L. Van Velton-Van der Linden

Part 4

Chapter 44,114 wordsPublic domain

Het feest begon. ’t Was allesbehalve een gemengd gezelschap. De fine fleur van ’t Bataviaansch publiek was present. Hooggeplaatste ambtenaren, die in hun fort intérieur niets ophadden met den koopmansstand, waren er velen; de gouden uitmonstering der uniformen van hoofdofficieren schitterde in het licht; indien er enkele jongelui aanwezig waren, die nog op de lagere sporten stonden, dan hadden zij hun invitaties te danken aan geld, familie-relatiën, een klinkenden naam of dansbeenen.

Menig oog liet vol afgunst den blik gaan langs de wanden en door de zaal; menig damesmondje werd krampachtig dichtgeknepen op het zien van de toiletten-weelde der dames uit de handelswereld. Men zag er aan den anderen kant, die gekleed waren met een eenvoud, haast beleedigend voor het gezelschap, maar over het algemeen had iedereen gedaan wat in zijn of haar vermogen was, ja meer, veel meer dan dàt.

Dan wat velen dachten, werd door niemand gezegd. Slechts hier en daar tusschen vrienden en vriendinnen een fluisterend gesproken woord of een blik en een hoofdknikje, die elkaar schenen te begrijpen.

Behalve de galerijen stonden de ruime vertrekken voor de gasten open. Overal was het even rijk en smaakvol. De kostbare Europeesche ameublementen, de marmeren en bronzen beelden, de imitaties van oude bas-reliefs in koper, de zeldzaam fijne gravures, het met zilver gemonteerd antiek-porselein, de artistieke vazen van Sèvres en het deftige Saksisch,—’t was alles met smaak verdeeld, zoodat er eenige harmonie heerschte in het garnituur van elk vertrek. Maar zeer weinigen letten daarop; men taxeerde meer; men berekende bij zichzelf wat dat moest gekost hebben, en wat de vendutie van zulk een inboedel eventueel wel zou opbrengen.

Tot de weinigen, die meer aandacht schonken aan den goeden smaak en de artistieke opvatting, die uit het arrangement spraken, behoorde Fournier.

Zelf uit een goede en gegoede Hollandsche familie, waarin de kunst hoog geëerd werd, meer om haar arbeid, dan om de grondstof, die daarvoor was gebezigd, herinnerden hem sommige plekjes aan zijns vaders huis.

’t Was daar op kleiner schaal geweest en in bescheidener trant, maar toch,—er zat zekere verwantschap in.

Hij had, toen hij binnenkwam, even zijn compliment afgestoken bij de vrouw des huizes, die entouré was van nieuw aangekomen gasten. De vrouw des huizes! ’t Was haast niet te gelooven, zoo frisch zag ze er uit, ze had geheel het uiterlijk van een meisje, zoo jong scheen ze en zoo jeugdig was haar toilet....! Fournier vond, dat het eigenlijk geen dracht was voor een getrouwde vrouw, op weg een Indische mater familias te worden.

Maar ’t stond haar goed, dat was waar, en ze zag er verrukkelijk uit. Hij danste niet, en hij speelde niet. Langzaam liep hij de galerij door, waar de speeltafeltjes stonden, en sprak hier en daar tegen een bekende. Men trachtte hem over te halen de vierde man te zijn bij een whistje, maar hij excuseerde zich.

Hij wist niet wat hem scheelde; hij gevoelde zich hoogst onvoldaan; ’t verveelde hem nu reeds. Droomerig liep hij rond en keerde ten slotte terug naar de zaal, waar gedanst werd.

Mevrouw Van Velton kweet zich ijverig van haar plichten als gastvrouw, en haar man, die ook overal te gelijk was om toe te zien, dat het niemand aan iets ontbrak en om dezen en genen een vriendelijk woord toe te voegen, zag met groot genoegen hoe dapper Louise zich weerde.

