Legenden en Romances van Spanje

Chapter 15

Chapter 153,714 wordsPublic domain

Het merkwaardige oude verhaal van Tirante de Witte was het werk van twee Catalonische schrijvers, Juan Martorell en Juan de Gilha, van wie de laatste den arbeid van den eersten aanvulde. Martorell verklaart, dat hij de romance uit het Engelsch vertaalde, en het heeft er inderdaad ook allen schijn van, dat geheele gedeelten van het gedicht sterk beïnvloed zijn door de oude romance Sir Guy of Warwick. Ik kan echter niets in deze romance ontdekken, dat er op wijst, dat zij bepaald vertaald is, en het lijkt mij het waarschijnlijkst, dat de verklaring van den schrijver moet worden opgevat als een truc, die door de dichters van het oude Spanje veel werd toegepast om hunne geschriften te omgeven met een waas van geheimzinnigheid, of om zich te beschermen tegen de meedoogenlooze kritiek, die in dien tijd, toen ongeveer alle bewoners van het Schiereiland behept schijnen te zijn geweest met een manie voor belletrie, daar gebruikelijk was. De romance werd in 1490 gedrukt. Er wordt in gesproken over de Canarische Eilanden, die in 1326 ontdekt zijn en die zelfs in Spanje vóór het begin der vijftiende eeuw nog slechts weinig bekend waren, zoodat wij wel met zekerheid mogen aannemen, dat deze romance ongeveer in dien tijd geschreven is, vooral ook, omdat er een ridderverhaal, l'Arbre des Batailles in vermeld wordt, dat eerst in 1390 werd uitgegeven. Het boek werd in het Castiliaansch vertaald, en te Valladolid gedrukt in 1511; kort daarna zag een Italiaansche vertaling van Manfredi het licht, en een Fransche van de hand van den Graaf van Caylus; maar de laatste heeft het oorspronkelijke gedicht vreeselijk verminkt; zelfs heeft hij de voornaamste en ook de minder belangrijke gebeurtenissen veranderd en er iets ziekelijks in gebracht, dat het werk van Martorell ten éénenmale mist.

Ter gelegenheid van het huwelijk van een zekeren Koning van Engeland met een schoone en zeer begaafde Prinses van Frankrijk, werden de meest grootsche voorbereidingen getroffen om deze verbintenis waardig te vieren door een schitterend tournooi. Toen Tirante, een jonge ridder uit Bretagne, van deze preparatieven hoorde, besloot hij aan de ridderspelen deel te nemen, en hij scheepte zich in met een gezelschap jeugdige ridders die hetzelfde plan hadden opgevat, en met wie hij na eenigen tijd in Engeland landde, en de reis naar Windsor aanvaardde. Maar hij werd overmand door de vermoeienissen van de reis, en hij viel in slaap, gewiegd door het sukkeldrafje van zijn uitgeput ros. Het was dan ook niet te verwonderen, dat hij op deze wijze gescheiden werd van zijn veerkrachtiger metgezellen, en dat hij bij zijn ontwaken ontdekte, dat hij geheel alleen op den heirweg reed. Hij gaf zijn paard de sporen en sukkelde eenige mijlen verder, maar spoedig gevoelde hij dringend behoefte aan rust en voedsel en hij zag uit naar een pleisterplaats; hij was zeer verheugd toen hij een nederige hut in het oog kreeg, die hij aanzag voor een kluizenaarswoning, verborgen tusschen de boomen, op eenigen afstand van den grooten weg, en nauwelijks zichtbaar door het dichte gebladerte. Hij steeg af, trad de hut binnen en bevond zich plotseling tegenover een man, die er zeer eigenaardig uitzag in zijn armoedig gewaad, en in wien het geoefend oog van den ridder spoedig een hooggeborene ontdekte. Tirante was dan ook niet bijzonder verbaasd, toen hij zag, dat de kluizenaar verdiept was in de lezing van l'Arbre des Batailles, een boek vol lessen en wetenswaardigheden op het gebied der ridderlijkheid.

DE GRAFELIJKE KLUIZENAAR.

