Part 9
’t Was Zondag-ochtend en hij behoefde niet naar ’t kantoor te gaan. Langs de kali te Noordwijk, waar hij tegenwoordig zijn kamers had, was het stiller dan gewoonlijk; de toko’s waren gesloten, en de dagelijksche bedrijvigheid haast geheel verdwenen. Zoo rustig zat hij in zijn galerijtje een sigaar te rooken, doelloos starende naar den hoogen rooden kaaimuur en het grijsachtig altijd vlietend water, waarin het bruine volkje met welbehagen rondspartelde. Tusschen het donker bladgroen en de krachtige sierplanten staken scherp de witte muren af der Europeesche huizen aan den overkant. Traag rolden de ledige dos-à-dos over den weg, terwijl de vriendelijke koetsiers half liggende de plaatsen warm hielden, waarop de eventueele passagiers zouden gaan zitten. Nu en dan vloog de equipage van een enkelen kerkganger over den weg, of rolde een karretje voorbij, met een paar min of meer aardige nonnaatjes er in, die, in sarong en kabaja, uitgingen, misschien om bij vriendinnen of verwanten zich ter eere van den Zondag op ’n lekkere portie roedjaq te vergasten. Groepjes Europeesche kinderen, de meisjes in veelkleurige Zondagsche jurkjes, de jongens als miniatuurmannetjes in zwarte jasjes en met witte pantalons aan, liepen over het trottoir, nu en dan stilstaand en koempoelan makend om te overleggen hoe ze ’t best en ’t spoedigst door hun weekgeld zouden komen, en welken tekst ze zouden opgeven thuis, als er soms gevraagd werd waarover dominee of pastoor hadden gepreekt. En alles ging kalm en zonder veel gedruisch; men had er bij kunnen indommelen.
Nu, dat gebeurde Fournier wel niet, maar toch werkte het rustige ochtenduur mede, om hem tot een gemoedelijke wereldwijsheid te stemmen, die in een huwelijk met Hortense Van Velton zoo’n absurditeit niet zag.
Vroeger zou hij nooit zoover zijn gekomen. Hij vond toen huwelijken, die niet van weerszijden uit liefde waren gesloten, afschuwelijk, en sprak een streng oordeel uit over alle mariages de convenance of de raison.
Doch nu hij wat ouder werd en de praktijken der samenleving hem, vooral sedert hij advocaat was, getoond hadden hoe weinig verband er bestond tusschen ideaal en werkelijkheid, had zich zijn geest geplooid, en zonder dat hij ooit bepaald onrecht zou vergoelijken, had hij voor veel, wat in het leven voorkwam, gewonnen aan elasticiteit van geweten.
Na het ontbijt hervatte hij het werk, dat hij den vorigen dag had laten liggen, en langzamerhand kwam hij geheel in „zijn zaken”, zóó zelfs dat hij schrikte, toen een oprijdend voertuig de grind op ’t voorerf deed knarsen.
’t Was de coupé van Van Velton,—dat zag hij dadelijk aan het span.
Haastig schoot hij een zwart jasje aan over zijn kabaja, en liep naar voren, ’t Was Van Velton zelf!
Teleurgesteld reikte Fournier hem de hand.
Waarom hij was teleurgesteld begreep hijzelf niet recht. Het was toch duidelijk dat Louise hem niet op klaarlichten dag visites zou maken op zijn kamers.
„Hoe gaat het, hoe gaat het?” zei Van Velton opgeruimd. „Ik kom maar eens hier, want gisteren zocht ik je vruchteloos op je kantoor. Droz zei dat je ziek waart.”
„Ziek is het woord niet. Een beetje onlekker.”
„Komaan, dat is gelukkig. Och, ik had ’n paar kleine zaakjes, waarover ik je spreken wilde. Conveniëert het je?”
„Welzeker; met genoegen.”
Toen de bespreking der kleine zaakjes, die, dacht Fournier, zulk een haast niet hadden, was afgeloopen, stonden zij op en Van Velton, geen mimes makende om weg te gaan, nam kalm plaats op een der twee luierdstoelen, die een marmeren tafeltje in de voorgalerij flankeerden.
