Legenden en Romances van Spanje
Chapter 10
Maar Amadis had zijne goede redenen om zoo te handelen; want een brief van Oriana had hem in kennis gesteld met het feit, dat zij hem een zoontje geschonken had, en zij smeekte hem, Gallië niet te verlaten, voordat hij nader van haar gehoord had. Zij berichtte hem niet, dat het kind verdwenen was, maar hierover zullen wij later meer hooren. Na eenigen tijd schreef Oriana hem, dat zij hem verzocht, niet de wapenen tegen haar vader te voeren, en Gallië slechts dan te verlaten, wanneer hij zich aan de zijde van Lisuarte schaarde. Amadis besloot dus Lisuarte bij te staan tegen den Koning der Eilanden, met wien hij in oorlog gewikkeld was, en die zijn Koninkrijk was binnengevallen.
De Maagd van Denemarken had het zoontje van Amadis en Oriana des nachts door een donker woud weggevoerd, om hare meesteres voor schande te bewaren. Toen zij het kind een oogenblik verlaten had, was een leeuwin er mee weggeloopen, die het bij een kluizenaar gebracht had, Nasciano geheeten; deze had het kind Esplandian genoemd, en het met zijn eigen neefje opgevoed als jager; en het opmerkelijke bij dezen jongen was, dat een leeuwin hem overal met groote liefde volgde, zoowel in huis als op de jacht.
Intusschen had Amadis, die zich de »Ridder met het Groene Zwaard« noemde, besloten, het leven van werkeloosheid, dat hij den laatsten tijd geleid had, op te geven. Hij nam Ardian, den dwerg, met zich mede, en begaf zich naar Duitschland, waar hij gedurende vier jaren een avontuurlijk leven leidde, zonder eenig bericht van Oriana te ontvangen. Daarna vertrok hij naar Bohemen, waar hij eenigen tijd aan het Hof vertoefde.
Op zekeren dag ging Koning Lisuarte met de Koningin en zijne dochters op de jacht, en kwam bij den berg, waar de kluizenaar Nasciano woonde; daar ontmoette hij Esplandian, en hij besloot den knaap tot zich te nemen. De kluizenaar toonde hem een brief, die aan Esplandians hals gebonden was, toen Nasciano hem vond, en die door Urganda geschreven was. De brief was bestemd voor Koning Lisuarte zelf, en bevatte den raad, den jongen met liefde te behandelen, daar hij hem eenmaal uit een groot gevaar zou verlossen. Lisuarte besloot dus, Esplandian en zijn pleegbroeder Sargil als zijne schildknapen aan te nemen, en toen de kluizenaar hem vertelde, dat het kind door een leeuwin bij hem gebracht was, begreep Oriana, dat het haar zoon moest zijn; want men had haar gezegd, dat de kleine jongen op den drempel van het klooster was neergelegd, en dat een wild beest hem had weggevoerd.
Bij één zijner vele gevaarlijke en wonderbaarlijke avonturen, was Amadis ernstig gewond door een monster, dat hij verslagen had, en hij werd toen verpleegd door een jonkvrouw, Grasinda geheeten, die hij, uit dankbaarheid voor hare vriendelijkheid en hulp, beloofd had, op haar verlangen elk avontuur te zullen ondernemen. Ongeveer in denzelfden tijd besloot El Patin, de Keizer van Rome, aanzoek te doen om de hand van Oriana. Toen Koningin Sardamira van Sardinië, die El Patin lief had, dit hoorde, reisde zij in gezelschap van de afgezanten van den Romeinschen Keizer naar Brittanje, waar zij Oriana ontmoette, wie zij bericht bracht over Amadis en wie zij vertelde, hoe hij eenmaal El Patin in een hevigen strijd had overwonnen, en hoe de Keizer hem dus een doodelijken haat toedroeg. Galaor, die vermoedde, dat Amadis en Oriana elkander lief hadden, ging naar Lisuarte, en gaf hem den ernstigen raad, niet zijne toestemming te geven tot een huwelijk tusschen zijn dochter en den Keizer; daarna reisde hij naar Gallië, in de hoop, daar eenig bericht over Amadis te krijgen. Tegelijkertijd begaf Florestan zich naar het Versterkte Eiland, om Agrayes in te lichten over de moeilijkheden, waarin Oriana zich bevond, en hem tevens bericht te brengen van zijne geliefde Mabilia, die zeer naar hem verlangde.