Inderdaad was de kluizenaar niemand anders dan William, Graaf van Warwick, een beroemd ridder, die uit afkeer van de ijdelheden van het Hof, een pelgrimstocht had ondernomen naar Jeruzalem. Toen hij bij het Heilige Graf was aangekomen, liet hij het bericht van zijn dood verspreiden; daarna was hij naar Engeland teruggekeerd in de vermomming van een pelgrim en had hij zich teruggetrokken in de hut, waar Tirante hem ontdekte, en die niet ver was verwijderd van het kasteel, waar zijn echtgenoote woonde. Maar zijn afzondering zou niet van langen duur zijn, want toen de machtige Koning der Canarische Eilanden met een reusachtig leger Engeland binnenviel, greep de Graaf naar de wapenen om het beangste volk te hulp te snellen. De aanvallers rukten echter zoo snel voorwaarts, dat de Koning van Engeland spoedig uit Canterbury en Londen moest vluchten en zich genoodzaakt zag een schuilplaats te zoeken in de stad Warwick, waar hij hevig bestookt werd door het Canarische leger. Op dit beslissende oogenblik kwam de Graaf hem te hulp; hij versloeg den Koning der Canarische Eilanden in een tweegevecht, en joeg diens troepen in een hevigen strijd uiteen. Daarna maakte hij zich aan zijn echtgenoote bekend en trok zich weer in de eenzaamheid terug. Al deze bijzonderheden komen overeen met hetgeen beschreven is in de oude Engelsche romance Sir Guy of Warwick.

Tirante maakte zich aan den grafelijken kluizenaar bekend, vertelde hem, dat hij zijn naam te danken had aan de omstandigheid, dat zijn vader Heer was van het gebied van Tirraine, dat gedeelte van Frankrijk, dat tegenover de Engelsche kust gelegen was, en dat zijn moeder een dochter was van den Hertog van Bretagne. Ook vertelde hij zijn gastheer, dat hij van plan was deel te nemen aan het tournooi, dat gehouden zou worden ter gelegenheid van het koninklijk huwelijk, waarop de Graaf hem uit het boek, waarin hij bij de komst van Tirante verdiept was, een hoofdstuk voorlas, dat betrekking had op de plichten in het algemeen van den ridder. Hierna las hij hem een verhandeling voor over den wapenhandel en de heldendaden van oude ridders. Toen hij geëindigd had, zeide hij, dat het reeds laat was, en dat Tirante, daar hij niet bekend was met de wegen in die streek, verstandig zou doen, te vertrekken; hij gaf hem het boek ten geschenke, waaruit hij hem had voorgelezen, en nam afscheid van hem.

Een jaar later, toen Tirante als overwinnaar uit het strijdperk was getreden, en met ongeveer veertig jonge ridders de terugreis had aanvaard, kwamen zij ten tweeden male langs de kluizenaarswoning, en hielden daar stil om den Graaf een beleefdheidsbezoek te brengen. Deze vroeg belangstellend, wie zich het meest had onderscheiden bij de ridderspelen, en men vertelde hem, dat Tirante de eerepalm had verworven. Een Fransch ridder, Villermes genaamd, had er zich tegen verzet, dat hij de kleuren droeg van de schoone Agnes, de dochter van den Hertog van Berri; Villermes had hem uitgedaagd tot een tweegevecht op leven en dood, en geëischt, dat zij zich zouden uitrusten met papieren schilden, en helmen van bloemen. Villermes werd in den strijd gedood, en kort nadat Tirante hersteld was van elf wonden, die hij in het gevecht had opgedaan, versloeg hij vier ridders, wapenbroeders, die bleken de Koningen van Polen en Friesland, en de Hertogen van Bourgondië en Beieren te zijn. Een onderdaan van den Koning van Friesland, die den merkwaardigen naam droeg van Kyrie Eleison, of »God ontferm U onzer«, en die een afstammeling was van de oude reuzen, kwam naar Engeland om den dood van zijn meester te wreken. Toen hij echter het graf van zijn vorst aanschouwde, met de wapenen van Tirante, die op de Friesche vlag bevestigd waren, was hij zóó overweldigd door smart, dat hij den geest gaf. Zijn plaats werd ingenomen door zijn broeder, Thomas van Montauban, die een nog reusachtiger gestalte had, maar toch door den jongen Bretonschen ridder overwonnen werd, en genoodzaakt was, hem te smeeken zijn leven te sparen.

