Part 8
Wat kon die vrouw lief wezen, als ze wilde! Hortense glimlachte tegen haar, en toch waren ze volstrekt geen vriendinnen, ja ’t meisje had haar nog kort geleden gehaat met een doodelijken haat.
’t Was voor Van Velton een ware marteling. Louise, eenmaal en train, overstelpte het meisje met attenties; zij was vroolijk en geestig, en met beide handen wroetend in haar eigen leed, begon ze haar lachende en volstrekt niet op hatelijke wijze te plagen met Fournier.
Verrast keek Van Velton op. Drommels! dat zou een kolfje naar zijn hand wezen. Een dochter getrouwd met een controleur, die gauw assistent-resident moest worden, en een ander met een gefortuneerd advocaat. Het ontdooide hem geheel. Hij vergat zijn grieven.
Die Hortense moest zoo spoedig mogelijk aan den man, en Fournier was een goede partij, dat had hij ook reeds lang gedacht. Maar dat er iets gaande was, had hij nog niet gesnapt, hetgeen Louise volstrekt niet bevreemdde.
Daar moest hij het zijne toe doen, dacht hij, en met een gezicht vol welwillende belangstelling luisterde hij toe, in de stille hoop, door een woord of een blik van zijn vrouw tot deelneming aan het gesprek te worden uitgenoodigd.
Maar ofschoon hij daarvan geen last had, bracht de loop van zaken hem toch in een beter humeur, zóó goed zelfs, dat hij niet kon nalaten dien avond een extrabezoek te brengen aan Lientje Donker.
Gewoonte is zoo’n tweede natuur!
Maar Lientje, die dien avond niet op hem had gerekend, was niet thuis.
„Waar is ze?” vroeg hij haar moeder.
„Bij een vriendin in de buurt.”
„Kan je haar niet laten zeggen, dat ik er ben?”
„Och ja.”
Christien Donker ging het huis binnen en deed alsof ze een meid wegzond met een boodschap aan haar dochter.
In het altijd duistere voorgalerijtje sprak Van Velton met haar over koetjes en kalfjes, maar noch Lientje, noch de meid kwam terug, totdat hij eindelijk, het wachten moede, maar besloot heen te gaan.
’t Was toch eigenlijk, dacht hij, geen existentie op die wijze; maar wat moest hij doen?
’t Was nu eenmaal zoo. De relatie af te breken en geheel zonder te blijven,—dat wilde hij volstrekt niet. En een andere, een nieuwe aan te knoopen kwam evenmin met zijn bedoelingen overeen.
Hij had zijn rijtuig op een grooten afstand laten wachten, zooals hij in den laatsten tijd steeds deed. Terwijl hij er langzaam naar terugwandelde, passeerde hem een dos-à-dos, waarin hij hoorde lachen. Precies een lach als die van Lien. Hij keek om en zag een lange dragondersabel, die achter uit het voertuig stak. Stil liep hij door; hij zou zich zeker hebben vergist! Maar met dat al vond hij het een hoogst onaangename ontmoeting, en dubbel teleurgesteld keerde hij huiswaarts.
Wat hem ’t meest bezig hield, was die schoonzoon in spe. Die Fournier was er als het ware voor geknipt, meende hij.
Doch Louise moedigde hem niet aan, ze deed alsof hij ter wereld niet bestond, wat hem overigens weinig kon schelen, maar in dit bijzonder geval zeer speet.
Hij toefde thuis nog een weinig, in de hoop dat Hortense zou heengaan, maar Louise, die zijn toeleg doorgrondde, werkte het tegen en hield het meisje gezellig aan den praat. Half onwillig ging hij ten slotte heen. Wat kon ze toch onaangenaam zijn! Maar Fournier tot schoonzoon,—dàt was een uitmuntend idée.
„Hebt u gehoord, mevrouw, dat Hortense Van Velton met Fournier is geëngageerd?”
„Zoowat ja. Ik vind het nogal gek.”
„Hoezoo?”
„Wel, ik herinner me heel goed, dat diezelfde Fournier indertijd druk aan huis kwam bij dokter Van der Linden, toen Louise nog ongetrouwd was.”
„Zoo-o.”
„Hij maakte haar toen in het oog loopend het hof.”
„Och wat?.... Maar hebt u niets opgemerkt?”
„In den laatsten tijd? Zeer zeker.”
„Nu, dat meende ik ook.”
„Moeder en dochter; ’t is mooi!”
