reisde van provincie naar provincie, van kasteel naar kasteel in het zonnige Spanje, totdat hij eindelijk, ontroostbaar en terneergeslagen, naar Parijs terugkeerde. In de hoop, de herinnering aan zijn verlies te dooden, stortte Gayferos zich in de vermaken van het Hof. Op zekeren dag zag Karel de Groote hem met den admiraal des Keizers dobbelen, en hij zeide tot hem: »Hoe nu, Gayferos, verspilt gij uw tijd met kinderachtige spelen, terwijl uw vrouw, mijn dochter, in gevangenschap zucht? Indien gij even bekwaam waart in het hanteeren der wapenen als in het dobbelen, zoudt gij u haastig op weg begeven, om uw vrouw te bevrijden.« Deze terechtwijzing van den Keizer was onverdiend, want hij had juist gehoord, waar Melisenda gevangen gehouden werd, terwijl Gayferos nog niet bekend was met haar verblijfplaats. Maar toen hij van Karel den Groote den naam van het kasteel gehoord had, begaf hij zich haastig naar zijn oom Roland, en vroeg hem wapenen en een paard.

Toen Roland de verslagenheid van zijn neef zag, gaf hij hem zijn eigen beroemde wapenen en zijn liefste paard; en zóó uitgerust, reisde Gayferos ten tweeden male naar Spanje. Eenigen tijd daarna kwam hij te Saragossa aan, en daar hij bij de poorten niet werd tegengehouden, reed hij regelrecht naar het kasteel, waar zijn vrouw gevangen werd gehouden. Zij ontdekte hem van uit haar venster, en smeekte hem, indien hij een Christelijk ridder was, eenig bericht van haar aan haar echtgenoot Gayferos te brengen:

»Zeven jaren in deez' toren heb ik Gayferos gewacht, Die in vreugd, bij dans en spelen heeft die jaren doorgebracht, Die zijn gade Melisenda heeft vergeten tot haar smart; Toch draag ik zijn beeld nog immer in mijn liefdevolle hart.« Maar hij richt zich op in 't zadel: »Eedle Vrouwe, klaag niet meer, Hier beneden voor uw venster staat uw echtgenoot en heer. Spring in 't zadel uit den toren! in mijn armen, aan mijn borst, Voer 'k u veilig uit de landen van den wreeden Moorschen vorst.«

Melisenda sprong uit het venster in de armen van haar trouwen ridder, die haar in het zadel hief en spoorslags met haar wegreed om de poorten der stad te bereiken. Maar een Moor, die getuige was geweest van de ontvoering, blies alarm, en de vluchtelingen werden spoedig achtervolgd door zeven colonnes ruiters.

De afstand tusschen de vluchtelingen en de Mooren werd steeds kleiner, maar op het kritieke oogenblik herkende Melisenda het paard waarop zij reden als dat van Roland, en zij herinnerde zich, dat wanneer men zijn buikriem losmaakte, zijn borstharnas opende en de sporen in zijne zijden drukte, men hem zonder eenig gevaar voor de berijders over elke hindernis kon laten heenspringen. Haastig deelde zij haar echtgenoot dit mede, en toen hij op haar aanwijzing gehandeld had, stuurde hij het ros naar de stadsmuur, waar het met het grootste gemak over heensprong. Toen de Mooren dit zagen, gaven zij natuurlijk de verdere vervolging op. Kort daarna keerden Gayferos en zijn vrouw te Parijs terug, en hun verder leven was even gelukkig als hun verleden droevig was geweest.

GRAAF ALARCOS.

Somber, tragisch en vol afwisseling is de geschiedenis van Graaf Alarcos, een romance van een onbekend schrijver. Zij werd in het Engelsch vertaald door Lockhart en door Bowring, en beide vertalingen hebben veel overeenkomst met elkaar, daar de bewerkers grooten eerbied toonden voor den geest van het origineel. De romance begint met den eenvoud, die de ware tragedie kenmerkt. De Infante Soliza, een dochter van den Koning van Spanje, was in het geheim gehuwd met Graaf Alarcos, maar hij had haar verlaten terwille van een andere vrouw, bij wie hij verscheidene kinderen had. In haar wanhoop en schaamte over haar verleiding, trok de ongelukkige prinses zich van de wereld terug, en bracht hare mooiste levensjaren in groote droefheid door. Haar koninklijke vader, die niets van dit geheime huwelijk wist, vroeg haar naar de oorzaak van haar leed, en zij antwoordde hem, dat zij treurde omdat zij niet gehuwd was zooals andere vrouwen van haar rang.

»Dochter«, antwoordde de Koning, »dat is mijn schuld niet. Heeft de edele Prins van Hongarije U niet ten huwelijk gevraagd? Ik ken in Spanje geen edelman, die zoo hoog in rang is, dat hij u zou kunnen huwen, behalve Graaf Alarcos, en deze is reeds getrouwd.«

»Helaas«, zeide de Infante, »het is juist Graaf Alarcos die mijn hart gebroken heeft, want hij had gezworen, mij te huwen en hij beloofde mij zijn trouw, lang voordat hij met een ander in het huwelijk trad.«

Geruimen tijd zat de Koning in gedachten verzonken; eindelijk sprak hij: »Groot is uw schuld, mijn dochter, want nu is het koninklijk geslacht van Spanje in de oogen van iedereen geschandvlekt.«

Toen werd de ziel der Infante bevangen door moorddadige jalousie, en zij riep uit: »Maar de Gravin kan sterven! Moet er schande over mij komen, opdat zij gelukkig kan leven? Strooi het bericht uit, dat ziekte een eind aan haar leven gemaakt heeft, dan kan Graaf Alarcos nog met mij trouwen.«

Wanhopig over de schande zijner dochter, noodigde de Koning Alarcos op een feestmaal uit, en toen zij alleen waren, begon hij over zijn misdaad tegenover de Infante.