Nadat Tirante afscheid had genomen van den Graaf, keerde hij naar zijn vaderland Bretagne terug, maar hij had nog slechts enkele dagen in zijn voorouderlijk kasteel vertoefd, toen een boodschapper het bericht bracht, dat de Ridders van Rhodes omsingeld waren door de Genuezen en den Sultan van Caïro. Vergezeld door Philips, den jongsten zoon van den Koning van Frankrijk, begaf Tirante zich op weg om het eiland te bevrijden van zijne overweldigers; gedurende zijn reis daarheen hield hij eenigen tijd rust in de omgeving van Palermo. Toen hij eindelijk te Rhodes aankwam, trokken de belegeraars zich haastig terug, en nadat dus Tirante het eiland verlost had van zijne aanvallers, begaf hij zich met zijne manschappen naar Sicilië, waar Prins Philips in het huwelijk trad met de vorstin van dat land. Maar nauwelijks waren de huwelijksfeesten voorbij, of er kwam een heraut van den Keizer van Constantinopel aan het Siciliaansche Hof, met de schokkende mededeeling, dat de vorst van Turkije en de Moorsche Sultan een inval hadden gedaan in het land van zijn meester. Zijn plicht als ridder gebood Tirante den Christenvorst te hulp te komen tegen den heidenschen aanvaller, en dus scheepte hij zich in naar Constantinopel, waar hem bij zijn aankomst het opperbevel over de Grieksche troepen werd opgedragen. Een groot gedeelte der romance is gewijd aan de bijzonderheden van dezen oorlog tegen de Turken, die, zooals vanzelf spreekt, in elk gevecht werden verslagen, zoodat zij ten slotte om een wapenstilstand smeekten. Deze werd hun toegestaan, en gedurende dien rusttijd werden er schitterende feesten en tournooien gehouden.

Op dit kritieke oogenblik verscheen de beroemde Urganda in Constantinopel, die haar broeder, den vermaarden Arthur, Koning van Brittanje, kwam zoeken. De Keizer daalde af in zijn duisterste kerkers, en vond daar den grootste onder de helden opgesloten in een ijzeren kooi, waar hij zijn laatste levensdagen in de diepste ellende en volkomen verzwakt van geest doorbracht. Nadat men hem zijn oude wapen, het beroemde zwaard Excalibur, in de hand had gegeven, was de ongelukkige Koning in staat, alle vragen, die hem met eenig beleid gesteld werden, te beantwoorden; maar toen men hem het zwaard weer uit de hand nam, verviel hij nog dieper in den toestand van kindschheid. Nadat Urganda een schitterend feestmaal gegeven had, verdween zij met haar bejaarden broeder, en niemand wist, waarheen zij gegaan waren.

Tot op dit tijdstip was Tirante er in geslaagd, vrij te blijven van vrouwelijke ketenen, maar ten slotte werd hij toch het gewillig slachtoffer van de schoone oogen der keizersdochter, Prinses Carmesina. Het ging alles tusschen hen naar wensch, totdat een der hofdames van de Prinses, Reposada, die een hartstochtelijke liefde voor den jongen ridder had opgevat, erin slaagde door een valsche list zijn jalousie op te wekken, zoodat hij, tot in het diepst zijner ziel gekwetst door de vermeende trouweloosheid zijner geliefde, zonder afscheid van haar te nemen, zich weder bij het leger voegde. Maar het schip, waarmede hij wegvoer, werd door een hevigen storm overvallen, en naar de kust van Afrika gedreven. Terwijl hij bedroefd aan het strand wandelde, ontmoette Tirante een gezant van den Koning van Tormeceno, die hem naar het Hof bracht, en hem aan zijn gebieder voorstelde, waarna Tirante hem bijstond in de oorlogen, waarin deze vorst natuurlijk gewikkeld was. Toen hij bij zulk een gelegenheid de stad Montagata bestookte, trad een jonkvrouw buiten de poorten, om voor de inwoners om vrede te smeeken. Tot zijn verrassing herkende hij in haar één der hofdames van Prinses Carmesina, die hem de waarheid vertelde omtrent de handelwijze van de valsche Reposada. Hij hief oogenblikkelijk het beleg op, en keerde aan het hoofd van een machtig leger naar Constantinopel terug, om den Griekschen Keizer bij te staan. Door de Turksche vloot te verbranden maakte hij een terugtocht van de troepen des Sultans praktisch onmogelijk, en was hij in staat een zeer voordeeligen vrede te sluiten.