DE »GRIEKSCHE RIDDER.«
Maar het noodlot wilde, dat juist op dit tijdstip Amadis, die zich nu den »Griekschen Ridder« noemde, met jonkvrouw Grasinda in Brittanje aankwam. Hij wenschte incognito te blijven, en gaf daarom het strenge bevel, dat zijn gevolg zijn naam niet mocht openbaren. Toen hij hoorde, dat Oriana op het punt stond te worden uitgehuwelijkt aan den Keizer, besloot hij, zijne maatregelen te nemen. Grasinda echter, gedachtig aan zijn belofte, zich terwille van haar in elk avontuur te zullen begeven, dat zij voor hem zou uitkiezen, zond een brief aan koning Lisuarte, met de mededeeling, dat zij zichzelf schooner achtte dan welke jonkvrouw dan ook van zijn Hof, en dat, wanneer een ridder van een ander oordeel mocht zijn, hij zou moeten strijden met haar kampioen, den Griekschen Ridder. De Romeinsche afgezanten vroegen Lisuarte op deze uitdaging te mogen ingaan, en dit werd hun toegestaan.
Er volgde dan ook een hevig gevecht tusschen Amadis en de Romeinsche ridders, welke laatsten een volkomen nederlaag leden. Maar de dag brak aan, waarop Lisuarte volgens afspraak Oriana naar den Keizer zenden moest, en ofschoon zij bezwijmde bij de gedachte, naar Rome te worden gevoerd, bracht haar vader haar aan boord van het schip, nam hartelijk afscheid van haar en staarde de Romeinsche galei na, die zijn dochter wegvoerde van het witte strand van Brittanje.
Zoodra Amadis van de plannen van den Koning gehoord had, begaf hij zich aan boord van zijn eigen schip, en wachtte de komst af van het Romeinsche vaartuig, dat zijn aangebedene wegvoerde. Hij viel de Italiaansche galei met woede aan, overrompelde de opvarenden, bevrijdde Oriana en zeilde oogenblikkelijk met haar naar het gouden strand van het Versterkte Eiland.
Na een reis van zeven dagen liep het schip van Amadis de haven van het Versterkte Eiland binnen. Intusschen was jonkvrouw Grasinda daar aangekomen en trad naar voren, om Oriana te verwelkomen, die zij zoozeer wenschte te leeren kennen, omdat haar roem over de geheele wereld verspreid was. En toen zij Oriana aanschouwde, »kon zij niet gelooven, dat eenig sterfelijk wezen zóó verblindend schoon kon zijn.«
Oriana en de andere jonkvrouwen werden ondergebracht in een toren van het paleis, dat de toovenaar Apolidon geschapen had, en op haar verzoek mocht geen ridder dezen toren binnentreden, totdat haar vader haar weder in genade had aangenomen. Amadis begreep zeer goed, dat de ontvoering van Oriana ernstige gevolgen zou hebben, en hij zond dus afgezanten naar zijne vele vrienden over de geheele wereld, met het verzoek hem, zoo noodig, tegen Lisuarte en den Keizer te willen bijstaan.
De twist, die tusschen zijn beide oude tegenstanders Amadis en Koning Lisuarte gerezen was, bood den sluwen Archelaus een kans, die hij niet ongebruikt wilde laten voorbijgaan. Daarom riep hij verscheidene andere onruststokers te zamen en stelde hun voor, wanneer de oorlog uitbrak tusschen Amadis en den Britschen Koning, zich met hun strijdmacht te verbergen in de nabijheid van het slagveld, en wanneer één der strijdende partijen de overwinning behaald had, zouden zij de overblijfselen van beide legers aanvallen en hen op deze wijze verdelgen. Dit onwaardige plan van den toovenaar vond grooten bijval bij de ontevreden vorsten en kleinzielige koningen, en zij besloten, het ten uitvoer te brengen.
OORLOG MET LISUARTE.
Intusschen had Amadis een deputatie naar het Hof van Lisuarte gezonden, om hem de hand zijner dochter Oriana te vragen. Maar de koppige oude Koning wees het aanzoek driftig af en zond hem een oorlogsverklaring. El Patin, de Keizer van Rome, was nu ook in Brittanje aangekomen, en maakte zich gereed tot den strijd met Amadis. Spoedig had hij een groot leger gevormd, en hiermede trok hij op, om de troepen van Amadis te vinden, die zonder tijd te verliezen, een uitval had gedaan in Brittanje, en nu voorwaarts trok, om de strijdmacht van Lisuarte en den Keizer te ontmoeten.
