Legenden en Romances van Spanje

Chapter 12

Chapter 123,767 wordsPublic domain

Hij zei: »Waart gij geen afgezant, Ik doodde u met eigen hand. Geen voet verzet ik van den grond, Voor zulk een vuilen heidenhond! Zij is een hond, en dus onrein: Mijn kamer uit, gij smerig zwijn!«

Maar Lisuarte wees Abra toch af, en alle haat, waartoe een versmade vrouw in staat is, ontbrandde in den boezem der schoone Babylonische. In haar groote wraakzucht, zond zij afgezanten naar alle landen der aarde, met het verzoek, dat de geheele ridderschap van ieder koninkrijk haar zou bijstaan om Lisuarte ten val te brengen. Op haar rondreis naar de verschillende hoven, trof een harer kamervrouwen Amadis van Griekenland, die, daar hij nog een heiden was, gemakkelijk kon worden overgehaald tot de belofte, dat hij niet zou rusten, voordat hij Lisuarte's hoofd aan Jonkvrouw Abra zou hebben gebracht. Toen Amadis te Trebizonde aankwam, ontbrandde er dus een gruwelijke strijd tusschen vader en zoon, die goddank werd beëindigd door de verschijning van Urganda, die volgens haar gewoonte de strijdenden met elkander bekend maakte. Maar de jonge Amadis ontkwam evenmin als zijn vader dat deed, aan de liefdesbetuigingen van heidensche prinsessen. Niquea, de dochter van een Oostersch Sultan, was alleen reeds door de verhalen over hem, verliefd op hem geworden, en zij had hem haar beeltenis gezonden, die door haar dwerg gemaakt was. De bekoorlijkheden, die deze jonge dame ongetwijfeld bezat, wogen echter niet op tegen de omstandigheid, dat ieder, die haar verblindende schoonheid aanschouwde, òf stierf, òf beroofd werd van zijn verstand. Haar vader, een verstandig man, sloot haar op in een toren, waarin niemand werd toegelaten behalve de naaste familieleden, die zooals meestal het geval is, niet zoo gemakkelijk onder den indruk harer bekoorlijkheden kwamen als vreemden.

Ondanks zijn vroegere hartstochtelijke liefde voor de Prinses van Sicilië, had Amadis nauwelijks het portret van Niquea aanschouwd, of hij vergat zijn vorige aangebedene, en gaf zijn geheele hart aan de Oostersche schoone. En opdat hij het geluk mocht smaken het origineel van de beeltenis, die hem zoo verrukt had, met eigen oogen te aanschouwen, vermomde hij zich als slavin, en werd hij toegelaten tot den toren, waarin Niquea was opgesloten. Zij beloofden elkander trouw en Amadis bleef in zijn vermomming in den toren. Onnoodig te zeggen, dat de schoonheid van Niquea hem geen ongeluk aanbracht.

Laat ons nu terugkeeren tot de schoone doch wraakzuchtige Abra, die een reusachtig leger had samengesteld en daarmede tegen Trebizonde optrok. Na een verwoeden strijd werden de heidensche troepen natuurlijk verslagen. Maar daar Onoloria intusschen zoo vriendelijk was geweest, het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen, huwde Lisuarte, op aanraden van zijn platonische vriendin Gradaffile, de Babylonische Koningin, die dus gelukkiger was in de liefde dan in den oorlog.

Niquea had echter langzamerhand genoeg van haar gevangenschap, en zij slaagde erin, met Amadis te vluchten; kort daarna kwamen zij te Trebizonde aan, waar hun huwelijk voltrokken werd. Hun werd een zoon geboren, dien zij Florisel van Niquea noemden, en die weer de held is van een andere geschiedenis.

Deze romance eindigt, evenals die van Esplandian, met de betoovering van de Grieksche helden en prinsessen in den »Toren van het Heelal«, door den wijzen toovenaar Zirfea, die hen waarschuwde, dat dit de eenige manier was, om aan de sterfelijkheid te ontsnappen. Maar in afwijking van wat er op het Versterkte Eiland gebeurde, was de betoovering waaraan zij zich in den wondertoren moesten onderwerpen, niet een toestand van slaap, zoodat de betooverde ridders en hunne jonkvrouwen in staat waren, zich ongeveer een eeuw lang genoegelijk met elkander te onderhouden, een voordeel, dat zij zeer op prijs stelden, omdat zij zoo lang van elkander gescheiden waren geweest.

