L. Van Velton-Van der Linden

Part 6

Chapter 64,130 wordsPublic domain

Daar lag het plan in duigen! Zooveel koele onverschilligheid kon niet gehuicheld wezen. Dat was onmogeljjk. Er stak iets achter. Zou Louise misschien van de gelegenheid gebruik willen maken?.... Had ze wellicht zelf iets op haar geweten, en vond ze nu een geschikte gelegenheid om.... Christien Donker dacht niet verder na. Welzeker, dat moest het wezen.

„Waarom komt u hier?” vroeg ze.

„De eerste vraag is, geloof ik, aan mij. Waarom hebt u me dien brief geschreven?”

„Daar laat ik me niet over uit.”

Waarom zou ze het zeggen, nu het toch mislukt was?

„Goed, het kan mij ook niet schelen.”

„Nu, wat is uw antwoord? Als het u zoo onverschillig is; als niets u iets kan schelen, wat doet u dan hier in mijn huis....”

„Bij manier van spreken.”

„Wat bedoelt u daarmee?”

„Och niets,” zei Louise. Ze keek eens rond en meenend dat Van Velton de huishuur en ’t meubilair betaalde, was haar dat „bij manier van spreken” ontsnapt. Ze voelde overigens weinig lust om met zoo’n wijf in noodeloozen woordentwist te treden.

„Ik heb u een verzoek te doen.”

„Een verzoek?”

„Zeker. Dat u me geschreven hebt, kunt u niet ontkennen, ’t Bewijs ligt in uw briefje van hedenochtend, ’t Is dus heel natuurlijk dat ik van uw vriendelijke waarschuwing gebruik maak.”

„Beschouw ’t maar als een vergissing.”

„Toch niet. Ik wenschte dat u nog een stap verder ging en mij in de gelegenheid stelde TE ZIEN.”

„Zoo! Heb je betere bewijzen noodig? Hm! Ik geloof dat ik het begrijp.”

„Dat geloof ik niet.”

„Zal ik het u maar ronduit zeggen?”

„’t Is onnoodig. Ik zie aan uw gezicht wat u bedoelt. Het schijnt dat ge u dikwijls vergist in de menschen.—Niets is minder waar dan dàt, en niets zal ooit minder waar kunnen zijn.”

Al de beleedigde trots der fatsoenlijke vrouw sprak uit haar stem, haar trekken. Het was zóó onmiskenbaar, dat zelfs Christien Donker er door in verwarring raakte.

Het was voor deze laatste een zeer gek geval. Weigeren was minder gemakkelijk dan het scheen, en van toestemmen zag zij het nut niet in.

Wie weet of zij er niet meer uit zou krijgen, als ze zich bereid verklaarde om aan het verzoek te voldoen.

„Nu,” zei ze, „het is onnoodig zoo’n hooge borst te zetten. U zoudt de eerste niet zijn en de laatste evenmin.”

Louise verwaardigde zich niet er op te antwoorden.

„Als u zoo gaarne ’t genoegen wilt smaken van zelf te zien, hoeveel meneer Van Velton van u houdt, dan wil ik u wel in de gelegenheid stellen. Kom a. s. Zaterdag.”

„Dan gaat meneer Van Velton zijn partijtje maken.”

„Jawel, dat weten we! Nu maar, kom Zaterdag gerust hier, dan kunt ge hem zien.”

„Hoe laat?”

„Tegen tien uren.”

„Ik dank u.”

„U behoeft me niet te danken. Ik ben nu eenmaal zoo gek geweest om u te schrijven, en nu ik in het schuitje zit, dien ik wel mee te varen.”

„Ik wensch u goeden avond.”

„Dag!” zei Christien Donker kortaf.

En ze was gekomen, en ze had gezien wat haar nominale echtgenoot bedoelde, als hij Zaterdagsavonds met eenige vrienden een partijtje ging maken.

