Legenden en Romances van Spanje

Chapter 14

Chapter 143,809 wordsPublic domain

In Palmerin van Engeland vinden wij de levensgeschiedenis van de ouders van den held geschetst. Don Duardos, of Eduard, de zoon van den Koning van Engeland, was gehuwd met Flerida, de dochter van Palmerin de Oliva. Op zekeren dag, toen hij op de jacht was, verdwaalde hij in een Engelsch woud, en kwam terecht in een geheimzinnig kasteel, waar hij gevangen gehouden werd door een reuzin, Eutropa genaamd, wier broeder hij in den strijd gedood had. Maar Dramuziando haar neef, en de zoon van den reus, die door Duardos naar de andere wereld was geholpen, was zachter van gemoed dan zijn geweldige tante, en hij vatte een eigenaardige vriendschap op voor den gevangen Duardos.

Intusschen was Flerida doodelijk ongerust geworden over het uitblijven van Duardos, en zij begaf zich, vergezeld van een aantal ridders, op weg om hem te zoeken. Terwijl zij het bosch door trok in de hoop hem te vinden, gaf zij het leven aan twee zonen, die door haar kapelaan onder het loof der boomen gedoopt werden. Nauwelijks was deze plechtigheid afgeloopen, toen een woeste man, die in een verborgen schuilplaats van het woud woonde, uit het dichte gebladerte te voorschijn sprong, de kinderen greep en zich haastig met hen verwijderde. Niemand kon hem tegenhouden, want hij was vergezeld van twee leeuwen, die zóó reusachtig groot waren en verschrikkelijk om te aanschouwen, dat zelfs de dappersten uit het gevolg van Flerida met angst geslagen waren.

De boschbewoner bracht de kinderen, die Palmerin en Florian gedoopt waren, naar zijn hol, met het plan, hen voor de leeuwen te werpen. Flerida keerde diep bedroefd naar het paleis terug en zond een boodschapper naar Constantinopel met het bericht van alles wat haar overkomen was. Toen Primaleón de treurige tijding ontvangen had, scheepte hij zich met een aantal ridders in naar Engeland, waar zij hoorden, dat Duardos in het kasteel der reuzin gevangen gehouden werd. Zij trachtten hem te bevrijden, maar begingen de bij dolende ridders gebruikelijke fout, afzonderlijk inplaats van te zamen ten strijde te trekken, zoodat zij gemakkelijk verslagen werden door Dramuziando, die elken nieuwen vijand, die naderde, dwong met hem te vechten.

De woeste boschbewoner, die de koninklijke tweelingen had meegenomen als voedsel voor zijne leeuwen, had geen rekening gehouden met zijn vrouw, wier moederlijk instinct zich verzette tegen dien wreeden dood der kinderen. Zij overreedde haar man hen te sparen, en voedde hen op met haar eigen zoon Selvianus. Na verloop van tijd werden zij zeer bedreven in de jacht en den boschbouw, en op één zijner tochten door het woud, toen hij het spoor van een rood hert volgde, ontmoette Florian den zoon van den hertog van Wales, Pridos, die hem medenam naar het Engelsche Hof, waar hij bij zijn moeder Flerida gebracht werd. Zij gevoelde zich zeer aangetrokken tot den schuwen knaap, nam hem als haar zoon aan, gaf hem den naam van »Het Kind van het Woud,« en voedde hem op in beschaafde manieren.

Op zekeren dag, kort nadat Florian van de boschbewoners gescheiden was, liepen Palmerin en Selvianus langs het strand, en ontdekten een galei, die door den storm op de kust geworpen was. Polendos (wiens vroegere lotgevallen in de romance Primaleón beschreven zijn) stapte aan wal in gezelschap van eenige andere Grieksche ridders, die met hem naar Engeland gekomen waren om Duardos te zoeken. Palmerin en Selvianus vroegen hem, hen mede te nemen op het schip, dat spoedig weer zee koos, en niet lang daarna kwamen zij te Constantinopel aan, waar zij bij den Keizer gebracht werden. Deze wist natuurlijk niets van de afkomst van Palmerin, maar het was hem door brieven, die hij ontvangen had van een zekere »Jonkvrouw van het Bad«, die als beschermengel van den jongen held schijnt te zijn opgetreden, bekend, dat de knaap van hooge geboorte was. De keizer, die door de aanbeveling dezer edele dame zeer vriendelijk gestemd was tegenover Palmerin, sloeg hem tot ridder, en Polinarda, de dochter van Primaleón, gordde hem het zwaard aan. Gedurende het verblijf van Palmerin te Constantinopel werd er een tournooi gehouden, waarin hij en een vreemde ridder, die als devies de beeltenis droeg van een boschbewoner met twee leeuwen, zich onderscheidden door groote dapperheid. De vreemdeling vertrok nog incognito, maar later ontdekte men, dat het Florian was, die van dit oogenblik bekend bleef als »De Ridder met den Boschbewoner.«

