L. Van Velton-Van der Linden

Part 5

Chapter 54,111 wordsPublic domain

Tegenover Louise moest hij zich goed houden, en met een gezicht, waarop de nieuwsgierigheid te lezen stond, doorliep hij ’t korte briefje. Toen, vol ernstige verontwaardiging en met de houding van een onvervalschten père noble, vouwde de dokter het in tweeën, met een beweging alsof hij ’t wilde verscheuren. Doch de bestudeerde bedaardheid in zijn bewegingen deed hem ’t doel voorbijstreven. Vóór hij ’t kon verscheuren was Louise snel opgesprongen, had het hem uit de hand gerukt en in haar zak gestoken.

„Je lijkt wel dwaas, pa!”

„Zou je dan zoo’n gemeen, lasterlijk epistel nog een oogenblik willen bewaren?”

„Wie zegt, dat het laster is?”

„Ik.”

„En hoe weet u dat, als ik vragen mag?”

„Hoe ik dat weet? Vooreerst omdat zulk anoniem geschrijf altijd leugen en laster is; in de tweede plaats omdat Van Velton een veel te fatsoenlijk....”

Zij lachte hem uit in zijn gezicht.

„Zal ik u wat zeggen, pa?”

„Nu?” vroeg hij angstig.

„Het is waar.”

„Och kom, hoe kan je dat beweren?”

„Wel doodeenvoudig: ik heb het gezien.”

Zij had het gezien! ’t Klamme zweet parelde dokter Van der Linden op het voorhoofd. Groote goden, wat moest dat beteekenen? Zij had het gezien!

„Hoe bedoel je dat?” vroeg hij met onvaste stem. „Je bent daar, hoop ik, toch niet in huis gegaan?”

Zij hief het hoofd op met een uitdrukking vol minachting op het gezicht.

„Dat zou ver beneden me zijn. Denkt u, dat ik in zoo’n huis zou komen? Toch.... ik weet het niet.... misschien.... als het een man betrof, dien ik liefhad. Maar om hem.... Bah!”

„Sst! sst! kindlief, zoo mag je niet spreken. Dus, je bent er niet geweest,” vervolgde hij met een zucht van verlichting, „en je weet dus niet....”

„Paatje,” viel ze hem wederom in de rede, „praat nu geen mallepraat. Zijn rijtuig stond op de aangewezen plaats en het is waar; ik zeg u dat het waar is.”

„En ik houd vol dat het een leugen is. Dat zijn rijtuig daar stond bewijst niets.”

Zij haalde de schouders op.

„’t Is vruchteloos te trachten hem te verdedigen. Ik ben er over verwonderd, pa. Ik had gedacht dat u boos zoudt zijn op Van Velton en verontwaardigd over zijn gedrag. In plaats daarvan verdedigt ge hem, en neemt mij naar ’t schijnt eenigszins kwalijk, dat ik onderzocht heb naar hetgeen in dien brief wordt geschreven. Het is vreemd.”

„Dat komt, Louise, door je gebrek aan menschenkennis. Geloof me, als je zoo oud bent als ik, zal je beter de onwaarde van zulk geschrijf leeren beseffen. Weet je wat, ga jij nu naar huis. Ik zal me kleeden en ik zal zelf onderzoeken, wat er van die beschuldiging waar is en wat niet.”

„Volstrekt niet, pa. U is een best mensch, en u bent altijd zeer, zeer goed voor me geweest. In dit geval is het anders en ik zie duidelijk, waar u heen wilt.”

„Wieslief....”

„Niets er van, pa. Wàt in dien brief staat is de zuivere waarheid. Geen letter gaat er af.”

„Je zult je huisgezin ongelukkig maken. Luister naar mijn raad: ga naar huis en verscheur dien brief.”

„Wat u mijn huisgezin noemt, bestaat niet. Ik heb alleen een kind, en dat zal niet ongelukkig worden, daarvoor sta ik u borg. Wat Van Velton betreft,—de man is mij zoo volmaakt onverschillig...”

„Waarom ga je dan op den laten avond uit om hem te bespieden?”

