L. Van Velton-Van der Linden

Part 11

Chapter 114,127 wordsPublic domain

„Kind,” zei mevrouw Van Stralen, „dat zou een hoofdofficier nooit doen.”

„En wat denkt u te doen?”

„Ik? Wel niets,” zei mevrouw Van Stralen glimlachend. „Ik heb geen vrees voor mijn veteraan. Laat hem maar gerust het hof maken aan mevrouw Beynen en laat hem mijnentwege al de neepjeskapjes te Amsterdam naloopen....”

„Is er dan geen goede verhouding bij u.... Ik dacht toch....”

„Wel de verhouding, kind, is opperbest. Ik ken mijn man al zooveel jaren. Hij maakt, ’t is waar, alle dames het hof en daarom is er geen kwaad bij.”

Toen Louise haar ongeloovig aankeek, vervolgde zij:

„Het is wezenlijk waar. Ik heb er, toen ik pas met hem getrouwd was, dikwerf ernstige onaangenaamheden over gehad. Hij kan het niet nalaten. Als er een dame in het gezelschap komt, dan stelt hij zich in postuur, glimlacht, is vol attenties,—en doet zóó dat het iedereen in het oog loopt. Het is gewoonte, anders niet, en hij komt nooit verder. Ik weet zeker, kind, dat hij nooit tot daden zal komen. Elk mensch heeft zijn Rubicon en dien heeft mijn oudje ook.”

Zij lachten samen op gesmoorden toon.

Februari 20.

Zij heet van den kant des plebejers Van Velton en van zichzelve Louise Van der Linden. Vandaag is zij voor het eerst boven geweest; ik heb een uur met haar zitten praten. Het is geen vrouw, al heeft ze haar kindje bij zich, of liever al speelt de oude dokter voor de baboe van haar kind; al heeft ze dien meneer Van Velton tot man; neen, zij is geen vrouw, ze is een meisje. Ze maakt niet den indruk van een getrouwd wezen. Alles aan haar schijnt rein en maagdelijk. Zij heeft de prachtigste oogen ter wereld. Tusschen het zeil door viel er terzijde een straaltje in van de ondergaande zon, en het tooverde een donkergouden gloed, onbeschrijfelijk schoon....

„Loh!” riep mevrouw Van Stralen luid en op komieken toon de Indische spreekwijze nabootsende. „Hij perliep met jou.” Louise lachte ook, maar niet van harte. Al die vleiende loftuitingen over haar schoonheid deden haar oogen glinsteren en ontroerden haar zeer.

Mevrouw Van Stralen zat weer in het dagboek verdiept. Zij las echter niet meer luid, maar doorliep vluchtig de bladzijden en sloot het boek.

„Er staat niets meer in.”

„Laat me eens zien!”

„Neen. Het is niet goed voor je. Ik wil je wel zeggen dat het vol staat met opgeschroefde volzinnen over je handen, je tanden en nog veel meer.... Als getrouwde vrouw zal je zulk een adoratie van een jonkman, die niets anders te doen heeft, zeker niet interesseeren.”

„Och.... zoo....!”

„Nu, het is beter dat je die dwaasheden niet aan het hoofd worden geleuterd. Er staat nog iets in over Van Stralen en mevrouw Beynen. Ik zal toch voor alle zekerheid mijn veteraan in het oog houden; als hij soms den Rubicon mocht willen overtrekken.... Adieu, ik ga ’t boek weer op zijn plaats laten leggen.”

De luitenant had blijkbaar niets bespeurd van de groote indiscretie der nieuwsgierige dames. Hij sliep in zijn kooi, met de deur van zijn hut open, en alleen het groene gordijntje voor de deuropening dicht geschoven.

Mevrouw Van Velton-Van der Linden kon den slaap niet vatten.

Het was alsof zij in een andere wereld leefde.

Zij had als meisje haar aanbidders gehad en ook als vrouw was menig compliment aan haar besteed. Maar die onbewimpelde hulde aan haar schoonheid, die ze zoo had hooren voorlezen, had haar meer getroffen dan ze ooit zou hebben voorondersteld.

Welke gedachten haar door het hoofd vlogen.... ze zou voor alle schatten der aarde die niet in woorden hebben uitgesproken.

