Legenden en Romances van Spanje

Chapter 11

Chapter 113,825 wordsPublic domain

Esplandian bracht zijn jeugd door aan het Hof van zijn grootvader, Koning Lisuarte, en zoodra hij geridderd was, ontwaakte in hem de roeping tot grootsche avonturen. Aan zijn wenschen in dit opzicht kon spoedig worden voldaan, want kort nadat de gouden sporen aan zijne hielen bevestigd waren, viel hij in een diepe bezwijming, hetgeen er op wees, dat hij onder den invloed kwam van een machtige betoovering. Terwijl hij sliep, zag de bevolking van het Versterkte Eiland, waarheen hij gekomen was om tot ridder te worden geslagen, een grooten vuurberg, die steeds naderbij kwam; daaruit steeg de sylphide-achtige gestalte van de toovenares »Urganda de Onbekende« omhoog, die door de lucht voer op den rug van een reusachtigen draak. Eenigen tijd tevoren was Amadis, in wiens gevangenschap de booze Archelaus zich bevond, zoo onvoorzichtig geweest, dien stokebrand der tooverwereld weer in vrijheid te stellen, en hij had spoedig daarna tot zijn schade gemerkt, dat de trouwelooze toovenaar misbruik had gemaakt van zijn herwonnen vrijheid, en den goedgeloovigen Lisuarte weer in zijn macht had gekregen, zoodat de Koning, die blijkbaar door ondervinding niet wijzer was geworden, nu in den diepsten kerker van het kasteel des toovenaars zuchtte. Urganda deelde den bedroefden schoonzoon mede, dat het noodzakelijk was, dat Esplandian wraak ging nemen, en voordat Amadis in de gelegenheid was iets naders te vragen, voerde zij den jongeling op den rug van het gevleugelde monster met zich mede.

De toovenares bracht den slapenden Esplandian aan boord van een geheimzinnig vaartuig, Het Schip van de Groote Slang genaamd, en toen hij bij zijn ontwaken bemerkte, dat hij zich op zee bevond, was hij uitgelaten van blijdschap. Toen hij over de rustige golven gedragen werd, voelde hij een groote, innerlijke vreugde over de wonderbaarlijke snelheid, waarmede de betooverde galei de baren kliefde. Na eenigen tijd ontdekte hij een rotsachtig eiland, midden in een verlaten zee, en toen hij aan land ging, zag hij, dat het onbewoond was, en dat er zich niets op bevond dan een hooge toren, die op het hoogste punt der rots gebouwd was. Hij beklom de hoogte, waarop de toren stond, en ontdekte, dat de oude vesting volkomen verlaten was. Bij een nader onderzoek van het gebouw zag hij een steen, waarin een rijk versierd zwaard stak; maar toen hij probeerde, het er uit te trekken, werd de lucht plotseling vervuld van het woeste gebrul van een geweldigen draak, die met zulk een snelheid op hem toekwam, dat, vóórdat hij zich tot den aanval had kunnen gereedmaken, het monster zijn reuzenklauwen om hem heengeslagen had, met het kennelijk doel, de platen van zijn wapenrusting te breken, en hem te vermorzelen. De man en de draak worstelden op leven en dood, en zóó hevig was hun strijd, dat de aarde beefde en het kasteel onder hen heen en weer bewoog, toen zij zich wendden en wrongen in een doodelijke omhelzing. Tenslotte slaagde Esplandian er in, zijn rechterhand te bevrijden uit de grijparmen van den draak, en, een tooverzwaard trekkende, dat Urganda hem gegeven had, stak hij het door de geschubde huid van het monster. Doodelijk gewond liet het tooverdier zijn prooi los, en het geweldige lichaam verstijfde in den dood. Toen Esplandian zich ervan overtuigd had, dat het monster werkelijk dood was, verliet hij het kasteel, en keerde naar het strand terug, bij de invallende duisternis geleid door een bovenaardsch licht, dat uit het betooverde zwaard straalde, dat hij uit het rotsblok getrokken had.

Nu voer hij op het Schip van de Groote Slang weer verder en belandde op een woeste plaats, bekend als de Verboden Berg, een vesting, gelegen op de grens tusschen Griekenland en Turkije. Uit de verte zag hij een kasteel, en toen hij zich daarheen begaf, ontmoette hij een kluizenaar, die hem ontraadde, in de nabijheid daarvan te komen. Hij vertelde hem, dat een beroemd vorst daarin gevangen gehouden werd. Oogenblikkelijk begreep Esplandian, dat dit niemand anders dan Lisuarte kon zijn, en dat het kasteel de vesting was van den boozen toovenaar Archelaus; deze overwegingen deden hem natuurlijk besluiten, de plaats nader te onderzoeken.