Het was een moeielijk te beantwoorden vraag, vond ze. Toch aarzelde ze slechts eenige seconden, en zei toen langzaam:

„Bespieden is het woord niet. Ik wilde zekerheid, en die heb ik. Die brief is mij geld waard; hij is ten allen tijde een krachtig wapen, en, wie weet, of ik hem niet te eeniger tijd kan noodig hebben.”

„Noodig hebben! Waarvoor zou jij zoo’n gemeen vod noodig kunnen hebben?”

„Och, men kan ’t niet weten; misschien.... tot mijn rechtvaardiging.”

„Zoo.... tot je rechtvaardiging. Ik begrijp dat niet best.”

„’t Is toch duidelijk dunkt me.”

„Dat vind ik niet, ten minste niet als ik het jou hoor zeggen.”

Zij lachte en dat maakte den dokter woedend.

„Ik verzoek je om zulke dingen niet te lachen, asjeblieft. Er is, voor zoo ver ik zie, niets belachelijke aan. ’t Tegendeel is waar.”

„Eigenlijk hebt ge gelijk. Het is niet belachelijk, maar ’t is ellendig. Iedereen doet wat hij wil; iedereen leeft er maar op los. Ik alleen moet niets doen, wat niet goed is, mag er niet aan denken, niet over spreken, er zelfs niet om lachen. Ik moet als ’t ware de vlag wezen, die de lading dekt. ’t Is fraai.”

Papa Van der Linden voelde, dat nu ook voor hem ’t gevaar in aantocht was. Hij had een strengen toon aangeslagen daareven, en zijn vaderlijk standpunt was daar niet zuiver genoeg voor, althans niet tegenover een dochter als Louise.

Hij zweeg, en zoo zaten zij vijf minuten zeer onbehaaglijk tegenover elkaar, totdat zij driftig opstond, en met een kort „wel te rusten!” even snel ’t huis uitliep, als ze er in was gekomen.

In den coupé huilde ze. Had ze toch maar een moeder, bij wie ze haar hart kon lucht geven, of een wezenlijke zuster of een goede hartelijke vriendin als Lucie.

Maar niets! Haar vader, och, hij was immers ook een man, zooals de rest!

Toen Van Velton dien avond in zijn rijtuig stapte om naar huis te rijden, had zijn koetsier hem iets te zeggen. Heel geheimzinnig deelde de man hem mee, dat hij den coupé had zien voorbijrijden. Van Velton schrikte er van en meende, dat de koetsier zich had vergist; ’t zou ’t rijtuig zijn geweest van iemand anders. Maar de koetsier hield vol. Het was hun rijtuig, dat wist hij zeker, en zijn collega, die altijd mevrouw reed, had hem van den bok toegeroepen, dat de njonjah zelf in den coupé zat.

Een hoogst onaangenaam geval! Thuis informeerde Van Velton nog eens. Welzeker! Mevrouw had eerst een brief gekregen en kort daarop laten inspannen.

Kon hij haar maar te spreken krijgen! Als de bom toch moest barsten, dan hoe eer hoe liever. Hij liep zacht langs de ramen van haar kamers en gluurde door de stores naar binnen. Niets te zien! In den gekleurden ballon brandde ’t nachtlichtje; alles stil. Ze sliep, dat was duidelijk, en aan haar kamer kloppen en haar wakker maken, durfde hij niet.

In zijn eigen vertrekken teruggekeerd, deed hij moeite om te slapen, maar ’t gelukte hem niet. Allerlei sombere, nare gedachten hielden hem bezig en plaagden en vervolgden hem. Dat had men nu van die vervloekte zijwegjes. En als het nu nog een wezenlijke penchant was, maar zelfs dat niet. Het was pure gewoonte geworden, zijn gaan naar Lientje Donker, anders niets. Hij ging er heen, zooals men aan tafel gaat: minder omdat men honger heeft, dan wel omdat het nu eenmaal een aangenomen gebruik is te acht uren te dineeren.