Er werden nu schitterende voorbereidingen getroffen tot het huwelijk van Tirante en Carmesina. Maar toen hij na het sluiten van het verdrag op weg was naar Constantinopel, kreeg hij op een dagreis afstand van zijn doel, het bevel, met het binnentrekken van de stad te wachten totdat deze preparatieven voltooid zouden zijn. Terwijl hij dus een wandeling maakte langs een rivier, in gesprek met de Koningen van Ethiopië, Fez en Sicilië, kreeg hij een hevige pleuritis, en ondanks alle goede zorgen van zijn trouwe dienaren, stierf hij kort daarna. Toen de Keizer en de Prinses van zijn dood hoorden, waren zij niet in staat hun verdriet te dragen, en zij stierven op den dag, waarop zij het doodsbericht hadden gekregen.

Wij hebben dit keer dus kennis gemaakt met een romance, die niet gelukkig eindigt. Wij weten niet, hoe een dergelijke ontknooping door het Spaansche publiek werd opgenomen, maar het kan niet anders, of de lezers moeten getroffen zijn geweest door de oorspronkelijkheid van het slot. Het blijkt echter duidelijk uit het gunstig oordeel van Cervantes, dat Tirante de Witte een lievelingsromance van het Spaansche volk was. »Toen zij een heele verzameling romances tegelijk opnam«, zegt hij, »viel er een op den grond voor de voeten van den barbier, die den inval had den titel te lezen, en zag, dat het Tirante de Witte was. God beware mij, riep de priester luidkeels, is Tirante de Witte er bij? Geef het mij buurman, want het zal stellig een bron van vreugde en vermaak voor mij zijn! Toen raadde hij de huishoudster aan, het mee naar huis te nemen en het te lezen, »want ofschoon de schrijver verdient te worden opgehangen, omdat hij in vollen ernst zooveel onzin heeft neergeschreven, is het boek toch in zeker opzicht het beste, dat er op de wereld gevonden wordt. Hier eten en slapen de ridders, zij sterven in hun bed, en maken voor hun dood hun testament, natuurlijke zaken, die in alle andere boeken ontbreken.«

Schuilt in dit oordeel niet de diepe grond van den afkeer van het onnatuurlijke en onwaarschijnlijke, dat zoo dikwijls de romance kenmerkte, een afkeer, die in zulke kernachtige bewoordingen werd uitgedrukt door den man, die aan het hoofd der oppositie stond?

HOOFDSTUK VII: RODERICK, DE LAATSTE DER GOTHEN.

Nog gistren was ik Spanje's Vorst--mijn rijk werd mij ontroofd. Nog gistren in mijn heerlijk slot--waar leg ik nu mijn hoofd? Waar gistren honderd pages nog zich bogen voor mij neer, Daar dient vandaag d'onttroonden vorst geen enkle schildknaap meer.

Lockhart: Spaansche Balladen.

De tragische en rumoerige geschiedenis van de wijze, waarop Spanje overging in de handen der Mooren, is stellig een onderwerp, dat waard is behandeld te worden door een groot dichter; maar of het de nationale trots beleedigde, of dat het Castiliaansche temperament er zich niet door aangetrokken gevoelde, het is zeker, dat dit gedicht ongeschreven bleef. Weinig geschiedkundige gebeurtenissen leenen zich zóó tot de schildering der diepere menschelijke hartstochten als de episode, die eindigde met het verraad van een geheel land uit persoonlijke wraakzucht. Het betreft eenzelfde ramp als die, welke Aeschylus bewoog, zijn ontroerend en grootsch drama Elektra te schrijven. Toch vindt men deze geweldige gebeurtenis slechts beschreven in een dorre Spaansche kroniek en in het onbeteekenende gedicht van Southey, Roderick, de Laatste der Gothen, dat geïnspireerd is door een onware voorstelling van dit gedeelte der geschiedenis. [23]

Voordat wij het romantisch materiaal nader beschouwen, dat begraven ligt in De Kroniek van Roderick, met de Verwoesting van Spanje, moeten wij eerst de geschiedenis van den ondergang van het Gothische rijk in Spanje nagaan, met behulp van die gegevens, waarvan wij mogen veronderstellen, dat zij ons betrekkelijk juist inlichten over het geval. Deze gegevens vinden wij in de Algemeene Kroniek van Spanje en in het werk van de Moorsche geschiedschrijvers. Waarschijnlijk zijn de feiten, die betrekking hebben op deze treffende gebeurtenis, in het kort als volgt:

