Part 7
„Je houdt je als danser uitstekend,” zei ze met een van die zonderlinge glimlachjes, die hij nooit thuis wist te brengen.
„’t Is een compliment,—maar betrekkelijk.”
„Men moet met weinig tevreden zijn.”
„Tevreden? Zoo ik het al niet ben, doe ik toch mijn best het te schijnen.”
„Als je het niet bent, à qui la faute?”
„Wees niet hard voor me, Lou... mevrouw!”
„Och, hoe flauw!”
Zij lachte en keek hem aan.
„Dat is nu zoo’n echte advocaten-aardigheid. Je versprak je volstrekt niet, toen je Louise tegen me wilde zeggen.”
„Mag ik?”
„Hm.... Soms.”
„Mag ik nu?”
„Neen, zeker niet. Foei, meneer Fournier!”
„Maar zeg me dan toch, wanneer ik wèl mag. Begrijp je dan niet, welk een tantalisatie ’t voor me is?”
Ditmaal lachte zij niet, en keek voor zich, met iets in haar ondoorgrondelijk wezen, dat herinnerde aan Hortense in de polonaise.
„Ik heb je gezegd,” zei ze zacht, „dat je tevreden moet wezen. Je bent immers de eenige niet?”
Zacht drukte hij haar arm tegen zich aan en ze wandelden zwijgend door de zaal, tot zij weder vond dat het zaak was, den dans voort te zetten.
Slechts één had iets vermoed van den aard van het gesprek. Hortense had naar Fournier gekeken; naar wie zou ze anders kijken? ’t Was geweest of er een dolk in haar hart werd gestoken; zij was zoo bleek geworden als de dood, en met het intuïtie-vermogen der liefde had ze ineens begrepen.
De vreugde en opgewektheid van Hortense waren verkeerd in doffe treurigheid. Zij kon niet twijfelen, en ze durfde niet gelooven.
„Amuseer je je nogal, Stance?” vroeg onverwacht haar vader, die haar later, zoo onbeweeglijk als een beeld, zag zitten op een der divans in de breede passage tusschen de binnen- en de achtergalerij.
Ze schrikte er van.
„Het gaat nogal,” antwoordde ze werktuiglijk.
„Je zit daar zoo geïsoleerd!”
„Ik heb ’n beetje hoofdpijn,” zei ze met een droevig lachje.
’t Was niet waar, maar ze moest toch iets zeggen.
„Kom, kom! zulke jonge meisjes moeten op een partij haar hoofdpijn maar vergeten.”
„’t Is gemakkelijker gezegd dan gedaan.”
Hij kon ’t gesprek niet langer voortzetten met zijn dochter, want een der dansers kwam haar afhalen.
Toen wandelde hij verder op naar Louise.
Hij zat achter zijn partijtje te maken, en kwam slechts welstaanshalve even naar zijn dames kijken.
Het was dezelfde stereotype vraag.
„Amuseer je je nogal?”
Maar het antwoord verschilde.
„Uitstekend! Ik heb in lang zoo’n geanimeerde partij niet bijgewoond.”
„Komaan, dat doet me genoegen.”
Van Velton vervolgde zijn tocht, sprak met enkele dames, die hij dien avond nog niet had gezien, en blies zoo spoedig hij kon den aftocht naar zijn hombertafeltje.
Al dansende verloor Hortense haar stiefmoeder en Fournier niet uit het oog. Zij zag hoe hij, dadelijk nadat haar vader was weggegaan, de plaats van mevrouw Van Velton naderde en met haar ging staan praten. Zij zag Louise opstaan, hem den arm geven en naar de achtergalerij gaan, waar het buffet was. Ze had alles willen geven om hen na te gaan.
„Zullen we niet even wandelen?” vroeg ze haar danser.
„Met genoegen,” zei hij, ofschoon hij het jammer vond, want de dans was nauwelijks aan den gang.
„Ik zou heel graag een glas ijswater hebben.”
De galante cavalier wilde heenvliegen om het te halen, maar Hortense gaf er de voorkeur aan het aan ’t buffet te gaan gebruiken.