Toen alles en train was, danste zij eens mee; ze hield er zoo dol veel van, en al had ze volstrekt niet verlangd naar feesten of partijen, sedert ze getrouwd was,—nu ze de opwekkende muziek hoorde en de dansende paren om haar heen zweefden; nu ze in vroolijke en opgewekte stemming raakte, door de feestvreugde rond haar, kon ze niet nalaten aan een der vele uitnoodigingen te voldoen.

Fournier wilde heengaan, stilletjes uit de voorgalerij verdwijnen, zijn rijtuig zoeken uit de menigte wachtende equipages, en onopgemerkt naar zijn woning terugkeeren.

Terwijl hij, schijnbaar zonder eenige bedoeling, dit plan op sluwe wijze wilde uitvoeren, en daarbij voortdurend naar Louise keek, die hij voelde, dat hem elk oogenblik meer in een verzoeking bracht, waaraan hij weerstand wilde bieden, met al de kracht, die in hem was,—wendde zij ’t hoofd om en keek hem aan.

Onwillekeurig stond Fournier stil. Zij riep hem.

Niet luid en bij den naam: daarvan was natuurlijk geen sprake.

Maar dat ze hem riep, daaraan viel niet te twijfelen. Haar groote donkere oogen, haar vriendelijk lachend gezicht, de beweging van haar waaier,—alles zei hem: Kom hier!

Aan zijn stillen aftocht dacht hij niet meer. ’t Was of hij onder een magnetischen invloed verkeerde. Hij ging naar haar toe, vóór hij eigenlijk besefte, dat hij liep.

„Danst u nu nog niet?” vroeg ze hem.

„Als u me de eer wilt aandoen....”

Hij vond zichzelven kinderachtig, verachtelijk; hij had in vollen ernst bij zichzelven uitgemaakt, dat hij voor zulk een schepsel, dat zich had weggeworpen aan een ouden weduwnaar, alleen om diens geld, niets hoegenaamd kon gevoelen; hij was op de partij gekomen, omdat hij geïnviteerd was door den chef van een huis, waaraan zijn kantoor een aardigen duit verdiende, maar met het vaste voornemen zoo spoedig mogelijk weg te gaan, en zich te bepalen tot een kort officiëel praatje met de gastvrouw, zonder meer; hij had op het punt gestaan dat program correct uit te voeren.

En één blik had hem naast haar gebracht; en een bedekte zinspeling had hem haar ten dans doen vragen.

Dat alles bedacht hij toen zij, vriendelijk glimlachend, haar arm in den zijnen legde, als een afdoend bewijs dat zij hem „de eer” wilde aandoen. Zijn eigen zwakheid ergerde hem. Toch gevoelde hij zich heel anders dan toen hij zooeven door de zaal ging. Het was of de lichten helderder brandden en de kleuren scherper uitkwamen; of de gezichten der menschen levendiger en opgewekter waren, en of de muziek vroolijker klonk.

Toen hij daar zoo naast haar wandelde, gereed tot den dans, toonde hij waarlijk niet de minste overeenkomst met iemand, die bezig is zich te executeeren.

Juist het tegendeel!

„Amuseert ge u nogal?” vroeg ze onder het dansen.

„Neen.”

„Dat is heel openhartig.”

„U hebt me toch nooit anders gekend.”

„Maar het is volstrekt niet vleiend voor mij. Verbeeld je! Daar heb ik nu alles gedaan om een prettige partij te organiseeren; en u zegt me maar eenvoudig, dat ge u niet amuseert! ’t Is galant!”

Ze sprak op den toon van lachend verwijt, pruilend zonder boosheid. En ze was ook volstrekt niet boos. Ze vond hem om te kussen. Wat was hij, ondanks alles, nog op haar verliefd, die ernstige, min of meer stroeve jonge man, op wien dozijnen mama’s het oog hadden voor haar dochters.

Zij zouden hem niet krijgen, dat wist ze nu. Nog altijd heerschte zij, Louise, waar ze had geheerscht als meisje. Ze vond het verrukkelijk en ze maakte zich diets, dat het van haar kant niets was dan een gevaarloos spelletje.