„Je woont hier wel aardig.”
„Ja, dat gaat nogal.”
„’t Ziet er hier netjes uit. En zoo gezellig!”
„’t Kan anders wel eens vervelend wezen, zoo alleen.”
„Ja, dat is de keerzijde van het jongelui’s leven. Er gaat bij slot van rekening niets boven een eigen tehuis en een eigen familie.”
Fournier kon een glimlach niet onderdrukken bij de gedachte aan het gelukkig leven en het prettig eigen tehuis van Van Velton. Hij wist van hem, wat iedereen wist, met het verschil, dat hij, Fournier, de waarheid kende, zonder overdrijving. Maar toch was die waarheid ruim voldoende! En dan zag hij onwillekeurig in Van Velton nog iets anders. Het was waar dat er tusschen hem en Louise nooit dat voorviel, wat door de wereld als het criterium wordt beschouwd, maar niettemin was het hem alsof hij de hoorntjes door het fijne grijze haar van Van Velton zag steken.
Hij wilde toch wel eens zien hoever deze zou gaan.
„Ja,” antwoordde hij, „dat kan ik begrijpen. Als men een lieve vrouw heeft en in vrede een gelukkig leven leidt, dan moet het huwelijk een zegen zijn!”
Van Velton keek hem onderzoekend aan, maar Fournier tikte de asch van zijn sigaar met het onschuldigste gezicht.
„Zeker,” zei hij gerustgesteld, „dat is het ook. ’t Leven en garçon in Indië,—praat er niet van! Het is om een menschenhater te worden.”
„Zoo erg vind ik het nu niet. Het is zeker vervelend en eentonig, en ik vind dat het philosophische buien verwekt; maar tot misanthropie.... neen, dat heb ik nog niet bespeurd.”
„Toch is het zoo! Wat heeft hier een ongetrouwd man, ’t zij jongmensch of weduwnaar? Ja, hij kan naar de sociëteit gaan. Ook kan hij „visites” maken en cadeautjes koopen voor de kindertjes van zijn getrouwde vrienden. Hij kan eten, drinken, rooken en verder.... zich gruwelijk vervelen.”
„Hm!” zei Fournier. „Er is nog wel iets waarmee veel jongelui zich uren achtereen kostelijk kunnen vermaken! Bovendien hebben zij hun lectuur en hun studie.”
Dat laatste was iets waartegen Van Velton niets kon inbrengen. Het andere „iets”.... ja daarover had hij veel kunnen zeggen, want zijn wijsheid en ervaring waren groot op dat gebied. „Lectuur,”—dat ging ook nog, voor zoover het dagbladen, brochures, Fransche romans en marktberichten aanging,—maar „studie” was een woord, dat uit zijn dictionnaire was geschrapt.
Hij had er alle respect voor; hij sprak met onderscheiding van personen, die een wetenschappelijke opleiding hadden genoten, en hoe onbegrijpelijker en duisterder ze waren in hun betoogen en gesprekken, des te knapper en geleerder was hij gaarne bereid hen te vinden.
Hij, Van Velton, behoorde tot de velen, die de studie zoo hoog plaatsen, dat ze er zelf niet bij kunnen.
„Ja,” zei hij na eenige oogenblikken, „maar de meesten doen er niet veel aan.”
„’t Is waar, doch dat is hun eigen schuld. Ik geloof dat veel jongelui hun genoegens op den verkeerden weg zoeken. Lekkere schotels, lekker bier, café-chantants, Europeesche prostituées,—dat is het zoo ongeveer, wat hier het meest onder de jongelui wordt gemist, en nu vind ik, dat het ontbreken van die elementen het leven nog volstrekt niet tot een hel maakt.”