Juist toen ze daar kwam, zag ze Fournier en Louise op het schabelletje staan. Haar wenkbrauwen trokken saam en haar lippen klemden zich stijf opeen. Ze had die vrouw kunnen vermoorden! Niet alleen dat ze haar het vaderlijk tehuis had bedorven en haar geldelijk had benadeeld, maar ze ontstal haar nu den jongen man, op wien ze al haar hoop en liefde had gevestigd. In gesprek met haar cavalier en eenigszins verscholen achter een der pilaren, zag ze, o schande! dat Fournier haar stiefmoeder wederom den arm bood en langzaam in druk gesprek met haar de treden, die naar den tuin voerden, afging.
Niemand dan zij lette er op. Trouwens, het was bij het voortdurend va-et-vient dien avond al zoo dikwijls gebeurd, dat er paren zich een weinig gingen verfrisschen in de koelere atmosfeer van den op het achtererf aangelegden tuin.
„Herinnert ge u den avond?” vroeg Fournier haast fluisterend.
Zij zuchtte diep.
„Och praat er niet over. Gedane dingen nemen geen keer.”
„Waarom heb je me toen zoo bits afgewezen, Louise? Waarom heb je mij verworpen om naderhand te trouwen met hem?”
„Ik weet het niet. Praat er niet langer over. Ik was gek, Gérard.”
„Je bent zelf niet gelukkig. En hoe heb je mij het leven voor altijd verbitterd!”
„Moet je het me nog verwijten? Ben ik niet gelukkig? Groote God, je kiest wel zachte woorden.”
De sterren schitterden aan de strakke lucht, maar in den tuin was het zeer donker, en zij waren de eenigen, die er wandelden.
„Ik wist het,” zei hij. „Ik zou, als ik je gelukkig had gezien, in mijn lot berust hebben. Nu kan ik het niet, Louise.”
„Er is niets aan te doen.”
„Laat me dan ten minste één oogenblik geluk smaken,” zei hij op gedempten toon, maar zóó hartstochtelijk, als zij nooit had gedacht, dat hij wezen kon. Hij sloeg zijn arm om haar heen en kuste haar herhaaldelijk. Zij verzette zich niet. Zij liet het toe. Het was alsof een zoete bedwelming over haar kwam; een betoovering, waaraan zij geen weerstand kon bieden. In zijn armen en tegen hem aangeleund, gaf ze hem zijn kussen terug, tot plotseling een vreeselijke angst haar overviel. Zij wist niet hoe het kwam, maar een overstelpend gevoel van afgrijzen en vrees maakte zich van haar meester, en met een kracht, die hij nooit had vermoed, zette zij haar beide geganteerde handjes tegen zijn borst en stiet hem terug, zoodat hij haast omvertuimelde.
Snel nam ze toen zijn arm en trok hem als ’t ware voort naar het huis.
„Louise....” zij hij verward en geheel onder den invloed.
„Zwijg!” antwoordde zij bits.
Het waren alleen de oogen van Hortense, die hen bespiedden, toen ze terugkeerden. Het meisje zag de vuurroode kleur van Fournier’s gelaat. Op het donkere ondoorgrondelijke masque van haar stiefmoeder kon ze niets bijzonders hoegenaamd bespeuren.
Bij het huiswaarts rijden in den landauer sprak Hortense geen woord. Na het gebeurde in den tuin, was Fournier bij haar gekomen om den dans, waarop hij aanspraak had. Zij had hem afgewezen.
„Scheelt u iets?” vroeg hij met belangstelling.
„Ja,” zei ze kortaf.
„Ik hoop niet, dat het ernstig is?”
„Och neen, het is niets.”
Wat het was, vernam hij niet, en ’t kon hem eigenlijk minder schelen. Integendeel, hij was blij, dat hij van de verplichting met haar te dansen ontslagen was. Hij gevoelde er behoefte aan alleen te zijn, na die stormachtige scène, en kon zelf niet begrijpen, hoe hij daartoe gekomen was.