Palmerin geraakte dadelijk onder de bekoring van prinses Polinarda, maar de heftigheid, waarmede hij om haar hand dong, waarschijnlijk het natuurlijk gevolg van zijn eigenaardige opvoeding, beleedigde de edele jonkvrouw, en zij wees hem de deur. Wanhopig over hare hardvochtigheid, verliet hij de Grieksche hoofdstad en reisde onder den naam van den »Gelukzoeker« naar Engeland, waarheen hij Selvianus als zijn schildknaap mee nam. Op zijn reis daarheen had hij vele avonturen, waarin hij zonder onderscheid gelukkig was, en eindelijk kwam hij in het rijk van zijn grootvader aan. Maar terwijl hij door het bosch trok, waar zijn pleegvader woonde, kwam hij onverwachts tegenover hem te staan, en hij vertelde hem zijne lotgevallen. Daarna haastte hij zich verder, en kwam hij bij een kasteel in de buurt van Londen, waar de slotvoogd hem vroeg voor hem te strijden met den »Ridder met den Boschbewoner«, die zijn zoon gedood had. Hij vertrok dus naar Londen en daagde Florian uit, maar prinses Flerida kwam tusschenbeide en verbood den strijd, die nooit hervat werd, want Palmerin had eindelijk Dramuziando overwonnen en Duardos bevrijd. Het geheim van de geboorte der tweelingen werd door den toovenaar Doliarte geopenbaard en door hun pleegvader bevestigd.

HET KASTEEL ALMAUROL.

Gedreven door de zucht naar avonturen versmaadden Florian en Palmerin het gemakkelijke leven aan het Hof, en zij trokken weer verder. Wij kunnen hen niet volgen door den doolhof van verwikkelingen, waarin zij belandden, maar verscheidene hunner beproevingen, vooral die, welke Palmerin op het »Gevaarlijke Eiland« moest doorstaan, behooren tot het belangrijkste en bekoorlijkste gedeelte van het boek, dat naar hem genoemd is.

In verschillende gedeelten der romance speelt de beminnelijke reus Dramuziando een mooie rol, maar zijn tante, de wraakzuchtige Eutropa blijft volharden in haar haat tegen het geslacht der Palmerins, en zij smeedt voortdurend booze plannen tegen hen. Door de macht van den toovenaar Doliarte slaagt zij er echter niet in, hen te vernietigen. Het tooneel der meeste avonturen is het kasteel Almaurol, waar, onder de bewaking van een reus de schoone, doch hooghartige Miraguarda woonde, wier trekken afgebeeld waren op een schild, dat boven de poort van het kasteel was opgehangen. Het werd bewaakt door een stoet van ridders, die verliefd waren geworden op het origineel, en wanneer er andere paladijnen kwamen, die de bekoorlijkheden hunner aangebedenen prezen, dan moesten zij met die ridders strijden. Tot de slachtoffers der schoone Miraguarda behoorde de reus Dramuziando; maar terwijl hij de wacht hield bij het schilderij, werd het geroofd door Alhayzar, den Sultan van Babylon, wiens geliefde Targiana, de dochter van den Sultan van Turkije, hem had bevolen, het haar te brengen als bewijs van zijn trouw.

De schrijver der romance schijnt het hier noodig te hebben gevonden, zijne helden naar Constantinopel terug te roepen, om hen in het huwelijk te laten treden met hunne respectieve geliefden. Palmerin werd in den echt verbonden met Polinarda, en zijn broeder Florian met Leonarda, de Koningin van Thracië, zoodat de gelieven allen gelukkig werden gemaakt. De romance eindigt echter volstrekt niet met deze huwelijken, want wij zien allerlei verwikkelingen ontstaan, door de hartstochtelijke liefde, die de Sultansdochter van Turkije opvat voor den pasgehuwden Florian. Deze vroolijke jonge prins had, terwijl hij aan het Hof van haar vader vertoefde, zich de vrijheid gepermitteerd, de jonkvrouw te schaken, en ofschoon zij nu goed en wel gehuwd was met Alhayzar, Sultan van Babylon, en schilderijendief, had zij voor haar vroegeren geliefde nog de oude gevoelens bewaard, die echter vermengd waren met wrok, omdat hij hare bekoorlijkheden vergeten had om de schoonheid der Koningin van Thracië.