Van Velton was in het onzekere gebleven, want op haar volgende tochten had Louise, instinctmatig voorzichtig, een huurrijtuig gebruikt. De eerste dagen was hij een beetje bevreesd geweest, maar hij had het zich, zooals men ’t noemt, ontgeven, en des Zaterdags toen zij hem bespied had, was hij zijn partijtje gaan maken met een gerust geweten.

Het ging alles den horizon van Christien Donker te boven. Zij begreep er alleen van, dat, zoo haar plan was geweest zich door middel van Lientje te wreken op de wettige dochter van Van der Linden, dit volkomen was mislukt.

Men hoorde van niets hoegenaamd.

Van geen schandaal, van geen scheiding.

Zij had ook de bedienden van Van Velton uitgehoord, maar die wisten blijkbaar van niets. Er kwam nooit een heer bij de njonja, nooit! Zoo ’s morgens een paar getrouwde dames uit de buurt, maar dàt was ook alles.

Gaarne had zij zich nu gewroken op Van Velton, dien zij in haar straattaal steeds vereerde met den bijnaam van „het oude varken”, maar er begon zich voor haar een macht te ontwikkelen; ’t was het geld dat Van Velton gaf.

Niet dat zij het noodig had,—aan wezenlijk, dadelijk realiseerbaar eigen kapitaal, bezat ze misschien meer dan hij.

Maar hij kon in een maand meer uitgeven dan zij in een half jaar, zonder dat er sprake was van zijn kapitaal. Van hetgeen hij gaf, konden zij en Lientje leven, en zoo hield Christien, die liefde koesterde voor ’t geld, dat thans haar eenige genegenheid was, zich liever met Van Velton op een goeden voet.

In die phase was Hortense uit Europa gekomen.

Zij was alreeds een paar dagen thuis, en er begon een pijnlijke spanning te heerschen.

’t Meisje moest toch uitgaan, moest in families gebracht worden.

Reeds had menig handelsvriend gezegd dat hij gehoord had, dat zijn dochter was uitgekomen, en gevraagd wanneer men ’t genoegen zou hebben haar eens te zien.

Van Velton had ontwijkende antwoorden gegeven: vermoeid van de reis; nog niet op haar gemak; een beetje koortsig,—allemaal noodleugentjes, want Hortense was volmaakt wel,—maar nu moest er na een week toch een eind aan komen.

„Hm!.... Louise....” begon hij op een ochtend.

„Wel, wat wou je?” was het onvriendelijk bescheid.

„Het betreft Hortense. Ze kan niet.... hier in huis blijven zitten.... ze moet voorgesteld worden.”

„Ja, dat vind ik ook.”

„Als je er dus niets tegen hebt....”

Zij ging vlak voor hem staan en keek hem zoo recht in de oogen, dat hij, niet wetend wat daar volgen zou, zich minder op zijn gemak begon te gevoelen.

„Het verwondert me,” zei ze, „dat je zoo kortzichtig bent. Wij moeten Hortense niet alleen in de wereld brengen om harentwil, maar wij, ieder voor zich, zijn dat aan de wereld verplicht. Heb ik me aan die verplichting ooit onttrokken?”

„Volstrekt niet....”

„Dat ik je niet lijden mag, ja in den laatsten tijd een hekel aan je heb, is iets waarvan ik onder ons geen geheim maak.”

„Dankje voor de openhartigheid.... ’t Is heel vleiend....”

„Wees niet jezuïtisch Van Velton. Het is geen nieuws voor je, en ’t kan je ook niet schelen. Dat weet ik.”

Hij hoorde den klemtoon wel, maar vond het geraden Oost-Indisch doof te wezen. ’t Voornaamste was in orde, en voor het oogenblik kon men de rest laten rusten.

„Nu,” zei hij vergoelijkend, „laat ons niet twisten. Het spijt me dat ik je verkeerd heb begrepen, en ik maak er wel mijn excusen over. Het is dus afgesproken dat we met Stance visites zullen maken?”

„Ja.”

„Zal ik een lijstje opstellen?”

„Och neen! Als ik iets doe, stel ik het zelf vast. Ik zal ’n lijstje maken.”

„O uitstekend.... het is niet.... Ik dacht niet dat je het gaarne deedt.”