Wat zou dat den volgenden ochtend een genoeglijke ontmoeting wezen! Het zweet parelde op zijn voorhoofd, als hij er aan dacht. Niettemin nam hij zich vast voor den kogel zonder verwijl door de kerk te schieten. Zaken waren nu eenmaal zaken, en moesten coulant worden afgedaan. Daar hield hij van, en hij was het zijn leven lang gewoon geweest.

Tegen den ochtend sluimerde hij in van vermoeidheid en toen zijn bediende hem tegen acht uren riep, sprong hij verschrikt uit het bed. Daar zal je de poppen aan het dansen hebben, dacht hij met een zucht.

De tafel in de achtergalerij stond voor het ontbijt gedekt. Louise was er niet. Wèl de baboe met het kind; hij nam het van de meid over en beproefde nog eens of hij den diapason van zijn stemgeluid op kinderooren streelenden klank kon brengen. Het ging minder goed dan ooit.

Daar kwam ze aan!

„Goeden morgen,” zei hij op zijn meest gewonen toon. Ze antwoordde op dezelfde wijze. Van ter zijde begluurde hij haar. Zij zag er precies uit als altijd. Niets bijzonders.

„Ben je gisteravond nog uit geweest?”

„Ja.”

„Ik geloof dat we elkaar gepasseerd zijn.”

Zij haalde de schouders op, met een onverschillig gezicht, dat zich geheel niet om zijn geloof scheen te bekommeren.

„’t Is wel mogelijk.”

„Ik meen het zeker te weten. ’t Was in gang....”

„Och kom! Daar behoefde ik anders volstrekt niet te wezen.”

„Niet?”

„Wel neen. Om naar papa te gaan is het niet noodig dien omweg te maken.”

„Ben je bij den ouden heer geweest?”

„Ja. Ik heb hem eens opgezocht.”

„Hoe drommel komt die koetsier dan zoo om te rijden?”

„Misschien dacht hij, dat ik het aangenaam vond, of misschien vond hij ’t zelf pleizierig. Ik heb er niet op gelet.”

„Zoo-o!”

Een scène viel er niet voor, dat was waar, maar Van Velton voelde zich minder op zijn gemak dan ooit. Hij was zoo’n oude rat, dat hij om zoo te zeggen de val rook, waarin ze hem naar het scheen wilde laten loopen.

Er stak iets achter, dat was zeker, en hij moest en hij zou weten, wat dat was. Met verder vragen kon hij niet doorgaan, en naar dien brief informeeren was ook niet raadzaam. Ten slotte ging hij naar de stad met de overtuiging, dat hij aan de eerst zoo gevreesde scène de voorkeur had gegeven boven deze geheimzinnigheid. Wie weet of hij, schuld bekennend, onder aanvoering van verzachtende omstandigheden en met belofte van beterschap, niet.... een kansje had gehad!

Hortense Van Velton reisde onder de hoede van een predikants-familie met een der booten van de maatschappij Nederland. Zijzelve was liever met een Fransche boot gegaan, maar de familie in Holland had dat niet wenschelijk geacht.

Iedereen had de reis erg aangenaam gevonden.

Men had muziek gemaakt, tooneel gespeeld, gedanst en zich het leven zoo aangenaam mogelijk gemaakt. Doch Hortense had zich teruggetrokken. Zij vond het ordinair.

Mooi was ze niet, en toch ook niet leelijk, al had ze iets ziekelijks over zich. Ze was wat lang en wat hoekig voor een jong meisje, maar zeer blank en erg voornaam. In haar uiterlijk had zij veel van haar vader. Als hij langs de kali-besar liep, dan had een vreemdeling allicht kunnen denken, dat alles wat daar stond, gebouwd en ongebouwd, zijn eigendom was. Welnu, als Hortense op het dek van den stoomer wandelde, en hij „rolde” niet al te erg, dan stapte zij zoo voornaam en majestueus van ’t eene eind der kampanje naar ’t andere, dat de jongelui elkaar aanstieten en haar „mevrouw de commandant” noemden, wat ze eigenlijk niet zóó zeiden maar op een andere, meer onder heeren gebruikelijke wijze.