Toen hij bij de poort kwam, zag hij, dat deze bewaakt werd door een reusachtigen schildwacht, die bij zijn nadering woedend op hem afkwam een geweldige knots zwaaiende. Terwijl hij den aanval van zijn reusachtigen tegenstander ontweek, doodde hij hem met het tooverzwaard, en hij was op het punt, het kasteel binnen te treden, toen hij plotseling tegenover Archelaus zelf kwam te staan. Er volgde een vreeselijke worsteling. De toovenaar, hevig vertoornd over de onbeschaamdheid van den jeugdigen knaap, die het gewaagd had door te dringen in de geheimen van zijn vesting, en in het besef, dat hij stamde uit het geslacht van zijn aartsvijand Lisuarte, viel Esplandian met groote woede aan. Maar zijn blinde woede was niet opgewassen tegen de koelbloedigheid van zijn jeugdigen tegenstander, die erin slaagde, hem met zijn tooverzwaard te dooden, en die hierdoor voor goed een einde maakte aan de gevaarlijke streken van den sluwen toovenaar. Een neef van den verslagen boosdoener viel daarna den jongen ridder aan, maar ook hij was niet bestand tegen het tooverwapen van Urganda. Vervolgens trachtte de moeder van Archelaus, Arcobone, die diep was doorgedrongen in de geheimen der zwarte kunst, hem te verdelgen door hare vervloekingen, maar de tooverkracht, die in zijn zwaard verborgen was, redde Esplandian voor de woede van de vreeselijke heks, die zelfs gedwongen was, hem te gehoorzamen. Hij beval haar, hem de plaats te wijzen, waar Lisuarte gevangen gehouden werd, en smaakte de voldoening, zijn ouden bloedverwant te bevrijden.

Toen Esplandian en Lisuarte op het punt stonden, het eiland te verlaten, landde de vloot van Matroed, den oudsten zoon van Arcobone aan het strand, en de jonge held was gedwongen, weer met een nieuwen vijand te strijden. Daar deze vertrouwde op zijn krijgskunst en in verband met den jeugdigen leeftijd van zijn tegenstander, diens krachten onderschatte, daagde hij hem uit tot een tweegevecht. De beide mannen vochten, totdat de zon onderging, maar ten slotte was de heidensche krijgsman door de vele wonden, die hem waren toegediend, gedwongen den strijd op te geven, en hij smeekte Esplandian in vrede te mogen sterven. Juist op dit oogenblik kwam een monnik voorbij, en de stervende heiden vroeg zijn zegen, die hem liefdevol gegeven werd.

Esplandian noemde zich nu »de Zwarte Ridder« om de kleur van zijn wapenrusting en hij leefde op den Verboden Berg als vorst van het kasteel, dat hij veroverd had. Maar veel rust werd hem niet gegund, want korten tijd na zijn overwinning werd het fort omsingeld door een groot leger van den Sultan van Turkije. Er hadden zich echter vele ridders bij Esplandian gevoegd en door hen geholpen, versloeg hij de heidenen, en nam hij hun aanvoerder gevangen. Aangemoedigd door dit succes, verplaatste hij den oorlog naar het hart van Turkije, en veroverde de hoofdstad. Voordat hij op avontuur was uitgetrokken, had hij Leonorina ontmoet, de dochter van den Keizer van Constantinopel; hij had haar zeer lief gekregen en haar gedurende den oorlog vele boodschappers gezonden, die haar de verzekering van de standvastigheid zijner liefde moesten brengen. Hij hoorde nu, dat zij aan zijn trouw was gaan twijfelen door zijn langdurige afwezigheid, en toen dus de hoofdstad van Turkije gevallen was, begaf hij zich haastig naar Constantinopel. Daar aangekomen kocht hij een kunstig gebeeldhouwde kast van cederhout, en hij droeg zijn boodschappers op, deze naar zijn geliefde te brengen. Toen zij de kast in de eenzaamheid harer vertrekken opende, trad tot hare verbazing en vreugde, haar minnaar er uit te voorschijn. In de Spaansche romance is het onvermijdelijk, dat de liefde van den held en de heldin verborgen blijft voor de verwanten van de jonkvrouw, niet alleen omdat de romantische smaak van den Spaanschen lezer dit eischt, maar ook omdat de Spaansche opvattingen ernstig gekwetst zouden worden door de gedachte aan eenige toegeeflijkheid van den kant der ouders, waar het betreft iets meer dan een uitsluitend vormelijken omgang tusschen de gelieven vóór het huwelijk. Deze ouderwetsche opvattingen heerschen ook nu nog onder den middenstand en in de hoogere kringen van Spanje en Spaansch Amerika, en het is met een gevoel van verbazing, dat wij hooren, hoe verliefde jongelingen met de meisjes, waarmede zij officiëel verloofd zijn, slechts een vertrouwelijk woord kunnen wisselen door zich onherkenbaar te vermommen, of door de vriendelijke hulp van ondergeschikten. Het komt niet zelden voor, dat jonge Spaansche paartjes, wier verloving volkomen en règle is, en tegen wier vereeniging niet het minste bezwaar gemaakt wordt, hun toevlucht nemen tot een schaking, alleen om het romantische van het geval. Door zulke toestanden krijgen wij eerst een juist begrip van de groote macht, die de romantiek uitoefent op het Spaansche hart.