Zij haalde de schouders op en ging heen. Hoe had ze toch in godsnaam ooit er in kunnen toestemmen een man te trouwen, die zou afschuwelijk bête kon zijn. Dat hij slecht was,—ze wist niet beter of dat waren zoowat alle mannen. Haar eigen vader, immers! Maar dat hij zoo’n mal figuur kon maken, vond ze onuitstaanbaar.

Hortense vernam het nieuws met Gleichgültigkeit. Ze kleedde zich tegen halfzeven en liep tegen zeven uren slecht gekapt, maar met een houding als een koningin, de galerij op en neer.

Van Velton zag het, en het hinderde hem.

Dat was nu een meisje, dat een Europeesche opvoeding had genoten! Ze wist zich nog niet te kleeden!

„Je coiffure is niet bijzonder geslaagd, kindlief,” zei hij, haar hoofd door zijn lorgnet beschouwend.

„Och, ’t gaat nogal. Ik zal morgenavond een kapper laten komen.”

„Wel ja, doe dat.”

Toen Louise uit haar kamer kwam, trof het hem hoe onberispelijk zij er in alle opzichten uit zag.

Gaarne had hij haar een compliment gemaakt, doch niet wetende hoe zij het zou opnemen, onthield hij zich wijselijk.

Slechts enkele huizen van het hunne reed het rijtuig weer binnen; men was zoowat begonnen met de naaste buren.

In het rijtuig kneep mevrouw Van Velton-Van der Linden de lippen stijf opeen, en toen zij er uit werd geholpen, moest ze zich geweld aandoen om niet te beven.

Men kwam binnen; Hortense werd voorgesteld aan de familie, en nog werd haar een bezoeker gepresenteerd: Mr. G. Fournier, advocaat.

Van Velton was in zijn kracht. Bij vreemden gevoelde hij zich in den laatsten tijd veel grooter en gewichtiger, dan bij hem thuis.

Hier was hij de chef van een der machtigste huizen; de man die over tonnen beschikte, en die het wel en wee van velen in de hand hield. Hij mocht thuis weinig te vertellen hebben; hij mocht op een clandestiene wijze aan zekere neigingen voldoen,—in de kringen van Batavia kon hij zijn persoonlijkheid doen gelden. Daar was hij „meneer Van Velton” for ever; dáár vond men hem niet bête, maar gold, integendeel, zijn oordeel als een orakel; dáár kreeg hij zijn woordenrijkdom terug en zijn sang froid.

Fournier vond de ontmoeting zeer onaangenaam.

Hij begon zich nu juist zoo ’n beetje heen te zetten over het zeer reëel verdriet, dat hij had gehad, toen Louise weder eens met hem had gespeeld als de kat met de muis, en ze hem eerst tot haar had getrokken en hem daarna, door een terughoudendheid, die aan onbeleefdheid grensde, had terug-gestooten.

Daarom besloot hij zich aan niets te wagen, en, voor zoover de wellevendheid ’t toeliet, zich van elk gesprek met haar te onthouden.

De beste afleiding was Hortense.

„Hebt u veel genoten van Europa?” vroeg hij haar.

„Och neen! ’s Zomers was het nogal aardig, maar zoodra de herfst kwam werd ik ziek.”

„U kon niet tegen de kou?”

„Volstrekt niet. Ik voel me hier in Indië veel beter.”

„Hoe is ’t mogelijk! ’t Is bij de meeste menschen juist andersom.”

„Ja, dat is zoo. Als we weer naar Europa gaan, zal ik ’s winters in ’t zuiden van Frankrijk vertoeven.”

„Hebt u nog gereisd?”

„We zijn in Italië geweest,—te Venetië, te Rome, te Milaan.”

Hij hield haar aan den praat over Europa, en zij vond het aardig, naar het scheen. Dat ze hem niet altijd kon volgen, was duidelijk, en het ontbrak haar ook aan dien grooten tact van converseeren, waarin Louise, als ze wilde, uitmuntte,—maar niettemin vlotte het gesprek, nu en dan onderbroken door de familie, die men bezocht, doch dan telkens weer door Fournier met ijver hervat.

