L. Van Velton-Van der Linden

Part 10

Chapter 104,119 wordsPublic domain

Aan het schitterend diner hield Van Velton een korte, droge speech. Hortense hoorde het aan zonder eenig spoor van aandoening of van sympathie op haar gelaat. Zij zou God danken als het was afgeloopen, want ze was doodmoe van het staan op de receptie en van de drukte der laatste dagen; zij had slechts één verlangen alleen te zijn.... dat wil zeggen: alleen met hem.

Ze zag daar in het minst niet tegen op. Waarom zou ze ook? Hij was immers de man harer keuze.

En die man zag daar wel tegen op. Hij had niets tegen Hortense wat haar persoonlijkheid betrof, maar het denkbeeld, dat er in zijn verhouding tegenover haar een valschheid schuilde van zijn kant, wilde hem niet verlaten, en elk der woorden, dien dag gesproken en doelende op die wederzijdsche genegenheid, welke alle levensstormen tart, hinderde hem; hij wist te goed dat hij niet geven kon wat van hem werd verwacht, omdat hij het niet bezat.

Geen woord, geen blik was tusschen hem en Louise gewisseld. Zij was naar het jonge paar toegekomen en had Hortense met bijzonder groote innigheid gekust; toen had ze hem de hand gereikt, haar groote oogen hadden hem een oogenblik aangezien zonder glans of uitdrukking, en met overigens vriendelijk gezicht had ze hem toegeknikt. Eenigszins verward had hij haar hand gedrukt,—en dat was alles geweest.

Voorzichtig klopte Van Velton een paar weken later aan de deur van Louise’s kamer.

„Mag ik binnenkomen?”

„Jawel!”

Zij lag te bed. Ze had in den laatsten tijd erg aan koortsen gesukkeld en dat had haar schromelijk doen vermageren.

Vóór het bed speelde de kleine, die er gezond en frisch uitzag, maar bij het binnenkomen van den oorsprong zijns bestaans al even weinig vreugde betoonde als deze zelf.

„Hoe gaat het?”

„Zoo.”

„De dokter is bij me geweest; hij vindt het noodig dat je voor een maand of wat naar boven gaat.”

„Hij heeft het me ook gezegd, maar ik heb er weinig lust in.”

„’t Is toch zoo heilzaam.”

„Voor andere gestellen misschien, maar voor het mijne niet. Ik kan heel goed tegen de kou in Europa, maar niet tegen de kille berglucht hier op Java; daar krijg ik buikziekte door.”

Een idée vloog hem door het hoofd, dat hem wonderlijk bekoorde. Europa! Zij keek hem aan, en hij had een gevoel, alsof ze zijn gedachten las op zijn gezicht.

„Ik wil wèl,” ging ze voort, „voor een of twee jaren naar Holland gaan. Dat zal goed zijn voor mij en voor ’t kind ook.”

„Wel.... ik heb er niets tegen. Ik zal het den dokter.....”

„’t Is niet noodig, want ik heb hem er al over gesproken. Hij vond het goed, maar niet noodzakelijk, en raadde het niet aan, omdat hij meende dat het zoo’n derangement voor ons zou zijn.”

„En wanneer zou je dan willen gaan?”

„Hoe eer hoe liever.”

Van Velton kreeg nog een idée.

„Als je papa eens meeging?”

„Dank-je.”

Hij drong er niet op aan, maar schreef een kort briefje aan zijn schoonvader met de mededeeling van het plan en een bedekte zinspeling op de wenschelijkheid, dat ze onder geleide reisde. Geen uur later zat dokter Van der Linden bij zijn dochter.

„En daar heb je me gisteren niets van verteld?”

Hij behandelde haar niet, maar kwam toch elken dag eens naar haar kijken.

„Het is vanochtend pas opgekomen.”

„Ik heb een plan.”

„En dat is?”

„Ik ga mee.”

„Dank u. Ik ga alleen.”

„Dus,” zei haar vader zeer geraakt, „je wilt van mijn gezelschap niet gediend zijn?”