„Ik heb niets op uw partij af te dingen. Die is zeer schitterend en ongetwijfeld hoogst amusant en geanimeerd.”

„’t Is wat moois! En u amuseert u zoo weinig, dat u op mijn vraag volmondig „neen” zegt!”

„Het ligt niet aan de partij, mevrouw Van Velton.”

„Och wat? ’t Mankeert er nog maar aan dat het aan mij ligt.”

Hij gaf zoo dadelijk geen antwoord.

„Het ligt uitsluitend aan mij,” zei hij eindelijk.

„Kasian! Wat kunnen we dan doen om u op te vroolijken?”

„Ik behoef niet opgevroolijkt te worden. Maar, ik amuseer me niet, in den zin ten minste, die voor uw andere gasten geldt.”

„Ah zoo! Dus ge amuseert u op ’n bijzondere manier.”

Hij keek haar zoo ernstig aan, dat ze er van schrikte.

„Vindt u ’t toilet van mevrouw Broese niet keurig?”

Ze sprak heel graag over mooie japonnen, maar ditmaal had ze er hoegenaamd geen gevoel voor. Och, ze had nog zoo graag op het eerste onderwerp doorgegaan, en ze vond het onaangenaam, dat hij er een eind aan maakte, door zijn brusquen overgang op de toiletten der dames. ’t Was immers zoo’n volmaakt „onschuldige” plagerij!

Toen hij haar had teruggebracht naar haar plaats, kwam het denkbeeld om stil te verdwijnen niet meer bij hem op. Wel nam hij zich ernstig voor te zorgen, dat hij niet meer zoo dicht in haar nabijheid kwam, want hij wist nu hoe zwak hij feitelijk in zijn schoenen stond; maar aan vroegtijdig heengaan dacht hij niet meer.

„Ik dacht dat je niet danste.”

Mr. Droz, met wien Fournier zich had geassociëerd, zei het op een eigenaardigen toon, dien Fournier niet beviel, al was hij volstrekt niet van plan er een aanmerking op te maken.

„’t Was met de vrouw des huizes.”

„Je wilt zeggen: men is dat zoo’n beetje verplicht.”

„Nietwaar?”

„Welzeker. Bovendien is het hier waarachtig geen opoffering.”

„Zeker niet.”

„’t Is ’n alleraardigst vrouwtje, hè! Die Van Velton weet ook wel wat hij doet. ’n Slimme vent!”

„Ja, ’t is onbegrijpelijk!”

„Nu, ik vind het zoo onbegrijpelijk niet. Zij is zoo’n charmant....”

„Ik bedoelde ’t juist andersom.”

„Ah zoo! Wel dat vind ik nog duidelijker. Hij is wel ’n groote twintig jaar ouder op zijn minst, maar hij ziet er flink uit. ’n Knap man, zoo.... en dan....”

De oudere advocaat maakte met duim en wijsvinger ’n veelbeteekenend gebaar.

„Daarom behoefde zij het niet te doen.”

„Dat is te zeggen, dokter Van der Linden heeft wel geld, maar dat lijkt er niet naar. Ik schat Van Velton, alles en alles bijeen, op twee millioen.”

„Och kom?” riep Fournier ongeloovig.

„Waarachtig. Ik weet waar hij met zijn particulier vermogen zoo wat in zit. Het is een man in bonus.”

Fournier zweeg.

„Je kent haar van vroeger?” vroeg Mr. Droz.

„Ja, ik kwam er indertijd veel aan huis.” Hij kon ’t niet helpen, maar hij kreeg een kleur als een schooljongen, die betrapt wordt, en ze werd er niet beter op, toen de andere zijn verlegenheid opmerkte en er om lachte.

„Zoo, zoo! Dat had ik niet gedacht, hoor!”

„Wat?”

„Dat je om die oude Bekanntschaft verlegen zoudt behoeven te worden.”

„Er is geen quaestie van, Droz. Je maakt geheel verkeerde gevolgtrekkingen.”

„Wind je niet op! Geloof me, in zoo’n delicaat geval is het ergste nog niet eens erg. Nu, ik ga eens zien of het haast mijn beurt is. We homberen met een uitvaller. Adieu!”