„Ja, dat komt van die dwaze huwelijken.”
„Het moet een raar huishouden wezen. Mijn baboe heeft bij haar gediend en me er alles van verteld.”
Mevrouw Doren schoof haar stoel naderbij.
Zij maakte een ochtendvisite bij haar vriendin Nedor, zoo familiaartjes in sarong en kabaja; de twee dames zaten gezellig bij elkaar in de achtergalerij onder een glaasje stroop met ijs. Een baboe, die bij Van Velton had gediend en alles had verteld,—dat was een buitenkansje, waarvan moest geprofiteerd worden!
Wel een uur lang spraken ze er zachtjes over, lachend, hoofdschuddend, ernstig, afkeurend, alles op zijn beurt.
Des middags kwamen de heeren van ’t kantoor.
„Weet je dat van Van Velton?” vroeg mevrouw Doren haar man.
„Wat dan?”
„Dat hij zoo’n slecht leven leidt met zijn vrouw.”
„Neen, dat wist ik niet.”
„Nu en zij en die Fournier....”
Meneer Van Doren trok een ernstig gezicht en keek zeer bedenkelijk zijn vrouw aan.
„Och kom,” zei hij. „Dat zijn allemaal van die praatjes, die niet te vertrouwen zijn. Je moest me een genoegen doen en niet verder over Van Velton en zijn vrouw spreken. Ik zou niet graag willen, dat jij of ik de zegslui waren van iets ten hunnen nadeele.”
„O, ik zeg het niet. Ik heb ’t maar gehoord van mevrouw Nedor.”
Toen meneer Nedor thuis kwam, kuste hem zijn hartelijke, goede vrouw.
„Zeg,” zei ze, „nou moet ik je toch eens iets vertellen. Je weet wel, die nieuwe meid, die voor ’n dag of wat bij me in dienst is gekomen....”
„Nu ja?”
„Die heeft me een boekje opengedaan over dien Van Velton.”
„Och kom? En wat is het dan?”
„Hij gaat elken avond uit pierewaaien in allerlei soort van gelegenheden.”
„En zij?”
„Zij weet het met dien Fournier.”
De heer Nedor begon te lachen.
„De meid is gek.”
„Nu, geloof jij het maar niet.”
„Hoor eens, vrouwlief,” zei Nedor. „In jou plaats zou ik over die geschiedenis niet verder spreken. Het deugt niets, en ’t geeft maar gebabbel. Ik zou voor geen geld willen, dat Van Velton ooit hoorde, dat hij van onzen kant over den hekel werd gehaald.”
„Ik zal er met niemand over spreken,” zei ze geraakt, „maar ik mag het jou toch wel vertellen!”
„Zeker. Doe me echter een genoegen en laat het tusschen ons blijven.”
Meneer Nedor dacht over het geval na, terwijl hij in de badkamer was, en ernstig nam hij zich voor te zorgen, dat die babbelachtige baboe zoo spoedig mogelijk weg kwam en tevens, dat hij ’t jonge mooie vrouwtje van Van Velton in het oog zou houden. Men kon niet weten! La bonne fortune lag in een klein hoekje!
Den volgenden morgen ontmoetten de heeren Doren en Nedor elkaar in ’t lokaal eener Vereeniging.
„Zeg,” zei de een, den ander lachend een duw gevend, „wist jij dat die Van Velton zoo’n ouwe snoeper was?”
„Daar heb ik wel eens meer van gehoord, ja.”
„Hij moet elken avond....” De heeren traden in onbeschrijfelijke bijzonderheden. Er kwam een andere bekende bij, die ook werd ingewijd. Men gichelde en lachte. Het was kras voor iemand van Van Velton’s leeftijd!
Steenen werden er niet op hem geworpen. Integendeel, toen hijzelf ook arriveerde, groette men hem met meer deferentie, dan gewoonlijk. Het mocht dan afkeurenswaardig wezen in veel opzichten, maar ’t was niet zonder kranigheid, dat een man, die zooveel aan het hoofd had en die al zooveel campagnes had meegemaakt, nog in staat was in zijn vrijen tijd le jeune homme te spelen en op avontuurtjes uit te gaan.
Goed was het niet,—daarover waren allen het eens. Er was echter zooveel in deze booze wereld dat niet goed was, maar toch een zachtmoedige beoordeeling toeliet.