Kolonel Van Stralen was wakker geworden toen zijn vrouw binnenkwam; zij was aan ’t praten geraakt, en terwijl hij stil als een muis in de couchette lag, die aan zijn breedgebouwde persoonlijkheid nauwelijks een plaatsje bood, meende hij half dommelend, dat hij uit de couchette aan den overkant zoo iets als een gemoedelijk bedsermoen te hooren kreeg.

De wind stak op, geheel onverwacht, en de zee, eerst zoo effen, dat het was alsof de stoomer er doorschoof, werd onstuimig.

De boot slingerde en stampte; een glas, dat los was blijven staan op het buffet, viel in de kajuit aan scherven. Hier en daar in de hutten der passagiers raakten haarborstels, boeken, handkoffertjes en andere losse voorwerpen in beweging.

Luitenant Van Hoven had een jasje aangeschoten en was naar boven gegaan, aan dek. Mevrouw Van Velton-Van der Linden was in haar eenigszins amoureuze overpeinzingen op hoogst onaangename wijze gestoord door een naar en zeer onpoëtisch gevoel van zeeziekte. Weg illusies! ’t Kind schreeuwde en de baboe steunde dat ze zoo sakit keras was. Alle kinderen in de hutten verhieven hun stemmen. Onvoorzichtige passagiers, die slaapplaatsen hadden onder patrijspoortjes, die ze open hadden laten staan, sprongen vloekend er uit, kletsnat door een puts binnengolvend zeewater. De kolonel sliep er lekker doorheen, droomend van al de mooie vrouwen, die hij in gedachten had veroverd; het bedsermoen hield op en werd vervangen door een akelig zuchten, dat weldra in heviger geluiden overging.

Van de equipage bemoeide zich niemand in dit moment met de passagiers. Alleen werd alles zooveel mogelijk gesloten. ’t Was zwaar weer geworden, heel onverwacht; van gevaar was echter geen quaestie, ofschoon van de reizigers velen zich in stilte bevreesd maakten dat hun laatste uur was geslagen.

Wel was het mooi weer den volgenden ochtend; wel was de hevige wind overgegaan in een lekker koeltje, maar het natte element was nog niet tot rust gekomen, en de bewegingen van het schip waren er nog niet op verminderd.

Aan de lunch waren geen dames. Hier en daar zag men een draaierige inlandsche vrouw met een njootje of een nonnaatje in de slendang, dat lusteloos het bleeke kopje op haar schouder heen en weer liet bengelen.

Verscheiden heeren, die zich zeer dapper hielden, bestreden de zeeziekte met droog brood of beschuit, maar ontstelden plotseling en werden erg bleek op het zien,—maar vooral bij het ruiken van gebraden varkenslapjes, die hen werden voorgediend. Het scheen dat die lapjes hun moed den genadeslag gaven, want met een half verlegen blik en een pijnlijken trek op ’t gezicht, die een glimlach moest verbeelden, retireerden zij naar hun hutten. Enkelen hielden nog vol, tot ze eindelijk, toen ’t varkensvleesch reeds lang gepasseerd was, toch voor den biologeerenden invloed der lapjes moesten zwichten, en gesteund door een stijf tegen den mond gedrukt servet, den aftocht bliezen.

Des middags ging het een beetje beter. De dames vertoonden zich en luitenant Van Hoven haalde de dames Van Stralen en Van Velton, die erg bleek zagen, uit de kajuit naar boven, om op de kampanje wat frissche lucht te scheppen.

Ook daar waren mannelijke strijders tegen den invloed van Neptunus. Zij liepen met versnelden pas, alsof ze groote haast hadden, van voor naar achter en vice-versa.

Mevrouw Beynen lag sprakeloos in een stoel, en de kolonel, die nu niemand had om het hof te maken, staarde mistroostig over de reeling naar het rusteloos spel der golven.

Toen eenige dagen later het gezelschap weer compleet was en met de zee de magen der passagiers weer tot kalmte waren gekomen, had mevrouw Van Stralen een apartje met dokter Van der Linden. Zij had haar man, den kolonel, gezegd, dat ze den dokter wilde wijzen op het gevaar, dat Louise liep.

„Welk gevaar?” vroeg hij verwonderd.

„Zie je dan niet dat luitenant Van Hoven mevrouw Van Velton op een haast ongepaste manier het hof maakt?”

„Nou ja!”

„En zie je niet dat ze hem aanmoedigt; dat ze er behagen in schept?”