Aan het buffet dronk Fournier een glas Rijnschen wijn, toen dokter Van der Linden op hem afkwam. Ook bij dezen had hij een bezoek gebracht, en toen de dokter ’t jonge mensch terugzag, van wien hij wist, dat ’t een vroegere serieuze aanbidder van Louise was geweest, bekroop hem een gevoel van spijt.

„Zoo,” riep hij Fournier vroolijk toe: „ben je daar ook? Wel, dat doet me nu eens genoegen.”

„Ik kon niet nalaten, dokter, van de vriendelijke invitatie van uw schoonzoon gebruik te maken.”

„Zeker niet. Het is een prachtige partij, nietwaar?”

„Magnifique!”

„En amuseert ge u nogal?”

Wat moest hij zeggen?

„O zeker, heel goed.”

„Komaan, komaan! Weet je wat me eigenlijk in deze buurt brengt?”

„Ik zou denken de dorst, waartegen ’t buffet uitstekende middelen oplevert.”

„Toch niet! Kijk eens, als ik hier naast het buffet dat trapje afga, dan kom ik in het sous-terrain; dan ga ik weer ’n ander trapje op en kom in de logeerkamer.”

„Ei!” zei Fournier, om toch iets te zeggen. Hij begreep er niets van. ’t Was of de dokter al veel te dikwijls in de buurt van het buffet was geweest.

„Nu, daar slaapt mijn arme, kleine kereltje. Hij heeft ’t veld moeten ruimen, dat begrijp je, en ik ben bang, dat hij onrustig is. Heb je hem al eens gezien?”

„Uw kleinkind? Neen, nog niet.”

„Als je er pleizier in hadt, zou ik je hem wel eens willen laten kijken. Kom eens mee voor de aardigheid.”

En met al den trots van een grootvader op een been, trok de dokter Fournier mee het trapje af naast het buffet en loodste hem de logeerkamer binnen.

’t Kind was werkelijk onrustig en kon den slaap niet vatten. Toen het den dokter zag, stak het de armpjes uit, en zonder vrees voor de smetteloosheid van het piqué-vest of de zwartheid van zijn pantalon, nam dokter Van der Linden den kleine op den arm en toonde hem aan Fournier.

Het trof goed, want Fournier had te huis in Holland kleine broertjes en zusjes en neefjes en nichtjes gehad, tot een respectabel getal. Hij was gewoon geweest met kinderen om te gaan; hij hield er veel van.

Zoo kwam het, dat hij die zekere manier had om tegen kleine kinderen te praten en hen te streelen, die ze dadelijk tot zijn goede vrienden maakte, en zoo kwam het, dat, toen mevrouw Van Velton—Van der Linden ook eens naar den kleine kwam zien, zij haar vader en Mr. Gérard Fournier op stoelen aan de tafel zag zitten, zich amuseerende met haar jongske, dat het uitkraaide van de pret.

Ze schrikte er van, en stond een oogenblik verstomd.

„Je neemt het toch niet kwalijk, Wies?” vroeg de dokter een beetje verlegen, want hij voelde nu, dat hij een dwaasheid had begaan. „Ik wou Fournier zoo graag ons kind eens laten kijken.”

„Volstrekt niet, pa,” antwoordde ze zenuwachtig. „Volstrekt niet.”

„Mooi! Nu, dan laten we hem verder nu maar aan jou over. Ziedaar,” zei hij, den kleine kussend. „Ziedaar, en geef nou je nieuwen sobat ook maar een zoen.”

De dokter stak den jongen man ’t kind toe.

Toen ze weg waren, streek Louise met een zucht de hand over haar voorhoofd.

„Die pa, die pa! Hoe kon de man toch zóó wezen? Te erg!”

Meer om zich afleiding te verschaffen en zich aan zijn eigen eenigszins verwarden gedachtenloop te onttrekken, ging Fournier weer naar de balzaal, en danste een paar maal met andere dames. Dan het was of ’t noodlot hem vervolgde; in een quadrille kreeg hij onverwacht Louise tot vis-à-vis met een overste van de artillerie, die, naar de booze wereld zei, meer pijlen op vrouwenharten had afgeschoten, dan kanonskogels in vijandelijke bentengs.