De wereld wist zeer veel; meer dan zij, die rechtstreeks betrokken waren bij het goede en kwade, dat van hen werd verteld. Zij wist dat Van Velton een groot liefhebber was van buitenpartijtjes, en dat was hij toch eigenlijk niet; zij wist, dat mevrouw Van Velton het „wist” met den advocaat Fournier, en dat wisten die twee niet; ten slotte wist zij, dat Fournier met Hortense geëngageerd was, en dat wisten die twee ook niet.
Van Velton bemerkte op ’t kantoor, dat zijn compagnon erg koel tegen hem was.
„Wat scheelt je?” vroeg hij.
„Mij? Niets!”
„Je bent zoo geretireerd.”
„Ik vind dat jij vrij wat geretireerder bent dan ik.”
Lachend zei Van Velton dat dit zeker niet in zijn bedoeling lag, als het zoo was.
„Waarom vertel je dan niet eens, wat iedereen weet?”
„En dat is?”
„Nu, houd je nu goed!”
„Maar voor den drommel, wat bedoel je dan?”
Zijn compagnon scheen maar half lust te hebben er mee voor den dag te komen.
„Iedereen,” zei hij eindelijk onwillig, „weet dat je dochter geëngageerd is.”
„Och, zoo! En de gelukkige is natuurlijk Fournier.”
„Dus is het zoo?”
„Volstrekt niet. Het is niet onmogelijk, maar als het gedecideerd was, dan zou ik het je immers dadelijk gezegd hebben. De lui zijn altijd schrikkelijk voorbarig.”
Fournier had op zijn kantoor een andere scène. Terwijl hij druk bezig was met de behandeling eener lastige wissel-quaestie, kwam zijn associé binnen, gaf hem de hand en zei:
„Amice, ik feliciteer je, hoor.”
„Ik ben anders niet jarig!”
„Och kom! Ik moet zeggen dat je het netjes hebt geleverd.”
Zijn ongeduld kwam boven, en met een driftige beweging trok hij de schouders op.
„Zeg het nu maar gauw, want ik begrijp er niets van.”
„Hm, hm! Het wordt toch openlijk verteld, dat je met juffrouw Van Velton bent geëngageerd.”
„Met Hortense?”
„Ja, met wie anders?”
„Och, maar.... dat is onzin.”
„Ei. Ik vond het anders nogal zinrijk.”
„Er is niets van aan.”
„Enfin, heel Batavia weet het, dàt kan ik je wel zeggen, en iedereen vindt, dat het niet beter kan. Jullie bent voor elkaar als geknipt.”
Het kostte Fournier verschrikkelijk veel moeite om in zijn studie over ’t wisselrecht den draad van zijn gedachtenloop weder op te vatten. Toen hij echter kort daarna een briefje ontving van Louise, waarbij ze hem verzocht om een onderhoud onder vier oogen, geraakte hij de kluts geheel kwijt, en legde met een zucht de zaken ter zijde.
In de laatste dagen verkeerde hij in den zonderlingen toestand van iemand, die in strijd is met zichzelven en, aarzelend, niet weet welke gedragslijn te volgen.
Aan huis op visites aanbad hij Louise in het verborgen, maar was niettemin tegen Hortense de verpersoonlijkte voorkomendheid.
Wel honderdmalen had hij op het punt gestaan om Louise een billet-doux te zenden en haar om een rendez-vous te smeeken, maar telkens weer waren de overblijfselen van een streng zedelijke opvoeding daartegen in verzet gekomen, en had hij zijn begonnen briefjes in kleine stukken gescheurd en verwezen naar de snippermand.
En daar zat hij nu met een briefje van haar in den zak!
Natuurlijk zou hij gaan.
Hij mocht dan zelf geaarzeld hebben om den stap te doen,—het bewijs van meer voortvarendheid, dat zij gaf, vuurde hem aan.
Toch zag hij er eenigszins tegen op. Zoo stil op het kantoor, achter den rustigen lessenaar en bij de drukke bezigheden, die hij plichtmatig doen moest en waartoe hij zich had verbonden, kwam hem een liaison met Louise voor als iets, dat met zijn geheele leven onvereenigbaar was en het omver zou werpen. Zijn associé, een cynisch egoïst, die de wereldsche zaken tilde alsof het dons was, had het kunnen doen zonder dat iemand ter wereld er in zijn gewone doen en laten iets van zou hebben bespeurd. Hem, Fournier, zou het geheel en onverdeeld in beslag nemen. Hij kende zichzelven maar al te goed. Als het tot een liaison kwam met Louise, dan zou op een goeden dag zijn lessenaar ongerept blijven, het huis van Van Velton een bewoonster minder tellen, en een boot naar Singapore daarentegen twee passagiers meer.