’t Gesprek beviel Van Velton niet. Hoe kon die Fournier over dat alles met zekere minachting spreken? Een fijne schotel met een goeden Europeeschen eetlust, dat was dan toch geen zaak om te verwerpen! Een glas of wat Beiersch, zooals men dat in de groote bierhuizen te Amsterdam dronk, was iets om hier in Indië van te watertanden; een café-chantant.... en de rest,—wèl die Fournier had, vond hij, voor een jongen man akelige ideeën.
„Zie je wel,” zei hij, „dat ik gelijk had en er iets misanthropisch komt over hen, die hier als celibatair leven?”
Fournier wilde protesteeren, maar Van Velton liet hem niet aan het woord. Hij sprak voort over het leven in Indië, en er was veel waarheid in hetgeen hij zeide, want een jarenlange ondervinding had hem geleerd. Te midden van zijn lange uitweiding bracht een koeli een briefje voor Fournier, en deze schrikte toen hij aan het adres de hand herkende van Louise; ’t was zoo onverwacht en tegenover Van Velton zoo vreemd, dat hem ’t bloed naar het hoofd steeg.
„Excuseer me een oogenblik,” vroeg hij, waarna hij opstond en naar zijn lessenaar ging, waar hij ’t briefje opende.
Het had geen bovenschrift. „Ik weet,” stond er, „dat V. bij je is. Hij is vóór het huwelijk, zeer er voor zelfs, en zal wellicht er op zinspelen. Neem de gelegenheid te baat en vraag hem de hand van Hortense. Ik smeek het je, Gérard, doe het! Doe het voor je zelven, doe het voor mij! Verscheur dit. L.”
Langzaam voldeed hij aan ’t laatste bevel. „Het” huwelijk! Hij streek zich de hand over het voorhoofd; ’t was alsof het een in principe reeds uitgemaakte zaak betrof, zoo schreef ze er over.
Onwillekeurig vroeg hij, toen hij in de voorgalerij bij Van Velton terugkwam, die volstrekt geen haast scheen te hebben:
„Hoe maakt het juffrouw Hortense?”
„Uitmuntend. Zij houdt zich goed; ’t schijnt dat het klimaat voor haar gestel gunstig is. Vindt je niet, dat zij er beter uitziet, dan toen ze pas uit Europa kwam?”
„Wel,” antwoordde Fournier beleefd, „zij zag er toen ook goed uit.”
„Ja-a. Maar ’t is voor mijn vrouw en mij wel ’n beetje lastig. Wij kunnen haar niet zoo thuis laten, als wij zelf graag blijven; voor getrouwde lui gaat dat, maar ’n meisje op haar leeftijd moet ’n beetje profiteeren van partijen, en dan dienen wij haar wel te vergezellen.”
„Ik denk niet, dat u daar lang last van zult hebben.”
Met een erg wijzen glimlach op het gezicht keek hem Van Velton aan.
„Och kom? En waarom denk je dat zoo?”
„Wel, er zullen zich spoedig genoeg pretendenten opdoen, om den last van u met genoegen over te nemen.”
Van Velton lei zijn arm op het marmeren tafelblad en zag hem, zonder te antwoorden, aan, op een wijze, die voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar was. Zijn heele gezicht zei: „Ga uw gang; ik wacht het vervolg. Vrees niets; wat gij vraagt zal u gegeven worden.”
En Fournier begreep niet en heeft nooit begrepen onder welken invloed hij verkeerde; hij heeft nooit langs den weg der logica het raadsel kunnen oplossen: wat hem er toe bracht zulk een gewichtigen stap te doen dien ochtend, of wat hem zenuwachtig en verlegen maakte,—maar zooveel is zeker, dat hij in het onbewaakte oogenblik met spreken voortging, en zeide, dat als Van Velton ’t wilde toestaan, hij een dier pretendenten zou zijn.
Het bericht dat de koffieoogst in Brazilië of de aanplant van beetwortels in Europa totaliter was mislukt, had Van Velton niet meer in zijn nopjes kunnen brengen, dan het welslagen dezer Zondagochtend-expeditie.