Maar Esplandian had niet veel tijd te verliezen, daar de Turken zich weer gereed maakten tot den strijd. Hij had een grooten steun in Urganda; maar daartegenover stond, dat de ongeloovigen geholpen werden door de toovenares Melia, de zuster van Armato, den overwonnen Sultan, die erin geslaagd was te ontvluchten op den rug van een gevleugelden draak, die hem voor dit doel door de Turksche toovenares was toegezonden. Met grooten spoed vormde Armato een leger, waarmede hij Constantinopel belegerde. Zijne bondgenooten waren talrijk als het zand der zee; één ervan was een schoone Amazonenkoningin, die naar de plaats der vijandelijkheden gekomen was met een troep van vijftig griffioenen, die over de stad vlogen zooals bommenwerpers, vuur en rook spuwende op de hoofden der ongelukkige inwoners.

Zóó vreeselijk was het verlies aan menschenlevens in dezen slag tusschen Christenen en heidenen, dat er ten slotte overeengekomen werd, den strijd te beslechten door een dubbel tweegevecht. Esplandian en Amadis werden door de ééne partij aangewezen, en de Amazonenkoningin en een bevriend heidensch Sultan door de andere. De heidenen werden verslagen, maar zij waren zóó woedend over hun nederlaag, dat zij zich met elken man (en vrouw), die hun gebleven was, op den vijand wierpen. Maar de Christenen, aangemoedigd door de overwinning hunner kampioenen, brachten hun groote verliezen toe en drongen den vijand terug van de grenzen van het Grieksche Rijk. De Grieksche Keizer was overgelukkig zich te kunnen ontdoen van een last, die hem langzamerhand te zwaar was geworden, en hij deed afstand van den troon, ten behoeve van Esplandian, die zijn dochter Leonorina huwde en zich in Griekenland vestigde, waar hij zich aan zijn regeeringstaak bleef wijden.

Nadat de wijze Urganda ontheven was van hare oorlogsplichten, kon zij weer meer aandacht schenken aan de persoonlijke belangen harer beschermelingen. Maar toen zij haar tooverspiegel en andere hulpmiddelen raadpleegde, zag zij tot haar groote droefheid, dat Amadis, Galaor, Esplandian, in het kort, al haar liefste ridders, aan het einde van hun aardsch bestaan waren. Indien haar profetische ziel in staat geweest was, alle wonderbaarlijke verwikkelingen te voorzien, waartoe hunne verdere avonturen aanleiding zouden geven, dan zou zij ongetwijfeld de natuur haar beloop hebben gelaten; en hieruit moeten wij dus besluiten, dat haar helderziendheid niet onbeperkt was. Zij besloot het wreede noodlot te trotseeren, riep hare beschermelingen naar het Versterkte Eiland, en raadde hun, wanneer zij zich aan de sterfelijkheid wenschten te onttrekken, zich te onderwerpen aan hare bevelen. Zij beloofden haar gaarne, dat zij haar onvoorwaardelijk zouden gehoorzamen, en stemden er met de grootste opgewektheid in toe, in een betooverden slaap te worden gebracht, waaruit zij eenmaal zouden worden gewekt door Lisuarte, den zoon van Esplandian, die in het bezit zou komen van een tooverzwaard, waardoor hij in staat zou zijn, hun een nieuw leven en verjongde krachten te schenken.