Van het tijdstip af van de vestiging der Mahomedaansche Arabieren in Mauretanië, had hun vloot herhaaldelijk de kusten bestookt van Andalusië, onder welken naam het geheele Spaansche Schiereiland bij hen bekend was. Er ontstond een vijandschap tusschen de Spaansche Gothen en de Moorsche Arabieren, die niet slechts werd aangewakkerd door het verschil van godsdienst, maar ook door de omstandigheid, dat de vesting Ceuta in Mauretanië nog in Gothische handen was gebleven. Deze buitenpost van het Gothische rijk werd behouden door het beleid en den moed van Graaf Julianus, een beproefd veldheer, die erin slaagde, de vesting te verdedigen tegen een geweldige overmacht. Destijds heerschte er over Spanje een zekere Don Roderick, die het recht op den troon blijkbaar niet door geboorte verkregen had. Zijn voorganger Witiza had Rodericks vader, den gouverneur van een of andere provincie, gedood, en hetzij om te voldoen aan zijn zucht naar wraak, hetzij zuiver uit persoonlijke eerzucht, slaagde Roderick erin, met voorbijgaan van de aanspraken der beide zonen van Witiza, zelf den troon te bemachtigen. Waar echter de Koning der Gothen in Spanje nog door de edelen van het land gekozen werd, is het zeer goed mogelijk, dat Roderick op rechtmatige wijze den troon bestegen heeft. Waarschijnlijk was Graaf Julianus een lid van de partij aan welker hoofd de koninklijke broeders stonden en zocht hij, inziende dat hij Roderick niet door wapengeweld van den troon zou kunnen stooten, de hulp van diens Moorsche vijanden, om hem ten val te brengen.

De geschiedenis weigert echter terecht of ten onrechte aan te nemen, dat slechts nuchtere politieke overwegingen Graaf Julianus tot deze onwaardige daad brachten, en zij geeft een veel romantischer verklaring van zijn verraderlijke handelwijze: Roderick zou dan een slecht en ontaard vorst zijn geweest. Hij ontbrandde in een hevige hartstocht voor Cava, de jonge en schoone dochter van Graaf Julianus, en verleidde en onteerde haar. Woedend en wanhopig over de wandaad van Roderick, besloot Julianus oogenblikkelijk tot een gruwelijke wraak; hij stelde zich niet tevreden met de overgave van de vesting, die hij zoo lang tegen een machtigen vijand verdedigd had, maar haalde Musa, den Moorschen Koning of Satraap over, een inval te doen in Spanje; en om zijn bondgenootschap met de heidenen nog te versterken, nam hij zelfs hun godsdienst en hunne levensgewoonten aan. Hij lichtte Musa in over de natuurlijke gesteldheid van zijn vaderland, legde den nadruk op den weerloozen toestand er van, de losbandigheid en ontaarding der soldaten, en het gebrek aan voldoende bewaking der steden. Musa begreep, dat hem hier een gunstige gelegenheid geboden werd het Arabische gebied uit te breiden, en hij vaardigde een gezantschap af naar Walid, den Kalif en zijn leenheer, om hem zijn oordeel te vragen over een dergelijke onderneming. Walid moedigde dit avontuur zeer aan. Maar Musa was niet alleen een dapper en ondernemend soldaat, maar ook een sluw en voorzichtig veldheer, en inplaats van een groote vloot af te sturen op een land van welks legersterkte hij slechts weinig afwist, stelde hij zich tevreden met in Juli van het jaar 710 een aanval te doen op de Spaansche kust, om als het ware eerst poolshoogte te nemen van de krijgskunst zijner tegenstanders. De expeditie bestond uit vijfhonderd man, die, nadat zij te Tarifa geland waren, ongeveer achttien mijlen door Spaansch gebied naar het kasteel en de stad van Julianus marcheerden. Daar voegden zich de trouwelooze volgelingen van dezen edelman bij hen, en zonder eenigen tegenstand te ondervinden keerden zij met buit beladen naar Afrika terug.