Onder de passagiers was zij niet bemind. Zelfs de predikant en diens vrouw mochten haar niet, zoo stijf en afgemeten was zij altijd, en ofschoon haar zee-ouders dat welwillend toeschreven aan de ziekelijke omstandigheden waarin het meisje verkeerde,—aangenaam vonden de goede, hartelijke menschen het niet.

Hortense Van Velton haatte haar stiefmoeder, die ze nog nooit had gezien.

Zij noemde haar vader openlijk een dwaas, en had zich vast voorgenomen hem dat onder vier oogen te vertellen. Hoe ze „dat mensch” behandelen moest in haars vaders huis, begreep zij niet. „Mama” zeggen, dat zou misschien nog het hatelijkste wezen tegenover dat jonge vrouwtje.

De geheele reis had ze aan niets anders gedacht, dan aan haar stiefmoeder. Zou ze haar aan boord komen afhalen?

Ze kwam niet.

Toen het schip op de reede van Batavia lag, kwam Van Velton met een sloep langs zij en klom de trap op. Het was een tamelijk koele ontvangst. Zij vond, dat papa er veel minder goed uitzag, dan toen hij een jaar of vijf geleden eens in Europa was geweest; hij vond dat Hortense leelijk en spichtig was geworden, en dat het heel wat moeite zou kosten haar aan den man te brengen.

„Hoe heb je het gehad aan boord?” vroeg hij.

„Zoo.... tamelijk.”

„Nu, je kunt thuis je schade inhalen.”

„Thuis bij.... mama?”

„Ja.... noem haar maar zoo.... Als ’t haar niet aanstaat zal ze ’t je wel zeggen.”

Het gezicht van Hortense klaarde op. Komaan, dat begon uitstekend! De verhouding was voor haar bijzonder gunstig. Uit de manier, waarop hij sprak, bleek duidelijk, dat het niet couleur de rose was tusschen hem en de tweede vrouw. ’t Kon waarlijk niet beter. Als papa nu nog niet wist of zij er vrede mee nam, dat de kinderen haar „mama” noemden.... nu dat scheen in orde te zullen komen.

„Natuurlijk zou ik haar mama genoemd hebben; zij is uw vrouw en dus de „vrouw des huizes.”

„Lieve Hortense,” zei Van Velton op zijn voornaamsten patriarch-toon, „mevrouw Van Velton-Van der Linden is een zeer eigenaardige dame. Ik hoop, dat je het goed met haar zult kunnen vinden; maar als je er misschien op hebt gerekend een.... moeder....”

„Dank u; mijn moeder is dood.”

„Of.... een vriendin ....”

„Evenmin.”

„Nu, des te beter dan. Want mijn vrouw zal waarschijnlijk noch het een, noch het ander voor je zijn. Begin echter met haar te geven, wat haar wettig toekomt, en noem haar mama.”

Hortense ademde vrijer. Goddank! Geen intimiteit. Op een afstand en zonder vertrouwelijkheid. Dat was de eenig draaglijke manier.

Nieuwsgierig om te zien hoe „mama” er uitzag, keek ze de binnengalerij rond nog voor ze uitstapte. Dus kwam „mama” haar niet te gemoet!

Ze gingen het huis binnen en vonden de vrouw des huizes in de achtergalerij. Langzaam en met haar commandanten-houding trad Hortense op het mooie, kleine vrouwtje toe, wier schoonen sierlijken lichaamsbouw ze met stille woede opmerkte.

„Louise,” zei Van Velton, „dat is mijn dochter Hortense.”

„Dag mama.”

De stiefmoeder begon te lachen.

„Je moet ’t me niet kwalijk nemen, Hortense, maar ’t klinkt zóó gek om u tegen mij „mama” te hooren zeggen. Noem mij maar mevrouw hoor.”

„Heel goed; dat doe ik ook veel liever.”

„Natuurlijk; ’t was onnoodig het te zeggen. Je kamers zijn klaar. Je papa zal wel zoo goed zijn om ze je aan te wijzen. Tot ziens.”

Mevrouw Van Velton-Van der Linden keerde zich om en ging heen. Hortense was er eenigszins van verbluft. Dat overtrof nu alles wat ze zich bij mogelijkheid had durven voorstellen.

’t Scheen haar hier een huisgezin toe vol storm en onweer.