Eerst hield Fournier zich teruggetrokken, maar haar vriendelijk gezicht bracht hem al heel gauw uit de plooi.

„Er is niets aan te doen,” dacht hij onder het naar huis rijden. „Ik kan en mag er niet meer aan huis komen.”

Toch had hij het beloofd.

„Je moet maar dikwijls bij ons komen praten,” had zij bij het afscheid nemen gezegd, en hij had er op geantwoord dat hij van de vergunning gaarne zou gebruik maken.

Drie dagen hield hij zijn goede voornemens vol.

Den vierden op ’t kantoor zei zijn associé:

„Ik ga vanavond naar de Veltons. Ga je mee?”

Hij bedacht zich een oogenblik en lachend vervolgde de andere:

„Heb je het zóó bont gemaakt, dat ge er geen bezoek kunt brengen?”

Fournier haalde met een ongeduldig gebaar de schouders op.

„Praat toch zulke nonsens niet.”

Maar Mr. Droz had het er op gezet zijn jongeren collega te plagen.

„Ja, ja! Je wilt er niets van weten. Nu, ik kan daarin komen. ’t Is ’n verduiveld aardig vrouwtje, dat is zeker.”

„Droz,” zei Fournier, zoo ernstig als hij dat doen kon, „wees zoo goed en laat alle aardigheden op mijn verhouding tegenover mevrouw Van Velton achterwege.”

„Poeh!! Je bent een rare vent, hoor!”

. . . . . . . . . . . . . .

„Een ander zou zijn goed gesternte danken voor zoo’n buitenkansje.”

„Ze was zoo lief tegen je, dat jullie onder het dansen veel had van een pas geëngageerd paar.”

. . . . . . . . . . . . . .

Het was niet mogelijk een woord meer uit Fournier te krijgen. Gelukkig kwam er een Chinees, die „een zaak” had: zijn bezoek maakte een eind aan een plagerij, die Fournier meer pijn had gedaan, dan hij gaarne zou hebben bekend.

Toch ging hij ’s avonds met Droz mee.

Mevrouw L. Van Velton-Van der Linden was zeer teruggetrokken en stil. Zij sprak zeer weinig en dan nog bij uitsluiting tegen Droz. Van Velton bemerkte het ook, en eenigszins verlegen over de onaangename bejegening, die den jongen advocaat van den kant zijner vrouw ten deel viel, deed hij zijn uiterste best om een opgewekt en vroolijk discours met Fournier gaande te houden.

Tegen acht uren gingen de bezoekers heen. Louise groette zoo stijf en vormelijk als slechts denkbaar was, tot groote ergernis van haar man, die vond dat haar houding grensde aan onbeleefdheid, en daarvan was hij een vijand.

Fournier, geheel uit het veld geslagen, rookte in het rijtuig zwijgend zijn sigaar. Droz zat stil te pikiren. Dat er meer achter stak was hem thans duidelijk. Een vrouw is zóó niet tegen een man, als er niets hoegenaamd tusschen hen bestaat; dat had hem zijn veeljarige ondervinding geleerd, en dat zei hem zijn menschenkennis.

„Je waart niet bijzonder in je humeur vanavond,” waagde Van Velton te zeggen.

„In mijn humeur?” vroeg ze bits. „Ik had ’n beetje hoofdpijn en die heb ik nog. ’t Conveniëerde me niet zoo druk te praten.”

’t Had haar moeite gekost!