Hij kon zich dat niet anders voorstellen, en die zekerheid vervulde hem met schrik; zijn strenge ouders, zijn geheele hoogst gedistingeerde familie in Nederland,—en dan hij in Indië aan den haal met de vrouw van een ander....
Hij sloot zijn lessenaar; ’t was hem onmogelijk langer te werken.
„Ik ben niet lekker,” zei hij, „en ga naar huis. Laat de oppasser mij de stukken maar brengen. Misschien kan ik den boel vanavond afdoen.”
„Wat scheelt er aan?”
„Dat weet ik eigenlijk zelf niet.”
„Zoo. Nu, beterschap!”
’t Was een zenuwachtige dag, die er voor hem volgde. Zijn verbeelding had nog nooit zoo krachtig gewerkt, meende hij. Het scheen, dat er twee machten in hem streden: de natuur en de leer. De laatste deed hem redeneeren en toonde hem langs den weg van logischen gedachtengang, hoe verkeerd het zou zijn, indien hij zich liet leiden door zijn liefde voor Louise, en welk een zee van ellende daaruit voor allen zou voortspruiten.
De eerste kwam daar telkens brutaal en onbescheiden tusschen. Te midden van zijn gedachtenloop drong zij zich op en maalde voor zijn geest de liefelijkste tafereelen. Daarna betrapte hij zich als ’t ware weer op die afdwalingen van zijn verstand, alsof hij ze zich een oogenblik te voren niet bewust was, en hij sloot dan onverwijld zijn geest weder in de banden van het conventioneel goede. Het hielp.... voor een oogenblik; voor een vijf, tien minuten,—een kwartier misschien, maar dan verzwakte onopgemerkt de band, en draaide hij weer terug naar den vicieuzen cirkel, waaraan hij zoo gaarne wilde ontkomen.
De siësta wilde hem niet gelukken. Ongeduldig keerde hij zich van den eenen kant op den anderen; stond op, trachtte te schrijven, maar vruchteloos. Altijd kwam hij weer terug op hetzelfde onderwerp, met het dualistisch bestaan, dat daaraan dien dag was verbonden.
Tegen den avond werd het er niet beter op. Te tien uren moest hij bij haar komen. Hij at niet. Reeds tegen negen uren wandelde hij kalm, maar innerlijk zeer onrustig op het Koningsplein. Hij zag Van Velton en Louise in de voorgalerij, daarna ook Hortense; hij zag het rijtuig vóórkomen en Van Velton met zijn dochter wegrijden; hij begreep het: de familie was ergens geïnviteerd, maar mevrouw had zich laten excuseeren.
Daar zat ze, alleen. Wie haar bespied had, zou niets anders bespeurd hebben dan een Indische dame, die in kalmte van geest zat te wippen in een schommelstoel. Geen zweem van onrust of zenuwachtigheid, en toen Fournier met een glimlach om den mond en iets familiaars in de uitdrukking van zijn gezicht binnenkwam, stond ze op en trad hem een paar schreden te gemoet, wat ze anders nooit deed.
„Dag meneer Fournier!” zei ze luid. „Komt u ons nog eens bezoeken? Wel, dat vind ik goed.”
Verrast keek hij rond. Er stond, ja, een huisjongen naast een pilaar en die keek droomerig recht voor zich uit. Anders was er niemand dan hij en zij. Waarom sprak ze dan zoo hard en noemde zij hem meneer? Hij ging zitten.
„En hoe gaat het je?” vroeg ze vriendelijk.
Hij trok de wenkbrauwen op en boog bedenkelijk het hoofd ter zijde.
„Wat zal ik er op antwoorden?”
„Wel,” zei ze lachend, „de waarheid. Ik vraag immers niets anders.”
„De waarheid is niet in twee woorden te zeggen.”
„Gebruik er dan maar wat meer. Ik heb den tijd om van je aangenaam discours te profiteeren.”
Het was zoo vreemd, dat hij aan de echtheid van het briefje begon te twijfelen. Zij sprak wel een half uur, en hij, eenigszins verstrooid en verlegen, gaf slechts onbestemde antwoorden.
„Ik kan niet zeggen,” zei ze eindelijk, „dat je vanavond erg gezellig bent. Je hebt wel eens vroolijker buien gehad.”
’t Was hem te veel.