Toen hij het erf van zijn woning opreed zag hij Louise in de voorgalerij staan, juist alsof ze hem opwachtte; maar dááraan dacht hij niet, want dàt kon natuurlijk niet waar wezen; zij keek hem aan, en aan zijn gezicht, aan zijn geheele houding zag ze dat het gelukt was.
Ofschoon vol van het groote nieuws trof het hem toch, dat zij er zoo slecht uitzag; dat haar gelaat was vermagerd en haar oogen zoo diep lagen.
„Scheelt je iets?” vroeg hij.
„Mij? Volstrekt niet.”
„Je ziet er zoo.... betrokken uit.”
Zij haalde de schouders op....
„Wat komt er dàt op aan!”
„Nu, ik breng goed nieuws mee.”
„Zoo?”
„Ja. Je weet, dat ik bij Fournier ben geweest. Raad eens wat hij me gevraagd heeft?”
„Ik denk dat hij Hortense ten huwelijk heeft gevraagd.”
„Hoe weet je het?” vroeg hij verbaasd.
„Daar behoef je zoo verwonderd niet over te wezen. Het was voor iedereen duidelijk genoeg dat hij haar het hof maakte.”
„Dat schijnt zoo. Enfin, ik heb ’t niet direct opgemerkt. Hij was beleefd, galant, enfin, zooals vele jongelui zijn voor mijn dochter. Dat spreekt vanzelf.”
„Hortense zou wel aanzoek hebben gekregen ook al was ze de dochter van een ander.”
„Denk je dat? Vindt je haar mooi?”
„Neen.”
„Vindt je haar chic?”
„Ook niet.”
„Of verstandig, of....?”
„Niets van dat alles, en toch zou ze aanzoek hebben gehad, al was ze doodarm.”
„Dat is me te hoog.”
„Zij heeft iets, dat niet alle meisjes hebben. Ik weet niet wat; het doet er ook niets toe of het in woorden is te zeggen.”
Hij lachte.
„Ah zoo! Is dat ’t geheimzinnige „en ik en weet niet wat?” Nu, het doet me pleizier dat je zoo iets in haar hebt ontdekt. Ik zou het niet licht gesnapt hebben.”
„Omdat ze je dochter is.”
„Wel mogelijk. Enfin, zij is gevraagd door Fournier en ik heb mijn toestemming gegeven. Ik zal....”
„Je zult me een genoegen doen door de rest aan mij over te laten. Ook hadt je mij wel eerst kunnen raadplegen.”
„Ik wist niet dat.... en dan....”
„O, ik begrijp je wel: je wist niet, dat ik er belang in stelde, en dan: ik liet mij nooit als haar stiefmoeder gelden, nietwaar? Maar je moet niet vergeten, dat ik mevrouw Van Velton ben, en dat ik tegenover vreemden in mijn positie als zoodanig gerespecteerd wil worden.”
„Als ik geweten had, dat je daarop waart gesteld, dan verzeker ik je....”
„Je behoeft me niets te verzekeren. Handel liever zooals het past tegenover de wereld, en verlies niet uit het oog, wat je me verschuldigd bent. Je weet wel dat je een brute bent; dat je niet weet hoe ’t behoort, ondanks al je airs.”
„Maar bederf me nu asjeblieft met die standjes den goeden dag niet!”
„’t Is me vrij onverschillig wat ik voor jou bederf.”
Zij liet hem staan en ging het huis binnen.
Woedend smeet Van Velton zijn hoed in zijn kantoor op de schrijftafel. Wat was dat mensch een helleveeg! Om tot bedaren te komen, dronk hij een glas Selzerwater, en trachtte weer in zijn humeur te geraken door te denken aan de geschikte manier, waarop hij zijn tweede dochter bezorgd zag. Iemand als de advocaat Fournier,—dáár zonk zelfs zijn schoonzoon de controleur bij in het niet, meende hij.