Na dien avond van het bal, had ze ernstig nagedacht en toen was het haar duidelijk dat ze gevaar liep. Ze schrikte er voor terug. Zij wist nu hoe roestvrij haar oude liefde voor Fournier was gebleven. In de eerste weken na haar huwelijk had ze hem vergeten, wat toen heel natuurlijk was. Later in afwachting der geboorte van haar eersteling, had ze zooveel te denken gehad aan de gewichtige aanstaande gebeurtenis, dat ook toen geen andere dan vluchtige herinneringen aan Fournier bij haar waren opgekomen. Toen het gebeurd was, had ze zulk een nieuwen schat gevonden in haar kleine, dat ze feitelijk in haar moederliefde opging. Zelfs de minder aangename verhouding tot Van Velton had weinig of geen invloed gehad. Het feit, dat ze als het ware gescheiden was van haar man, had toen nog geen noemenswaardig verlangen bij haar opgewekt. Ze had liefde voor en van haar kind, en ze had haar vader. Al dien tijd had ze niets anders verlangd. Maar dat feest en de tegenwoordigheid van Fournier hadden voor haar de wereld weder plotseling een ander aanzien gegeven. Er waren sluimerende begeerten wakker geworden; er had zich een gevoel van verlatenheid van haar meestergemaakt; zij gevoelde thans behoefte aan die liefde, die door niets kan worden vervangen, en de man, wiens hart ze eens en naar het scheen voorgoed veroverd had; dien ze zelf zoo had liefgehad, dat ze heete tranen schreide toen ze hem door haar tinka’s en haar humeur van haar stootte,—ze voelde dat die man gevaarlijk was, want ze twijfelde of zij sterk zou wezen, indien hij eens zwak was.

En, fatsoenlijk en kuisch als haar leven altijd was geweest, mocht daarop geen smet worden geworpen. Men zou haar, mevrouw Van Velton-Van der Linden, niet nawijzen met den vinger, als.... neen, nooit, nooit!

Daarom had ze zoo’n kloek besluit genomen; daarom deed zij hem op de duidelijkste wijze gevoelen dat hij voortaan moest wegblijven. Haar houding was in het oogloopend geweest,—nu, soedah! het kon niet anders.

Maar alleen in haar kamer met haar voorgewende hoofdpijn, overviel haar een gevoel, alsof zij dien avond het doodvonnis van haar levensgeluk had geveld; alsof ze al wat de toekomst aan liefelijkheid en charme kon opleveren, gedood had en begraven.

’t Kind sliep rustig en de baboe, die voor ’t bedje lag, ronkte als.... een baboe. In het halve licht der laag gedraaide gasvlam, nog getemperd door den met donkere groepjes fraai beschilderden porseleinen ballon, schenen haar de mahoniehouten meubelen en bruin damasten gordijnen en portières van het somberste zwart. Stil en gedrukt zat ze aan haar werktafeltje met de armen leunend op het paarlemoeren blad. Hij zou niet meer terugkomen, dat was zeker! Ze had het gezien aan zijn gezicht, toen ze hem zoo afgemeten goeden avond zei bij zijn binnentreden; ze had het gehoord aan den klank zijner stem toen hij sprak met Van Velton; zijn groet bij het heengaan was een afscheidsgroet geweest.

Het was voorbij. ’t Gewone leven der laatste maanden ving weer aan. Zij zag er tegen op als tegen een zwaren last. Een bitter lachje zweefde om haar mond. Zóó te leven!

Maar het moest! Ze riep haar plichtgevoel te hulp en haar gevoel van eer. Het kon niet anders. Was haar leven vreugdeloos,—welnu, ze zou alles wezen voor haar kind. Die poëzie des levens bleef haar over, en dat plantje zou ze kweeken in haar hart; dat zou ze verzorgen en koesteren tot het een boom werd, die heerlijke vruchten voor haar droeg.

Ze stond op en stak ’t hoofd tusschen de klamboe van ’t kinderbedje. Wat sliep hij heerlijk! Hij zou haar al het andere vergoeden; al het andere, dat het leven haar scheen te onthouden.

Zacht maar hartstochtelijk kuste ze haar jongske, en ze hoorde niet, dat er te gelijk werd geklopt op de kamerdeur.

Eerst toen ze weer kalmer en tevredener was gaan zitten en het kloppen werd herhaald, lette ze er op en deed de deur open. Een bediende bracht een brief.