Aangemoedigd door het succes dezer eerste onderneming, brachten de Saracenen nu een leger van vijfduizend man bijeen en zij landden in het voorjaar van 711, onder het bevel van een zekeren Tarik, op Spaanschen boden, op een plaats, die nog steeds den naam van hun aanvoerder draagt, nl. Gibraltar; want Gebel al Tarik beteekent »De Berg van Tarik«. Zij versloegen zonder veel moeite een Spaansche legermacht onder Edeco. Maar Roderick, die nu ook begon in te zien, dat zijn troon wankelde, riep zijne vasallen te zamen, wier aantal bijna honderdduizend man moet hebben bedragen. Intusschen had Tarik zijn leger versterkt, maar hij kon niet meer dan twaalfduizend Moorsche soldaten aanmonsteren, bij welk leger zich een afdeeling Afrikanen en afvallige Gothen voegde. De legers ontmoetten elkanders bij Cadix, en de Gotische troepen werden aangevoerd door Roderick zelf, die schitterend uitgedost in zijn vorstelijke kleedij van zilver- en goudborduursel, achterover leunde in een kostbaren wagen, die door witte muilezels getrokken werd. De Gothen overwonnen louter door de overmacht van hun aantal, en bij het eerste samentreffen werden zestienduizend hunner vijanden verslagen. Maar Tarik spoorde zijne ontmoedigde troepen aan, door hen erop te wijzen, dat een terugtocht onmogelijk was: »Vóór u is de vijand«, zeide hij, »achter u ligt de zee. Waarheen zoudt gij vluchten? Volgt mij, broeders, ik zal dien Koning der Gothen verdelgen of zelf ondergaan.«

RODERICK'S LOT.

Er naderde echter uitkomst voor de Mooren, want de beide zonen van Witiza, die de voornaamste posten in het Spaansche leger bekleedden, scheidden zich plotseling van de troepen af. Dit veroorzaakte een geweldige paniek. Roderick sprong op zijn strijdros Orelia, en trachtte daarmede de Guadalquivir over te zwemmen, zijn diadeem en vorstelijke kleederen op den oever achterlatende; maar het gelukte hem niet den overkant te bereiken, en hij verdronk. Op aandringen van Graaf Julianus rukte Tarik op naar Toledo, dat zich echter drie volle maanden staande hield, en hij zond een leger uit om het koninkrijk Granada te heroveren. Deze onderneming gelukte en Toledo gaf zich over, nadat de Moorsche bevelhebber de inwoners verzekerd had, dat zij de stad mochten verlaten met behoud hunner bezittingen, een belofte, die trouw werd nagekomen. De Joden, die voornamelijk de heidensche aanvallers hadden bijgestaan, werden rijkelijk door hen beloond, en zij sloten een bondgenootschap met hen, dat bleef bestaan, totdat beiden na verloop van tijd uit het land werden verdreven. Van Toledo zette Tarik zijne veroveringstochten voort over Castilië en Leon en trok hij in Noordelijke richting verder tot aan de stad Gijon in Asturië, waar zijn voortgang werd gestuit door de Golf van Biskaje. In enkele maanden was geheel Spanje feitelijk een Mohamedaansche provincie geworden, en alleen in de valleien van Asturië hield een troepje Gothische soldaten nog stand tegen den overwinnenden Moor.

Nu mogen wij het pad der zuivere historie verlaten, om den meer schilderachtigen, zij het dan ook minder veiligen weg der romance te gaan bewandelen. De kronieken vermelden de gruwelijke verdorvenheid van Don Roderick, en zij verhalen hoe de door Julianus aangestookte inval der Mooren den karakterloozen Koning als een donderslag trof. De strijd met de Saracenen wordt beschreven, en de vlucht van Roderick wordt in de somberste kleuren afgeschilderd. Maar zooals de volksoverlevering weigerde te gelooven, dat Arthur op dien gedenkwaardigen dag bij Camelot sneuvelde, of dat Jacob IV van Schotland op het slagveld van Flodden, en Harold bij Hastings hun einde vonden, zoo weigerde zij ook den dood van Roderick aan te nemen. Het is den mensch aangeboren, zich te verzetten tegen het denkbeeld, dat een beroemd legeraanvoerder werkelijk is heengegaan; en zijn er, zelfs nog in onzen tijd, niet legenden in omloop geweest met betrekking tot den diep betreurden Lord Kitchener?