„Neen. Ik heb volstrekt geen reden om daarop gesteld te wezen, pa. Daar hebt u me niet naar behandeld.”

Hij drukte de lippen samen; het deed hem erger aan dan hij wel wilde bekennen. Om zijn aandoening te verbergen, liep hij met de handen op den rug ’t vertrek op en neer. Hij had veel willen zeggen, veel verklaren en toelichten, maar hij was er niet toe in staat. Daarom nam hij zijn hoed en zei norsch:

„Ik zal morgen wel eens terugkomen om met je te spreken.”

Zijn ontroering had haar getroffen, vooral omdat hij niets had gezegd wat hem kon verschoonen of dat verwijtend was voor haar.

Hij was toch haar vader, en afgescheiden van die leelijke geschiedenis, was hij altijd goed voor haar geweest.

Toen ze nog samen woonden en zij nog een meisje was, had hij haar altijd in alles haar zin gegeven en haar volkomen meesteres gelaten over huis en goed, zonder ooit rekenschap te vragen van wat ze deed. Nooit had hij haar iets geweigerd; nooit haar iets opgedrongen, dat haar onaangenaam was.

Den volgenden dag, toen hij met een ernstig gezicht naast haar kwam zitten en met zekere plechtigheid begon te zeggen:

„Louise, je hebt me gisteren....” viel zij hem met een driftig gebaar in de rede.

„Soedah, papa, het was niet goed van me. Ik weet wat u wilt zeggen. Zwijg er maar over. We gaan samen naar Holland.”

Hij keek haar onderzoekend aan.

Welk een vreemd schepseltje was zij toch!

„Het is goed, Wies. We zullen samen gaan. We hebben thuis samen altijd een rustig en aangenaam leven geleid. Dat zullen we ginder ook wel, nu met ons drieën.”

Hij verweet haar niets. Geen hard woord kwam over zijn lippen. Zeker, ze had een goed en gezellig home gehad bij hem!

Haar zwakheid, na die koortsen, maakte dat de ontroering haar te sterk werd. Ze lei haar vermagerd gezicht tegen zijn schouder, zooals ze dikwijls bij hem had gezeten ’s avonds in de achtergalerij, toen ze nog een kind was, en in stilte vloeiden haar tranen.

Dokter Van der Linden kon niets zeggen om haar te troosten, vanwege het iets dat hem in de keel zat; alleen streelde hij haar rijke, blauwzwarte haren en drukte haar bemoedigend de hand.

„Kom, Wies,” zei hij, toen hij zijn eigen zenuwen weer meester was, „kom, je moet nu niet daaraan toegeven.”

Met een zucht richtte zij zich op.

„Ach paatje, ik ben zoo ongelukkig!”

„Dat zal wel beter worden. Als je weer geheel hersteld bent en we hier uit dat vervloekte mooie huis zijn, dan komt alles terecht. Dan gaan we een heerlijke zeereis maken. Te Napels aan den wal, ’n reisje door Italië, niet vliegend, maar op ons gemak. Midden in den zomer komen we in Holland; we blijven er tot den winter. Dan eens naar Parijs.... Allons, het leven is op die manier nog zoo kwaad niet; dat zal je meevallen.”

Het fleurde haar wezenlijk op. Glimlachend hoorde ze haar vader over al ’t genot spreken, dat die reis hun kon verschaffen.

Hij had ’t kind op de knie genomen en liet het paardje rijden, zoodat het gilde van pret.

„En dan gaan we ’s middags toeren met dit jonge mensch,” lachte hij tusschen de exercitie door, „en dan kleeden we hem keurig netjes aan.... en dan gaan we buiten met hem in het gras rollen.... dan krijgt hij ’n kleur als ’n perzik....”

Het scheen dat Van Velton de stoomvaartmaatschappij betooverd had, want ofschoon er op de eerst vertrekkende boot geen plaats was, slaagde hij er toch in plaats gemaakt te krijgen voor zijn familieleden.

