Legenden en Romances van Spanje

Chapter 13

Chapter 133,799 wordsPublic domain

Maar evenals de gevallen aartsengel moet hij tot het einde volharden, en zich heenworstelen door de avonturen van Spheramond, den zoon van Rogel van Griekenland, en van Amadis van Astre, den zoon van Agelisan--of, wanneer hij dit niet wil, moet hij doen zooals wij deden, en eerbiedig het wormstekige boek terugbrengen naar de bibliotheek, waar de kunstig versierde band waarschijnlijk meer gewaardeerd wordt dan de overdreven inhoud.

Inplaats dat het geslacht van Amadis van den troon gestooten werd door het verwaarloosde en woedende volk, bleef het in hooge eer; en misschien ligt het geheim van het succes der leden dezer dynastie wel in de omstandigheid, dat zij vaker verblijf hielden in door vuur omgeven kasteelen en op betooverde eilanden, dan in het vorstelijk paleis in de hoofdstad, dat zij blijkbaar meer beschouwden als een soort van herstellingsoord, waarheen zij kwamen om te genezen van wonden, die hun waren toegebracht door tooverzwaarden, of van giftige beten van vreeselijke draken, dan als den zetel van het keizerlijk bewind.

Wij hebben gezien hoe het grootsche onderwerp van Amadis de Galliër als een stralende zon over Spanje opging, en hoe het door het geknoei van prulschrijvers onderging in onbeduidendheid, tot ergernis van de meer ontwikkelden en tot spot van de groote menigte. Het is alsof het onvergelijkelijke Engelsche epos van Koning Arthur, het verheven heldendicht over de daden van hen, die

»Streden in Aspremont of Montalban, Damascus, of Marocco, of Trebizonde,«

verkracht zou worden door minderwaardige schrijvers. Wij kunnen er den God der letterkunde niet dankbaar genoeg voor zijn, dat deze heerlijke Britsche verzen aan zulk een lot ontsnapt zijn, ofschoon wij erkennen moeten, dat dit slechts louter toeval is. De vervolgboeken van Amadis worden steeds minder in kwaliteit, totdat zij tenslotte niets meer zijn dan flauw gewauwel. Maar dit alles kan niets wegnemen van den glans, die van het oorspronkelijke werk afstraalt, evenmin als de avond de herinnering aan den lichten morgen kan verduisteren. Wel ontaardt de hoffelijke welbespraaktheid der hoofdpersonen van het oorspronkelijke werk in geschetter, de fijne en beminnelijke fantasie van Amadis in onuitsprekelijk laag bij de grondsche bedenksels, en wordt de teere schoonheid, die zoo bekoorlijk is in de eerste liefdes-idylle tot een grof maakwerk. Maar een kunstwerk mag niet beoordeeld worden naar zijne imitaties. Met uitzondering van het Vijfde Boek, zijn de Amadis-romances als oleographieën naast een heerlijk schilderij. Grof van uitvoering, schel van kleuren, slordig van lijn, en als geheel onaesthetisch, zijn zij geschikter voor keukenversiering dan voor een museum. Toch mogen wij deze uitingen niet voorbijgaan, wanneer wij de Spaansche romances behandelen, want zij leeren ons iets, waarmede wij ook in de twintigste eeuw nog ons voordeel kunnen doen: Wanneer een volk berust in zijn letterkundig verval, en geniet van waardeloozen en onechten geest, dan heeft het opgehouden een eerste plaats te bekleeden in de rij der volkeren. De literatuur is een uiting der volksziel, en wat moeten wij zeggen van een benepen ziel, die zich uit in kinderachtige verhaaltjes, de weerspiegeling van een bekrompen en ongezonden geest? Hebben wij geen Cervantes om dit onwaardige product te vernietigen met zijn uitbundig gelach? Moeten ook de andere volken niet hun voordeel doen met de les, die Amadis ons leert? Nooit was Spanje zoo groot als in den tijd, toen zijn eerste boeken de ridderlijkheid van het volk verhieven tot een nationale deugd; en nooit was het zoo klein als in het tijdperk, waarin de drukpersen van Burgos, Valladolid en Saragossa die steden bedolven onder de voortbrengselen van een groven geest, handelsartikelen, die slechts dienden tot het verrijken der uitgevers, en die met geestdrift werden ontvangen door een op sensatie belust publiek.

VIJFDE HOOFDSTUK: DE PALMERIN-ROMANCES.