De vrienden van Amadis hadden hem niet in den steek gelaten. In de eerste plaats was zijn vader, Koning Perion, hem ter hulp gesneld met de geheele troepenmacht van Gallië. Ierland had een groot contingent geleverd, en zijne oude vrienden, de Koning van Boheme en de Keizer van Konstantinopel hadden hem goed uitgeruste legioenen gezonden, die alle onder de bekwame leiding van Koning Perion stonden. Daarenboven werd het leger begeleid door Oriana, Grasinda en de andere jonkvrouwen en prinsessen, die naar het Versterkte Eiland waren gekomen, en hare tegenwoordigheid spoorde de ridders aan tot daden van grooten moed. De toovenaar Archelaus en zijne bondgenooten volgden als een schaduw de troepen van Lisuarte, in de hoop hem te kunnen overvallen, wanneer zij teruggeslagen werden.
Eindelijk kregen de legers elkander in het oog. De plaats van samentreffen was een groote vlakte, en mijlen ver zag men niets dan schitterende wapenrustingen en kleurige kleederdrachten, wuivende vederbossen en banieren, en het geheele grootsche vertoon, dat de ridderschap kenmerkte. Twee volle dagen hielden de vijandelijke legers elkander in het oog zonder voorwaarts te gaan; toen maakten zij aanstalten tot den aanval met zulk een geweld van trommels en cymbalen, trompetten en klaroenen, dat het mijlen in het rond werd gehoord. Zij vielen met donderend geweld op elkander aan, en het gekletter der zwaarden op de wapenrustingen was gelijk aan het geraas van duizend hamers op even zoovele aambeelden.
Aan het hoofd van het leger reed Amadis. Op een uitdaging van Gasquilan, den trotschen Koning van Zweden, viel hij hem aan, en wierp hem met zulk een kracht uit het zadel, dat hij voor dood bleef liggen; maar door den schok viel Amadis van zijn paard. Quadragante, die zich in zijn nabijheid bevond, lichtte een Romeinschen ridder uit het zadel, en gaf diens strijdros aan den held, die, gevolgd door Gandelin en andere paladijnen, een krachtigen aanval deed op de flank van het Romeinsche leger. Intusschen hield Quadragante geweldig huis aan het vijandelijke front, en slechts weinigen onder zijne tegenstanders, konden zijn reuzenkracht weerstaan.
De Romeinsche troepen begonnen achteruit te wijken, maar op hetzelfde oogenblik kwam de Keizer met een versterking van vijfduizend man aangerukt. Hij leidde zelf den aanval, roepende: »Rome! Rome!« en hij zwaaide een reusachtig zwaard. Hij stuitte echter op Quadragante, die hem zulk een vreeselijken stomp toediende, dat hij terug moest wijken om bescherming te zoeken bij zijn eigen soldaten.
Amadis was echter omringd door zijne dapperste paladijnen, en verrichtte zulke wonderen van moed, dat zijne vrienden zoowel als vijanden verbaasd waren over zijne heldendaden. De Romeinen begonnen terug te wijken voor de vreeselijke slagen, die hij naar alle kanten uitdeelde, en ten slotte verbraken zij de gelederen en vluchtten. Hij was echter zóó uitgeput door den hardnekkigen strijd, dat hij ervan afzag, zijne overwonnen vijanden te vervolgen, ook al, omdat het leger van Lisuarte nog niet in het veld was geweest, zoodat hij het beter oordeelde, de krachten zijner soldaten te sparen voor de ontmoeting met Lisuartes troepen.
Den volgenden dag voerde Koning Lisuarte zijn leger aan, en nu bracht Koning Perion zijne troepen, die tot nog toe in de achterhoede waren gebleven, in het veld; de strijd had echter nog niet lang geduurd, toen Amadis den Romeinschen Keizer ontmoette, dien hij afmaakte met zulk een slag, als hij nog nooit iemand had toegediend. Bij den aanblik van hun verslagen leider, begonnen de Romeinen en Britten te vluchten, en toen Lisuarte dit zag, trachtte hij zijne troepen in goede orde terug te trekken. Maar Amadis merkte deze pogingen op, en daar hij vreesde voor de persoonlijke veiligheid van Lisuarte, maakte hij gebruik van de invallende duisternis, en riep ook zijn eigen strijdmacht terug, inplaats van den Koning te vervolgen; en zoo werd dezen de gelegenheid gegeven voor een ordelijke terugtocht.