Het hinderde Louise geweldig; ze kon het niet langer uithouden.

„En we zien u zoo in ’t geheel niet meer, meneer Fournier,” zei ze plotseling op haar liefsten, meest melodieuzen toon.

„Mevrouw....” zei hij eenigszins stamelend. „Ik ga weinig uit. Het is voor ons een drukke tijd, en u weet: werken is zalig.”

„Vooral, wanneer de finantiëele resultaten zoo goed zijn, als bij de heeren advocaten, wanneer ze het druk hebben,” mengde zich Van Velton in het gesprek.

„Wel,” antwoordde Fournier op denzelfden toon, „dat is bij ons nog slechts kinderspel, vergeleken bij den groothandel. Maar dat bedoelde ik niet zoozeer. Arbeid geeft verstrooiing.”

„Er wordt hier in Indië over het algemeen veel gewerkt,” meende de heer des huizes. „Vrij wat meer dan in Europa.”

’t Gesprek ging in die algemeene, banale richting door. Men sprak over de warmte, de huizen, de koorts en al wat verder tot de ingrediënten behoort van een gewoon Indisch discours, tot het tegen acht uren liep en de Van Veltons opstonden om huiswaarts te gaan.

Louise reikte Fournier de hand, en toen hij de drukking voelde van haar vingers, was het hem vreemd te moede.

„Zien we u eens gauw?” vroeg ze.

Hij had bij zichzelven gezworen er nooit weer aan huis te komen.

„Ik hoop spoedig ’t genoegen te hebben,” zei hij.

Aan tafel maakte Hortense de opmerking, dat als alle heeren in Indië waren, zooals die jonge advocaat, ze in den omgang draaglijk genoeg waren.

„Zij zijn niet allen zóó,” antwoordde haar stiefmoeder kortaf.

„Neen, zeker niet,” stemde Van Velton toe. „Hij is een beschaafd en ontwikkeld man. Het doet me genoegen, dat je hem hebt gevraagd, ons nu en dan eens te bezoeken.”

„Wel, mij ook,” erkende Hortense openhartig.

Louise at zwijgend voort; zij wilde dàt gesprek niet voortzetten.

Reeds drie maanden kwam Hortense in de wereld, en die viel haar niet tegen. Ze was er op vooruitgegaan. De omgang met Indische jonge dames uit den ontwikkelden stand had althans ’t voorrecht gehad, dat zekere onbevallige stijfheid uit haar manieren was verdwenen.

Fournier kwam er veel aan huis tegenwoordig.

Hij had aan de invitatie van Louise voldaan, en zij was zeer vriendelijk geweest. Maar nog vriendelijker was Hortense.

De ondervinding had haar reeds zóóveel geleerd, dat volstrekt niet alle heeren in Indië waren als hij. Integendeel, zij vond dat hij ver boven allen uitmuntte.

Ze stak dat onder stoelen noch banken, en daar men er thuis juist zoo over dacht als zij, viel het niet in ’t oog.

Maar op een avond ging Louise een licht op. Hortense was verliefd! Verliefd op Fournier! Met gesloten lippen, en ’t gezicht half achter haar waaier verscholen, zat ze in een wipstoel heen en weer te schommelen, terwijl Hortense een fraai, nieuw plaatwerk, dat Van Velton dien dag had meegebracht, aan Fournier liet zien.

Zij bespiedde het gezicht van ’t meisje; zij las in haar trekken; zij zag in haar oogen,—daar was geen twijfelen aan: dàt was het, en die uitdrukking gaf het ordinaire gezichtje van Hortense een bijzondere schoonheid.

„Hortense,” zei mevrouw Van Velton—Van der Linden, toen het bezoek weg was en ’t meisje naar bed wilde gaan, „kom je even in mijn kamer?”

’t Was verbazend, en ook Van Velton wist niet, wat hij hoorde. Sedert Hortense uit Europa was, had ze dat gedeelte van het huis niet meer dan ééns betreden, en Van Velton wist in het geheel niet meer, hoe de kamers van zijn vrouw er uit zagen.