„Hoor eens, je ziet overal gevaren. Ik vind dat je overdrijft.”

„Dat doe ik niet. Ik wil den ouden heer waarschuwen.”

„Ga je gang. Als je er mij maar buiten laat.”

„Integendeel. Ik wou het hier doen in onze hut en in jouw bijzijn.”

„Dankje feestelijk, hoor! Ontvang jij dien dokter maar alleen; daar steekt niets in.”

De kolonel was niet te bewegen om ’t gesprek bij te wonen. Vooreerst vond hij het ongemotiveerd, en ten tweede was hij van oordeel dat de dokter, wanneer mevrouw Van Stralen hem zoo iets zei, waar hij, kolonel, bij was, ook verplicht zou zijn om hem, kolonel, uit te dagen.

Toen de dokter zijn partijtje had geschaakt met den commandant, vroeg mevrouw Van Stralen hem even mee te gaan naar haar hut. Hij volgde zonder buitengewone nieuwsgierigheid. De scheepsdokter was nog een jong man en hij dacht dat mevrouw Van Stralen misschien over „iets”—wat dan ook—liever een bejaarder geneesheer wilde raadplegen. Zoo zijn wel eens de dames; dat wist hij bij ervaring.

„Er scheelt toch niets aan?” vroeg hij machinaal toen ze het kleine vertrekje binnentraden.

„Volstrekt niet. Bovendien, ’t betreft niet mijn persoon, dokter.”

„Zoo!” zei de heer Van der Linden. Drommels, zou het den kolonel betreffen? dacht hij, maar dat zei hij niet.

„Het betreft uw dochter.”

„U zet zoo’n ernstig gezicht. Maak me niet ongerust, asjeblieft.”

„Daarvoor is nog geen reden, maar het kan zoover komen. Zult u mij niet kwalijk nemen als ik openhartig spreek?”

„Volstrekt niet.”

„Welnu, let dan wat meer op Louise en blijf in haar gezelschap.”

„Zij is haast altijd in het uwe, ik dacht dat ze daar goed was.”

„’t Is onvoldoende. Bovendien, ik wil mijn vrijheid hebben.”

„Ik ook.”

„Spot nu niet, dokter. Wezenlijk, het is waar. Ik acht tusschen Van Hoven en Louise t’avond of morgen alles mogelijk.”

„De mogelijkheid ontken ik niet; dat zou me leed doen. Wel ontken ik de waarschijnlijkheid.”

„En ik zeg u dat ook die groot is.”

„Wilt u misschien zeggen dat ze op dat jonge mensch verliefd is?”

„Volstrekt niet, dokter. Als hij morgen van boord gaat en zij ziet hem nimmer terug, zal ze er geen traan om laten.”

„Welnu, dan zie ik ook niet in....”

„Beste dokter, ik dacht dat ge meer ervaren waart in dat opzicht. Lange zeereizen zijn voor de deugd van jonge menschen, die den geheelen dag samen zijn in zoo’n kleine ruimte, zonder ander tijdverdrijf dan eten, drinken en slapen, ware hinderlagen. Zijn er geen voorbeelden genoeg van? Ik weet niet wat het is, maar ’t bestaat, en het heeft met de gewone liefde niets gemeen.”

„’t Is mij al te wijs, mevrouwtjelief,” zei de dokter, die dat alles reeds jaren op zijn duimpje wist, maar reden had zich van den domme te houden. „’t Is mij al te wijs. Enfin, ik zal eens toezien, en ik dank u.”

„En u neemt het me heusch, heusch niet kwalijk, dokter?”

„Wel neen, zeker niet.”

Zij vond het toch wel een beetje gek.

Welke zonderlinge principes moest die oude heer er op na houden! Zij ging spoedig naar boven om eens te zien wat hij doen zou.

Louise stond op de reeling geleund en keek naar beneden in het water, terwijl de punt van haar schoentje op het ijzeren vlechtwerk rustte.

Van Hoven, die met uitgestrekten arm een der touwen had gegrepen, lag half met den rug naar zee gekeerd, ook tegen de reeling naast haar. Hij was aan het woord; zij glimlachte en keek omlaag.

Van de op het dek zittende en wandelende passagiers schenen zij weinig notitie te nemen.