Om haar jaloersch hart tevreden te stellen, gebruikte zij een toovenaar om de Koningin van Thracië in het verderf te storten. Terwijl de jonge vrouw in de tuinen van haar paleis wandelde, werd zij overvallen door twee reusachtige griffioenen, die haar naar een betooverd kasteel sleurden, waar zij veranderd werd in een groote slang. Haar ontroostbare echtgenoot vond in haar bevrijding een avontuur naar zijn hart, en nadat hij den wijzen Doliarte had geraadpleegd, gelukte het hem de plaats te vinden, waar zijn vrouw gevangen gehouden werd, en hij slaagde erin, de betoovering van haar weg te nemen.

Met deze daad beleedigde hij den trotschen Alhayzar in hooge mate; deze besloot dan ook, den smaad, zijn Koningin aangedaan, te wreken, en hij verzocht den Keizer van Constantinopel, Florian aan hem uit te leveren. Natuurlijk ontving hij een weigerend antwoord, waarop hij het Grieksche Rijk binnenviel met een leger van tweehonderdduizend man, die uit alle echte en gefantaseerde koninkrijken en provincies van het Oosten gerecruteerd waren. Er werden drie bloedige veldslagen geleverd, en in den laatsten werd Alhayzar gedood, en het leger der heidenen volkomen vernietigd.

EEN LOFREDE VAN CERVANTES.

Cervantes is zeer uitbundig in zijn lof over deze romance »Deze Palmerin van Engeland«, zegt hij, »moet bewaard blijven als een unicum, en er zou een kistje voor gemaakt moeten worden, zooals Alexander er een vond onder den buit van Darius.... Dit boek, mijn waarde vriend, is van groot belang, en dat om twee redenen: Ten eerste is het op zichzelf een uitstekend werk, en ten tweede zegt men, dat een wijs Koning van Portugal het geschreven heeft. Alle avonturen in het kasteel van Miraguarda zijn uitstekend en met groote bekwaamheid beschreven; de gesprekken zijn beschaafd en verstandig, en in overeenstemming met de waardigheid en kennis van den spreker. Ik zou dus, meester Nicolaas, met uw verlof willen zeggen, dat deze romance, en Amadis de Galliër uit de vlammen gered moeten worden, en dat de rest zonder verder onderzoek moet worden vernietigd.«

Met Uw verlof, meester Cervantes, zou ik hierover gaarne nog eens met U van gedachten wisselen; want ofschoon Palmerin van Engeland de beste van deze soort romances is, steekt hij toch niet zóó ver uit boven de andere en zijn zijne fouten ook dezelfde. Zou het ook mogelijk kunnen zijn, dat gij, als een rechtgeaard Spanjaard, deze romance zoo bovenmatig bewondert, omdat gij gelooft, dat zij het werk is van een Koning? En verlaagt gij U niet tot het niveau van een dagblad-criticus, wanneer gij den banvloek uitspreekt over romances, die gij niet gelezen hebt? En kunt gij U, als ridderlijk Castiliaan vereenigen met de minachting, die de schrijver zoo onomwonden toont voor het schoone geslacht, ter wille waarvan alle romances geschreven zijn? Geen goed ridder, geen edelmoedig man zou zooveel onzin hebben kunnen neerschrijven over vrouwelijke ijverzucht, oppervlakkigheid en gebrek aan gezond verstand, en wat nog erger is, hij heeft er marionnetten van gemaakt, die door touwtjes bewogen worden. Voor één ding blijf ik hem echter dankbaar--voor de persoonsbeschrijving van den toovenaar Doliarte, dien Wijze, die in het »Dal der Verdoemden« woont, verdiept in het aanschouwen van geheimzinnige zaken. Maar nog meer ben ik hem dankbaar voor de atmosfeer van wonderbaarlijke en bedwelmende betoovering, waarin hij deze geschiedenis heeft gehuld; en wanneer de schrijver U heeft meegesleept in zijn vervoering, en Uwe oogen heeft gesloten voor de gebreken dezer romance, dan moeten wij tot Uw verontschuldiging aanvoeren, dat uwe betooverde oogen niet in staat waren die fouten te zien, en dat zij slecht den uiterlijken glans konden aanschouwen van deze tooverwereld.