Het Zesde Boek van de Amadis-Serie behandelt de avonturen van Florisano, zijn neef; maar daar deze niet in rechte lijn afstamt van de vorige helden, en hij daarenboven onverdragelijk vervelend is, zullen wij slechts volstaan met de vermelding van zijn persoon.

LISUARTE VAN GRIEKENLAND.

Onderhoudender is Lisuarte van Griekenland, de held van het zesde en zevende boek, die, naar men meent, geschreven zijn door Juan Diaz, Candidaat in het Kerkelijk Recht, en uitgegeven werden in 1526. Lisuarte is echter niet de eenige held dezer romance, want Perion, een latere zoon van Amadis en Oriana, speelt een belangrijke rol in deze geschiedenis. Deze jonge strijder had veel gehoord van de dapperheid en krijgskunst van den Koning van Ierland, en hij besloot dus naar het Groene Eiland te reizen, om door hem tot ridder te worden geslagen. Toen hij het St. George-Kanaal door voer, ontmoette hij een jonkvrouw, die in een boot was gezeten, die door vier apen geroeid werd. De dieren verzochten Perion, hun meesteres te vergezellen op een gewichtige onderneming, en dus verliet hij zijn eigen vaartuig, en nam plaats in de boot met de apen en de jonkvrouw. Zijne metgezellen waren zeer ontstemd over het feit, dat hij zich zoo gewillig in dit avontuur had begeven, en zij wendden hun schip naar het Oosten, en zeilden verder, totdat zij toevallig Constantinopel bereikten, waar zij de verdwijning van Perion vertelden, waarop zijn bloedverwant Lisuarte besloot, hem te gaan zoeken.

Intusschen was de jonge Perion met zijn eigenaardig gezelschap in het Koninkrijk Trebizonde aangekomen, dat, zooals wij bemerken, gemakkelijk te bereiken is van de Iersche kust. In die stad had hij de dochter van den Keizer gezien, en was op haar verliefd geworden, maar hij had niet veel gelegenheid haar het hof te maken, want de jonkvrouw met de Apen zette hem voortdurend tot spoed aan bij zijne voorbereidingen voor de taak, die zij hem had opgedragen. Nauwelijks hadden zij Trebizonde verlaten, of Lisuarte verscheen in de stad, en werd dadelijk verliefd op Onoloria, de tweede dochter van den Keizer. Maar op zekeren dag, toen de gelieven te zamen waren, kwam een geweldige reuzin aan het Hof, en eischte van Lisuarte een belofte, die hij, zooals gebruikelijk was in de romance, aflegde, zonder eerst naar den aard ervan te vragen. Het bleek, dat zijn tegenwoordigheid gedurende een vol jaar geëischt werd, overal, waar de reusachtige jonkvrouw die begeerde. De reuzin was nl. een heidensche spion, die dit verzonnen had, om Lisuarte, die één der steunpilaren van Christelijk Griekenland was, te verwijderen van het Hof, op een moeilijk en gevaarlijk tijdstip.

Toen Lisuarte, zeer tegen zijn zin, Trebizonde had verlaten, vernam de Keizer, de vader van het voorwerp zijner liefde, wat de eigenlijke functie was van de geweldig groote jonkvrouw, die hem ontboden had door middel van een brief, die gesloten was met zeven en zestig zegels, en waarin vermeld was, dat Constantinopel binnenkort belegerd zou worden door Armato, den Sultan van Turkije, die zich vereenigd had met zeven en zestig vorsten, om een oorlog te ondernemen tegen de keizerlijke stad. Intusschen werd Lisuarte gevangen gehouden door den Koning van het Reuzeneiland, wiens dochter Gradaffile op hem verliefd werd en hem hielp ontvluchten. Zij volgde hem naar Constantinopel, waarheen hij dadelijk trok, om tegen de ongeloovigen te strijden, die de stad belegerden. Hierin werd hij bijgestaan door Perion, die nu in Griekenland aankwam na aan de opdracht van de jonkvrouw met de Apen te hebben voldaan.