Louise was hem voor de zooveelste maal een raadselachtig, onbegrijpelijk wezen, waarvan hij de gevoelens en de bedoelingen niet begreep.
Een ding was hem thans volkomen helder: zij had hem lief. En die gedachte deed hem bij zichzelven glimlachen van gelukkige zelfvoldoening. ’t Was reeds één uur en hij kon gevoeglijk in alle stilte den aftocht blazen. ’t Was het beste, meende hij, wat hij doen kon.
In het rijtuig, dat de Van Veltons naar huis bracht, volgde ieder zijn eigen gedachtenloop; althans de dames, want Van Velton, die den heelen dag op ’t kantoor was geweest in de stad, dutte behaaglijk in.
„Heb je nogal pret gehad?” vroeg Louise, wie de stilzwijgendheid van Hortense opviel.
„Neen,” antwoordde het meisje zoo hard en brutaal, dat Van Velton er verschrikt door ontwaakte uit zijn sluimering.
„Hortense!” zei hij op berispenden toon, en in angst voor hetgeen er komen zou van den kant van zijn vrouw.
Maar er kwam niets.
Mevrouw Van Velton-Van der Linden beet met haar scherpe tandjes haar onderlip haast aan bloed, doch zij zweeg omdat zij begreep.
Dat meisje, verliefd op Fournier, had ze geheel vergeten, en dat meisje had meer gezien dan goed was. Het bleef slechts de vraag of het slechts een jaloezie was op losse gronden, dan wel of ze betoel had gezien.
Doch dàt was immers onmogelijk. Er was geen mensch in den tuin geweest, en bovendien had daar een duisternis geheerscht, die elke bespieding moest hebben belet.
Vruchteloos ging Louise na wat het wezen kon.
Thuis kuste Hortense haar vader goeden nacht en ging toen regelrecht naar haar kamer, zonder ook maar een blik te slaan op haar stiefmoeder.
Het werd Van Velton akelig te moede, toen hij dien strijdlust opmerkte. Wat moest daar nu weer uit groeien? Het ging nu alles een gemoedelijk gangetje. Louise en Hortense verdroegen elkaar totnogtoe boven verwachting goed, en hij was „lekker als kip” dat er zoo weinig ongenoegen en standjes voorkwamen in zijn huis. Daar moest zeker iets gebeurd zijn, dacht hij, tusschen die twee. In elk geval had Hortense ongelijk, en paste het haar niet zoo onbeleefd te wezen. Van Velton nam zich ernstig voor, zijn dochter den volgenden ochtend daarover eens à faire te nemen.
„Adieu! Wel te rusten,” zei hij tegen zijn vrouw en deed een paar schreden in de richting zijner kamer. Toen hield hij stil en aarzelde: „.... je moet het haar maar niet te zwaar aanrekenen,” ging hij voort: „ik zal haar wel onderhouden over haar gedrag.”
Onverschillig haalde zij de schouders op.
„Maak je er niet druk over; het is niets.”
Haar onverschilligheid was geveinsd. Inwendig was ze zeer ongerust. Haar geweten verweet haar niets. De levenswijze kennende van haar man, achtte zij zich volkomen gerechtigd tot elke buitensporigheid. Maar haar trots kwam er tegen op, dat zij, zij, Louise Van der Linden, ook al zou gerekend worden onder de dames, wier rijtuig men met den vinger nawees. Daarvoor was ze zoo bang als de dood, en de gedachte dááraan, de vrees voor een vlekje in de oogen van wien ook op haar zoo vlekkelooze reputatie, deed haar het angstzweet op het voorhoofd parelen.
Ze zou niet kunnen slapen. Haar kind lei rustig in zijn bedje,—ze keek er niet naar om. Verbeeldt je, dat die Hortense het toch eens had gezien! Gezien, dat zij, mevrouw Van Velton-Van der Linden, in de armen lag van Fournier en hem kuste!