Zelfs indien zij genoeg hadden gekregen van elkaars gezelschap, behoefden zij zich nog niet te vervelen, want de vriendelijke en zorgzame toovenaar had in den toren een toestel aangebracht, waardoor zij alles konden aanschouwen, wat er in de buitenwereld gebeurde, een bron van ontspanning en vermaak, waarvan mevrouw d'Aulnoy ook gebruik heeft gemaak in één harer sprookjes.

De barbier en de priester van Cervantes waren vooral vijandig gestemd tegenover Amadis van Griekenland en diens onmiddellijke opvolgers. »Smijt het heele zoodje op het erf«, riep de priester uit; »want ik zou liever mijn eigen vader verbranden als ik hem tegenkwam in de kleeding van een dolenden ridder, dan dat ik Koningin Pintiquinestra en den herder Darinel met zijn herderszangen en de gruwelijk overdreven toespraken van den schrijver spaarde.«

FLORISEL VAN NIQUEA.

De geschiedenis, die zoozeer de verontwaardiging heeft opgewekt van den onromantischen priester en den nog minder dichterlijken barbier van Cervantes, is het Tiende Boek van Amadis, dat den naam draagt van Florisel van Niquea, en waarvan ons wordt verteld, dat het geschreven is door niemand minder dan Cirfea, Koningin van Argos, die het dan zeker heeft gedicht in de korte rustpoozen, die haar gelaten waren bij haar moeilijke regeeringstaak. Hare Majesteit verlaagt zich er niet toe ons mede te deelen, hoe groot het honorarium was, dat zij in 1532 van hare Valladolidsche uitgevers ontving; maar wanneer wij, zonder ons schuldig te maken aan majesteitsschennis, een prijs mochten bepalen, dan zouden wij zeggen, dat de letterkundige ontboezeming dezer fantasierijke vorstin uitstekend betaald zou zijn geweest met een stuiver per regel. In één woord, Cirfea, of de tienderangs schrijver, die zich achter haar vorstelijke persoon verbergt, is betrekkelijk vervelend, en haar flauwe herdersverhalen kunnen onmogelijk ernstig genomen worden. Het eenige, wat haar werk nog eenige beteekenis geeft, is, dat zij waarschijnlijk de eerste was, die het landelijk element in de romance heeft gebracht, en dat zij dus de schepper is van een lange rij gekunstelde en sentimenteele herders en herderinnen, wier tranen en zuchten de bladzijden der zestiende- en zeventiende-eeuwsche dichtwerken vullen, en wier niet te stelpen klachten de oorzaak zijn, dat men er tegen op ziet een boek te openen, dat zelfs maar uit de verte herinnert aan l'esprit de bergères.

De romance brengt ons in kennis met Sylvia, de dochter van Lisuarte en Onoloria, die, zooals vanzelf spreekt, in haar kinderjaren aan de ouders ontrukt werd en in de buurt van Alexandrië werd opgevoed voor het herdersleven. Deze streek, die toen ten tijde misschien een zekere vermaardheid genoot om haar veeteelt, had dit dan zeker te danken aan de groote hoeveelheid zand, die zij oplevert, hetgeen blijkbaar een zeer deugdelijk veevoedsel is geweest. Toen Sylvia grooter werd, begon zij te beseffen hoe schoon zij was, en vertrouwende op haar bekoorlijk uiterlijk, en misschien ook op haar allerliefsten naam, onderwierp zij den schoonen jongeling Darinel, wiens naam evenals de hare in het land der Pharao's uitheemsch was, aan haar wil. Sylvia was van oordeel, dat een herderin »hardvochtig« tegenover haar minnaar behoorde te zijn, en deze was het dus, die voor de sonnettendichters de nieuwe mode in het leven riep, zich bitter te beklagen over de onverschilligheid eener geliefde. Hij toonde zijn goeden wil tot sterven, door zich op den top van een berg bloot te stellen aan de woede der elementen, een betrekkelijk omslachtig proces zou men zoo oppervlakkig meenen, in een streek, die zoo bij uitstek gezond wordt geacht voor longlijders. Waarschijnlijk kwam hij tot het inzicht, dat het Egyptische klimaat zich niet bijzonder leende tot de uitvoering van zijn droevig plan, en dus vertrok hij naar de omgeving van Babylonië, waar hij, zoekende naar bergen in een streek, waar er opmerkelijk weinig zijn, in de gelegenheid was vriendschap te sluiten met Florisel, die met zijn opgewekten aard er wel eens genoeg van zal hebben gekregen, dat eeuwige gejammer over de schoone oogen der aangebeden jonkvrouw te moeten aanhooren. Darinels beschrijvingen van Sylvia's bekoorlijkheden waren echter zóó geestdriftig, dat Florisel werd aangestoken door de gevoelens van zijn ongelukkigen vriend, zoodat hij ten slotte zóó weinig in staat was, de hartstocht, die hem verteerde te overwinnen, dat hij zich als herder vermomde, en den ongelukkigen Darinel overhaalde, hem naar de woonplaats van Sylvia te brengen. Maar hoewel Florisel haar de groote eer had bewezen, den geheelen weg van Babylon te voet af te leggen om beloond te worden met een blik uit hare oogen, was zij tegenover hem even koud en wreed als zij dat tegenover Darinel geweest was.