Toen de vrome kluizenaar Nasciano hoorde van de groote oneenigheid tusschen de koningen, besloot hij alles in het werk te stellen, om verderen strijd te voortkomen; en ofschoon hij oud en gebrekkig was, slaagde hij erin, het kamp van Koning Lisuarte te bereiken. De beide veldslagen, die wij juist beschreven hebben, waren echter reeds geleverd. Hij maakte zich bij den Koning bekend, en openbaarde hem dat Oriana een geheim huwelijk had gesloten met Amadis, en dat Esplandian hun zoon was. Bij het hooren van dit bericht was de Koning diep bedroefd, en hij keurde het stilzwijgen der gelieven ten zeerste af, terecht opmerkende, dat vele kostbare levens gespaard zouden zijn gebleven, wanneer zij hem hun vertrouwen hadden geschonken. Hij verzocht den kluizenaar de vredesonderhandelingen te leiden; de goede monnik was gaarne hiertoe bereid, en vergezeld door Esplandian, begaf hij zich naar het kamp van Amadis, waar hij op hoffelijke wijze ontvangen werd. De kluizenaar openbaarde eerst de identiteit van Esplandian aan den vader van den jongen, en Amadis omhelsde zijn zoon hartelijk. Maar de monnik vergat zijn vredelievende zending niet, en voordat hij Amadis verliet, had hij alle moeilijkheden tusschen hem en den ouden trotschen Koning uit den weg geruimd, en er was besloten dat hunne vertegenwoordigers te zamen zouden komen on een duurzamen vrede te sluiten.
HET VERRAAD VAN ARCHELAUS.
De wraakzuchtige toovenaar Archelaus en zijn ontevreden bondgenooten hadden in groote spanning den gang van zaken gevolgd, en toen hunne spionnen hun mededeelden, dat de vijandelijkheden tusschen Lisuarte en Amadis geëindigd waren, besloten zij, het leger van den ouden Koning onverwijld aan te vallen. Maar Esplandian was getuige van den opmarsch hunner troepen, toen hij op weg was naar Lisuartes hoofdkwartier, en hij reisde oogenblikkelijk terug naar Amadis, om hem te waarschuwen, dat er onraad dreigde. Bij dit bericht begaven Amadis en Koning Perion zich dadelijk op weg, om de uitgeputte troepen van Lisuarte bij te staan. Maar voordat Amadis en zijne ridders het leger van Archelaus konden aanvallen, waren Lisuarte en de weinige troepen, die hem gebleven waren, reeds overrompeld door de strijdmacht van den toovenaar en zijne bondgenooten, die hem een geweldigen nederlaag bezorgd hadden. De oude Koning was genoodzaakt, zoo goed mogelijk een heenkomen te zoeken, en hij vluchtte naar een naburige stad, waar hij zich gereed maakte tot een laatste wanhopige verdediging tegen zijn meedoogenlooze vijanden. De stad werd hevig bestookt door Archelaus, maar werd niet minder krachtig verdedigd door Lisuarte en de ridders, die hem gevolgd waren. Maar toen de toovenaar op het punt stond de stad stormenderhand te nemen, verschenen Amadis en zijne paladijnen, die hem na een bloedig gevecht verjoegen. Archelaus en zijne bondgenooten werden in boeien geslagen, maar werden, zeer onvoorzichtig, weer in vrijheid gesteld, nadat zij beloofd hadden, zich in de toekomst van elke vijandelijkheid te onthouden.
De ontmoeting tusschen Amadis en Lisuarte was buitengewoon hartelijk, en het bleek duidelijk, dat hunne oude vriendschap spoedig weer geheel hersteld zou zijn. Lisuarte riep zijne baronnen en edelen te zamen, en toen zij allen aanwezig waren, deelde hij hun plechtig de verloving van Amadis en Oriana mede.
Eenige dagen daarna reisde het geheele gezelschap, waaronder Lisuarte, Perion en hunne Koninginnen, Florestan, Galaor, Agrayes en vele anderen, naar het Versterkte Eiland, waar het huwelijk van Amadis en Oriana met groote praal zou worden voltrokken. Bij hun aankomst op de betooverde plaats, werden er vorstelijke voorbereidingen getroffen voor de plechtigheid, want niet alleen zouden Oriana en Amadis in het huwelijk treden, maar velen hunner vrienden zouden tegelijkertijd in den echt worden verbonden. Temidden dezer voorbereidingen verscheen de goede fee Urganda, gezeten op den rug van een grooten draak, en allen, over wier geluk zij met zooveel zorg gewaakt had, heetten haar met groote hartelijkheid welkom.