Louise ging rechtstreeks naar de kamers van Hortense. Zij was niet boos; ze had alleen dien geheelen ochtend het gevoel gehad van iemand, die iets op het hart heeft dat er af moet; de bedienden hadden er langs gehad, maar dàt had haar geen soulage verschaft, want ze wist heel goed dat de knechts en meiden alles van haar slikten, zonder zich er iets van aan te trekken, en toch in dienst bleven, omdat het zoo’n royale familie was, waar zooveel geld viel te verdienen, bij wie het zoo gemakkelijk ging voorschot te krijgen, en die genoeg personeel had om ieders werk licht te doen zijn.
Dat ze Van Velton op zijn plaats had gezet, verlichtte haar.
Hortense zat in haar kamer een brief te schrijven aan een kostschoolvriendin in Holland. Verwonderd keek zij op toen haar stiefmoeder binnenkwam.
„Stoor ik je?” vroeg deze.
„Volstrekt niet. Ik schrijf maar wat onzin. ’t Is zoo moeilijk aan een meisje in Holland iets over Indië te schrijven.”
„Wat ik je heb te vertellen is geen onzin.”
„Nu, u maakt me nieuwsgierig! Zeg het maar gauw.”
„Het is, meen ik zeker, zeer aangenaam nieuws voor je. Kunt ge het niet raden?”
Hortense werd rood, en haar hand, waarin zij nog den pennenhouder hield, beefde.
Uit het hoekje van een kleine chaise-longue, waarop zij had plaats genomen, bespiedde Louise het meisje.
Welzeker, dat was het ware! Zij vond het eenigszins vreemd,—maar dat het de echte, onvervalschte liefde was, die zich bij het melkblanke meisje op die wijze verried, betwijfelde ze geen oogenblik. Die lui waren anders, meer demonstratief; maar à fond bleef het toch allemaal ’t zelfde.
„Wel?” vroeg ze met een treurigen glimlach, toen Hortense het raden naliet.
Maar het meisje raakte ernstig in verlegenheid en zag haar smeeken.
„Er is bij papa aanzoek om je gedaan.”
Nu was Hortense weer bleek geworden; zij stond op, kwam snel naar haar toe en ging bij haar zitten op een voetenbankje, dat bij de chaise-longue stond.
„Toe, zeg het nu! Als het een ander is, wil ik toch niet.”
„Het is geen ander, Stance. Fournier heeft je gevraagd.”
Met een kleur als vuur sloeg het meisje, geheel de gewone verhouding uit het oog verliezend, haar armen om den hals harer stiefmoeder en kuste haar zoo innig en met zooveel uitdrukking van dankbaarheid op ’t gelaat, dat Louise haar vol verwondering verstomd aanstaarde. Zonder terugstootendheid maakte zij zich zacht uit de hartstochtelijke omhelzing los, streek haar kabaja glad, veegde met haar fijnen zakdoek over haar voorhoofd en zuchtte.
„Blijf nog een beetje,” vroeg Hortense. „Ik moet iemand hebben om mee te praten over hem. Het is verschrikkelijk nu alleen te wezen.”
Ofschoon reeds opgestaan om weer te vertrekken, voldeed toch Louise aan het verzoek. Zij begreep het meisje niet; dàt begreep ze.
In een dergelijk geval zou zij, Louise, bij voorkeur alleen, stil in een hoekje onbeweeglijk hebben neergezeten, en elk woord dat luid werd gesproken, zou haar ruw en onaangenaam in de ooren hebben geklonken als in disharmonie met haar droom van geluk. Bij Hortense daarentegen was het één en al drukte en luidruchtigheid. Ze dacht hardop, en ze had behoefte aan iemand die het hoorde, en die nu en dan, al was het ook maar met een enkel woord, repliek gaf. En zoo zat mevrouw Van Velton-Van der Linden de gansche intieme geschiedenis aan te hooren.
„Den eersten avond, weet u nog wel, toen ik voor het eerst kennis met hem maakte?”
Ze knikte van ja. Of ze het wist!
„Nu, toen voelde ik het. Wat is dat toch vreemd. Ik had het dikwijls gelezen in romans, maar ik geloofde er niets van, niets hoegenaamd. Toch is het waar. Ik weet het nu bij ondervinding. Zou hij toen ook zoo’n gevoel hebben gehad?”