Voor een oogenblik keerde een zweem terug van de bekoring, die haar te machtig was geweest. Haar trekken ontspanden zich; de uitdrukking harer oogen werd zacht en liefelijk; de hoeken van haar fijnbesneden mond trilden onder een opkomenden glimlach. Het duurde maar een oogenblik. Toen nam het onaangename gevoel van vrees voor ontdekking, nu reeds na het begin van den eersten stap, de overhand.
En tevens drong zich meer en meer de overtuiging aan haar op, dat ze zekerheid moest hebben. Het kon zóó niet gaan. Zij kon zich niet laten afsnauwen en beleedigen door de dochter haars mans, zonder dat ze zelf den moed had een woord terug te zeggen, uit vrees voor een onbekend gevaar. Alles liever, dan dat!
Driftig ontkleedde zij zich, terwijl zij de meid, die haar wilde helpen, met een paar leelijke Maleische woorden verschrikt naar de bijgebouwen deed vluchten.
Toen een der huisjongens de lichten uitgedraaid en de buitendeuren had gesloten; toen alles stil was in huis, verliet Louise, in sarong en kabaja, en op bloote voeten haar kamer, en sloop stil naar die van Hortense.
Zacht draaide zij de porseleinen kruk open, en trad zonder kloppen de kamer binnen. Zij deed het zoo vast en toch zoo behoedzaam, dat het in de stilte van den nacht geen geluid maakte.
Een oogenblik bleef ze onbeweeglijk staan met den deurknop in de hand.
Hortense had het niet gehoord.
Half ontkleed, met niets aan dan haar lijfje en een onderrok, zat ’t meisje voor haar toilet duchesse. Haar lange, blonde haren hingen in wanorde half over de rugleuning van den stoel, half over haar schouders. Zij keek naar haar handen, die gevouwen lagen op het marmeren blad, en de uitdrukking van haar eenvoudig gezicht was zóó wanhopig bedroefd, dat Louise er van versteld stond.
Zoo bespiedde zij Hortense eenige oogenblikken, en zij vond haar mooier dan zij ooit voorondersteld had dat ze wezen zou. Nooit, zoo lang Hortense daar woonde, was ze door haar stiefmoeder bezocht; nooit had deze haar stiefdochter anders gezien dan gekleed.
En dat meisje, dat er in haar Europeesch toilet meestal zoo hoekig en ongracieus uitzag, had in haar voordeel ce qu’on ne voit pas.
Niet alleen was ze lelieblank, maar er lag over haar fijne huid een gloed van teederheid, een lichte rose tint, die er een groote bekoorlijkheid aan gaf.
Met opzet deed Louise de deur hard dicht, zoodat Hortense verschrikt van haar stoel opstond en naar haar peignoir greep.
„Je hoeft niet te schrikken; ik ben het.”
Hortense staarde haar sprakeloos aan, met een uitdrukking van vrees op ’t gelaat. Wat kwam dat gehate schepsel zoo laat doen in haar kamer?
Al de afkeer, die de jaloezie bij haar had opgewekt, kwam boven.
„Ik begrijp niet, wat u hier doen komt.”
„Zoo,” zei mevrouw Van Velton, terwijl ze een stoel nam en ook bij de toilettafel ging zitten, „zoo, begrijp je dat niet?”
„Neen.”
„Je zult me anders wel willen toegeven dat ik het recht heb rekenschap te vragen van je meer dan onbeleefd gedrag tegen me, vanavond.”
„Neen, dat geef ik niet toe.”
„Waarom niet?”
„Dat is mijn zaak!”
„Pardon, dat is mijn zaak. Ik ben hier de vrouw des huizes, en ik verkies niet zoo bejegend te worden. Je papa....”
„Mijn papa!” viel Hortense haar luid in de rede, met een zoo smalende uitdrukking in haar stem, dat het Louise koud langs den rug liep. „Mijn papa is een....”
„Nu?”
Maar Hortense durfde niet. Zij zag de naderende uitbarsting van ontembare drift op het gelaat van Louise, en ze werd er bang voor.
„Ik wil er niet verder over spreken. Laat mij met rust. ’t Is het eenige, wat ik verzoek.”