„Ik wou je alleen maar zeggen,” zei Louise op drogen, koelen toon, „dat je ’n beetje voorzichtiger moet wezen.”

„Voorzichtig? Hoe zoo?”

„In je wijze van spreken en in je houding tegenover heeren.”

„Mevrouw!” riep ’t meisje rood van toorn en met de groote airs, die ze van haar vader had geërfd.

„Je behoeft je niet op te winden, kind. Het is een goede raad, dien ik je geef en dien ik me verplicht zie je te geven.”

„Ik begrijp niet....”

„Het is sedert je hier bent de eerste maal, dat ik me die vrijheid veroorloof. Ik doe het niet voor mijn genoegen.”

„Maar wat meent u dan toch?”

„Het schijnt dat je minder vatbaar bent om te verstaan, dan om te kennen te geven.”

Hortense begreep zeer goed, want zij gevoelde zich niet vrij van schuld; reeds vóór eenigen tijd wist ze, dat Fournier een plaats in haar leven had ingenomen, die totnogtoe geheel onbezet was geweest. Toch kon ze dat niet zeggen, en ze deed wat haar vrouwelijk instinct haar ingaf: zij hield zich van den domme.

Zij haalde met een onverschillig gezicht de schouders op en zei:

„Als u niet anders dan in raadsels verkiest te spreken, mevrouw, zal ik maar naar mijn kamer gaan, want ik heb te veel slaap om ze op te lossen.”

„Het is jammer, dat meneer Fournier niet nog wat is gebleven; dat zou je wakker hebben gehouden. Geloof me, kind,” ging Louise voort op een toon, dien ze wist dat Hortense meer hinderde, dan de scherpste hatelijkheid: „geloof me, het is van een meisje zeer verkeerd ’n jongmensch het hof te maken.”

„’n Jong mensch?” vroeg Hortense met een nijdig lachje: „zou het niet erger zijn een bejaarden man ’t hof te maken?”

„Je praat onzin, kind. En dat staat je te leelijker, omdat je weet, dat je onzin praat. Iedereen ziet wel graag, dat een meisje ’n beetje coquetteert, als ze ten minste den tact heeft het gracieus en met bevalligheid te doen. De plompe manier, waarop je Fournier te verstaan schijnt te willen geven, dat je slechts wacht op het eerste sein om je aan zijn voeten te werpen,—geloof me, kind, die is niet alleen ganjesachtig, ’t is ongepast.”

Hortense liep kwaad weg. Ze was, wat men noemt bij de hand genoeg, maar tegen zooveel venijnigheid en koude minachting was ze niet opgewassen. Wat in ’s hemels naam kon dat mensch toch bewegen zoo ondeugend en zoo kwetsend te zijn? Wat had ze daar een beeld geschetst van haar, Hortense, de ongenaakbare Hortense Van Velton met de vorstelijke houding!

In haar kamer huilde ze. Nu ja, het was waar: ze was verliefd op Fournier. Maar wat ging het dat mensch aan en waarom moest ze haar dáárom zoo grieven?

Voor Louise was het duidelijk, dat zij zich niet had vergist. Die Hortense, dat schaap, permitteerde zich.... Het was meer dan bespottelijk!

Zij had zich kalm gehouden tegenover dat meisje, omdat haar positie en haar waardigheid dat eischten, doch nu zij alleen was, vierde zij haar toorn en verontwaardiging den teugel.

Doch zij was te zeer een Indisch meisje uit den fatsoenlijken stand om dat te doen met levendigheid en op demonstratieve wijze.