HOOFDSTUK VI: CATALONISCHE ROMANCES.

»Romances van een kust van liefde en wijn, Waarin nog klinkt de galm van 't edel staal, Waaruit ons tegenstraalt een lichte tooverschijn, En woorden ruischen van een langvergeten taal.«

De letterkundige geest van Catalonië was van zuiver lyrischen aard, zooals dat vanzelf spreekt bij een land, dat door de natuur zoo heerlijk was uitgedost met een purperen mantel van wijnranken, en dat omspoeld werd door de rustige schoonheid van een droomzee. De epische poezië heeft haar vaderland in woeste en door stormen geteisterde landen, waar de windvlagen in wilde zangen de ziel van den mensch wekken tot vurige liederen, en zijn geest ontvankelijk maken voor het rumoer van den krijg. Maar op beschutte kusten, doortrokken met zon, en gekleurd met de warme tinten van den overvloed, worden de aeolische geluiden der zefirs, die zich als zachtklinkende geesten door tuinen en wijngaarden spoeden, omgetooverd in teederder en waziger muziek. Toch ontbraken in deze provincie van minnezangers de ridderlegenden niet; en zelfs ontstonden er twee romances van zulk een groote schoonheid, dat deze in de letterkunde van het Schiereiland zich voor goed een belangrijke plaats veroverd hebben.

PARTENOPEX DE BLOIS.

De schoone en uitstekend bewerkte romance van Partenopex de Blois was in de dertiende eeuw in het Catalonisch geschreven, en in 1488 gedrukt te Tarragona. Zeer waarschijnlijk was het oorspronkelijk een Fransche romance. Maar het is geen gewone vertaling, en in den loop der tijden werd zij zoo dikwijls omgewerkt, dat zij ten slotte even echt Catalonisch werd als de Cid Castiliaansch geworden is. Hier volgt dan de geschiedenis van Ridder Partenopex.

Bij den dood van Keizer Julianus van Griekenland, kwam zijn dochter Melior op den troon, een jonkvrouw, die bij de vele buitengewone gaven, die zij bezat, ook nog zeer bedreven was in de tooverkunst. Niettegenstaande hare groote bekwaamheden vonden hare raadslieden het niet geschikt, dat zij zelfstandig zou regeeren, en dus drongen zij er op aan, dat zij een echtgenoot zou kiezen. Zij stonden haar een tijdruimte van twee jaren toe, om een waardig levensgezel te vinden; en om er zeker van te zijn, dat zij iemand zou kiezen, die volkomen haar gelijke in rang zou zijn, zond zij hare afgezanten naar de verschillende hoven van Europa, om daar betrouwbare inlichtingen te krijgen over alle vorsten, die voor haar doel in aanmerking zouden kunnen komen.

In dien tijd leefde er in Frankrijk een jongeling van groote schoonheid en dapperheid, een neef van den Koning van Parijs, Partenopex de Blois genaamd. Toen deze op zekeren dag in het gevolg van zijn koninklijken oom in de Ardennen op de jacht was, werd hij van het overige gezelschap afgesneden en verdwaalde hij. Hij was genoodzaakt den nacht in het bosch door te brengen en ontwaakte in den vroegen morgen. Bij zijne pogingen om de omgeving te verkennen, kwam hij bij het strand, waar hij tot zijn verwondering een schitterend vaartuig voor anker zag liggen. In de hoop, dat de bemanning hem den weg naar huis zou kunnen wijzen, begaf hij zich aan boord van het schip, maar vond dit geheel verlaten. Hij was op het punt weer aan land te gaan, toen er plotseling beweging in het vaartuig kwam; het gleed over de baren en kliefde de golven ten slotte met zulk een snelheid, dat Partenopex het schip onmogelijk meer kon verlaten. Na een even korte als snelle reis landde hij in een baai van een betooverend schoone landstreek. De jonge ridder stapte aan wal, verwijderde zich van de kust en kwam bij een prachtig kasteel. Daar trad hij binnen en zag tot zijn verbazing, dat het even verlaten was als het vaartuig, dat hem naar dit land gevoerd had. De statiekamer was verlicht door den glans van ontelbare diamanten, en de jonge ridder, die langzamerhand uitgehongerd was, zag tot zijn groote blijdschap een uitgezochte maaltijd op tafel staan. Spoedig bemerkte hij, dat alle voorwerpen in het kasteel betooverd waren, want alle heerlijkheden, die in zulk een overvloed waren opgedischt, kwamen vanzelf in zijn mond, en toen hij verzadigd was, verscheen er, als het ware vrij in de lucht bewegende, een brandende toorts, die hem den weg wees naar een slaapkamer, waar onzichtbare handen hem ontkleedden.