„Ik weet het niet. De mannen zijn zoo anders.”
„Het moet toch ééns in hem zijn ontwaakt, dunkt me. Ik zal ’t hem vragen. Het is toch vreemd dat hij me nooit rechtstreeks over iets heeft gesproken.”
„Hij zal het niet kiesch hebben gevonden, zoolang hij niet zeker was van de toestemming van papa.”
„Gekheid. Ik had een stille verklaring vóór het officiëele aanzoek wel heerlijk gevonden.”
Louise schudde het hoofd.
„Ben je nu nog niet tevreden?”
„Tevreden? Ik ben gelukkig. Ik had hem gekozen boven allen, en als hij mij had gevraagd en papa had geweigerd....”
„Wat dan?”
„Dan had ik hem toch genomen.”
„Dat kan niet zoolang je minderjarig bent, en zelfs daarna kost het moeite.”
„Ik zou met hem gevlucht zijn.”
Met haar groote zwarte oogen zag Louise verschrikt het meisje aan.
„Het is goed dat ik alleen zulke dingen hoor, Hortense.”
„’t Kan mij niet schelen. Sedert ik Fournier ken, ken ik maar één verlangen. De rest van de wereld is me onverschillig.”
Het was, vond Louise, om niet te gelooven. Dat was dan het resultaat van de strenge, uiterst ingetogen en fatsoenlijke opvoeding, die ze in Holland had gehad!
„Hortense, je weet niet wat je zegt.”
„Dat weet ik heel goed, en ik zeg niets dan de waarachtige waarheid. Als ge zelf ooit hebt bemind met geheel uw hart, dan moet u me ook begrijpen.”
Het zonderlinge lachje, dat iedereen trof, die het zag, maar dat niemand kon verklaren, plooide weder Louise’s lippen.
„Laat het wezen zooals het wil,” zei ze, „in elk geval mag je zoo tegen niemand spreken. Je hebt het nu tegen mij gedaan, en dat kan geen kwaad. Doe het nooit tegen iemand anders.... zelfs niet tegen Fournier.”
Het huwelijk werd kerkelijk ingezegend. Evenals bij dat, tusschen Van Velton en Louise indertijd, was onder hen, die bij de plechtigheid tegenwoordig waren, slechts een enkele, die, zooals men het noemde, aan religie „deed.”
Iedereen leefde het leven „zoo maar.” Men was het er over eens, dat er een godsdienst moest zijn, en als er een dominee of een pastoor kwam met een inteekenlijst voor een weeshuis of eenig ander liefdadig doel, of zelfs voor verbeteringen in een kerkgebouw, dan teekende men in met genoegen en soms voor aanzienlijke bedragen. Maar overigens hield men er zich niet mee op. Doch bij geboorten, huwelijken en sterfgevallen voelde men aan de godsdienstige instellingen groote behoefte. Van Velton zou ’t niet kerkelijk inzegenen van een huwelijk in zijn familie ploertig gevonden hebben; het had op hem denzelfden indruk gemaakt als iemand, die in zijn hemdsmouwen een receptie bezocht. Thuis werd er nooit van godsdienst gesproken, en hij wist niet eens of zijn kinderen in Holland hun belijdenis hadden gedaan, wat hem ook volstrekt niet interesseerde,—maar gedoopt waren ze, en ook zijn jongste kind. Al had hij het water in stopflesschen uit Nova Zembla moeten laten komen,—gedoopt zou er zijn geworden. Een heiden, foei! En een begrafenis zou er, onverschillig van welk gehalte de doode was, ook nimmer in zijn familie zijn gehouden, zonder dat aan het geopend graf een stichtelijk woord was gesproken. Dat was adat.
Veel heeren en dames woonden de plechtigheid bij.
Hortense zag er uit als een gelukkige bruid, dus dubbel schoon, en aan Fournier was niets bijzonders op te merken.