Als een beeld zat ze op haar stoel en keek strak voor zich uit. Maar een storm woedde in haar binnenste. Zij had in den laatsten tijd toegegeven aan haar liefde voor Fournier. Als Hortense zich niet zoo druk had gemaakt om hem,—wel zij zou de kracht gehad hebben, meende ze, over haar gevoel haar verstand te doen zegevieren. Maar die liefheid van ’t meisje tegen hem, en die oplettendheden en die vriendelijkheid van hem tegen Hortense.... Nu, als het zoo zijn moest, dan zou het ook zoo wezen! Als die verwenschte Van Veltons haar in alles den voet dwars wilden zetten, moesten ze maar hebben wat er opstond. Zij gaf er den brui van langer zulk een leven te leiden; zij zou doen als zooveel anderen deden, die niettemin overal geëerd en gevierd werden, en voor wie niemand de deur sloot of den neus optrok, al wist ook de halve wereld dat ze meermalen een loopje hadden genomen met ’t geen ze den ambtenaar van den burgerlijken stand hadden beloofd.

De baboe stoorde haar. Er waren jurkjes thuis gekomen voor het kind. Zij snauwde de meid af, zooals Indische dames dat kunnen. Dat gezanik ook!

En er zou een feest wezen. Heel goed! Zij zou er heen gaan, en dat houten schepsel, die asperge, zooals zij in gedachten haar stiefdochter betitelde,—die ging ook mee. Nu, men zou eens zien! Zij, Louise Van der Linden,—’t Van Velton vergat ze!—zou eens werk maken van Fournier; op haar manier, op de Indische, speciaal de Bataviasche manier, dat is te zeggen onweerstaanbaar en toch zóó, dat de domme totoks er niets van snapten. Zij zou dat wicht dood tergen. Fournier behoorde haar, en al had ze van hem vrijwillig afstand willen doen,—nu daar een andere in het spel was, zou zij haar rechten doen gelden.

De avond van het feest volgde spoedig.

Vóór dien tijd was Louise bepaald vriendelijk geweest tegen Hortense, die er eerst niets van begreep, maar naderhand tot de meening kwam, dat haar jonge stiefmoeder berouw gevoelde over haar hardheid en onaangename bejegening.

Het meisje had ditmaal de uiterste zorg besteed aan haar toilet, en ofschoon het werkelijk fraai en keurig net mocht heeten, beving haar toch een gevoel van moedeloosheid, toen ze haar eigen beeld vergeleek bij dat van de vrouw haars vaders. Hoe fraai waren de lijnen van dat figuurtje! Overal dezelfde zachte ronding; geen hoeken en holten,—’t was alles even harmonisch en sierlijk.

Van Velton zag het ook en zuchtte.

Toch trokken, ondanks het verschil, beide dames de aandacht op het bal. De stiefmoeder, omdat zij het altijd deed,—de stiefdochter, omdat men van haar gereusseerd toilet eenigszins vreemd opkeek.

Wie kon vermoeden, dat beiden hun best zoo hadden gedaan met één en hetzelfde doel?

Slechts één der talrijke aanwezigen, en die één was Mr. Gérard Fournier.

Een groot jaar geleden nog slechts zou die wetenschap hem voldoende geweest zijn zoo niet om zich te verbergen, dan toch zeker om zich zooveel mogelijk op den achtergrond te houden, maar sedert hij in de praktijk was, was hij nogal veranderd. De dagelijksche omgang met een associé, die indertijd een echte viveur was, en nog, bij gelegenheid, zich niet onbetuigd liet, had grooten invloed op hem uitgeoefend.

Dat Louise hem aanmoedigde in den laatsten tijd, was hem zoo klaar als de dag; hoe hij casu quo zich daartegenover houden zou, wist hij niet precies; hij achtte het volstrekt niet onmogelijk, dat hij voor zijn oude liefde zijn beginselen overboord zou gooien.

En dat Hortense werk van hem maakte, deed hem glimlachen. Een goed meisje, een lief meisje, waarschijnlijk nog een hoogst onschuldig meisje, en zeer zeker een goede partij, maarrr.... Neen, dàt was onmogelijk.

Hij drong naar voren—want het was zeer vol—toen hij ’t rijtuig der Van Veltons bespeurde, en hielp de dames uitstijgen.

Een bejaard heer gaf den arm aan Louise, Fournier bracht Hortense binnen, die van vreugde hem wel had willen kussen.