Zijn uiterste best had hij gedaan, en gedurende de dagen, die het vertrek voorafgingen, was hij zoo extra vriendelijk en dienstvaardig, dat Louise niet kon nalaten het te appreciëeren, al begreep ze heel goed uit welke bron dat voortkwam.

Royaal was hij zeker. Zij kon niet spreken van iets, dat ze gaarne mee zou nemen, of het was er, onverschillig wat het kostte; hij opende haar een onbeperkt krediet te Amsterdam, wat hij overigens onbezorgd kon doen, omdat hij wel wist, dat ze er toch nimmer misbruik van zou maken.

Maar het streelde haar toch, dat hij zulk een onbeperkt vertrouwen in haar stelde. Hij gaf haar een vrij groote som aan sovereigns mee en een veel grootere aan wissels,—kortom hij hield zich in dit opzicht bijzonder kranig, zooals dokter Van der Linden, die daardoor weer meer was toegenaderd, met een soort van bewondering getuigde.

Op den dag der afreis was Van Velton de affabiliteit en de toeschietelijkheid zelf, en toen hij met de Tjiliwong terugvoer, wuifde hij nog lang, nadat men daarmede aan boord van den stoomer had opgehouden, met zijn zakdoek.

Een zucht van verlichting ontsnapte hem toen hij den doek in den zak stak, zich omkeerde en ging zitten.

Goddank, goddank! Dàt was afgeloopen!

Naast hem zat een bekende, die een jongetje had weggebracht, dat zijn opvoeding in Europa moest krijgen. Nu en dan veegde hij zich een traan uit het oog.

„Het is hard, meneer Van Velton, ze te zien vertrekken.”

„Zeg dat wel,” zei deze met een gelegenheidsgezicht.

„Hij is nog zóó jong.”

„Ja, maar zijn moeder en zijn grootvader zijn bij hem.”

„Pardon, hij gaat alleen.”

„Hm?”

„Ik sprak over mijn zoontje.”

„O.... dat verandert. Ik dacht dat u het over mijn kleine had.”

„Ja, het is voor u ook een heele zaak.”

„Welke zaak?”

„Dat mevrouw en ’t kindje zoo naar Europa gaan.”

„O ja! ’t Is verschrikkelijk. Ja, man, dat is erg onaangenaam.”

„Was mevrouw ziek?”

„Ja.”

„Dat kon men haar wel aanzien. Die jongen van me is ’n aardige kerel. Ziet u, ik had hem graag hier gehouden, maar er gaat niets boven een opvoeding in Holland.”

„Neen zeker niet.”

„Daarom zei ik tegen mijn vrouw: het moet; het is in zijn eigen belang. Voor geen geld had ik mijn vrouw mee naar de boot genomen. Het zou een scène van belang zijn geweest.”

„Zeker, zeker. Neen, dat is heel verstandig van je.”

„Het heeft me ook erg aangegrepen,” ging de geschokte vader voort, terwijl de tranen hem weer in de oogen kwamen. „Men hecht zoo aan de kinderen.”

Van Velton was woedend. Hij had het kunnen uitschreeuwen van pret over het heuglijk feit, dat hij ’t heele zootje zoo netjes en zoo vlug naar Europa had geëxpediëerd, en daar kwam nu die man hem aan de ooren leuteren over dien kwajongen!

„Heb je ook nog Mumm in voorraad; van die je laatst hadt?”

„Welzeker. Hoeveel wilt u hebben?”

Van Velton deed een bestelling, welke de ontroerde vader verheugd in zijn boekje aanteekende; hij kon nog wel wat van „dat goed” gebruiken voor de schepen, en dan hield dat vervelende mensch zijn mond over zijn vadersmart.

„Hoe is het toch met die beschadigde factuur, waarvan je me laatst sprak?”

De afleiding hielp, en zonder verdere aandoenlijkheden, maar sprekende over zaken, bereikte Van Velton den Boom.

Hij ging dien dag niet naar het kantoor. Het stond vooreerst niet, met het oog op de verplichte droefheid, en dan, hij wilde genieten van zijn heerlijk verlaten huis.