Toen hij te bed lag, denkende over het vreemde avontuur, dat hem was overkomen, trad een jonkvrouw het vertrek binnen, die hem mededeelde, dat zij Melior, de Keizerin van Griekenland was. Zij vertelde den jongen ridder, dat zij door de verhalen harer afgezanten, liefde voor hem had opgevat, en dat zij het plan had beraamd, hem door toovermiddelen naar haar kasteel te voeren. Zij beval hem in het kasteel te blijven, maar waarschuwde hem, dat, indien hij zou trachten haar weder te zien voordat er twee jaren verloopen waren, hij haar liefde zou verliezen. Daarna verliet zij het vertrek; maar den volgenden morgen verscheen haar zuster Uracla, die hem de schitterendste kleederen bracht.

HET GEHEIMZINNIGE KASTEEL.

Het ontbrak Partenopex in het geheimzinnige kasteel van Melior niet aan verstrooiingen van allerlei aard; want de uitgestrekte landerijen en bosschen waardoor het omgeven was, verschaften hem een prachtig jachtterrein, en des avonds werd hij vergast op de heerlijke liederen van onzichtbare zangers. Al het mogelijke en onmogelijke werd gedaan, om zijn verblijf in het slot te veraangenamen, en om hem te boeien. Maar te midden van alle heerlijkheden waardoor hij omringd was, hoorde hij, dat zijn land was aangevallen door vijandelijke troepen. Hij vroeg zijn onzichtbare gebiedster, voor zijn vaderland te mogen strijden, en toen zij van hem de verzekering had gekregen, dat hij zou terugkeeren, stelde zij het tooverschip, waarmede hij in haar rijk geland was, tot zijn beschikking, en kort daarna kwam hij daarmede in Frankrijk aan.

Maar toen Partenopex zich zoo spoedig mogelijk naar Parijs begaf, om zijn zwaard in dienst van zijn Koning te stellen, ontmoette hij een ridder, wiens optreden tegenover hem, aanleiding gaf tot een tweegevecht. Toen zij eenigen tijd gestreden hadden, ontdekte Partenopex, dat zijn tegenstander niemand anders was dan Gaudin, de minnaar van Uracla, de zuster van Melior; en van geslagen vijanden werden de twee jonge ridders goede kameraden, die te samen naar het Hof van Parijs reden.

Spoedig na zijn terugkomst in de hoofdstad, maakte Partenopex kennis met een nicht van den Paus, Jonkvrouw Angelica, die bij den eersten aanblik verliefd op hem werd. In de eigenaardige opvatting, dat »alles in de liefde geoorloofd is«, onderschepte zij zijne brieven aan Melior, en werd zij op deze wijze ingelicht over zijn hartstocht voor de keizerlijke toovenares. Zij bracht een vromen kluizenaar er toe, zich naar Partenopex te begeven, en hem zijn geliefde af te schilderen als een geest der duisternis, die zóó verdorven was, dat zij zelfs de gedaante had aangenomen van een duivel met een slangenstaart, een zwarte huid, witte oogen en roode tanden. Partenopex weigerde beslist dit alles te gelooven, maar toen de vijandelijkheden geëindigd waren, en hij weer in het betooverde kasteel was teruggekeerd, hield het verhaal van den kluizenaar hem toch voortdurend bezig, en hij besloot zich zekerheid te verschaffen, want Melior had hem in het donker bezocht en hij wist niet, hoe zij er uit zag.

Op zekeren nacht, toen het geheele kasteel in diepe rust was, nam de jonge ridder dus een lamp, en begaf zich naar de kamer, waar hij wist dat Melior sliep. Hij trad onhoorbaar binnen, hield de lamp boven zijn slapende geliefde, en toen hij haar warme menschelijke schoonheid aanschouwde, wist hij, dat alles, wat men hem van haar verteld had, laster was. Maar helaas! toen hij verzonken was in den aanblik van haar bekoorlijken slaap, viel er een druppel olie uit zijn lamp op haar boezem, en zij ontwaakte. In haar woede over zijn ongehoorzaamheid aan hare bevelen, zou zij haar ongelukkigen minnaar stellig op de plaats gedood hebben, indien niet haar zuster Uracla, die op den toornigen uitval van Melior was binnengekomen, het verhoed had; en de vertoornde Keizerin liet hem ten slotte ongedeerd vertrekken.