Van Velton volgde, zooals een man volgt, bij zulke gelegenheden.

Ondanks de groote menigte gasten en ’t feit, dat de balzaal bijna te klein was voor de talrijke dansende paren, hield Fournier voortdurend de dames Van Velton in het oog.

Hij had reeds zijn dansen met haar besproken. Voor de polonaise had hij Hortense. Er was natuurlijk geen quaestie van dat een jong advocaat de polonaise zou wandelen met mevrouw Van Velton! Een der deftigsten en hoogstgeplaatsten uit de ambtelijke wereld had de jonge vrouw van den invloedrijken handelsvorst daartoe genoodigd.

Onder de jongelieden werden reeds commentaren gemaakt. Mr. Fournier had juffrouw Van Velton binnengebracht, en nu maakte hij de polonaise met haar,—daar moest natuurlijk een engagement van komen!

Hortense lette op de glimlachjes en de hoofdknikjes van de jonge dames, met wie ze reeds had kennis gemaakt en die haar op de wandeling door de zaal passeerden. Zij begreep volkomen, wat ze wilden zeggen. En ze ergerde er zich in het minst niet aan. Integendeel, ze vond het heerlijk.

„Het is een prachtig feest,” zei ze tegen Fournier. „Ik heb in Holland zulke schitterende partijen nooit bijgewoond.”

„Men heeft er anders in Holland ook den slag van partijen te organiseeren, die magnifique zijn.”

„Ik geloof het wel. Maar de familie, waar wij bij woonden, leefde stil.”

„Nu, dan moogt ge uw hart ophalen. Is uw boekje al vol?” Hij sprak tot haar met dat zeker sans gêne van den man, die weet, dat elk zijner woorden toch in de goede aarde valt van een hart vol liefde. Hij deed zijn best niet om geestig of piquant te wezen, gelijk vroeger met Louise Van der Linden.

„Er hebben mij meer dansers gevraagd dan er plaats was.”

„Goed dat ik mijn naam er al vroeger op heb ingevuld.”

„U hebt behalve de polonaise nog één wals.”

’t Was of er teleurstelling sprak uit die woorden en hij, gevoelloos en ondeugend als alle mannen, die een verovering maakten, zonder den minsten strijd, vroeg:

„Zou er nog niet een heel klein plaatsje meer voor me zijn?”

„Er is er geen. Waarom heb je het niet eer gevraagd?”

„Ik durfde niet onbescheiden zijn.”

Zij zei niets, maar keek voor zich. Och, het was teleurstelling, die nu op haar gezicht te lezen stond. Fournier behoefde er geen oogenblik langer aan te twijfelen.

Poor thing, dacht hij; ’t veinzen had ze zeker niet geleerd.

Ook van mevrouw Van Velton had hij twee dansen; ze had hem toen hij ’t vroeg, haar boekje gegeven met een onverschillig gezicht en het teruggenomen zonder het in te zien. Hij kende dat van haar. Vroeger zou het hem op een dwaalspoor gebracht hebben. Nu niet meer.

Toen hij haar afhaalde uit den chiquen dameskring, waarvan zij deel uitmaakte, wierp hij en passant een blik in een der groote spiegels. Welk een prachtige verschijning was ze toch! Hij bewonderde haar weer opnieuw, zooals hij het al honderden malen had gedaan; het fijn besneden profiel, de fraai gevormde mond met paarlwitte tanden, het rijke, golvende, blauwzwarte haar, dat haar ovaal gezichtje omlijstte, de groote drijvende zwarte oogen, die zoo zacht uitkwamen op de matgele teint—’t bracht hem in verrukking; het deed hem duizelen van hartstochtelijke liefde.

Met haar was hij niet onverschillig; tegenover haar was geen sprake van een zeker sans gêne; wat uit Hortense’s wezen had gesproken, toen ze met hem danste, dat sprak thans duidelijk uit zijn trekken. Hij danste, en hij zou gedanst hebben in een soort van verrukking tot hij er bij neerviel, als Louise ’t niet betamelijk had geacht op te houden en wat te wandelen.