De waarheid was, dat hij de flair had gekregen van het „iets”, waarop Louise doelde, en dat ze niet onder woorden kon brengen, toen ze Van Velton zeide, dat het voldoende was om Hortense voor een zuur-bier toekomst te vrijwaren. Inderdaad schaamde hij zich half en half voor zichzelven om de soort van genegenheid, welke hij het meisje toedroeg.
Het was zoo volkomen in strijd met zijn begrippen. Maar ’t scheen wel, dat alles wat hem in eenige verhouding deed staan tot die familie, lijnrecht in tegenspraak moest wezen met zijn opvoeding en zijn denkbeelden.
Mevrouw Van Velton-Van der Linden was in het zwart gekleed zonder eenig sieraad.
Het was, vonden de aanwezige dames, een eenvoud om van te schrikken.
„’t Is alsof ze in den rouw is,” meende de een.
„Ze heeft niets aan,” zei een ander, altijd doelende op de sieraden. „Het is alleen ijdelheid.”
„Ze ziet er slecht uit.”
„Nietwaar? En dat voor zoo’n jong vrouwtje. Hoe oud schat je haar?”
„Och oud! Ik heb haar nog gekend met haar schooljurkje aan! Ze kan hoogstens twee, drie en twintig jaren wezen.”
„Ze kon best voor tien jaren ouder doorgaan.”
„Op zijn minst. Toen het dochtertje van Van Velton hier pas kwam, stak ze heel ongunstig af bij haar mooie stiefmoeder.”
„Nu, dat is thans heel anders.”
„Ja. ’t Is wezenlijk een ander meisje geworden, hè? Het witte satijn en de paarlen staan haar prachtig.”
De dominee sprak en de fluisterende gesprekken werden gestaakt. De getrouwde dames raakten onder den invloed. Zij herdachten haar eigen trouwdag; de herinnering kwam sterker en idealiseerde. Haar vervlogen jeugd en haar verdwenen charmes daagden op voor haar geest. En dan het vertrouwen, waarmee ze toen een toekomst ingingen, die in de werkelijkheid niet altijd aan de verwachtingen had beantwoord!
Er waren oogen, die zich vulden met tranen. Het was niet om de woorden van den geestelijke, noch om het bruidje in ’t wit satijn, noch om den bruigom in zwarten rok,—’t waren weemoedige herinneringen aan eigen liefs en eigen schoons, aan eigen jongen levenslust en levenskracht; ’t was een stille hulde aan ’t beeld van vervlogen illusiën en genoten zaligheid, dat nog zoo heerlijk schoon bleef, al was het opgegaan en verdwenen in de nevelen van den tijd.
Louise trok haast nog meer de aandacht dan de bruid zelve. Iedereen viel het op, dat zij er zoo slecht uitzag en zoo verouderd was.
De dames constateerden het niet zonder Schadenfreude: de heeren vervielen in beschouwingen over de physische gevolgen van huwelijken tusschen personen van zeer verschillenden leeftijd.
Van al de personen, die de trouwplechtigheid bijwoonden, was—Louise niet medegerekend—dokter Van der Linden zeker daar ’t minst voor zijn genoegen.
Na het gesprek met zijn dochter, waarin zij hem het onbehoorlijk gedrag van haar man had bekendgemaakt, kwam hij uiterst zelden ten huize van Van Velton.
En als hij kwam, was het nog slechts, wanneer hij wist dat er menschen waren. Dan ging hij zijn kleinzoon bezoeken, hield hem in de achtergalerij een half uurtje op den schoot, verrukte ’t kind door fraaie stukjes speelgoed en doosjes met lekkernijen,—maar zorgde, dat hij het niet te lang maakte en hij onder een of ander voorwendsel vertrok voor de andere gasten heengingen.
Hij had een hekel aan Van Velton gekregen en hij was bang geworden voor Louise.
’t Frappeerde hem ook dat zij er zoo vervallen uitzag.
Als hij alles goed overwoog, dan was het toch eeuwig jammer dat zij niet getrouwd was met dien Fournier!