„En ik zal aan dat verzoek niet voldoen, voordat ik weet hoe het komt, dat je vanavond tweemaal zoo onbeschoft tegen me bent geweest.”
Er volgde geen antwoord.
„Het baat niet, of je zwijgt. Als je het niet zegt, dan zeg ik het,” ging Louise toornig voort.
Zij had het plan gehad bedaard te blijven, maar die koele minachting was haar te sterk.
„Mal wicht!” voer ze uit: „je bent JALOERSCH!”
Zij had een sortie verwacht van Hortense, die ze wist, dat ook niet op haar mondje was gevallen, maar het meisje bleef hardnekkig zwijgen.
„Je moest je schamen, Hortense.”
Dat was te veel.
„Moest ik me schamen, ik? Ben ik niet vrij in mijn keus? Ben ik een getrouwde vrouw?”
„Zie je wel, dat ik gelijk had, dat je jaloersch bent? Als er reden voor was, als er werkelijk iets bestond tusschen Fournier en mij, dan zou zelfs ik me niet behoeven te schamen.”
Verbaasd en verschrikt keek Hortense haar aan.
„Je behoeft me zoo vreemd niet aan te staren. Nu het zoover is, dat je me van zulke dingen verdenkt, wil ik je iets anders zeggen; zoo slim ben je wel, om opgemerkt te hebben, dat er niets meer bestaat tusschen je papa en mij. Begrijp je daar de reden van?”
Hortense kon niet antwoorden; ’t was of haar een bal in de keel zat. Groote God, wat zou ze hooren? Wat zouden dat voor ongevraagde confidenties wezen?
Zij schudde met het hoofd van neen.
„Je papa heeft een liaison met een Europeesch meisje.”
„’t Is een leugen!” riep Hortense gloeiend van verontwaardiging.
„Ik spreek nooit onwaarheid. Het is, zooals ik je zeg. Was het een inlandsche meid, dan zou ik er met minachting de schouders over ophalen. Wat geeft men dààrom! Maar het is een Europeesch meisje, zoo blank als jij. Ik heb het zelf gezien.”
’t Was voor Hortense verschrikkelijk om aan te hooren, maar aan de waarheid twijfelde zij niet meer.
„Ik,” ging Louise voort, „heb mijzelve niets te verwijten. Fournier is nooit mijn amant geweest, en hij zal het nimmer worden; je moogt hem hebben, als je hem krijgen kunt. Ik wilde je dat alleen zeggen, opdat je weten zoudt, tegen wie je voortaan zulke dwaze airs zult kunnen aannemen. Verder wensch ik je wel te rusten.”
Even stil, als ze gekomen was, verdween ze.
In haar kamer dronk ze haastig een paar glazen water. Het had haar ontzettend veel gekost, maar ’t was zóó goed. Zij kon nu rustig slapen, en dat deed ze ook.
Van Velton vond het een aangename verrassing, dat ’s morgens aan het ontbijt de dreigende onweersbui, die den vorigen avond tusschen de dames hing, overgedreven bleek te zijn. Daarentegen bevreemdde het hem uitermate, dat Hortense hem nurksch en onaangenaam bejegende.
’t Meisje, dacht hij, had tinka’s en al verdroeg hij die in zijn jonge vrouw, over wie hij hoegenaamd niets te zeggen had, van zijn dochter, wier plicht het was hem met onderscheiding te bejegenen, wilde hij het niet verdragen.
Hortense had haar stiefmoeder geloofd. Och, ’t was ook heerlijk te denken, dat zij zich had vergist! Zij had het eene en dus ook het andere als waar aangenomen, en nu kon ze onmogelijk haar vader met goede oogen aanzien. Zij vond hem gemeen en slecht, en haar stiefmoeder mocht een lastig mensch wezen met een scherpe tong en vaak terugstootende manieren,—als jonge vrouw was ze dan toch nog veel te goed voor zoo’n ouden viveur. Geen zweem van een vermoeden was ooit bij haar opgekomen, dat zoo iets mogelijk was. Haar papa, die altijd zoo den mond vol had van fatsoen en decorum! ’t Was walgelijk!