Moge Palmerin van Engeland bewaard blijven als een merkwaardige relikwie uit de oudheid.

Cervantes.

De eerste critici van de Spaansche romance schijnen er op uit te zijn geweest in elk dezer dichtwerken den Portugeeschen oorsprong op te sporen. Zij schijnen uit de geschiedenis van de Amadis-serie te hebben opgemaakt, dat elke romantische uiting stamde uit het Lusitanische koninkrijk, terwijl zij toch voortdurend wezen op den grooten invloed, dien de Provençaalsche en Moorsche letterkunde op de Spaansche romance had. Het is precies, alsof men zeggen zou: »Ja, het heldengedicht van Koning Arthur draagt de duidelijke teekenen van een Normandisch-Franschen invloed, maar toch werd het in Wales voor het eerst in letterkundigen vorm gegoten. Engeland? O, Engeland aanvaardde het kunstwerk slechts, dat is alles!«

De Palmerin-serie liep in chronologisch opzicht bijna parallel met de Amadis, en volgens de overlevering werd het eerste boek geschreven door een anonieme dame uit Augustabriga. Maar wij hebben alle reden, om, op grond van een gedeelte uit Primaleón--een onderdeel van het werk--aan te nemen, dat het geschreven werd door Francisco Vasquez de Ciudad Rodrigo. Er is geen vroege Portugeesche uitgave bekend, en de Spaansche editie van de eerste romance dezer serie Palmerin de Oliva, die in 1525 te Sevilla gedrukt werd, was stellig niet de eerste vorm, waarin het werk werd neergelegd. De Engelsche vertaling van Anthony Munday werd in 1588 in een gotisch lettertype gedrukt.

PALMERIN DE OLIVA.

Bij zijn verschijning werd Palmerin de Oliva ontvangen met een bijna even groot enthousiasme als Amadis, waarmede het, waarschijnlijk niet geheel toevallig, veel overeenkomst vertoonde; en ook verschenen er, evenals van deze romance, verrassend snel nieuwe uitgaven en vertalingen van.

Het begin van Palmerin de Oliva brengt ons opnieuw naar het tooverachtige strand van den Gouden Hoorn. Reymicio, de Keizer van Constantinopel, had een dochter, Griana genaamd, die hij bestemd had voor Tarisius, den zoon van den Koning van Hongarije, en een neef van de Keizerin. Maar Griana had haar hart geschonken aan Florendos van Macedonië, van wien zij een zoon had. Daar zij den toorn van haar vader vreesde, liet zij toe, dat een dienaar het kind naar een eenzame plek bracht, waar het door een boer werd gevonden, die het meenam naar zijn hut en het opvoedde als zijn eigen zoon, onder den naam van Palmerin de Oliva, omdat hij het gevonden had op een heuvel, die weelderig begroeid was met palm- en olijfboomen.

De knaap was tevreden met zijn eenvoudig bestaan, maar toen hij vernam, dat hij geen boerenzoon was, verlangde hij naar het krijgsmansleven. Het lot was hem gunstig. Eens, toen hij door een donker woud dwaalde op zoek naar wild, ontmoette hij een koopman, die door een woesten leeuw aangevallen was. Hij versloeg het dier en hoorde, dat de reiziger uit Constantinopel kwam en op weg was naar zijn eigen land. Palmerin sloot zich bij den koopman aan, en vergezelde hem naar de stad Hermide, waar zijn dankbare metgezel hem van wapenen en een paard voorzag. Toen hij zoo was toegerust voor het leven van een ridder, begaf hij zich naar het Hof van Macedonië, waar hij tot ridder geslagen werd door Florendos, den zoon van den Koning van dit rijk, en dus zijn eigen vader.

Spoedig deed zich voor Palmerin een gelegenheid voor on zich te onderscheiden. Primaleón, de Koning van Macedonië, was reeds geruimen tijd lijdende aan een gevaarlijke ziekte. Zijne geneesheeren hadden hem verzekerd, dat hij genezen zou, wanneer hij er in slaagde water uit een bepaalde bron te krijgen. Maar deze bron werd bewaakt door een reusachtige slang, die zóó kwaadaardig was, dat het reeds levensgevaarlijk was haar schuilplaats te naderen. Vele ridders hadden het avontuur reeds ondernomen, en waren door het venijnige dier vermorzeld, zoodat het niemand nog gelukt was, den zieken Koning het genezingbrengende water te verschaffen. Dit scheen Palmerin een welkome gelegenheid toe, zijn moed te toonen, en zonder zich goed rekenschap te geven van de groote moeilijkheid dezer onderneming, wierp hij zich in het zadel, en draafde weg in de richting van de bron.

DE FEEËN.

Diep doordrongen van de groote eer, die hem met den juist ontvangen ridderslag verleend was, en buitengewoon trotsch op de gouden sporen die aan zijn geharnaste hielen glinsterden was Palmerin niet weinig gevleid door de belangstelling, die hij blijkbaar gewekt had bij een troepje jonge en schoone dames, die zich bij den uitgang van het bosch bevonden en die zijn flinke gestalte met lachende oogen opnamen. Wanneer hij minder vervuld was geweest van zichzelf en zijn paard, dat hij om den indruk te verhoogen liet huppelen en springen, zou hij gezien hebben, dat de jonkvrouwen, voor wie hij zulk een schitterend figuur wilde slaan, veel te schoon waren voor aardsche wezens; want de dames, die hem met zulk een blijkbaar genoegen bekeken, waren prinsessen uit het geslacht der Feeën, en zij hadden zich op den weg van den jongen ridder geplaatst met het doel, hem met haar toovermacht te helpen.

Palmerin begroette haar met alle hoffelijkheid, waartoe hij in staat was.

»God behoede u, schoone jonkvrouwen«, zeide hij, terwijl hij zóó diep boog, dat hij bijna de manen van zijn paard raakte, »kunt gij mij ook vertellen, of ik in de buurt ben van de bron, die door de booze slang bewaakt wordt?«

»Edele ridder«, antwoordde één der nymphen, »gij zijt slechts een mijl ervan verwijderd. Maar wij smeeken u, keer terug op uwe schreden. Vele ridders, met roem beladen, hebben wij reeds dezen weg zien gaan om te strijden met het monster, dat de bron bewaakt, maar nog nooit keerde één hunner terug«.

»Het is niet mijn gewoonte een onderneming op te geven,« zeide Palmerin uit de hoogte. »Heb ik u goed begrepen, dat de bron nog geen mijl van deze plaats verwijderd is?«

»Een kleine mijl, Heer Ridder,« antwoordde de fee. En zich tot hare gezellinnen wendende, zeide zij: »Zusters, dit schijnt de jongeling te zijn, dien wij reeds zoo lang verwacht hebben; hij is moedig en standvastig; zullen wij hem de wondergave schenken?«

Toen hare gezellinnen hiertoe hare toestemming hadden gegeven, openbaarde zij Palmerin wie zij en hare zusters waren, en zij verzekerde hem, dat waarheen hij gaan zou, of wat hij zou ondernemen, geen monster of toovenaar macht over hem zou krijgen. Toen wezen zij hem nauwkeuriger den weg naar de schuilplaats der slang en zij verdwenen in het donkere woud.

Toen reed hij verder en hij kreeg spoedig de bron in het oog; maar nauwelijks had hij een blik geworpen op het zilveren water, dat uit een groenen heuvel opborrelde, of een vreeselijk gesis waarschuwde hem, dat de giftige bewaker in de nabijheid was. Zonder eenige vrees reed hij echter voorwaarts. Een vuurstraal, komende uit den muil van het monster, spoot over hem heen, maar hij boog zich over het zadel, en ontkwam zóó aan den vuurgloed. En terwijl hij op den venijnigen kop toesprong, die rustte op een nek, dik als een zuil, en die begroeid was met glanzende schubben, sloeg hij ernaar met zijn zwaard. De slang trachtte den ridder en zijn paard te omstrengelen, maar voordat het haar gelukt was, hen in haar doodelijken greep te krijgen, had Palmerin haar den kop afgeslagen.

Bij zijn terugkomst in Macedonië werd de jonge held overladen met verzoeken van allerlei vorsten, die hem met alle geweld in een of andere onderneming wilden betrekken. Palmerin voldeed daaraan met zulk een buitengewone dapperheid, dat zijn roem spoedig verspreid was over geheel Europa, en wij zien hem zelfs strijden in België, waar hij den Duitschen Keizer bevrijdde uit de macht van eenige verraderlijke ridders, die hem in de stad Gent belegerden. Het was bij deze gelegenheid, dat hij de dochter des Keizers, de schoone Polinarda, die hem eens in den droom was verschenen, leerde kennen en haar lief kreeg. Maar de jonge paladijn was van oordeel, dat hij zulk een verheven jonkvrouw slechts waardig zou zijn, wanneer hij vele ridders ter wille van haar had overwonnen, en hij besloot dus, zich in avonturen te begeven, die nog veel moeilijker waren dan die, waardoor hij zich reeds zulk een grooten roem had verworven. Toen hij dus hoorde van een groot tournooi, dat in Frankrijk zou worden gehouden, reisde hij daarheen, en kwam als overwinnaar uit den strijd te voorschijn.

Bij zijn terugkomst in Duitschland vond hij den Keizer in een oorlog gewikkeld met den Koning van Engeland, tegen wien hij zich met den Koning van Noorwegen verbonden had. Dit bondgenootschap was echter niet naar den zin van Trineus, den zoon van den Keizer, die de Engelsche koningsdochter Agriola beminde; hij vertrok dus in alle stilte met Palmerin, om den vader zijner geliefde te helpen. Na vele wederwaardigheden slaagden de jonge ridders erin, de Engelsche prinses te ontvoeren. Maar toen zij huiswaarts keerden, werden zij door een hevigen storm overvallen en naar de kust van Morea gedreven. Toen de storm bedaard was, voer Palmerin naar het naburige eiland Calpa, om zich daar bezig te houden met de valkenjacht, en gedurende zijn afwezigheid werd het vaartuig, waarop hij zijne vrienden had achtergelaten, overrompeld door Turksche zeeroovers, die Agriola medevoerden, als een geschenk aan hun Sultan. Trineus was er nog ongelukkiger aan toe, want hij werd aan wal gezet op een woest eiland, waarschijnlijk hetzelfde, waar Circe heerschte, en waar hij oogenblikkelijk veranderd werd in een hond. En om zijn toestand nog vernederender te maken, kreeg hij niet de gedaante van één der edelste soorten van het hondenras, maar van een kleinen schoothond, zooals men ze in damesboudoirs vindt.

Intusschen werd Palmerin, die geheel onkundig was van het lot zijner vrienden, op het eiland Calpa ontdekt door Archidiana, de dochter van den Sultan van Babylon, die hem dadelijk in haar dienst nam, en weigerde hem te laten vertrekken. Archidiana had bij den eersten aanblik een hevige hartstocht opgevat voor den schoonen jongen ridder, en de moeilijkheid werd voor hem nog grooter door de wetenschap, dat ook haar nicht Ardemira verliefd op hem was geworden. De ridder wees echter zeer beslist hare vriendelijkheden af, en Ardemira trok zich dit zóó hevig aan, dat zij een bloeduitstorting kreeg en stierf, spoedig nadat het gezelschap aan het Hof van Babylonië was aangekomen. Toen Amaran, de zoon van den Koning van Phrygië, die met haar verloofd was, dit treurig einde vernam, spoedde hij zich naar Babylon, en beschuldigde Archidiana in heftige bewoordingen, de oorzaak te zijn van haar dood, terwijl hij aanbood deze bewering te staven door een tweegevecht. Palmerin ging, zooals dit zijn plicht was, op de uitdaging aan de prinses in; hij versloeg Amaran bij het eerste samentreffen, en verwierf hierdoor de gunst van den Sultan, wien hij bijstond in den oorlog met Phrygië, die het gevolg was van dit tweegevecht.

De Sultan was verrukt over zijn militair succes en besloot de grenzen van zijn rijk uit te breiden; met dit doel ondernam hij een veldtocht tegen Constantinopel en Palmerin was genoodzaakt hem hierbij te vergezellen. Maar toen de Babylonische vloot overvallen werd door storm, beval hij de matrozen van zijn eigen schip naar de Duitsche kust te sturen. Daar aangekomen reisde hij naar de hoofdstad, en maakte zich in het geheim bekend bij Polinarda, bij wie hij eenigen tijd bleef.

Maar hij werd gekweld door angstige voorgevoelens over zijn vriend Trineus, en dus besloot hij, den ongelukkigen prins te gaan zoeken. Bij zijn tocht door Europa kwam hij ook in de stad Buda, waar hij hoorde, dat Florendos, Prins van Macedonië, kort geleden Tarisius had verslagen, die, zooals men zich zal herinneren, zijn mededinger was geweest naar de hand van Prinses Griana; zij was echter indertijd door haar vader, den heerschzuchtigen keizer van Constantinopel, gedwongen tot een huwelijk met Tarisius. Florendos was gevangen genomen door de bloedverwanten van Tarisius, en naar Constantinopel gevoerd, waar hij aan den schandpaal zou worden verbrand, tegelijk met Griana, die men als zijn medeplichtige beschouwde. Zoodra Palmerin vernam, dat het leven bedreigd werd van hen, die zonder dat hij het wist, zijne ouders waren, begaf hij zich oogenblikkelijk naar Constantinopel, waar hij hun onschuld verdedigde, door in een strijd op leven en dood de neven van Tarisius te verslaan, en waar het hem gelukte, hen te bewaren voor den schandelijken dood, die hen wachtte. Terwijl hij te bed lag om te genezen van zijne wonden, kreeg hij bezoek van de dankbare Griana, die hem aan een moedervlek op zijn gelaat en door de mededeeling, dat hij een vondeling was, als zoon herkende. Toen de Keizer haar verhaal hoorde, nam hij Palmerin vol vreugde tot zich, en hij erkende hem als zijn opvolger.

OP ZOEK NAAR TRINEUS.

Maar ondanks zijn nieuw verworven macht, vergat Palmerin niet, dat hij zich tot taak had gesteld, zijn verloren vriend Trineus te gaan zoeken. Toen hij hiertoe over de Middellandsche Zee voer, werd hij door een geweldige Turksche vloot overvallen en gevangen genomen. Hij werd naar het paleis van den Sultan gebracht, en slaagde er in Prinses Agriola uit de macht van dezen tiran te bevrijden. Daarna ontvluchtte hij en kwam bij het paleis van een prinses, die Trineus, in zijn gedaante van een schoothondje, ten geschenke had gekregen van de menschen, die hem gevangen hadden. Deze dame had een ernstige verzwering in de neus (een zeer onromantische bijzonderheid!), en verzocht Palmerin haar te vergezellen naar Mussabelin, een Perzisch toovenaar, die haar, zooals zij vast geloofde, zou kunnen bevrijden van deze ellendige ziekte. Maar de Wijze deelde haar mede, dat zij slechts zou kunnen genezen door de bloemen van een boom, die in de nabijheid van »Het Kasteel met de tien Trappen« groeide.

Het kasteel, waarvan de Wijze sprak, was echter betooverd; maar Palmerin was tegen alle booze machten beschermd door de wondergave der feeën, en hij begaf zich dus op weg naar het betooverde kasteel, plukte de bloemen van den genezingbrengenden boom, en ving een betooverden vogel, die voorbestemd was het uur van zijn dood aan te kondigen door een bovenaardschen kreet. Vervolgens nam hij de betoovering weg van het kasteel en tegelijkertijd nam Trineus, die hem in de gedaante van een hond gevolgd was, zijn oorspronkelijke gestalte weer aan.

De verdere lotgevallen van Palmerin gelijken zooveel op de vorige, dat het monnikenwerk zou zijn, ze alle te verhalen. Van het Hof van den éénen Sultan trekt hij naar dat van den anderen, het ééne wonderbaarlijke avontuur volgt op het andere, en de tweegevechten volgen elkander met groote snelheid op. Eindelijk komen Palmerin en Trineus in Europa terug en beiden huwen de aangebedene huns harten.

De priester van Cervantes is wel wat streng in zijn oordeel over Palmerin de Oliva. Toen hij een volgend boek opende, zag hij, dat het Palmerin de Oliva was. »Ha, heb ik je daar te pakken?« riep de priester, »neem deze Oliva mee, scheur hem in stukken, verbrand hem, en strooi de asch in den wind!« Toch zijn er schitterende bladzijden in de romance, die wij zooeven in groote trekken hebben beschreven, korrels stofgoud in een woestijn van verwarde en oppervlakkige vertelsels, vonken van het genie, zooals wij die hier en daar in Shelley' Zastrozzi, St. Irvyne en andere hysterische uitingen uit zijn studententijd aantreffen.

PRIMALEÓN.

Men is het er algemeen over eens, dat de aard en oorsprong van Primaleón, den zoon en opvolger van Palmerin de Oliva echt Spaansch zijn; toch vond de schrijver, Francisco Delicado, het raadzaam, wegens de voorliefde van zijn tijdgenooten voor alles wat geheimzinnig en Oostersch was, het aan te kondigen als een vertaling uit het Grieksch. De eerste uitgave verscheen in 1516, en werd spoedig gevolgd door tal van vertalingen, o.a. een Engelsche van de hand van Anthony Munday, uitgegeven in 1589 en opgedragen aan Sir Francis Drake. Deze vertaling bevatte echter slechts dat gedeelte der romance, waarin de heldendaden van Polendos beschreven waren, maar Munday vulde het werk aan in uitgaven, die in 1595 en 1619 het licht zagen. De avonturen van Polendos zijn echter verreweg het beste uit het boek.

Polendos was de zoon van de Koningin van Tharsus. Toen hij op zekeren dag huiswaarts keerde van de jacht, zag hij een oud vrouwtje op de treden van het paleis zitten, vanwaar hij haar met groote ruwheid wegschopte. »Je vader Palmerin hielp de ongelukkigen op een andere manier!« riep het besje uit, terwijl zij opstond. Op deze wijze vernam Polendos het geheim zijner geboorte, want hij was inderdaad de zoon van Palmerin en de Koningin van Tharsus. Hij was verrukt door deze wetenschap, en brandde van verlangen, zich te onderscheiden door heldendaden, die zijn edelen vader waardig zouden zijn. Hij begaf zich dus op weg naar Constantinopel, om zich aan zijn vader bekend te maken, en ontmoette op zijn reis vele avonturen. Hij bleef niet lang in de keizerlijke stad, maar trok er op uit, om Prinses Francelina te verlossen uit de macht van een reus en een dwerg, die haar in een betooverd paleis gevangen hielden. Bij zijn terugkomst in Constantinopel onderscheidde hij zich zeer in een tournooi, dat gehouden werd bij gelegenheid van het huwelijk van een der dochters van den Keizer, en Primaleón, de eigenlijke held dezer geschiedenis, de zoon van Palmerin en Polinarda, wenschte zich met zijn halfbroeder te meten; daartoe werd hij tot ridder geslagen en hij kon toen aan den strijd deelnemen. De rest van de romance handelt over de lotgevallen van dezen jongen held en van Duardos (Eduard) van Engeland.

Bij één zijner avonturen had Primaleón den zoon der Hertogin van Armedos gedood; de ontroostbare moeder legde de gelofte af, dat zij haar dochter slechts ten huwelijk zou geven aan den man, die haar het hoofd van Primaleón zou brengen. Primaleón versloeg één voor één de minnaars van Gridoina, de dochter der Hertogin, zoodat zij op het laatst zelfs zijn naam verafschuwde; maar op zekeren avond verscheen Primaleón aan het paleis, en terwijl zij niet wist wie hij was, vatte zij een hartstochtelijke liefde voor hem op. Het pand hunner liefde was Platir, wiens lotgevallen door denzelfden schrijver verhaald en in 1533 te Valladolid werden uitgegeven. Wij zullen ons niet bezighouden met deze onbeteekenende romance, maar liever onze aandacht wijden aan zijn opvolger, die zooveel meer onze belangstelling waard is.

PALMERIN VAN ENGELAND.

Dit is waarschijnlijk wel de beste romance van de geheele serie. Men zegt, dat de eerste Spaansche uitgave verloren is gegaan, maar een Fransche vertaling ervan verscheen in 1553 te Lyon, en een Italiaansche in 1555 te Venetië. Southey houdt echter vol, dat het Spaansche origineel dezer geschiedenis nooit bestaan heeft, en dat zij oorspronkelijk in het Portugeesch geschreven werd. Deze bewering werd echter te niet gedaan, doordat Salva een afschrift van het verdwenen Spaansche werk ontdekte, dat door Luis Kuxtado geschreven was en in twee gedeelten te Toledo verscheen, in 1547 en 1548. Southey trachtte in de Europeesche vertaling van Palmerin van Engeland aan te toonen, dat een nadere beschouwing van de mise en scène het onweerlegbaar bewijs zou leveren, dat deze romance van zuiver Lusitanischen oorsprong was,--uit welke redeneering duidelijk blijkt, welk een gevaar er schuilt in dergelijke spitsvondige redeneeringen. Met even weinig grond zou men kunnen beweren, dat het werk van Engelschen oorsprong is, omdat het voornamelijk speelt binnen de grenzen van het »gevaarlijke eiland« Brittanje, in welk opzicht het veel overeenkomst vertoont met Amadis.