Wat zou het zijn? Een brief van hem? Ofschoon bevend van ontroering, hield ze zich uiterlijk kalm.

„Is meneer thuis?” vroeg ze den inlander.

„Neen. Meneer is na het eten uitgegaan.”

„’t Is goed!” en langzaam deed ze de deur weer dicht. Zenuwachtig en driftig, nu, draaide ze het licht hooger op en bekeek het adres.

Neen, ’t was niet de hand van Fournier, wiens schrift zij kende. Waarom overviel haar bij die ontdekking een gevoel van teleurstelling? Ze had toch niet gehoopt op zoo iets,—zij die zooeven vrede had gesloten met haar hart, en zoo berustend zich geschikt had in wat noodzakelijk was.

Waarom interesseerde haar die brief nu in ’t geheel niet meer, zoodat ze hem in de hand hield zonder hem te openen, verdiept in haar eigen gedachten?

Onverschillig bekeek ze het adres: ’t was een vrouwenhand, slordig en niet correct. Ze opende de enveloppe met een ivoren vouwbeentje, en terwijl ze dat deed, begon het kind te schreien. Daarom lei ze dadelijk neer wat ze in de hand had, en nam den kleine uit zijn bedje, en schopte te gelijk tegen de baboe aan, die nooit op een andere manier wakker was te krijgen.

Hij keek een oogenblik met slaperige oogjes rond, terwijl Louise hem in de armen hield; na een paar minuten dommelde hij weer in, en zoo zachtjes als alleen een moeder dat kan, lei ze hem weer in zijn bedje.

„Mevrouw!

Uw man bedriegt u. Maanden achtereen komt hij al tweemalen in de week ’s avonds bij een zekere weduwe Donker in gang...., die daar alleen woont met een dochter. Hij is er vanavond weer, en gij kunt u overtuigen, want uw rijtuig wacht vlak tegenover het huis.

Een vriendin.”

Het zou moeilijk zijn te zeggen geweest, welke gewaarwording bij Louise de overhand hield, die van verbazing of van verontwaardiging. Wat was dat nu? Zij dacht aan laster; ’t kon immers niet waar zijn, meende ze; maar als.... Haar doortastende aard kwam boven. Zij hield zich niet op met aan haar bedienden te vragen, wie het briefje had gebracht, want ze wist wel, dat dit toch tot niets kon leiden.

Ze liet eenvoudig den coupé inspannen, beval de baboe goed wakker te blijven en op te passen, en was in tien minuten op weg naar het aangewezen adres. En ze was er kalm onder; zeer bedaard. Ze wilde weten wat er te weten was voor haar, maar in het ergste geval, dat was dus als het waar bleek te zijn, dan kon het haar nog niets hoegenaamd schelen.

Ze reed langs het aangewezen huis: ’t was waar; het rijtuig van Van Velton stond tegen de pagger aan den overkant. Daarop reed ze naar haar vader.

Dokter Van der Linden, die gaarne in zijn vak bijbleef, had juist met de mail zijn medische tijdschriften ontvangen. Hij zat in de achtergalerij in slaapbroek en kabaja geheel verdiept in de studie van wat er op geneeskundig gebied voor nieuws was aan de groote inrichtingen in Europa en Amerika.

Hij hoorde een korten, snellen tred door de binnengalerij naar achter komen, en wist toen dat het zijn dochter Louise was.

Een angstig voorgevoel beving hem.

Zou zijn vermoeden zekerheid zijn, en zou het niet zoo goed zijn afgeloopen, als hij had gedacht? Wat was er bij de heftigheid van haar karakter dan te wachten?

„Wel, kind, hoe kom jij hier nog zoo laat, en alleen?”

„Wilt u dit eens inzien?”

Hij hield den brief onder ’t licht, terwijl zij plaats nam op een divan.

Daar hadt je het gaande! Dat was het werk van Christien Donker. Al had hij haar slordig, slecht schrift niet met een oogopslag herkend, dan zou hij het toch dadelijk hebben begrepen.

Tot zulke gemeene streken was zij alleen in staat.