Toen hij ’s middags uit de stad kwam, achtte Van Velton het oirbaar zijn dochter te laten roepen om haar onder vier oogen eens de les te lezen over baar wispelturig gedrag.
Hij prepareerde zich, trok een gelegenheidsgezicht, nam een pose aan bij zijn bureau-ministre, en keek met ’t hoofd een weinig achterover naar de deur, waardoor Hortense moest binnenkomen. Doch zijn eenigszins geveinsde boosheid ging in welgemeende over, toen zij binnentrad met haar koninklijke houding en een gezicht, vond hij, zoo brutaal als „de deur van ’t rasphuis.”
„Zeg eens,” zei hij driftig, „wat beteekent dat?”
„Wat?”
„Dat weet je heel goed. Je heele manier van doen is hoogst ongepast. Gisteravond heb je mevrouw Van Velton op een wijze bejegend, die....”
„Dat was een misverstand,” viel ze hem in de rede.
„.... En hedenochtend en nu weer permitteer je je tegenover mij....”
„Dat is geen misverstand.”
Voor de tweede maal was zij hem in de rede gevallen, en dat maakte hem woedend. Zou dan iedereen in huis hem op den kop zitten? Dat mocht de drommel! Zijn bedaardheid en vormelijkheid bezweken er onder; hij begon te schelden.
„Je bent een brutale feeks. Ik beloof je, dat ik maatregelen tegenover jou zal nemen. Van heden af kom je geen voet meer de deur uit.”
Zij zag hem met minachting aan.
„’t Was vrij wat beter, papa, als u maatregelen nam tegen uzelven.”
Van Velton ontstelde.
„Wat zeg je daar?”
„Ik zeg dat het beter was dat uzelf minder voeten buiten de deur zette.”
Een oogenblik zweeg hij stil. Zijn gezicht werd rood als vuur en zijn handen begonnen zenuwachtig te beven. Dreigend trad hij op haar toe.
„Je zult me zeggen, wat die praatjes te beduiden hebben,” riep hij op schorren toon.
„Het behoeft niet. Ik zie heel goed dat u me begrijpt. Wie zou ook zinspelingen op zulk een jammerlijk gedrag beter begrijpen dan u?”
„Hortense, je gaat te ver,” hijgde hij buiten zichzelven. „Je vergeet den eerbied, dien je me schuldig bent. Geen woord meer of ik ben in staat....”
Werktuiglijk hief hij de hand op. Al het decorum was verdwenen. Het laagje vernis was geheel weg.
De man uit het volk kwam er onder uit. Zooals hij daar stond, geleek hij niets op den kalmen, deftigen Van Velton, op den man van vormen en voornaam optreden, die hij was in de wereld.
Zij week geen stap terug; zij vreesde zijn toorn volstrekt niet.
Hij greep haar bij den arm, maar met een driftige beweging trok zij zich los.
„Je zult me zeggen wie je ten mijnen opzichte nonsens-praatjes op de mouw heeft gespeld.”
„Dat wil ik wel, maar praatjes zijn het niet; het is de waarheid, die ik vernomen heb van uw eigen vrouw.”
Een diepe zucht ontsnapte hem. Het was dus waar, wat hij reeds lang vermoedde: Louise wist er alles van!
„Ga naar je kamer” zei hij ruw.
„Het was beter geweest als u me daar had gelaten.”
Hortense verliet het vertrek met dezelfde houding, waarmee ze was binnengetreden, terwijl haar vader opgewonden aan zijn bureau ging zitten en zijn woede koelde door de onschuldige paperassen van den eenen kant naar den anderen te smijten.
Het was, vond hij, schandelijk van zijn vrouw, om over zulke zaken te spreken met zijn dochter. Indien ze hem zelf met verwijten had overstelpt, dan zou hij het natuurlijk gevonden en verdragen hebben; maar het meisje er in te halen, dat was archi-gemeen; dat was weer echt Indisch!