De dokter, die van den anderen kant kwam, vond het een aardig gezicht. Het fijne, donkere vrouwtje, door wier zwarte haren de zeewind speelde, en de kloeke, blonde zeeman; er was harmonie in het contrast vond hij, maar toch scheen het hem nu ook toe dat het niet verder moest komen met die „harmonie”; ’t was wèl zoo.

„Wel meneer Van Hoven, wat sta je daar te philosopheeren?” vroeg de dokter met zijn onaangenaamste bonhomie.

De luitenant kreeg een kleur.

„O.... niets....” zei hij.

„Meneer vertelde me van al de heerlijkheden van ’t leven bij de marine,” zei Louise snel, en Van Hoven dankte haar voor ’t à propos met een blik.

„Och kom? Ja, dat moet heerlijk zijn!”

Van Hoven raapte het hulplijntje, dat hem was toegeworpen, gretig op.

„Zeker,” zei hij met volle overtuiging, „er gaat niets boven het zeemansleven. Onze kloeke voorvaderen ....”

Hij had de laatste zinsnede met emphase ingezet, en een mooie volzin, die, met eenige stemmodulatie uitgesproken, uitstekend klinken moest, lag hem op de lippen; maar de dokter viel hem sans compliments in de rede.

„Het is een allergezelligste boel, dat is zeker. Vooral in Indië is het heerlijk.”

De luitenant klemde de lippen opeen en wendde ’t hoofd af.

„Zie je,” ging de dokter voort, „zoo ergens een maand of zes op de ree te liggen, dat is nu altijd mijn illusie geweest.”

„U steekt er den gek mee!”

„Toch niet. Jongens, meneer Van Hoven, als je zooveel polsen hebt gevoeld en zooveel geïllustreerde tongen hebt bekeken....”

„Foei, pa!” riep Louise in den hoogsten graad van verontwaardiging.

Maar hij lette niet op haar boos gezichtje.

„.... Dan weet je soms niet aan welk miserabel, ellendig bestaan je niet de voorkeur zoudt geven boven je eigen baantje. Nu, amuseer je!”

Dokter Van der Linden ging verder en Louise en Van Hoven keken elkaar even aan. ’t Was hem, na die akelige tongen, niet mogelijk den draad van hun vorig discours weer op te vatten. Ook was hij inwendig woedend op den dokter en bovendien eenigszins ongerust. Zij vond, toen ze hem aankeek, dat er iets doms was gekomen in zijn gezicht, en hij zag iets minachtends in haar glimlach, dat hem pijnlijk trof.

Had die verwenschte oude heer hem daareven een mal figuur laten maken, of wàt was het eigenlijk?

„Uw papa scheen niet erg in zijn humeur te zijn.”

„Hoezoo?”

Dat was nu ook een vraag! dacht hij.

„Omdat hij zoo scherp in zijn spot was, dat ik het waarschijnlijk van niemand anders zou hebben verdragen.”

„Van niemand anders dan van....?”

„Uw vader.”

„Mooi!” riep ze lachend. „Dáár wachtte ik op; dat is nu precies als in een Franschen roman.”

Ze was geheel hersteld, dat was duidelijk! Ze was weer dezelfde Louise Van der Linden, wier scherpe afwijzing eens in een ontevreden bui Gérard Fournier voor altijd van haar had verwijderd; dezelfde, voor wier woord Van Velton zoo doodelijk benauwd was; dezelfde, die daarmede de boosaardige Christien Donker overblufte en in bedwang had gehouden.

Het was ineens over haar gekomen, toen ze haar vader zoo hatelijk had hooren zijn. Van Hoven wist niet hoe hij het had; hij begreep niet dat hij hier stond voor een soort van psychologisch verschijnsel, en dat het als ’t ware de dokter was, die in de gedaante van Louise, die haars vaders geest had geërfd, ’t gesprek continueerde.

Van Hoven hield zich goed, hoe onaangenaam ook getroffen.

„Is u zóó boos?” vroeg hij lachend.

„Waarom zou ik ’t zijn?”

„Dat weet ik niet, maar boosaardig was u daareven zeker; en heel erg ook, en als....”

„Begin nu in ’s hemels naam weer niet uit een roman. Ik weet het wel: als ik een man was, dan moest je dadelijk met me duelleeren. Nu blijft je niets over dan je aan mijn voeten te werpen. De uitersten raken elkaar.”

„Mag ik?”

Hij was een partner, al had hij niet zooveel geest en al kon hij niet zoo goed met woorden repliceeren; hij had dit vóór, dat hij iets durfde doen.