„Wel, ik moet je de waarheid zeggen, Louise. Is dat briefje....” Hij tastte tegelijk in den zak om het te voorschijn te halen, maar zij hield hem tegen met een gebaar.
„Het is van mij,” zei ze. „Ik moet je spreken, Fournier, en....”
Hij zag dat zij zeer ontroerd was. Niet aan haar gezicht, maar aan het op en neer gaan van haar boezem.
„En?” vroeg hij.
„Niets, het is niets. Ik wilde alleen maar zeggen.... dat ik het nog tien minuten wil uitstellen. Ik houd anders niet van uitstellen. Praat maar wat, dan heb ik een oogenblik afleiding.”
’t Was gemakkelijker gezegd dan gedaan; hij deed het dan ook niet, maar stond op, haalde een album uit de binnengalerij en bladerde in de teekeningen en portretten, zonder een woord te zeggen. Nooit had hij haar zóó gezien, nooit haar op dien toon hooren spreken.
„Kijk eens,” zei hij eindelijk op een crayon wijzend, dat een Indisch landschapje voorstelde, „wat is dat knap gedaan! Er staat geen naam bij. Van wien is het?”
Zij had hem zitten aankijken, terwijl hij met het album bezig was. Geen oog had ze van hem afgewend, en dat deed ze ook nú niet. ’t Sumatrasche landschap verwaardigde zij met geen blik.
„Ik moet je spreken, Fournier,” herhaalde zij met denzelfden vreemden klank in haar stem. „Ik moet je spreken. Kom even met me mee.”
Zij ging hem voor het huis binnen en in een der zijkamers. Hij lette er op, dat ze hem niet bracht in haar eigen vertrekken. Het licht brandde helder en de deur stond open.
’t Was waar, dat zijn voornemens goed waren en hij zich plechtig had voorgenomen om met alle kracht, die in hem was, de leer te laten zegevieren, maar toch overviel hem een gevoel van teleurstelling.
Hoe weinig geheimzinnig was dat alles! Niet ’t geringste waasje van poëzie lag over ’t decoratief van dit rendez-vous!
Ofschoon hij voor iemand van zijn leeftijd tact en menschenkennis genoeg bezat, ontbrak Fournier geheel een zekere donjuansche handigheid. Hij was het ook niet gewoon. De uitingen zijner liefde waren, evenals op dien avond in den tuin, Europeesch hartstochtelijk, en minder geschikt voor het Indisch klimaat, dat zich wel eigent voor diepe gronden, doch met stille wateren.
Zooals het nu ging, begreep hij er niets van. Nog eenigszins bezield met zijn goede voornemens, schoof hij zijn stoel wat dichter bij den haren. Hij wilde er toch wat meer van weten.
Zij bleef hem aankijken, en hij schrikte van de doodelijke uitdrukking, die haar gezicht aannam.
„Wat is het toch, Louise,” vroeg hij dringend. „Zal ik ’n glas water halen?”
Ze glimlachte even en schudde met het hoofd.
„Is het,” ging hij voort, „dan zoo verschrikkelijk een oogenblik met me alleen te zijn? Je weet, Louise, hoe lief ik je altijd heb gehad, en als een ellendig misverstand mijn geest niet had beneveld, zou je al lang mijn lief vrouwtje zijn geweest Kom,”—vol goede voornemens vatte hij haar hand—„kom, wees nu niet zoo geagiteerd en kijk me met je mooie oogen niet zoo droevig aan! Heb je er dan zoo’n spijt van dat ik ben gekomen om een oogenblik ongestoord met je samen te zijn?”
Het hielp niet; het had geen gunstige uitwerking op haar; ze werd bleeker en de hand, die hij in de zijne hield, kouder. Wat hij nog verder zou zeggen wist hij niet; het was voor hem erg unheimisch. Plotseling stond ze op, lei haar beide handen op zijn schouders en zag hem strak in het gezicht.
„Gérard, je moet trouwen met Hortense.”
„Hè?” vroeg hij één en al ontnuchtering en verbazing.
„Je moet het doen, Gérard,” ging ze snel en zenuwachtig voort. „Ik zeg je moet. Ga nu heen. Ik zal je later nog wel spreken. Maar doe het, Gérard! In godsnaam, doe het asjeblieft; trouw haar!”