HET HUWELIJK VAN AMADIS EN ORIANA.
Toen alles gereed was en de huwelijksdag eindelijk was aangebroken, besteeg een schitterend gezelschap hunne paarden, en reed naar de kerk, waar de kluizenaar Nasciano de mis zou bedienen. Na de plechtigheid verzocht Amadis den Koning, vóórdat de feestelijkheden een aanvang zouden nemen, Oriana toe te staan, de proef af te leggen van den Boog der Trouwe Minnaars, daar de betoovering nog van kracht was, waar het jonkvrouwen betrof. De Koning gaf hiervoor zijn toestemming. Toen Oriana naderde, hief het beeld zijn trompet omhoog, en blies zulk een welluidende wijs, als nog nooit op het Eiland gehoord was, en uit den mond der trompet vielen rozen en andere bloemen in zulk een menigte, dat de grond eronder bedolven werd. Zonder een enkele aarzeling trad Oriana op de verboden kamer toe. Toen zij tusschen de zuilen doorging, voelde zij onzichtbare handen, die haar met kracht tegenhielden, en drie keer werd zij teruggeduwd. Maar door haar onovertroffen trouw en schoonheid gelukte het haar toch, ondanks alle tegenwerking, het betooverde portaal te doorschrijden, waar de hand, die Amadis had binnengeleid, ook naar haar uitgestoken werd. Toen betrad zij de kamer, terwijl de stemmen van onzichtbare zangers teedere liederen zongen, ter verheerlijking harer schoonheid en standvastigheid.
Nu betrad het geheele gezelschap, dat getuige was geweest van dit laatste wonder, de kamer, waar het feestmaal werd aangericht. De langdurige beproeving van Amadis en Oriana was voorbij, en nu zij ten slotte met elkander en hun zoon Esplandian vereenigd waren, gingen zij een toekomst van het hoogste geluk tegemoet, zooals die slechts ten deel valt aan stervelingen in oude romances.
Zoo eindigt dan dit oude heldengedicht, waarin vroegere gewoonten en opvattingen beschreven worden, die zóózeer verschillen van de hedendaagsche, dat zij ons slechts bestaanbaar toeschijnen op een andere planeet. De gedragingen der ridders en jonkvrouwen zijn wellicht eenigszins overdreven; hoe onzinnig een belofte ook was, hoe fantastisch de omstandigheden ook waren, waaronder die belofte was afgedwongen, zij werd toch als bindend beschouwd; en al bewonderen wij den romantischen geest van zulk een wetboek, wij kunnen toch niet nalaten te glimlachen over den ernst, waarmede gebaarde ridders en machtige koningen weken voor de kinderachtige praktijken van toovenaars, om wier listen en lagen elke hedendaagsche schooljongen lachen zou. Niettemin krijgen wij bij het lezen dezer geschiedenis een sterken indruk van den eenvoud en de eerlijkheid van het streven der schrijvers.
Ik moet den lezer, die mij gevolgd heeft langs de paden van deze betooverende romance, vergeving vragen voor het weglaten van menig bekoorlijk en treffend gedeelte; ik had mij echter tot taak gesteld, de groote lijn van het verhaal te volgen, de voornaamste gebeurtenissen te beschrijven, en mij slechts te bepalen tot het boeken van de wederwaardigheden en daden der hoofdpersonen, om den lezer een algemeenen indruk te geven. Het zou mij gemakkelijk zijn gevallen, de schoonheid en leesbaarheid van mijn verhaal te verhoogen, wanneer ik mij ertoe bepaald had, afzonderlijke avonturen te beschrijven, en slechts een relaas te geven van de meest treffende gebeurtenissen, waarvan de romance overvloeit. Maar het was, zooals ik reeds zeide, mijn bedoeling, den lezers, wier tijd te beperkt is, om den oorspronkelijken tekst te bestudeeren, een verkort verhaal van den geheelen inhoud te geven. Tevens heb ik ernaar gestreefd, den geest der romance te behouden, en wanneer mij dit niet gelukt is, moet dit ten deele worden geweten aan de omstandigheid, dat het geen gemakkelijke taak is, deze uitgebreide stof te verwerken in een beknopten vorm. Terecht zegt hij, die ons Amadis in dichtvorm gaf:
Wilde ik beschrijven, al wat op dit feest men zag, Dan moest ik spreken heel een langen zomerdag. 'k Vertel niet, wie in 't steekspel brak zoo menig lans, Wie 't meeste uitblonk in den zang of bij den dans. Wie in het spreekgestoelt' heeft naar den prijs gedongen, En wie het schoonst den lof der liefde heeft bezongen. [22]
HOOFDSTUK IV: DE VERVOLGBOEKEN VAN »AMADIS DE GALLIËR«.