Hij liet champagne en havana’s vóórbrengen en liep daarbij op en neer, alsof hij zijn achterstand in vertoon als baas en meester ineens wilde bijwerken.

Hortense was niet aan boord geweest; zij was ziek, en er deden zich bij haar verschijnselen voor, die Van Velton deden vreezen, dat hij spoedig een gelid verder achteruit zou gaan in de rijen der menschheid.

Fournier was „voor zaken” op reis; bezoek viel er van dien kant dus niet te verwachten. Gelukkig! Hij wilde dien heelen dag alleen zijn. Alleen met zijn groot, prachtig gemeubeld huis, waarin hij nu weer den staf kon zwaaien; waarin hij geen kindergeschreeuw meer zou hooren, en niet langer zou blootstaan aan verwoede hatelijkheden en nijdige gezichten; waar hij weer den moed zou hebben om te doen en te laten wat hij verkoos.

Toen Louise het gezicht van haar man niet meer kon zien, loosde zij een zucht van verlichting. Eindelijk zou ze dan van hem ontslagen raken! Eindelijk zou ze niet langer genoodzaakt zijn die gehate valsche tronie elken dag te zien!

Zij had niet meegedaan aan de comedie, die bij het afscheid nemen was gespeeld door Van Velton en den dokter, al had haar vader er ook op aangedrongen, dat ze, om de wereld te bedriegen, zich minder onverschillig zou toonen.

Toen hij van boord vertrok, had ze „bonjour!” gezegd op een toon, zóó minachtend, dat het Van Velton, hoe gewoon aan haar manier van spreken, en hoe daartegen ook gepantserd, door merg en been was gegaan, en de dokter een kleur had gekregen, wat wel een buitengewone beschaamdheid te kennen gaf.

Doch Van der Linden wilde haar den eersten indruk niet bederven aan boord.

„Zit je daar goed, Wies?” vroeg hij. „Is het daar niet winderig?”

„Neen pa, ik zit hier goed. Ik zou hier nu goed zitten al was het op naalden, pa. Nooit, nooit heb ik begrepen welk een afschuw ik heb van dien leelijken kerel!”

„Sst, Louise! Spreek toch zoo hard niet. ’t Is hier zoo gehoorig!”

„’t Kan me niet schelen; ik ben er zóó bosèn van!”

De reis ging voorspoedig en oefende op de jonge vrouw een gunstigen invloed uit.

’t Gezelschap der reisgenooten was minder aangenaam. Heeren, die van den ochtend tot den avond speelden; zieken, die, altijd knorrend, hun levers lieten repatriëeren; dames, lijdende aan bloedarmoede en zeeziekte; woelige ondeugende kinderen, waartegen dokter Van der Linden zijn kleinzoon herhaaldelijk moest beschermen,—dat waren met eenige officieren, een suikerfabrikant en een paar Engelsche reizigers voor machinen-fabrieken zoowat de medepassagiers van Louise.

Maar de heerlijke, zuivere zeelucht deed haar goed. De koorts verdween, en soms had ze een gevoel, alsof ’t leven opnieuw voor haar aanving. Dan schenen haar de wolkjes zoo mooi, die aan den blauwen hemel dreven, de golfjes zoo helder, die spelend uiteenspatten tegen den wand van ’t schip; dan klonk het klapperen der zeilen haar zoo vroolijk in de ooren, dan voelde ze dat haar krachtig gestel de overhand nam en haar gezondheid terugkeerde.

Zij werd aan boord bejegend met een voorkomendheid, die veel dames ergerde. „Zij betaalden toch net zoo goed haar passage,” als die dame van ’t Koningsplein te Batavia, maar tegen deze was de commandant altijd het voorkomendst, en de administrateur ook, en de hofmeester en de bedienden vlogen voor haar.

Het was waar. Maar ofschoon zij haar passage evengoed betaalden, hadden die dames geen echtgenooten, die elk jaar duizenden pikols suiker en koffie met booten der Maatschappij lieten afschepen.