„Wat?”

„Mij aan uw voeten werpen.”

Haar gezicht betrok.

„Asjeblieft geen aardigheden, hoor!”

„Ik zal het nalaten onder één voorwaarde.”

Zij zag hem aan. Er viel niet aan te twijfelen. De dolkop zou er toe in staat wezen.

„Nu dan?”

„Wees niet meer zoo boosaardig tegen me.”

Zij zag hem vriendelijk glimlachend aan.

„Soedah!” zei ze, en beiden wandelden op.

Fournier had een heel lief huisje op Goenoeng Saharie. In een der paaltjes van den ingang van het voorerf zat een wit marmeren steentje gemetseld, waarop zijn naam en qualiteit in zwarte letters stonden gegrift.

Zij leefden als duifjes.

Hortense was vóór haar trouwen tot over de ooren op Fournier verliefd, maar nu, nu ze eenigen tijd met hem getrouwd was en hem ook in een ander opzicht had leeren kennen,—nu was haar liefde tot zulk een niveau gestegen, dat ze zelve er geheel onder verdween.

Hij had inderdaad geleerd van haar te houden. Zij was goed, lief en aanhalig voor hem, en ze maakte hem het leven zoo gezellig en pleizierig mogelijk. Toen de eerste weken voorbij waren en hij zijn gedachtenloop veelzijdiger voelde worden, kwam toch meer dan eens het beeld van Louise hem voor den geest en deed het hem onrustig worden.

Dan liep hij op ’t kantoor even de deur uit om zich wat afleiding te verschaffen; thuis leidde hij zich af door zijn vrouw te omhelzen.

Wat hem minder aanstond was dat zijn schoonvader zoo dikwijls bij hen kwam eten.

Hij wist niet waarom. Zoo hij had kunnen gissen dat Van Velton bij hem kwam eten en de digestie visite ging maken bij een vrij bedaagde duegne,—wat zou hij boos zijn geweest.

Bij Christien Donker kwam hij niet meer. Lientje legde zulk een geprononceerde voorkeur voor bereden wapens aan den dag, dat het te erg werd. ’t Had hem veel geld gekost, maar hij was er af! Toen was ’t eerste besluit, dat hij nam, om een meer geregeld leven te gaan leiden; hij voelde dat hij langzamerhand oud werd en ’t beneden zijn waardigheid was om aanleiding te geven tot koopjes vanwege het paardenvolk.

Daarom had hij zich aan het hoofd gesteld van een eerzame duegne, die buiten ’t bereik was van de listen en lagen der uniform. Het beviel hem wel. ’t Leven was rustig. Zóó moest het nu maar een tijdlang blijven voortduren!

Hortense zou het aantal familieleden weldra doen vermeerderen en dat vond hij aardig.

Hij had dien Van der Linden dikwerf benijd. Grootvader is eerst een goed baantje! Men heeft dan uitsluitend het genoegen van de kinderen; de lasten zijn voor den vader en de moeder.

Thans zaten ze alle drie aan tafel in ’t huisje van Fournier.

„Hebt u in lang niets gehoord uit Europa?” vroeg Hortense.

„Neen.... Zij schrijft zelden.”

„Het verwondert me dat meneer Van der Linden niet schrijft,” meende Fournier. „Hij was altijd nogal doende.”

„Volgens den laatsten brief waren ze te Weenen. Ze hebben een reisje gemaakt door Italië.”

„Ja, dat hebt u me al verteld.”

„Het plan was eerst naar Amsterdam te gaan en van daar de reis voort te zetten naar Parijs.”

„Zeker willen ze er zijn vóór den winter.”

„Vermoedelijk.”

„En amuseeren ze zich nogal?”

„Daarvan schrijft ze geen woord.”

Men zweeg.

’t Gesprek kon op die manier moeilijk vlotten. Zij hadden alle drie zulke verschillende inzichten ten aanzien dezer verhouding. Natuurlijk had Hortense haar man precies verteld hoe de heer en mevrouw Van Velton leefden of liever niet leefden. Het was voor Fournier weer een herinnering, die hem noopte ernstig naar afleiding te zoeken.

„Het schijnt dat die vader en dochter niet gemakkelijk tot rust zullen komen,” mopperde Van Velton. „Ze reizen en trekken met dat kind geheel Europa door.”