Op een avond, toen Florisel tot opluchting van den lezer zijne klachten aan de schoone herderin eens een oogenblik staakte, vertelde hij haar, hoe Prins Anastarax, de broeder van Niquea, in een betooverd paleis gevangen werd gehouden door den machtigen Zirfea. Toen de wispelturige Sylvia dit verhaal hoorde, ontvlamde zij plotseling in liefde voor Anastarax, en zij dwong Florisel en Darinel, welke laatste niet meer naar de woeste bergen hunkerde, met haar er op uit te trekken om den Prins uit zijn door vlammen omgeven gevangenis te verlossen. Maar toen zij in de nabijheid kwamen van den Toren waarin hij was opgesloten, hoorden zij, dat dit avontuur reeds was ondernomen door Alastraxare, een schoone Amazone, de dochter van Amadis van Griekenland en de Koningin van de Kaukasus. De lezer is dan genoodzaakt de lotgevallen van deze vrouwelijk Hercules te volgen, wier onuitsprekelijke naam een struikelblok is geweest voor heele geslachten van boekdrukkers. Hare avonturen vullen vele bladzijden.

Het kleine gezelschap uit Alexandrië ging op zoek naar deze heldin en ontmoette op zijn tocht vele avonturen; onder de belangrijkste daarvan behoort de flirtation van Florisel met Arlanda, Prinses van Thracië, die op hetgeen men haar van hem verteld had, verliefd op hem was geworden, zooals dat toenmaals de gewoonte schijnt te zijn geweest onder de jonge dames uit den bloeitijd der romance.

Zij stak zich in de kleederen van de ongenaakbare Sylvia, en verlokte hem tot een samenkomst in den maneschijn, bij welke gelegenheid zij er in slaagde zijn gunst te winnen, terwijl hij in de vaste verbeelding was, dat zij de herderin was, die hij zoolang vruchteloos met zijne liefdesbetuigingen vervolgd had.

Bij hunne omzwervingen werd Sylvia tijdens een geweldigen storm van hare medereizigers gescheiden, en toen zij op hare schreden terugkeerde, kwam zij weder bij de door vlammen omgeven gevangenis van Anastarax. Intusschen waren Florisel en Darinel aan de kust van Apollonia gekomen, waar de eerste gelukkig de bekoorlijkheden van het grillige herderinnetje vergat, dat op het goede oogenblik als de dochter van Lisuarte herkend werd en met haar beminden Anastarax vereenigd werd. Doch het was niet alleen te wijten aan zijn slecht geheugen, dat Florisel zijn aangebeden Sylvia vergat, maar voornamelijk aan de schoone oogen van Prinses Helena van Apollonia.

Het verder verloop van het verhaal is er bepaald op berekend, den meest lankmoedigen lezer te tarten. Florisel had niet veel tijd om te genieten van het gezelschap der bekoorlijke Apollonische Prinses, daar hij was uitverkoren om zijn oom uit de gevangenis te bevrijden. Toen hij eindelijk aan dien plicht voldaan had, begaf hij zich op weg naar Apollonia, maar het was hem natuurlijk niet gegeven, het strand van dit schoone land zonder verdere lotgevallen te bereiken. Toen hij te Colchos landde, ontmoette hij Alastraxara, die haar geluk had gevonden in Falanges, een dapper krijgsman uit het gevolg van Florisel. Bij zijn komst in Apollonia was Prinses Helena op het punt, in het huwelijk te treden met den Prins van Gallië, welke verbintenis om politieke redenen door haar vader was bevolen. Maar Florisel zou niet waard zijn geweest te stammen uit een geslacht welks helden nooit lijdelijk waren gebleven onder dergelijke omstandigheden, indien hij had nagelaten de plannen van den vader te verijdelen, en zooals de koninklijke schrijfster opmerkt, hij zorgde voor een herhaling van de geschiedenis van Troje, door deze tweede Helena te schaken.