De ongelukkige Partenopex verliet in allerijl het kasteel en kwam na eenigen tijd weer in de donkere bosschen der Ardennen, waar hij besloot te sterven in den strijd met de wilde beesten, die in de donkere schuilhoeken van het gebergte huisden. Maar ofschoon zij zijn paard verslonden, schenen zij niet genegen den ridder aan te vallen. Het gekerm van het ongelukkige dier bracht Uracla, die uitgetrokken was om hem te zoeken, op zijn spoor, en zij nam hem mede naar haar kasteel in Tenedos, om daar te wachten totdat de woede harer zuster bedaard zou zijn. Daarna keerde zij naar de vertoornde Keizerin terug, en haalde haar over, af te kondigen, dat zij haar hand zou schenken aan den overwinnaar in een tournooi, dat zij van plan was uit te schrijven.

In allerijl werden de voorbereidingen tot dit tournooi getroffen, en Partenopex wachtte den dag van den strijd af in het kasteel van Uracla in Tenedos. Maar het was hem niet gegeven, daar rustig te verblijven, want Parseis, een der jonkvrouwen van Uracla, vatte een hartstochtelijke liefde voor hem op, die zij hem bekende, toen zij een kleine boottocht met elkander maakten. En juist toen Partenopex, ten zeerste verbaasd, haar wilde afwijzen, werd het lichte vaartuig door een hevigen storm gegrepen, en het paar werd op de kust van Syrië geworpen. Daar werden de beide schipbreukelingen gevangen genomen door de bevolking van dat land; de ridder werd voor hun koning Hermon gebracht, en in den kerker geworpen.

Partenopex was diep bedroefd toen hij vernam, dat Hermon en verscheidene andere ridders naar Constantinopel waren getrokken, om deel te nemen aan het tournooi van Melior, terwijl hij in gevangenschap zuchtte, en alle hoop moest laten varen, de liefde zijner aangebedene door groote dapperheid te herwinnen.

Maar Partenopex slaagde erin, de Koningin medelijdend voor hem te stemmen; zij hielp hem zijn Syrische gevangenis te ontvluchten, en bereikte Constantinopel nog juist op tijd om aan het tournooi deel te nemen. Hij had vele en machtige tegenstanders, onder wie de Sultan van Perzië de voornaamste was; maar ten slotte versloeg hij hen allen, en toen hij verzocht zijn loon te mogen ontvangen, werd hij door Melior weer met groote liefde en volkomen vergiffenis aangenomen.

HET TYPE VAN »PARTENOPEX.«

De romance van Partenopex behoort tot de groep waartoe Amor en Psyche en Melusine behooren, en waarin de ééne geliefde de andere niet mag aanschouwen, op straffe van verlies van het voorwerp zijner liefde. Onveranderlijk verliezen zij elkander dan ook inderdaad; maar de dichterlijke rechtvaardigheid eischt, dat na vele beproevingen alles weder in orde komt. Dikwijls neemt de man of de vrouw de gedaante van een verscheurend dier of van een slang aan, zooals in de beroemde romance van Melusine, waarmede Partenopex groote overeenkomst heeft, zoodat ik de vaste overtuiging heb, dat de schrijver veel daaruit heeft overgenomen. Maar in het verhaal, dat wij zoo juist behandeld hebben, was de slangachtige gedaante der heldin slechts een lasterlijk bedenksel van den jaloerschen geest eener medeminnares, en wij hebben hier dus te maken met een gelukkige variatie van den gebruikelijken vorm der legende, waarin op handige wijze door den schrijver de meer moderne denkbeelden en de oude vormen zijn dooreengemengd. De geschiedenis van Partenopex verdient zeer zeker meer belangstelling van den kant der kenners van het volkslied, dan haar tot nog toe geschonken werd, en ik hoop dus van harte, dat zij de Catalonische zoowel als de Fransche lezing ervan nauwkeurig zullen bestudeeren, opdat zij deze belangrijke legende beter zullen kunnen beoordeelen.

TIRANTE DE WITTE.