„Gaat het hier altijd zoo?” vroeg ze haar vader.

„Wat bedoel je?”

„Wel dien vriendelijken toon en die prettige, huiselijke manier van doen?”

„Mijn vrouw is zeer eigenaardig.”

„O, is het anders niet?”

„Anders niet? Wat zou het dan?”

„Ik dacht dat het misschien.... een ongelukkig huwelijk was.”

„Hoe kom je op dat idée?”

„Och.... zoo maar.”

„’t Gaat hier altijd stil en bedaard toe. Je weet, ik ben een vijand van rumoer.”

„En altijd op de manier van daareven?”

Wat zou hij zeggen? Waarom het voor haar te verzwijgen? Zij zou het immers toch spoedig genoeg gewaarworden.

„Ja, zoo ongeveer.”

„Dan heb ik immers gelijk gehad; dan is uw huwelijk ongelukkig, pa. Hoe bent u ook zoo dom kunnen wezen? Kijk, als dat mensch nu niet hier in huis was, wat zouden we dan een aangenaam en rustig leven kunnen hebben. Nu staat zij er tusschen als een hinderpaal; zij met dat vieze kind.”

„Het is geen vies kind,” zei Van Velton eenigszins verontwaardigd.

„Och, dat zijn die kleine kinderen allemaal. Aan boord...... bah!”

Van Velton lachte.

„Kom, laat ons er maar over zwijgen. Ik hoop dat de kamers je zullen bevallen. De meid zal je helpen aan ’t ontpakken van je goed. Adieu!”

Hij kwam nog even terug.

„Ik ga naar de stad. Straks zal men je wel waarschuwen voor de rijsttafel.”

De kamers waren keurig ingericht, en al had Hortense het land aan haar stiefmoeder, ze was verplicht haar in stilte dankbaar te zijn voor de zorgen, die ze aan het arrangeeren dezer kamers had besteed. Toch was het geen groote dankbaarheid, die bij het lange, bleeke jonge meisje opwelde. „Ze heeft smaak,” dacht ze bij zichzelve; „dat hebben die nona’s meer.”

Verder kwam ze niet. Ze wachtte ook niet, tot ze werd geroepen voor de rijsttafel. Waarom zou ze wachten? Was het niet evengoed haar huis? Daarom ging ze naar de binnengalerij en bekeek er de bibelots en de schilderijen, die ze zich van vroeger niet herinnerde.

Een uurtje later kwam een bediende haar zeggen, dat de „makanan soedah” klaar was; ze ging naar achter en vond haar stiefmoeder reeds aan tafel.

Louise was eenigszins in haar humeur. ’t Had haar aangenaam getroffen, dat Hortense zooveel minder mooi was, dan zijzelve, en dat stemde haar tot toegeeflijkheid. „Was je ziek in Holland?” vroeg ze.

„Ja. Ik kon niet tegen de kou.”

„Hoe is het mogelijk? Ik vond het er heerlijk lekker.”

„Bent u ook in Europa geweest?”

„Natuurlijk,” zei Louise verontwaardigd. „Mijn papa was wel geen koopman; hij is slechts geneesheer; maar dat belette hem niet mij een Europeesche opvoeding te doen geven.”

Hortense voelde het hatelijke, dat in het slechts stak, maar wist niet goed wat te zeggen. Zij had ook verstand genoeg om in te zien, dat ze tegen dit kleine, donkere vrouwtje in een woordenwisseling niet opgewassen zou zijn, en dat de statigheid en de ernst, die zij van haar vader had geërfd, het tegen de manieren en de zegswijze van mevrouw Van Velton-Van der Linden zouden afleggen. En die overtuiging drong haar nog een andere op. Haar stiefmoeder was de meesteres in huis en papa had weinig of niets te zeggen. Dàt idée hinderde haar ’t meest. Zij gaf geen repliek op ’t hatelijke „slechts” en at stil door. Zij zou met haar vader spreken. Samen zouden zij sterker zijn.

Zoo liep het diner kalmpjes af. Hortense gaf haar oogen en ooren meer en beter den kost dan haar mond, terwijl Louise de rijsttafel groote eer aandeed.