Zij had al sprekende zijn beide handen gegrepen en die met kracht gedrukt; haar gezicht was vlak bij het zijne geweest, en toen zij na haar laatste woorden was weggeloopen en hem alleen had gelaten in de zijkamer, zag hij nog een paar seconden haar gelaat voor zich met die zonderlinge, wilde uitdrukking in haar trekken en dien starenden blik.
Meester Gérard Fournier was volkomen au bout de son latin, hoe vlijtig hij ook indertijd ’t gymnasium had bezocht en later de pandecten had bestudeerd. Zooals hij daar stond, met den ledigen stoel, waarop ze had gezeten, vóór zich en te midden van al de luxe van ’t fraai gemeubeld vertrek, scheen het hem een dwaze droom; hij wist zelfs niet wat hem te doen stond: of hij heen zou gaan of blijven. Hij moest Hortense trouwen had ze gezegd, en dat klopte precies met het praatje van Droz dien ochtend. Welk een idée!
’t Was waar, dat nu dáárop het rendez-vous uitdraaide, waarom hij den geheelen dag in zoo’n abnormale stemming had verkeerd, de leer al heel gemakkelijk had gezegevierd; dat hem die victorie aangenaam was, had hij ondanks de beste voornemens waarlijk niet kunnen zeggen.
Een minuut of tien liep hij, erg uit zijn humeur, de kamer op en neer, in de stille hoop, dat ze nog zou terugkomen.
Maar ze kwam niet.
Toen nam hij zijn hoed en verwijderde zich zacht, voor zichzelven min of meer met zijn figuur verlegen. Hij liep en liep het Koningsplein om, tot hij weer het huis van Van Velton voorbijkwam. De gaslampen waren uitgedraaid en er brandde slechts een bescheiden pitje om vader en dochter voor te lichten als ze thuis kwamen.
’t Was alles van de meest eenvoudige proza; zoo zuiver realistisch mogelijk. Wellicht sliep ze al. Misschien lachte ze hem uit in haar kamer. Maar dat denkbeeld, hoezeer het zich aan zijn teleurgestelden geest opdrong, verwierp hij toch, toen hem haar groote ontsteltenis weer voor den geest kwam.
Peinzend over wat Louise toch bij mogelijkheid kon bedoelen met haar zonderling verlangen, dat hij Hortense zou trouwen, ging hij naar huis.
Het meisje zelf, dat reeds met veel Bataviasche families bekend was geraakt en in den laatsten tijd op een bijzonder goeden voet stond met haar stiefmoeder, bracht een éclatant nieuwtje mee van ’t partijtje, dat ze bezocht had met haar vader, met wien de jongste standjes stilzwijgend waren bijgelegd.
Zij klopte zacht op de deur van Louise’s slaapkamer, om te hooren of ze nog wakker was. Het dadelijk antwoord toonde aan, dat van slapen geen quaestie was. Zij vond haar stiefmoeder op een divan in den donkersten hoek van het zacht verlichte vertrek.
„Wat zit u daar ongezellig.”
„Was het nogal aardig vanavond?” vroeg Louise, alsof zij de opmerking niet had gehoord.
„Vreeselijk saai; maar ik heb iets vernomen, dat ik u nog even wilde vertellen.”
Hortense ging ook op den divan zitten en ontlastte haar gemoed van het Bataviasch familie-nieuwtje. Intusschen gewenden haar oogen aan het flauwe licht, en toen zag ze dat die van haar stiefmoeder erg rood waren en gezwollen.
De nacht bracht kalmte.
Hij kalmeerde Louise, die zich den vorigen avond erger had opgewonden dan ze had laten blijken, en hij deed Fournier tot bezinning komen.
Het denkbeeld van een huwelijk met Hortense scheen hem ’s morgens niet meer zoo volkomen onmogelijk als den vorigen dag.
Louise kon hij toch niet trouwen, en het viel niet te ontkennen dat het jongelui’s leven hem in den laatsten tijd erg verveelde. In elk geval was hij er dan zeker van, dat hij een vrouw kreeg, die hem liefhad en die hem niet nam om zijn maatschappelijke positie, of om zijn geld, of wel om „getrouwd” te wezen, maar eenig en alleen om zijn persoon.
Natuurlijk had dit alles zich niet zoo ineens aan zijn geest opgedrongen, maar terwijl hij ’s morgens zijn koffie dronk, in alle kalmte, was het eene voor, het andere na bij hem opgekomen.
Hij droeg nu reeds een paar jaren zijn liefde zonder resultaat met zich om en was er aan gewoon geraakt het object te zien zonder het te kunnen grijpen.