»Al staan de vervolgboeken van Amadis niet op de hoogte van het oorspronkelijke gedicht, toch zijn zij, als uiting van den tijd, waarin zij geschreven zijn, van genoeg belang on een korten inhoud van de geheele serie hier weer te geven.«
Southey.
Bij het behandelen van de letterkunde van het Pyreneesche Schiereiland, een taak, waarvoor hij zoo bij uitstek berekend was, volgde Southey het instinct van zijn onderscheidingsvermogen, dat hem zelden bedroog. Al mogen wij niet ontkennen, dat sommige dezer »vervolgboeken« van Amadis zeer zwak zijn, toch kunnen wij niet nalaten er onze aandacht aan te schenken, al ware het slechts ter wille van hun beteekenis als letterkundig verschijnsel. In deze verdichte verhalen was de fantasie, die zoo welig gebloeid had in Amadis, dikwijls zóózeer overdreven, dat deze voortbrengselen van den geest, in de snelheid waarmede zij verwelkten en verloren gingen, deden denken aan de bloembladeren, die uit een stervende roos vallen.
Het eerste dezer vervolgboeken, dat Het Vijfde Boek van Amadis heet, is meer algemeen bekend onder den naam van Esplandian, daar het voornamelijk handelt over de avonturen van dezen held.
Cervantes is misschien iets te hard in zijn oordeel over deze romance, wanneer hij zijn critischen monnik ervan laat zeggen: »Inderdaad mag de deugd van den vader geen verontschuldiging zijn voor het ontbreken dezer deugd bij den zoon. Hier, mijn beste huishoudster, open het raam, en smijt dit boek op het erf; laat het het eerste stuk van den hoop rommel zijn, dien wij straks in brand zullen steken«.
De eerste uitgave van Esplandian verscheen in 1542 te Sevilla. Het grootste gedeelte hiervan schijnt te zijn gemaakt door Montalva, den oorspronkelijken vertaler van Amadis. Maar waar hij bij het neerschrijven van dit werk slechts den rol van vertaler vervulde, daar trad hij bij de bewerking van Esplandian ook als schrijver op, en het blijkt uit alles, dat zijn krachten op dit gebied volkomen te kort schoten. Het is echter ook weer overdreven, in Esplandian niets dan een minderwaardig product te zien, en ik verdenk meer dan één dezer strenge critici ervan, den origineelen tekst niet te hebben gelezen, of het ongunstig oordeel van Cervantes na te spreken. Het is bekend, dat verscheidene Engelsche critici zich gerechtigd gevoelen, een werk, geschreven in het Spaansch, te beoordeelen, terwijl zij slechts oppervlakkig met deze taal op de hoogte zijn, en dat onder vele letterkundigen het wanbegrip heerscht, dat, wanneer men Latijn en Fransch kent, men slechts een beetje Castiliaansch behoeft te lezen, om ook deze taal spoedig volkomen machtig te zijn.
Esplandian bezit vele schoonheden, en de mengeling van tooverkunst en beminnelijken eenvoud maakt het tot een bekoorlijk en stemmingsvol geheel. Waar vinden wij daarenboven een sprekender voorbeeld van een goede uiting van romantische overdrijving? Want Esplandian bezit, zonder te vervallen in de grovere gebreken der andere vervolgboeken, de rijke en kleurige verbeeldingskracht, die het geboorterecht is van alle ware dichters die er echter niet allen in slagen zich in dit opzicht te beperken. Ik geef evenwel dadelijk toe, dat Esplandian slechts kost is voor den enthousiast, en ik moet den niet romantischen lezer dit werk dan ook ten zeerste ontraden. Het is niet geschreven voor de barbiers en pastoors dezer wereld, en het is te betreuren, dat zij, die den geest van zulke gedichten niet begrijpen, hun invloed gebruiken, om ook anderen ervan afkeerig te maken.