Evenals in het oorspronkelijke verhaal van Homerus, werden natuurlijk door deze daad de echte en onechte koninkrijken van het Oosten en het Westen in een vreeselijken oorlog gewikkeld. Geholpen door de Russen, die dus toen reeds een zekere voorliefde schijnen te hebben gehad voor het omverwerpen van een bestaande maatschappij, wierpen de landen van het Westen hunne reuzenlegers in de vlakten van Constantinopel, en brachten de Grieksche wapenen een geweldigen nederlaag toe. Maar de Slaven keerden zich later tegen hunne Oostersche bondgenooten, verdreven hen van de kusten van den Gouden Hoorn, en stelden Florisel ten slotte in het bezit van de hoofdstad van het Oosten en van Prinses Helena.

Hier zou de doorluchtige Cirfea met haar gouden pen gevoegelijk Finis hebben kunnen schrijven onder deze verbazingwekkende historie. Maar in dit stadium van het verhaal schept de schrijfster op nieuw adem, waarschijnlijk in verband met de omstandigheid, dat de boekhandelaren in Valladolid hunne klanten beloofd hadden, dat zij vergast zouden worden op zooveel duizend regels van haar hand, en zij hen niet wilde teleurstellen om redenen, waarboven zij als gekroond hoofd verheven had behooren te zijn. Maar Argolis is spreekwoordelijk bekend als een arm land, waarvan de bevolking een aangeboren afkeer heeft van belasting betalen. Hoe het zij, Cirfea was niet het laatste gekroonde hoofd van den Balkan, dat door letterkundigen arbeid aan speldengeld moest komen; zij voorzag zich dus van een nieuwen riem perkament van het Departement van Argos (want het is bekend, dat Gouvernements-papier vanaf de tijden van Khammurabi algemeen eigendom is) verzon weer nieuwe verwikkelingen, en maakte zich gereed om die uit te werken.

Toen de verraderlijke Russen afgerekend hadden met de Westersche legers, keerden zij naar hun eigen land terug, om daar nieuwe plannen uit te broeden voor de verdere vernietiging van het bedreigde Europa. Maar Amadis van Griekenland was van oordeel, dat een volk dat zooveel te danken had aan de beschaving van andere volken (om niet te spreken van zijn financiëele verplichtingen) gevoelig moest worden gestraft voor zijn oorspronkelijk bondgenootschap met den vijand. Hij vervolgde dus hunne schepen, maar verloor hen uit het oog en kwam terecht bij het verlaten eiland, dat in geen romance schijnt te mogen ontbreken. Daar besloot hij te blijven om boete te doen voor zijn ontrouw tegenover de Prinses van Sicilië. Natuurlijk belandde deze dame daar ook en nadat zij haar ontrouwen minnaar duchtig de les had gelezen, raadde zij hem aan, terug te keeren tot zijn diepbedroefde echtgenoote Niquea, welke raad hij tenslotte opvolgde.

Toen Amadis na verloop van eenigen tijd niet te Constantinopel terugkwam, werd men ongerust in de keizerlijke stad, en Florisel en Falanges werden uitgezonden om hem te zoeken. Zij belandden bij het eiland, waar Florisel onder den aangenomen naam van Moraizel verliefd werd op koningin Sidonia, en zich met haar verloofde; zij ontzag zich echter niet, haar voorkeur voor zijn metgezel onbewimpeld te toonen. Maar Florisel had spoedig genoeg van zijn bruid, die hem een allerliefst dochtertje Diana schonk, dat bestemd was om als heldin te fungeeren in het Elfde en Twaalfde Boek van deze eindelooze geschiedenis.

AGESILAN VAN COLCHOS.

Terwijl de jeugdige Agesilan van Colchos voor zijne studieën te Athene vertoefde, zag hij toevallig het portret van de schoone Diana. Hij gevoelde zich onweerstaanbaar tot haar aangetrokken, en besloot het origineel te zoeken om haar met eigen oogen te aanschouwen; dus vermomde hij zich als vrouwelijk minstreel, en reisde naar het Hof van Koningin Sidonia, de moeder der jonge Prinses, die hem in dienst nam als speelnoot voor haar dochtertje. Maar toen er achtereenvolgens verscheiden ondernemende ridders naar het eiland kwamen, kon hij niet nalaten in de vermomming van een Amazone met hen te strijden, en bij deze gevechten was de overwinning steeds aan zijn kant. Toen Agesilan van de Koningin hoorde, hoe zij door Florisel verwaarloosd werd, stelde hij zich zeer gedienstig tot haar beschikking, om haar het hoofd van den dolenden ridder te brengen, en tegelijkertijd deelde hij haar mede, wie hij was. Sidonia koesterde een diepen wrok tegen haar echtgenoot, die haar zoo trouweloos verlaten had, en dus nam zij het aanbod van den jongen ridder gretig aan. Agesilan vertrok dus naar Constantinopel en daagde den trouwelooze tot een tweegevecht uit. Er werd bepaald, dat het samentreffen in het rijk van Sidonia zou plaats vinden, maar toen de a. s. strijders daar aankwamen, ontdekten zij, dat het koninkrijk belegerd werd door de alomtegenwoordige Russen die, niet tevreden met hunne eigen, uitgestrekte steppen, begeerig waren naar een zonniger plaats met een zachter klimaat. Het was eigenlijk niet edelmoedig, twee zulke beroemde kampvechters tegelijk op de woeste Russen af te sturen, en na korten tijd was de overwinning dan ook aan de zijde der ridders. Waarschijnlijk bracht de vreugde hierover Florisel en Sidonia weer tot elkaar, en alles verliep volkomen naar wensch, want Agelisan en Diane verloofden zich met elkander.

Men was echter van oordeel, dat het schitterende Constantinopel een waardiger achtergrond zou zijn voor de huwelijksplechtigheid, en dus scheepten allen zich in naar den Gouden Hoorn, nadat men eerst de eer had genoten van een bezoek van Amadis van Gallië in eigen persoon, die ondanks zijn patriarchalen leeftijd nog zijn grootste genoegen vond in het leven van een dolenden ridder. Hij was vergezeld van Amadis van Griekenland, die bijna even eerwaardig was als zijn grootvader, en nog gaarne een lans brak met elken gelijkgezinden ridder.

Zij waren nog niet ver van de kust verwijderd, toen zij overvallen werden door een hevigen storm, waarbij Agesilan en Diana van het overige gezelschap gescheiden werden. Zij werden op een verlaten rots geworpen, waar zij zeker zouden zijn omgekomen, indien niet een hulpvaardig ridder, die, gezeten op een gevleugeld paard, toevallig boven die rots vloog, hen had opgenomen en gebracht had naar zijn woonplaats op de Canarische Eilanden. Maar de belangeloosheid van hun redder verdween, toen hij de schoonheid van Diana aanschouwde, en toen dus Agesilan er niet op verdacht was, bracht hij haar naar een afgelegen gedeelte van het Groene Eiland, zooals zijn domein heette. Zijn liefdedroom zou echter ruw verstoord worden, want juist op dit oogenblik landde er een troep zeeroovers, die in Diana een kostelijken buit voor de slavenmarkt zagen en die haar met geweld ontvoerden.