Toch bekroop hem geen oogenblik de lust om Louise daarover te gaan „onderhouden”; hij had meer dan genoeg van dat eene onderhoud en verlangde volstrekt niet naar een ander, dat voor hem waarschijnlijk nog minder roemvol zou afloopen.
Maar gemeen was het, dat stond bij hem vast, en hij vond nu op zijn beurt, dat hij alle reden had om zich ten zeerste verongelijkt te achten.
In plaats van zich naar haar kamer te begeven, zooals haar vader had gelast, ging Hortense, wier zenuwen zeer geschokt waren, hoewel ze zich kalm had gehouden, regelrecht naar haar stiefmoeder, en vertelde haar met bevende lippen wat er was voorgevallen.
Mevrouw Van Velton zat haar verbaasd aan te kijken. Dat Hortense geen lammeren-natuur had, wist ze bij ondervinding, maar ze had haar niet in staat geacht om haar vader zulk een scène te maken.
Zelf van een heftigen aard, genoot zij in stilte van het verhaal, en liet nog eens woordelijk herhalen wat „hij” had gezegd en wat „zij.”
„Maak je maar niet ongerust,” zei ze kalmeerend, toen ze er genoeg van gehoord had: „je papa zal je niet opeten. Ik ben er ook nog.”
Een half uur lang zat ze met de hand aan het voorhoofd en den elleboog op tafel, toen ’t meisje weg was naar haar kamer.
Wederom had ze een besluit genomen. Neen, zij wilde niet ondergaan in den strijd; zij wilde en zou niet. Zij was dien dag weer bijzonder lief geweest voor haar jongske, dat in den laatsten tijd waarlijk geen overvloedige bewijzen van moederlijke liefde had genoten en meer genoegen beleefde van zijn baboe, dan van zijn maatje.
Maar dien dag had ze weer haar toevlucht gezocht tot haar kind, dat ze voortdurend bij zich had gehouden, waar ze ook ging of stond. Het was haar eenig wapen en haar schild. Zij stond overigens moederziel alleen in den strijd tegen haar oude liefde, die, door er aan toe te geven, in den laatsten tijd zulk een hartstochtelijk karakter had gekregen, dat ze er voor terugschrikte. Toen ze dien bewusten avond een oogenblik van onberadenheid had, en plotseling daartegen in verzet was gekomen, kwam dat vooral door een geluid, dat haar had herinnerd aan haar kind. Wat het geweest was wist ze niet en ze had ook niet getracht het te weten te komen; maar niet geheel vrij van bijgeloof, had het haar met een angst en schrik geslagen, waartegen niets bestand was.
Aan het diner verscheen Hortense niet. Alleen Van Velton kwam. Hij zag er zeer ontstemd uit, verschoof zijn stoel driftiger dan hij ooit deed, en sprak geen woord.
„Waar is Hortense?” vroeg mevrouw Van Velton.
„In haar kamer, denk ik,” gaf hij norsch en kortaf ten antwoord.
„Je kunt wel fatsoenlijker antwoorden, als ik je wat vraag.”
De moed zonk hem in de schoenen. Hij was feitelijk vreeselijk bang voor dat kleine mondje, dat zoo reusachtig groot was als het openging.
„Nu.... nu....” stotterde hij zoowat.
„Pangil nonna!” gelastte zij een bediende.
De Maleier wilde nog iets tegenzeggen; waarschijnlijk had Hortense hem gezegd, dat ze niet aan tafel kwam.
„Bilang sama nonna goewa pangil!” herhaalde ze op den korten commando-toon, die bij het personeel bekend was.
Een oogenblik later verscheen Hortense met roode oogen. Haar zenuwen hadden nagewerkt, en dan: zulke onzedelijke dingen deden haar, die in Holland in een stijven aartsfatsoenlijken kring was opgevoed, allertreurigst aan.
„Kom, Stance,” zei Louise allervriendelijkst,—’t was de eerste maal, dat ze haar bij den verhuiselijkten doopnaam noemde: „de soep wordt koud.”