Na verloop van tijd drong het tot Lisuarte door, dat het zijn plicht was, zijn slapende voorouders te verlossen uit de betoovering, waaronder zij gebracht waren om hun aardsch bestaan te verlengen. Na vele avonturen, die wij den lezer zullen besparen, kwam hij in het bezit van het verlossende zwaard, en reisde hij naar het Versterkte Eiland, waar hij den tooverslaap verstoorde waarin Amadis, Esplandian en de rest gebracht waren door de helderziende Urganda. Zij waren natuurlijk verfrischt door hun langdurige rust, en snakten naar een beetje strijd, en dus hielpen zij hem dadelijk bij het verslaan van de heidensche troepen, en verzekerden zóó den vrede in het land. Toen nu Lisuarte ontheven was van zijn krijgsmansplichten, kon hij zijne gedachten weer aan zijn geliefde geven, en hij reisde dus naar Trebizonde. Perion had zich ook reeds om een dergelijken reden daarheen begeven, maar op verzoek van de Hertogin van Oostenrijk, vergezelde hij deze dame naar haar rijk, om dat te bevrijden van overweldigers. Nadat hij deze ridderlijke taak volbracht had, ontmoette hij zijn bloedverwant Lisuarte, en beide ridders bereidden hunne huwelijksfeesten voor, toen Perion en de Keizer van Trebizonde, terwijl zij op de jacht waren, door heidenen werden weggevoerd. Lisuarte, die hen gevolgd was om hen te bevrijden, werd ook door den vijand gegrepen, en tegelijk met hen die hij had willen bijstaan, gevangen gehouden.

AMADIS VAN GRIEKENLAND.

Het Negende Boek behandelt de avonturen en heldendaden van het geslacht van Amadis, van wien in meer dan één beteekenis gezegd kan worden, dat hij onsterfelijk was. De eerste uitgave verscheen in 1535 te Burgos, een letterkundig centrum, en men beweert, dat het werk uit het Latijn in het Grieksch werd overgebracht, zooals de beroemde Trojaansche romance Dares en Dictys, en dat het in een latere periode vertaald is in de Romaansche taal door den machtigen en wijzen toovenaar Alquife, klaarblijkelijk een soort van Moor, in dienst van een schrijver, die deze romance schreef met buitengewoon veel verbeeldingskracht en zeer weinig routine. Amadis van Griekenland is nl. een mengsel van de grootste fantasie en de meest onlogische verzinsels, en wij belanden in zulk een doolhof van wonderbaarlijke verwikkelingen, dat het geen gemakkelijke taak is, er een begrijpelijk en geregeld relaas van te geven.

Wanneer wij de wilde vlucht van den dichter volgen met den ingehouden stap van ons modern ongeloof, dan bemerken wij, dat Amadis van Griekenland, evenals zijne voorouders, bij zijn geboorte niet bepaald welkom was; hij was de zoon van Lisuarte en Onoloria, Prinses van Trebizonde, en geboren korten tijd na de plotselinge scheiding van dit heimelijk gehuwde paar. Toen het kind gedoopt werd aan een bron op een woeste, eenzame plek, waarheen het gebracht was om openbaarheid te vermijden, werd het door zeeroovers weggevoerd, en verkocht aan den Moorschen Koning van Saba. Daar hij op zijn borst het beeld van een zwaard had, noemde hij zich, na van den heidenschen Vorst den ridderslag te hebben ontvangen, »De Ridder van het Vlammende Zwaard.« Korten tijd daarna werd hij ten onrechte ervan beschuldigd, een geheime liefde voor de Koningin van Saba te koesteren, en daar hij den toorn van zijn weldoener vreesde, vluchtte hij, en stortte zich in een leven van avonturen, zooals dat in zijn geslacht gebruikelijk was.

Hij was door zijn opvoeding en aard een heiden, en toen hij dus bij den Verboden Berg kwam, dien zijn grootvader uit de macht der ongeloovigen bevrijd had, verwoestte hij het vrome werk, door hem verricht, en verjoeg hen, die door den Keizer van Griekenland daar als verdedigers waren neergezet. Toen de groote Esplandian, die nu Keizer van Constantinopel was, hoorde, dat het werk der Christenen bedreigd werd, spoedde hij zich naar het tooneel der vijandelijkheden, en daagde den dapperen jongeling tot een tweegevecht uit; hij werd echter door hem verslagen, een omstandigheid, die nooit zou zijn opgekomen in het brein van den enthousiasten schrijver, die de romance van dezen held dichtte, en die stellig zeer ontdaan zou zijn geweest over den val van zijn "ster". Korten tijd na deze gebeurtenis ontmoette Amadis den Koning van Sicilië; hun kennismaking begon met een gevecht, want dit was de gebruikelijke manier, waarop dolende ridders zich aan elkander voorstelden; maar toen zij elkander leerden kennen en hoogachten, sloten zij een vriendschap, die nog hechter werd door de liefde van Amadis voor de bekoorlijke dochter van den strijdlustigen Koning.