Daar Agesilan zijn geliefde niet vinden kon, vreesde hij verraad, en in groote angst besteeg hij het gevleugelde paard om Diana te zoeken. Nadat hij vanaf den rug van het vliegende dier vruchteloos het geheele eiland had overzien, vloog hij wanhopend verder. Door een »motordefect« of een nog onverklaarbaarder reden, was hij genoodzaakt te dalen in het land van de Garamantes, welks Koning met blindheid was geslagen als straf voor zijn onuitstaanbare aanmatiging. Daarenboven werd het voedsel, dat voor den ongelukkigen vorst bereid werd, dagelijks door een vreeselijken draak geroofd. Agesilan verloste hem van dit monster. Deze geheele geschiedenis is een onbeschaamde imitatie van een gedeelte van Orlando Furioso, waarin Senapus, Koning van Ethiopië, bezocht wordt door eenzelfde ongeluk, daar zijn voedsel dagelijks verslonden wordt door harpijen, totdat hij verlost wordt door Astolpho, die in het koninkrijk neerdaalt op een gevleugeld paard. Maar de schrijver van Agesilan is niets schuldiger dan Ariosto zelf, want beiden hebben hunne gegevens geput uit de geschiedenis van Phineus en de Harpijen in de Tocht der Argonauten van Apollonius Rhodius. Bij zijn zoeken naar Diana kwam Agesilan bij het Verlaten Eiland. De God Tervagant (Termagaunt, Tyr Magnus = Tyr de Machtige) was verliefd geworden op de Koningin van dit land, maar toen zij hem had afgewezen, had hij een heel leger van duivels op haar bezittingen losgelaten, die alles wijd en zijd verwoestten. Het orakel van den god had verkondigd, dat hij zijn wraakneming niet zou opgeven, of de bewoners moesten dagelijks een jong meisje op het strand tentoonstellen, totdat hij er een had gevonden, dat evenzeer in zijn smaak viel als de Koningin. Elken dag werd er dus een ongelukkige jonkvrouw aan de rots van het Verlaten Eiland geketend, en oogenblikkelijk werd zij verslonden door een monster, dat uit de zee verrees. Hierdoor werden de meisjes uit de omgeving natuurlijk schaarsch, en om nu één der jonkvrouwen uit het land voor een volgende gelegenheid te sparen, werd Diana, die naar het eiland gebracht was, op een morgen aan de rots gebonden, en als een tweede Andromeda aan de genade van het monster prijs gegeven. Maar toen Agesilan op zijn gevleugeld ros door de lucht vloog, zag hij, welk een vreeselijk gevaar haar bedreigde; hij snelde haar te hulp en versloeg na een hevig gevecht het monster, dat haar juist verslinden zou. Nadat hij met den Satelliet van Tervagant had afgerekend, nam hij de half bezwijmde Diana op zijn vliegend paard, dat hij in de richting van Constantinopel stuurde. Maar op zijn weg daarheen ontdekte de nu geoefende vliegenier het schip van Amadis, dat hij en zijn geliefde bij den storm uit het oog hadden verloren. Hij vloog recht op het vaartuig af, zooals de loods van een reddingsboot op het »moederschip«, begroette zijne verbaasde bloedverwanten, en eindelijk bereikte het gezelschap Constantinopel, waar het huwelijk der hoofdpersonen luisterrijk voltrokken werd.

SILVIO DE LA SELVA.

Silvio de la Selva, de zoon van Amadis van Griekenland en een zekere Finistea, is de held van het twaalfde en laatste boek der Amadis-serie. Wij maken voor het eerst kennis met hem bij het beleg van Constantinopel, waar hij zich onderscheidde door groote dapperheid. Toen de Czar van dit krijgszuchtige volk voor de afwisseling weer eens een oorlog wenschte te ondernemen, behoorde Silvio tot de eersten die het zwaard trok, en die de twaalf dwergachtige afgezanten van de moskovieten de verzekering gaf, dat de honderdzestig vorsten, die zich tegen Griekenland hadden verbonden, weinig kans hadden naar hunne respectieve landen terug te keeren. Wij zullen geen beschrijving geven van het beleg, dat op dit antwoord volgde, noch van alle slagen en uitvallen, maar slechts terloops opmerken, dat het een strijd was met veel afwisseling. Maar wanneer de Grieksche vorsten zich verbeeldden, dat zij door deze overwinning op het slagveld waren ontsnapt aan de gevolgen van hun tarten van de strijdlustige Russen, dan hadden zij buiten den waard gerekend; want door één enkele aanraking met den tooverstaf, was het geheele schitterende leger van ridders van de aarde gevaagd. De bewoners van de romantische stad aan de Bosporus verkeerden ten tweeden male in grooten angst; maar de ridders en paladijnen in de familie--op zichzelf reeds een niet onbelangrijk leger--lieten zich niet uit het veld slaan, en trokken uit om hunne geliefde bloedverwanten te zoeken. Maar wij zijn nog niet verlost uit het net van intriges, dat door Castiliaansche schrijvers gesponnen was, en de uitgaande kaars van de groote romance van Amadis dooft niet na een laatste opflikkering uit, met de bevrijding van de helden en heldinnen, die zich in al die bladzijden zoo hebben geweerd in een eindelooze opvolging van avonturen en strijd; want toen de prinsessen veilig waren teruggebracht, bleek het, dat eenigen onder haar gedurende hare afwezigheid gezegend waren met kleine olijftakjes, waarvan ons de lotgevallen ook weer verteld werden; zoodat ten slotte de lezer, geheel ontdaan door de wonderbaarlijke intriges, evenals Miltons Satan wanhopig naar een uitweg zoekt, roepende:

»Wee mij, ongelukkige! Waarheen zal ik vluchten?«