Van Velton zocht, toen hij van ’t kantoor thuis kwam, dadelijk zijn dochter op.

„Wel, hoe heb je het gehad vandaag?”

„Hartelijk nu juist niet. Aan tafel heeft zij ’n hatelijkheid gedebiteerd op uw positie.”

„Wat dan?”

Zij vertelde het hem, en hij lachte. Was het anders niet? Hij had direct gedacht aan zijn positie als echtgenoot.

„Zij schijnt een zeer pertinent en heerschzuchtig schepseltje te zijn, dat hier geducht den baas speelt.”

„Een vrouw moet meesteres in huis zijn, Stanse. Ik heb je mama ook ’t huishouden laten bestieren, zooals zij dat goed vond.”

„Maar onder de pantoffel zat u niet; dat weet ik wel zeker.”

„Ei?” vroeg hij met saamgetrokken wenkbrauwen. „En wie zegt je, dat ik er nu onder zit?”

„Dat zeg ik, pa. Aan alles kan ik het merken. Zij, uw tweede vrouw, bestuurt niet, maar regeert, en feitelijk hebt ge niets te zeggen. Dat kan zoo niet blijven, en daarom....”

„En dáárom,” viel haar vader haar in de rede, „dáárom verzoek ik je om je volstrekt niet te bemoeien met de verhouding tusschen mij en je stiefmoeder. Ik moet je dat zeer ernstig verzoeken, Hortense! Het is mijn uitdrukkelijke wil. Je kunt in alles doen wat je goed vindt: uitgaan, bezoek ontvangen, over geld beschikken voor je toilet,—maar eens en vooral: houd je dáár buiten. Dat zijn zaken, waarmee kinderen niets te maken hebben.”

Hij ging terug naar zijn kamer, terwijl Hortense met tranen in de oogen bleef zitten.

Wat kon haar ’t uitgaan schelen, of bezoek ontvangen? Wat gaf zij om nog meer toiletten, dan ze reeds had?

Dansen en laat uitblijven veroorloofden haar delicate gezondheid niet, en trotsch was ze wel, maar die gewone meisjes-ijdelheid en coquetterie waren haar volkomen vreemd.

’t Zou het ideaal van Hortense geweest zijn, om een stil, rustig leven te leiden in het mooie huis op ’t Koningsplein, en om daar alles te regelen en te doen uitvoeren naar haar zin. Het middel om daartoe te komen, nu eenmaal haar vader zoo onhebbelijk was geweest om te hertrouwen, bestond in een scheiding tusschen hem en die vrouw. Ze meende dat het gemakkelijk zou gaan, bij zulk een slechte verstandhouding en als de oude heer er krachtig toe wilde meewerken.

Maar dat wilde hij niet. Hij was ook al zoo indolent. ’t Was om er den moed bij te laten zakken!

Louise wist er thans alles van.

Zij had den dag na de ontvangst van den anoniemen brief, het volgende geschreven aan de weduwe Donker:

„Mevrouw!

U zult mij zeer verplichten met hedenochtend bij mij te komen. Ik wenschte u in uw eigen belang gaarne te spreken.

Uw Dw. L. Van Velton-V. d. Linden.”

Christien Donker moest er om lachen.

Zoo’n nest! zei ze bij zichzelve. „In mijn eigen belang!” O liefje, ik heb je vast en ik zal je nog wel beter vast krijgen. Maar jij zult bij mij komen, trotsch diertje, en ik niet bij jou.

In het gevoel harer macht niet verder nadenkend, schreef ze in dorso van ’t briefje van Louise:

„Als mevrouw Van Velton de weduwe Donker wenscht te spreken, dan zal zij van het Koningsplein naar gang.... dienen te komen.”

Eerst toen de bediende van Louise, die nog wel van een karretje gebruik maakte, geruimen tijd was vertrokken, bedacht Christien Donker, dat zij in haar drift een groote domheid had begaan.

Doch wat kon het haar ten slotte schelen! Zij had nu, meende ze, toch alle troefkaarten in handen, en ze zou die met het grootste genot openlijk uitspelen.