Op weg naar Sicilië kwam Amadis toevallig bij een eiland, waar hij den Keizer van Trebizonde, Lisuarte, Perion en Gradaffile in een betooverden slaap aantrof. Zooals wij gezien hebben, waren zij ontvoerd door de handlangers der heidenen.

Ongeveer in dienzelfden tijd, ontmoette Amadis van Gallië, die blijkbaar nog niet te oud was voor avontuurlijke ondernemingen, de Koningin van Saba, die op zoek was naar een kampioen, die bereid zou zijn haar te verdedigen tegen de valsche beschuldiging van echtelijken ontrouw. Amadis stelde zich tot hare beschikking, en vergezelde haar naar Saba, waar hij met haar echtgenoot die haar beschuldigde, streed, en hem overwon. Hij slaagde er ook in, haar onschuld, en die van zijn naamgenoot, Amadis van Griekenland, te bewijzen, tot groote voldoening van den Koning, haar echtgenoot.

Nadat Amadis van Griekenland zijne voorouders uit hun tooverslaap gewekt had, vervolgde hij zijn reis naar Sicilië. Hij had nog niet lang op het eiland vertoefd, toen hij hoorde hoe in de buurt van het paleis een ridder verliefde verzen voordroeg. Dadelijk kwam zijn jaloersch hart tot het besluit, dat de verliefde ridder den lof zong zijner prinses. Half waanzinnig door deze verdenking, zocht hij overal naar zijn veronderstelden medeminnaar, maar zonder resultaat; hij volgde overal zijn spoor, maar slaagde er nooit in, hem te vinden. Bij deze vervolging ontmoette hij vele avonturen; maar ten slotte begreep hij, dat zijn verdenking ongegrond was, en dat de zanger, dien hij gehoord had, geen aanslag had willen plegen op het hart van het voorwerp zijner liefde.

Terwijl dit alles gebeurde was Lisuarte, de vader van onzen held, naar Trebizonde teruggekeerd, en had in allen vorm aanzoek gedaan om de hand van Onoloria. Maar Zairo, de Sultan van Babylon, had deze prinses in den droom gezien, en hij kwam, vergezeld van zijn zuster Abra, te Trebizonde aan, om haar ten huwelijk te vragen. De Keizer was dadelijk bereid zijn toestemming te geven, maar Lisuarte, die oudere rechten op de jonge dame had, was van een andere meening, en zijn tegenstand vertoornde den Sultan zóó hevig, dat hij tot krachtige maatregelen overging, en »Trebizonde met de vele Torens« belegerde. Toen het beleg geruimen tijd geduurd had, koos men uit beide legers eenige ridders, om den strijd door tweegevechten te beslechten. Maar de paladijnen van den Sultan werden verslagen door Gradaffile, de dochter van den Koning van het Reuzeneiland, die zich als ridder vermomde, en die met zulk een woede vocht, dat de ongelukkige Babyloniërs volkomen machteloos tegenover haar waren. De Sultan echter brak, zooals de overwonnenen in de romances dat veelvuldig deden, de regelen van het tournooi, en ontvoerde Onoloria door een krijgslist.

Toen zijn vloot zich met groote snelheid van Trebizonde verwijderde, ontmoette hij die van Amadis den Galliër, die op weg was naar deze stad, om haar te ontzetten, en die blijkbaar niet was opgehouden bij de Dardanellen door een of ander artikel van Internationaal Recht. Het is natuurlijk onnoodig te vermelden, dat de Sultan gedood werd. Maar de zucht tot kwaad was niet gestorven in het Babylonische ras door den dood van den Sultan met den romantischen naam Zairo. Zijn zuster Abra besteeg na hem den troon van Semiramis. Terwijl zij in de gelukkige dagen voordat de vijandelijkheden tusschen haar broeder en Lisuarte waren uitgebroken, in Trebizonde verblijf hield, was zij onder de bekoring gekomen van dezen ridder, en zooals dat, wanneer men tenminste de romanceschrijvers gelooven mag, gebruik was bij de vrouwen van het Oosten, deed zij de eerste toenadering tegenover het voorwerp harer genegenheid. Wij zullen hopen, dat hij haar niet zoo ruw afwees, als de onhebbelijke Heer Bevis van Hamton dit deed, toen de schoone Saraceensche Josiana hem hare boodschappers zond met de bekentenis harer liefde: