Legenden en Romances van Spanje
Chapter 24
Nadat Fernando de universiteit verlaten had, waarvan het plein overstroomd was met leerlingen, die blijkbaar verschillende wetenschappelijke onderwerpen bespraken, wandelde hij naar het dichtbevolkte marktplein, waarvan een gedeelte was ingenomen door verkoopers van manuscripten, en het viel hem dadelijk op, dat dit gedeelte veel drukker bezocht was dan dat, waar etenswaren en kleederen verkocht werden. Op de minder drukke plaatsen van de markt, vertoonden goochelaars en koorddansers, meestal bijgestaan door gedresseerde beesten, hunne kunsten. Hier en daar twistten kleine groepen mannen over enkele onduidelijke plaatsen van den Koran, of van de Mohammedaansche wet, terwijl anderen in schaduwrijke hoeken terneder zaten onder het genot van verkoelende dranken. In de kramen, die het marktplein omringden, zag hij allerlei ambachtslieden bezig: smeden, sandaalmakers, kleermakers, timmerlieden; maar hij merkte op, dat het werk slechts in een zeer langzaam tempo vorderde, en dat hunne gereedschappen van een zeer verouderd model waren, in vergelijking tot die, welke in zijn vaderland gebruikt werden. De hand van den tijd drukte wel zeer zwaar op het geheele ras. Het scheen op velerlei gebied de andere volken ver vooruit te zijn, terwijl het in andere opzichten nog volkomen vast zat aan de oude denkbeelden van het duistere verleden. Slechts op het gebied der wetenschap was het vooraanstaand, maar zelfs hierin steunde het geheel op de onderzoekingen van een oudere generatie. Het was echter eigenaardig, dat Fernando gevoelde, hoe goed hij dit conservatisme begrijpen kon. Hebben deze menschen geen gelijk, dacht hij, dat zij zichzelf getrouw blijven? Wanneer zij een toestand geschapen hebben, die met hunne raseigenschappen strookt, zou het dan geen dwaasheid zijn, methoden van andere volken over te nemen, die voor hunne omstandigheden niet deugen? Zij zijn eenvoudig, gelukkig en tevreden; stel, dat hun plotseling allerlei werd opgedrongen van wat in mijn rijk gebruikelijk is, zou hun geluk dan niet verkeeren in ellende? Een langdurige ondervinding heeft hun waarschijnlijk geleerd, dat hun tegenwoordige levenswijze de meest geschikte voor hen is. Zou het niet mogelijk kunnen zijn, dat hun afkeer van ons het gevolg is van het verschil tusschen de gewoonten en instellingen der beide volken? Maar zou dit verschil misschien alleen maar aan de oppervlakte liggen? Hunne werkelijke sympathieën en antipathieën zijn toch eigenlijk dezelfde als de onze. Zij zijn volkomen afhankelijk van de weersgesteldheid en van den landbouw, wat hun voedsel betreft; zij leven in voortdurende vrees voor oorlog; hunne zorgen zijn gelijk aan de onze, zij hebben eenzelfde regeeringsstelsel als wij. De verschillen berusten eigenlijk alleen maar op plaats en omstandigheden, en het is voor hen even onmogelijk zich individueel los te maken uit de sleur der gewoonte als het voor ons Spanjaarden is. Wij verschillen niet van hen in de wezenlijke dingen van het leven, maar slechts in oppervlakkige kleinigheden. Hun godsdienst leert, dat de goeden beloond en de slechten gestraft zullen worden, en dat men trouw moet zijn in zijn liefde voor vaderland en gezin. Ten slotte zou elk van deze bruine mannen, wanneer hij in Spanje opgegroeid was, dezelfde vooroordeelen hebben als ikzelf, en in alle opzichten zoo aan mij gelijk zijn, dat hij van een gewonen Spanjaard niet te onderscheiden zou zijn.
Fernando wandelde door een der poorten der stad naar buiten. Het landschap vertoonde veel overeenkomst met het bouwland van zijn eigen rijk, maar het was met meer zorg bewerkt. Hier en daar lagen kleine sneeuwwitte boerenhofsteden in de dalen verborgen, en lange rijen maaiers en arenlezers verspreidden zich van daaruit in alle richtingen over de velden, want het was oogsttijd. Fernando voegde zich bij één van deze groepen, en hij bemerkte tot zijn verwondering, dat er weinig verschil was tusschen deze menschen en landlieden in Christelijk Spanje. Zoo nu en dan werd het werk onderbroken, en de maaiers zetten zich in een kring, en luisterden naar het zwaarmoedige fluitspel van één hunner. Fernando merkte op, dat zij even eenvoudig en weinig eischend waren als de boeren van zijn eigen land. Zij deelden hun brood en kaas met hem, en boden hem een slok geitemelk aan uit een grooten lederen zak, en het gelukte hem met veel moeite, deze lekkernij met een benauwd gezicht naar binnen te werken, want vorsten zijn niet gewoon aan de scherpe geuren van zulk een drank. Na zich op deze wijze versterkt te hebben, wandelde hij langzaam verder over de gloeiende velden, zoo nu en dan rustende in de schaduw der boomen, die langs den weg groeiden.
Hij had misschien 1 1/2 mijl afgelegd, toen hij bij een open vlakte kwam, waar een troep ruiters militaire oefeningen verrichtte. Hij volgde de manoeuvres met de belangstelling van den krijgsman, en zag al dadelijk dat deze licht gewapende soldaten met hunne vlugge bewegingen verre de meerderen waren van zijne eigen krijgslieden met hun zware wapenrusting. Op commando zwenkten de eskadrons, en legden met groote snelheid en verbluffende gelijkheid aan; en toen het bevel »halt« gegeven werd, gehoorzaamden zij oogenblikkelijk, zonder den regelmaat hunner rijen te verbreken. De oefeningen van één der eskadrons brachten het dicht bij de plek, waar de Prins stond, en de bevelvoerende officier, die hem waarschijnlijk voor een Moorsch priester hield, groette hem hoffelijk.
»Gij kijkt met zulk een klaarblijkelijk genoegen naar ons, eerwaarde heer,« zeide hij, »dat ik meen te mogen aannemen, dat gij vroeger zelf soldaat zijt geweest.«
»Dat is zoo,« antwoordde Fernando; »ik was vele jaren soldaat, en heb lang in een ander gedeelte van het land gediend; maar nu is de oorlog niets meer voor mij, en de tijden, waarin ik voor mijn genoegen ten strijde trok, liggen achter mij.«
»Maar«, zeide de officier, »de oorlog is toch het eenige, waartoe een edele geest zich voelt aangetrokken. Gij zijt jong, en hebt het leger blijkbaar te vroeg verlaten.«
»Neen,« antwoordde de Prins, »wanneer het noodig is, ben ik bereid het zwaard weder op te vatten, maar alleen om een onrechtmatigen inval te keeren of een beleediging te wreken. Zooals ik reeds gezegd heb, de oorlog, om den strijd zelf, trekt mij niet meer aan.«
»Maar,« zeide de krijgsman glimlachend, »gij meent toch niet, dat wij ons niet moeten oefenen voor het geval, dat wij aangevallen worden. Wij weten toch niet vooruit, wanneer de onbeschaafde en woeste Christenen uit het Noorden ons zullen overvallen?«
»Evenmin als zij weten, mijn vriend, wanneer het bij ons zal opkomen, een strooptocht in hun rijk te ondernemen,« zeide Fernando.
»Maar,« zeide de officier weder, »wanneer wij dat doen, is het ten slotte toch slechts een verdedigingsmaatregel, want het blijkt toch wel, dat zij ons nooit met rust zullen laten.«
»Hebben wij wel eens getracht dat te weten te komen?« vroeg Fernando, »ik geloof van niet, maar wij hebben wel verdragen met hen gesloten, doch die schijnen gemaakt te zijn om verbroken te worden.«
»Ja,« zeide de officier verachtelijk, »het zijn verraderlijke honden, deze Spanjaarden, op wier woord geen eerlijk man vertrouwen kan; zij hebben het eene verdrag na het andere verbroken.«
»Als ik mij niet vergis,« zeide Fernando, »hebben wij hetzelfde gedaan, alleen zorgen onze regeerders er goed voor, dat het volk niet te weten komt, hoe oneerlijk wij ons tegenover onze vijanden gedragen, en dat het vast gelooft, dat wij niet anders konden handelen, omdat onze tegenstanders zoo absoluut onbetrouwbaar zijn. Mag ik U vragen, edele heer, of gij ooit in Christelijk Spanje gereisd hebt, of andere Christenen ontmoet hebt dan die, welke gij toevallig gevangen genomen hebt?«
De ruiter schudde ontkennend het hoofd. »Nu ik erover nadenk«, zeide hij, »heb ik met meer Spanjaarden het zwaard gekruist dan met hen gesproken; maar ik wil gaarne op uw gezag aannemen, dat er onder dat volk edele geesten zijn, want ik weet uit eigen ondervinding, dat het dappere krijgslieden zijn, en een goed soldaat kan niet anders dan een eerlijk man zijn. Maar gij moet mij verontschuldigen waarde heer: ik kan niet langer blijven. In den naam van God wensch ik u een aangename reis toe«.
FERNANDO ONTMOET ZIJN DUBBELGANGER.
Fernando vervolgde zijn weg; en de zoo juist beschreven dag moet beschouwd worden als een voorbeeld van vele andere dagen; drie maanden lang trok hij door het Moorsche land, bestudeerde er de instellingen en de menschen met eigen oogen, en verkreeg op deze wijze een juist inzicht in den volksaard.
Aan het einde van dit tijdperk, had hij zulk een hoogen dunk gekregen van zijne vroegere vijanden, dat hij met oprecht verdriet zijne schreden weder noordwaarts richtte naar de grenzen van zijn eigen rijk. In zijn tegenzin om weer den vaderlandschen bodem te betreden, besloot hij den nacht door te brengen in een kleine khan aan de Moorsche zijde der heuvelen. Het was een armoedige herberg, maar mooi gelegen bij den ingang van een vredig klein dal. Nadat hij zijn paard had overgegeven aan den witgekaftanden waard, trad hij binnen. Tot zijn groote verbazing was de eerste, dien hij ontmoette, een jonge man, die zóó sprekend op hem geleek, dat hij verrast en verschrikt achteruit week, want er was geen trek in het gelaat van den vreemde, die niet weerspiegeld was in het zijne. De jonge man schrikte eveneens, en staarde zijn evenbeeld aan; toen gleed een glimlach over zijn vriendelijk gelaat, en hij zeide met een lach: »Ik zie, edele heer, dat gij even verbaasd zijt als ikzelf, maar ik hoop, dat gij niet vertoornd zijt, dat God ons zoo gelijk geschapen heeft; want ik heb wel eens gehoord, dat menschen, die veel op elkaar gelijken, een zeker wantrouwen tegen elkander plegen te hebben.« »Daar is niet veel kans op, mijn vriend,« zeide Fernando, »want als God onze geesten zoo gelijk geschapen heeft als onze lichamen, ben ik ervan overtuigd, dat gij een oprecht en vriendelijk mensch zijt, en,« voegde hij er lachend bij, op een tafel wijzende, »het spreekt vanzelf, dat wij het brood samen breken.« »Uitstekend«, riep de ander uit. »Ik neem uw uitnoodiging met het grootste genoegen van de wereld aan.«
Spoedig nadat zij aan de ruwe tafel hadden plaats genomen, waren zij in een opgewekt gesprek gewikkeld. En waar zij reeds verrast waren geweest over hun lichamelijke gelijkenis, waren zij het nog in veel hoogere mate over de overeenkomst in smaak en karakter. Uren lang bleven zij met elkander praten. Eindelijk zeide de vreemdeling: »Ik heb het gevoel, dat wij elkander ons geheele leven gekend hebben, en daar ik ervan overtuigd ben, dat ik u vertrouwen kan, wil ik u mijn geheim openbaren. Weet dan, dat ik Muza ben, de Koning van dit land, en dat ik zoo juist ben teruggekeerd van een langdurig verblijf in het land der Christenen, wier karakter en levenswijze ik wilde bestudeeren.«
»Ik ben zeer gevleid door de vriendelijkheid en het vertrouwen van Uwe Majesteit,« antwoordde Fernando, »en gij kunt er van overtuigd zijn, dat uw geheim veilig bij mij is. Maar mag ik u vragen, wat uw indruk is van de bewoners van Christelijk Spanje?«
»Ik heb zulk een achting voor hen gekregen,« antwoordde Muza, »dat ik met den grootsten spijt hun land verlaat, want er heerscht onder hen een geest, die zooveel meer aan den mijnen verwant is dan die onder mijne eigen onderdanen, dat ik u de plechtige verzekering geef, dat ik liever over hen zou regeeren dan over mijn eigen volk.«
»Uw wensch kan vervuld worden, edele Muza,« zeide Fernando opstaande; »want ik ben Fernando, Koning der Christenen, die gedreven door eenzelfden wensch als gij, in uw rijk heb omgezworven, en die zulk een sympathie heb opgevat voor het karakter en de gewoonten van uw volk, dat ik niets liever wil dan over hen te regeeren. Dat ik werkelijk degeen ben, voor wien ik mij uitgeef, zult gij aan dit teeken kunnen zien.« Dit zeggende, haalde hij van onder zijn burnous een gouden keten te voorschijn, waaraan het koninklijk zegel hing. »Er bestaat voor zoover ik zien kan, slechts één beletsel voor onze overeenkomst, en dat is het verschil in godsdienst.«
»Neen Fernando,« zeide Muza met opgeheven handen, »ik zie de moeilijkheid hiervan niet in, want volgens mijn opvatting, bestaat het verschil slechts in uiterlijkheden. De innerlijke geest van ons geloof is dezelfde, en slechts in de uitingen ligt het verschil. Beide godsdiensten komen van den eenigen God, die ze bestemde voor het gebruik van rassen, die verschillend van aard zijn; en wanneer gij dit met mij eens zijt, zult gij moeten toegeven, dat het ons niet moeilijker zal vallen elkanders godsdiensten aan te nemen dan elkaars gewoonten.«
»Ik ben het volkomen met u eens,« antwoordde Fernando, maar ik vrees, dat het ons niet zal gelukken onze respectieve onderdanen te overtuigen van de eerlijkheid onzer bedoelingen. Zij moeten in geen geval op de hoogte gebracht worden van onze overeenkomst.«--»De buitengewone overeenkomst tusschen ons beiden, is er borg voor, dat ons geheim bewaard blijft; maar het zal noodig zijn, dat wij elkander eerst inlichten over de geschiedenis van ons volk en over onze persoonlijke omstandigheden, opdat wij door onwetendheid in dit opzicht, geen argwaan wekken.«
»Gij spreekt als een wijs man,« zeide Fernando, »laten wij dan maar dadelijk beginnen.« Tot laat in den nacht zaten de jonge vorsten bijeen, om elkander in te wijden in de geheimen der diplomatie van hun land, en in hunne familieomstandigheden; en toen de dag aanbrak, scheidden zij met alle teekenen van wederzijdsche achting. Zij bestegen hunne paarden, en reden weg, Fernando naar de hoofdstad van het Moorsche rijk, Muza naar die van de Christenen. Maar alvorens te scheiden, spraken zij af, dat zij elkander tenminste eenmaal in de drie maanden in deze herberg zouden ontmoeten.--Drie maanden vlogen voorbij, en precies op den afgesproken dag ontmoetten de beide vorsten elkander ten tweeden male in de herberg. De begroeting was eenigszins gedwongen.
»En hoe gaat het u, edele Muza, in het koninkrijk mijner vaderen«, vroeg Fernando. »Helaas, uwe Majesteit,« antwoordde Muza, »het spijt mij, te moeten zeggen, dat het maar matig is. Elken dag komen uwe ministers met nieuwe plannen aan voor rooftochten in mijn vroeger rijk, en ik weet niet, hoe ik mij daaronder moet houden; en dan doen zij mij hevige verwijten over wat zij mijn trouweloosheid noemen«. »Precies hetzelfde heb ik ondervonden«, zeide Fernando, en mag ik met alle respect voor het ras, waaruit gij gesproten zijt, zeggen, dat zij niet te vergelijken zijn, wat beschaving en verstand betreft, met mijn eigen volk; dat zij vreeselijk behoudend en langzaam van begrip zijn.«
»Ik vind uwe onderdanen daarentegen veel te bewegelijk en onrustig, en ik ontmoet bij hen niet die volslagen gehoorzaamheid, waaraan ik tot nu toe gewoon ben geweest. Als ik het eerlijk zeggen mag, ontbreekt het hun aan waardigheid«.
»Ik vind eenige van mijne persoonlijke omstandigheden ook verre van aangenaam,« mopperde Fernando; »bv. uwe huwelijksinrichting.«
»En bij u het ontbreken daarvan,« antwoordde Muza.
»Over het geheel geloof ik«, zeide Fernando. »Ik ben het volkomen met u eens«, antwoordde Muza.
»Als wij de zaak eens in de doofpot stopten«, merkte Fernando op. »Het is beter voor een mensch, zelfs voor iemand met een ruimen blik, onder zijn eigen volk te blijven, want hoe breed zijne opvattingen ook mogen zijn, hij loopt onder vreemdelingen toch altijd kans veel te ontmoeten, dat zijn vooroordeel versterkt en hem tot onaangename vergelijkingen dwingt.«
»Ook dit ben ik met u eens,« zeide Muza. »Als eenmaal het nieuwtje er af is«....
»Juist«, antwoordde Fernando; »ten slotte gaat er toch niets boven het land, waarin men geboren is.«
Zoo scheidden de beide vorsten, en elk trok zijns weegs. Maar ondanks alle smeekbeden en dreigementen van hunne ministers was geen van beiden meer er toe te bewegen invallen in het naburige land te doen, en er werd zelfs door kwaaddenkende menschen gefluisterd, dat Fernando en Muza elkander zoo nu en dan bij de gemeenschappelijke grenzen ontmoetten, om moeilijkheden op te lossen, die tusschen hunne respectieve staten gerezen waren--een onnatuurlijke toestand, die volgens hen vroeger of later in een politieke ramp moest eindigen.
HOOFDSTUK XII: VERHALEN OVER SPAANSCHE TOOVENARIJ.
Het schijnt, dat Spanje door de andere landen van West-Europa beschouwd werd als de bakermat van bijgeloof, toovenarij en hekserij, waarschijnlijk doordat er zulk een openbaarheid is gegeven aan de ontdekkingen van de Moorsche alchemisten, de eerste scheikundigen in Europa. Maar met de opkomst van de Inquisitie werden de occulte wetenschappen naar den achtergrond gedrongen, want alles, wat maar in de verte zweemde naar ketterij, werd op de strengste wijze door deze onverdraagzame instelling onderdrukt. Daardoor zijn vele volksliederen, die betrekking hadden op hetgeen de Spaansche boeren geloofden, verloren gegaan, en ook menige boeiende legende is voorgoed verdwenen. De Broeders hebben in hun zorg voor de zuivering der Kerk niet alleen de heks, den toovenaar en den boozen geest verbannen, maar ook de onschuldige fee, de nymphen van bosch en veld, het geheele gezelschap vertrouwde geesten, die niemand kwaad deden en de huisvrouw en dienstmaagd tot grooten steun waren.
Het werk, waarin voor het eerst vermeld wordt, dat de overheid van plan was een veldtocht te ondernemen tegen de geheele wereld der geesten, goede zoowel als kwade, is van Alfonso de Speria, een Franciscaner monnik uit Castilië, die in 1458 of 1460 een boek schreef, dat voornamelijk gericht was tegen ketters en ongeloovigen, en waarin ook een hoofdstuk gewijd is aan de verschillende vormen van volksgeloof, die hun oorsprong hadden in oude heidensche gebruiken. Het geloof in heksen, die hij xurguine (jurguia) of bruxe noemt, schijnt afkomstig te zijn uit de Dauphiné of Gascogne, waar zij volgens zijn verklaring, overvloedig voor kwamen. Zij waren, zoo verhaalt hij ons, gewoon, des nachts in grooten getale bijeen te komen op een hooggelegen vlakte, elke heks bracht een kaars mede ter eere van Satan, die tot haar kwam in de gestalte van een wild zwijn, en niet in die van een bok, in welke gestalte hij meestal bij andere gelegenheden verscheen.
Llorente vertelt in zijn Geschiedenis van de Spaansche Inquistie, dat de eerste auto-de-fé tegen de toovenarij in 1507 gehouden werd te Calabarra, bij welke gelegenheid er dertig vrouwen, die beschuldigd waren van hekserij, verbrand werden. In de eerste verhandeling over Spaansche toovenarij, van Martinez de Castanaga, een Franciskaner monnik (1529) vinden wij, dat Navarra beschouwd werd als bakermat der hekserij, en dat deze provincie vele »zendelingen« naar Aragon stuurde om daar de vrouwen tot de tooverkunst te bekeeren. Maar wij lezen ook, dat de Spaansche godgeleerden van de zestiende eeuw zóóveel verlichter waren dan die van andere landen, dat zij toegaven, dat hekserij slechts een begoocheling was; en de straf die zij toedienden aan hen, die er in geloofden, werd gegeven, omdat deze afdwaling in strijd was met de voorschriften der Kerk. Pedro de Valentin geeft in een verhandeling over dit onderwerp (1610) toe, dat de daden, waarvan de heksen beschuldigd werden, slechts denkbeeldig waren. Hij schreef ze gedeeltelijk toe aan de wijze, waarop het onderzoek geleid werd, en aan den wensch van het domme volk, dat ondervraagd werd, straffeloos uit te gaan, door datgene te verklaren, wat hunne vervolgers blijkbaar wenschten te hooren, en gedeeltelijk aan de uitwerking van de zalven en drankjes, die zij moesten gebruiken, en waarin middelen voorkwamen, die slaap verwekten, en invloed hadden op de verbeelding en de geestelijke vermogens.
DE GODSDIENST DER HEKSERIJ.
De bovengenoemde opvatting van dit merkwaardige verschijnsel wordt tegenwoordig algemeen gedeeld. Maar de onderzoekingen van Charles Godfrey Leland, mej. M. A. Murray en anderen, schijnen er op te wijzen, dat de godsdienst der hekserij volstrekt niet op de verbeelding berust. Mej. Murray beweert, dat deze cultus stamt van een oud heidensch geloof, dat zijne eigen priesters en godsdienstige voorschriften had, en in zekere mate het gebruik van het offeren van kinderen had bewaard.
Het mag wel als vaststaand worden beschouwd, dat deze secte een eigen priesterstand en vaste godsdienstige wetten had, en dat de verbeelding slechts een kleine rol speelde bij de aanhangers van dit geloof.
DE GESCHIEDENIS VAN DR TORRALVA.
Spanje was ook nog in de zestiende eeuw beroemd om zijne toovenaars, bij wie nog iets was overgebleven van de occulte wetenschap der Moorsche dokters van Toledo en Granada. Misschien was wel de beroemdste van deze betrekkelijk moderne meesters in de tooverkunst Dr. Eugenio Torralva, de arts van het gezin van den Admiraal van Castilië. Hij was in Rome opgevoed en had reeds op jeugdigen leeftijd uitgesproken sceptische neigingen. Hij sloot vriendschap met een zekeren meester Alfonso, een man, die, nadat hij eerst zijn Joodsch geloof had verwisseld voor den Islam, overging tot het Christendom, en ten slotte vrijdenker geworden was. Een tweede ongeschikte kameraad was een Dominikaner monnik, Broeder Pietro genaamd, die Torralva vertelde, dat hij een goeden geest in zijn dienst had, Zequiel, die in de geestenwereld zijn gelijke niet had als ziener, en die bovendien zulk een edelmoedig karakter had, dat hij slechts hen wilde dienen, die hem een volkomen vertrouwen gaven, en die zijn hulp en vriendschap wisten te waardeeren.
Dit alles prikkelde de nieuwsgierigheid van Dr. Torralva in hooge mate. Hij was één van die, misschien gelukkige menschen, in wie de liefde voor het geheimzinnige sterk is ontwikkeld en toen Pietro hem goedgunstig zijn dienenden geest aanbood, nam hij dit aanbod met beide handen aan. Zequiel zelf had geen bezwaar tegen de verandering van meester, en toen Pietro hem ontbood, verscheen hij, en verzekerde hij Torralva, dat hij hem zou dienen zoolang hij leefde, en dat hij bereid was hem overal te volgen. Er was niets opmerkelijks aan het uiterlijk van den geest, die een vleeschkleurig gewaad en een zwart overkleed droeg, en er uitzag als een jonge man met een overvloed van blond haar.
Van dien tijd af verscheen Zequiel bij zijn meester met elke wisseling van de maan; en bovendien, wanneer de geneesheer hem noodig had, hetgeen meestal het geval was, wanneer hij in korten tijd naar een verafgelegen plaats wilde gebracht worden. Somtijds nam de geest de gestalte aan van een kluizenaar, op andere oogenblikken weder van een reiziger, en hij vergezelde zijn meester zelfs naar de kerk, uit welk feit Torralva opmaakte, dat hij een goede en Christelijk gezinde geest was. Maar Dr. Torralva moest helaas, zooals zoovelen, ondervinden, dat het bijwonen van een godsdienstige plechtigheid niet den minsten waarborg geeft voor vroomheid.