Natuurlijk trof Louise onmiddellijk de overeenkomst van het schrift. Zij haalde den anoniemen brief voor den dag en lei die naast het antwoord.

Er was geen twijfel mogelijk.

’t Waren dezelfde leelijke, onregelmatige, scheeve letters, met de ongeoefende hand gezet van iemand, die nooit ’t schrijven goed heeft geleerd.

Tevergeefs trachtte zij het raadsel op te lossen. Geen omstandigheden, van welken aard ook, waren in staat geweest haar tot een bezoek aan die vrouw te bewegen, maar dàt intrigeerde haar zoo ontzaglijk!

Dat mensch gaf zelf als het ware publiciteit aan de schande harer dochter, lokte zelf een ontdekking uit, die alleen onaangename gevolgen voor haar kon hebben. Het ging boven het begrip van Louise.

Dadelijk liet ze inspannen.

Met de smalle lippen stijf opeen en de wenkbrauwen samengetrokken, zag Christien Donker het rijtuig haar erf oprijden.

Ze had zich in de voorgalerij eenigszins verdekt opgesteld, zóó, dat, als Louise binnenkwam, zij als het ware onverwacht voor haar stond. Ze gevoelde dat ze zenuwachtig was geworden en dat bestreed ze. Zij was in moeilijke omstandigheden altijd haar zenuwen den baas gebleven, en zou ze het nu dan niet tegenover „dat nest”?

Maar ze wist hoe „dat nest” wezen kon; ze wist hoe diep minachtend „dat nest” kon kijken, en welk een hoogen, ijskouden toon, die zelfs Christien Donker deconcerteerde, datzelfde „nest” kon aanslaan.

Daarom had ze op het effect gerekend.

Toen Louise de paar treden opstapte, die naar de voorgalerij voerden, zag zij rond of er niemand was. Er was niemand, blijkbaar,—maar zie, nauwelijks had ze een voet gezet in de voorgalerij of ze stond tegenover een vrouw van zekeren leeftijd, die met bijzondere snelheid van achter een pilaar scheen te komen en haar nu strak aanzag.

Louise nam haar kalmpjes op van ’t hoofd tot de voeten. Wat beteekende dat? Was het mensch gek?

„Bent u de weduwe Donker?” vroeg ze zeer bedaard.

’t Was voor Christien om uit haar vel te springen. Al het effect van den coup de théâtre was weg. Zij had er op gerekend dat Louise haar zou herkennen, en dat ze, haar herkennend, den geheelen omvang van de verhouding zou begrijpen.

Christien Donker kon niet gelooven, dat Louise zich harer zelfs niet meer herinnerde; zij stelde zich altijd op haar eigen standpunt en nooit op dat van een ander.

„A zoo! Wou mevrouw soms den schijn aannemen, alsof ze me niet kende?” zei ze op tergend beleefden toon.

En wederom monsterde Louise haar koel en bedaard met haar groote, zwarte oogen.

„Ik zou niet weten, mensch, waarom ik een schijn zou aannemen. Ik herinner me niet u ooit gezien te hebben.”

„Och kom? Wil je dat niet te binnen schieten? Zal ik uw memorie dan eens ’n handje helpen?”

„Wacht even,” zei Louise. „’t Gezicht was ik geheel vergeten, maar nu herinner ik me die dwaze stem.”

Die dwaze stem! Zij verbeeldde zich, dat ze van allerlei in den klank harer stem lag, dat zoo’n jong schepsel moest doen rillen en beven, maar dit „nest” ging alles langs de koude kleeren. Ze voelde, dat ze terrein kwijt was.

Maar Louise was zeer ernstig geworden.

„Zeker, nu herinner ik me. Je bent die vrouw, die in vroeger jaren onderhouden werd door papa.”

Het werd zeer eenvoudig gezegd. Zóó eenvoudig en zonder terughouding, dat Christien Donker ’t gevoel had, als kreeg ze een klinkenden klap in het gezicht.

„Zoo,” vervolgde mevrouw Van Velton spottend. „En nu vervult uw dochter dezelfde rol tegenover mijn man! Komaan!”