En iedereen moet toch zorgen dat hij in de eerste plaats zijn beste klanten tot vriend houdt, en dat deden die dames ook, wanneer ze bijzonder beleefd en gedienstig waren voor de echtgenooten van heeren, die hooger stonden op de maatschappelijke ladder, dan haar eigen mannen; maar dat begrepen ze niet.

Er heerschte een groote naijver onder de dames. Louise had dat opgemerkt, en daarom trok zij zich meer terug. Wat raakten haar die menschen?

Slechts met een paar families ging ze geregeld om: die van den gepensioneerden kolonel Van Stralen en van den suikerfabrikant Beynen. Een jong marine-officier, ook als passagier aan boord, maakte haar regelmatig het hof, en zóó was ze niet, of ze liet zich dat met gratie welgevallen.

Ze was immers een mooi vrouwtje; ze wist, dat ze het was, en ze nam de hulde aan haar persoonlijkheid als iets, dat haar rechtmatig toekwam.

Zóó zaten ze in een kring op en bij de kap van de kajuit hun kopje chocolade te slorpen.

„Nu ziet u eens, mevrouw Van Velton,” zei de luitenant ter zee Van Hoven, „hoe heilzaam de zee is. Den eersten dag aan boord zag u er bepaald slecht uit, en nu....”

„Slecht uit, meneer!” riep de kolonel lachend: „dat is wat moois! Ik vind, dat mevrouw Van Velton er nooit slecht uitzag.”

„Laat den kolonel maar praten, meneer Van Hoven,” zei mevrouw Beynen. „Hij is vanochtend weer op zijn plaagstoel; hij heeft mij ook al het hoofd warm gemaakt.”

„Ik wou, dat ik daartoe nog in staat was; maar mijn baard is te grijs, mevrouwtje.”

„Mevrouw Van Velton weet wel, dat ik „slecht” bedoel in den zin van ziek,” meende de luitenant.

„Jawel, jawel! De jongelui weten er altijd wel wat op te vinden. Nu, ik liet het er niet bij, dokter, als ik u was.”

Dokter Van der Linden, behaaglijk in een rotanstoel uitgestrekt, zei, dat hij ’t hen maar samen liet uitvechten, terwijl hijzelf met een kijker naar een schip in de verte tuurde, en met Beynen disputeerde over de gewichtige vraag of het een mee- dan wel een tegenlegger was.

Nieuws had men elkaar niet meer te vertellen. Iedereen had zijn voorraad geestigheid in de weken, die men tusschen de reelings bijeen was, uitgeput, ’t Was meest bitjara-kosong, wat men nu ten beste gaf, en de kleinigheden, die men waarnam, boezemden levendige belangstelling in.

„Ik heb al driemaal de reis gemaakt,” zei de kolonel, „en altijd heb ik me voorgenomen mijn tijd nuttig te besteden door een werk te schrijven over de bewapening van het leger; het is er nooit van gekomen, en ik zie niet, dat er ook nu iets van komt.”

„Precies zoo ging het mij; ik heb een brochure in het hoofd over de titrage van suiker en ik had me voorgesteld, die aan boord uit te werken. Er staat nog geen letter op ’t papier.”

„En,” voegde mevrouw Beynen er bij, „er zal wel niets van komen, vent.”

Ook de dames verkeerden in ’t zelfde geval, met werkjes, die zij gedurende de reis van plan waren geweest uit te voeren.

„Brieven schrijven,” meende mevrouw Van Stralen, „dat gaat nog. U schrijft ook elken dag?” vroeg ze den marine-officier.

„Ja, mevrouw, maar geen brieven.”

„Een boek?” vroeg de kolonel belangstellend.

„Betrekkelijk. Ik houd mijn dagboek bij.”

Dat vond men interessant; iedereen speet het, dat hij of zij het ook niet deed. Als men dien luitenant zag, dacht men onwillekeurig aan dat dagboek, en had iedereen wel eens gaarne willen weten, wat zoo’n jonge man daar toch wel inschreef.

In den namiddag wandelde Louise met mevrouw Van Stralen op het dek heen en weer, terwijl mevrouw Beynen zat te praten met den kolonel.

Dat laatste zag men nogal eens. Wel had de kolonel gezegd dat hij door zijn grijzen baard volmaakt onschadelijk was, maar dat meende hij niet, en, voor zoover dat tegenover zijn eigen vrouw kon geschieden, maakte hij werk van de vrouw van den suikerlord, die er niets van merkte en wien het ook trouwens niet schelen kon, zoodat hij er minder op lette. Intusschen keek de kolonel steeds met vriendelijke blikken naar den gevulden hals en de mollige armen der suiker-lady, en waagde de oude krijgsman zich in gedachten telkens op zeer glad ijs.

„Ik zou toch wel eens willen weten,” zei mevrouw Van Stralen, „wat die Van Hoven alzoo in zijn dagboek schrijft.”

„Is u daar zoo nieuwsgierig naar?”

„Ronduit gezegd, ja.”

„Waarom? Het zal, dunkt me, juist zoowat zijn als andere dagboeken.”

„Heb je er wel eens een gelezen?”

„Nooit anders dan in boeken.”

„Nu, zie je wel? Dat zijn de ware niet; die maken de romanschrijvers maar zelf.”

„Ze zullen het, zou ik zeggen, nog mooier doen, dan iemand die geen schrijver is.”

„Mooier misschien; maar een wezenlijk dagboek is waar, en daarom is het me te doen. En ik vind dien Van Hoven nu juist iemand om ’n echt dagboek te schrijven.”

„O, hij is een zeer ontwikkeld mensch.”

„Juist. En me dunkt, hij heeft zoo’n goed oordeel.”

„Maar wat woudt u dan toch eigenlijk weten?”

„Wat ik weten wil? Wel,” zei mevrouw Van Stralen zacht aan haar oor, „ik wil weten wat hij van ons schrijft en van de anderen in de „club.””

„Club” was de naam, die de andere passagiers hadden gegeven aan het gezelschap, waartoe Louise behoorde en dat zich weinig met de anderen inliet.

Zij kleurde even. Het interesseerde haar ook zeer. Daar kwam hij aan, met zijn frisch en opgewekt gezicht, zijn goedgebouwde figuur en zijn vlugge bewegingen. Een knappe jongen was hij.

„Mag ik meewandelen, dames?”

„Welzeker.”

„Dan kunt u in uw dagboek zetten: Hedennamiddag, zóóveel glazen in de wacht, op en neer geloopen met twee dames.”

Men lachte.

„Dat schijnt u toch maar erg te interesseeren,” zei hij in antwoord op de ondeugende scherts van mevrouw Van Stralen.

„Heer neen! ’t Kan me hoegenaamd niets schelen. Wat zegt u, mevrouw Van Velton?”

„Dat hangt van den inhoud van ’t boek af. Misschien wil meneer Van Hoven ’t ons wel eens laten lezen.”

Hij kreeg een kleur en zei een beetje verlegen:

„Neen, dat kan ik niet, mevrouw. In zijn dagboek....”

„Nu?” vroeg mevrouw Van Stralen erg nieuwsgierig.... „Ga verder.”

.... „moet men zoo goed als biechten, en dat kan men maar zelden tegen anderen.”

Naast Louise gaande, trachtte hij het gesprek op een anderen boeg te wenden, maar mevrouw Van Stralen liet hem niet los.

Zij riep haar man, zij riep Beynen en diens vrouw, dokter Van der Linden en de geheele club, om hen voor te stellen een jong officier, die bepaald zonder zonde was, omdat hij elken avond biechtte.

Men schertste en had een pleizier van belang, en Van Hoven nam handig zijn partij en maakte grappen mee.

Omstreeks middernacht ontwaakte Louise Van der Linden door een zacht kloppen aan de deur harer hut. Het was stil aan boord, de passagiers sliepen; slechts door de ventilatie-openingen boven aan den wand der hutten drong hier en daar het geluid door van een slaper, die onbescheiden ronkte; nu en dan verhief zich ’t gekrijsch van een zuigeling, spoedig vervangen door het tijdelijk neuriën van een meereizende baboe; daarna bepaalde zich alles weer tot de bekende geluiden van den stoomer.

Verschrikt en wantrouwend rees Louise op van de couchette.

„Wie is daar?”

„Ik,” zei een zachte stem. „Doe open.”

„Wie is het dan?”

„Ik.... mevrouw Van Stralen.”

Voorzichtig deed ze open en tegelijk schoof de vrouw van den kolonel naar binnen. Ze was een beetje bleek en zenuwachtig. Van onder haar kabaja haalde ze een in zwart linnen gebonden boek te voorschijn, van het formaat en het aanzien van een gewoon koopmansboek.

„Ik heb het!”

Louise keek haar verwonderd aan.

„Wat bedoelt u?”

„Wel, het dagboek van Van Hoven.”

„Heeft hij het u toch gegeven?”

„Wel neen, ik heb ’t laten wegnemen.”

„Mijn God, mevrouw, hebt ge het laten wegnemen?”

„Wel ja. Er steekt immers geen kwaad in. Ik heb zijn kamerjongen een fooitje gegeven; die heeft het stilletjes uit zijn hut gehaald en zal het er straks weer inleggen. Maar ik wil toch weten wat die marine-luitenant wel van ons in dat boek schrijft.”

„Maar is het niet verschrikkelijk indiscreet?”

„Gekheid, ’t Is immers met geen kwade bedoeling; een aardigheid, anders niet. En hij zal er niets van te weten komen.”

Omdat zij met haar kind reisde, genoot Louise des nachts van een licht, dat in een hoek van den wand bevestigd en door een lantaarn beveiligd, alle waarborgen opleverde tegen brand.

Samen in sarong en kabaja zaten ze naast elkaar op den rand der couchette. Mevrouw Van Stralen hield het dagboek geopend op haar knieën en las bij het flauwe schijnsel van het licht.

Vlug bladerde mevrouw Van Stralen het boek door. Daar had ze het!.... De datum van afvaart uit Indië; de rest interesseerde haar niets hoegenaamd.

Februari 16.

Vroeg aan boord gekomen met de sloep van het wachtschip. Het gezelschap voor de reis is niet veel bijzonders. Meestal verschrikkelijke poenen. Een oude plebejer bracht een allerliefst jong vrouwtje aan boord; ik geloof, dat het haar man is, ten minste haar vader kan het niet zijn, want die doet ook de reis mee.

De algemeene voorstelling heeft plaats gehad, ’t Mooie vrouwtje heeft geen concurrentie onder de dames-passagieressen; zij is in haar hut gegaan en den heelen dag niet te voorschijn gekomen. De commandant van de boot is, voor zooveel mogelijk, een gentleman, en geen oude schipper naast God. Onder de poenen bevinden zich allerlei lui. Uitzonderingen maken een paar bejaarde heeren met fatsoenlijke gezichten. Er is een kolonel bij; zijn naam kon ik niet goed hooren, toen ik hem werd voorgesteld; ik moet daar morgen dadelijk naar informeeren. Ik was vandaag erg flauw van het afscheid nemen, den heelen nacht niet geslapen en altijd maar hijschen! Zware dienst. We vertrokken met mooi weer.

Februari 18.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

De kolonel heet Van Stralen en is een jolly old fellow, dien ik ondanks zijn vijftig jaren in staat acht om in Europa alle dienstmeisjes na te loopen. Zijn vrouw is een lieve vrouw, als ze niet al te veel praat. Ik heb me zoowat bij de familie opgeschoten, benevens een onsmakelijken suikerboer met een aardig wijfje, op wier zwellende vormen mijn kolonel zich de oogen blind kijkt....

Mevrouw Van Stralen hield een oogenblik op en keek Louise aan met een vragenden blik.

„’t Is onbeschaamd.”

„Hij schrijft van u geen kwaad.”

„Neen, maar wat hij van den kolonel durft schrijven.... Een luitenant!”

Louise lachte.

„En als nu eens een andere kolonel het had geschreven, kwam het er dan niet op aan?”