Het was waar, maar „genoegen” gaf al dat reizen en trekken niet.

Dokter Van der Linden had na de waarschuwing van mevrouw Van Stralen aan boord en na zijn eerste optreden als „sta in den weg”, met zijn dochter een lang gesprek, dat niet naar zijn zin afliep.

Zij was zoowat doende aan haar toilet toen haar vader de hut binnentrad met njootje op den arm.

„Je zult wel hebben bespeurd,” zei hij, „dat ik tegenover dien meneer Van Hoven minder aangenaam was gestemd.”

Zij keek hem heel onnoozel aan en dus wist hij dat ze hem voor den gek hield.

„Och neen. Ik heb er niets van opgemerkt.”

„Ja, zoo dom ben je.”

Ze antwoordde niet; ze kon haar lachen niet houden.

„We moeten eens een ernstig woord spreken, Wies. ’t Gaat zoo niet.”

„Hoe niet?”

„Spaar me die domme vragen en dat spelen van de onnoozele. Dat is heel aardig tegenover andere menschen, maar met mij kon je het wel laten.”

Dat was volkomen ernst, zooals zij bij ervaring wist. Wanneer papa zich niet wilde laten foppen, dan meende hij het betoel, maar dan was er van haar kant ook geen sprake van gekscheren.

„Ik meen te weten, papa, wat u bedoelt.”

„Juist. Nu, zorg dan dat daar een eind aan komt. Ik ben niet bang....”

„Bent u niet bang?”

„Natuurlijk niet.”

„Nu, ik ben het wèl. Ik weet niet wat het is....”

„Komaan!” zei dokter Van der Linden met een kluchtig vertoon van wanhoop: „dat is nu een openhartigheid, die.... ik zou haast zeggen aan het onbeschaamde grenst.”

„Het is wel aardig, pa. Ik heb nooit iets gedaan, waarover ik me zou behoeven te schamen. En nu ik aan u vertel, dat ik vrees, dat zoo iets me zou kunnen overkomen, nu noemt u me onbeschaamd.... Hoe denkt u over uzelven, pa?”

De oude heer maakte onwillekeurig een beweging alsof hij haar met zijn kleinkind om de ooren wilde slaan.

„Maak u niet boos, pa, omdat ik de waarheid zeg. Ik heb opgemerkt hoe de mannen over het algemeen zijn. A fond zijn het cynische wezens, die hun lusten zonder veel omslag den teugel vieren. Reeds jong zit er in de meesten een neiging tot allerlei; ze gebruiken bij voorkeur onder elkaar leelijke woorden: ze hunkeren naar tabak rooken en sterken drank drinken, en ze vervallen tot....”

„Wel zoo! Ha! die vind ik superbe! Het is waarachtig jammer, Wies, dat je zelf geen man bent; een boetpredikersbaantje zou uitstekend voor je wezen. Spaar me asjeblieft de ondeugden van mijn geslacht, ik zal ook over die van het jouwe niet spreken. Ik ben niets gestemd om veel te hooren over algemeene theorieën. Je zei, dat je bang waart. Nu, dat vind ik verschrikkelijk.”

„Ja.... ik ook.... maar het is toch zoo.”

Hij haalde de schouders op en hoe hij zich ergerde kon men duidelijk zien aan zijn gezicht.

„’t Is schande, Wies; ’t is meer dan erg. Wat naar jou idée van een man mag gedacht en gezegd worden, laat ik in het midden; maar wat je dáár zegt, is beneden de waarde eener fatsoenlijke vrouw.”

„Pa, ik wil geen ruzie met u maken; ik heb er, ronduit gezegd, geen lust toe, en u bent het ook niet waard.”

„Maar dat is een grofheid, die....”

„Neen, pa, dat is het niet; het is eenvoudig waar. Ik heb een moeilijken tijd doorgebracht. Ik heb gestreden tegen mijzelve en ik heb overwonnen. Je weet, dat ik Fournier liefhad, als meisje reeds....”

„Dat is te zeggen, ik dacht niet dat het ernstig was.”

„Soedah, het was ernstig.”

„Je hebt hem toch zelve afgewezen. Lucie heeft het me destijds verteld en het speet me toen.”

Zij zweeg, en de dokter, denkende aan zijn schoonzoon, voegde er bij:

„Het spijt me nog.”

„Spijten doet het me niet, pa; dat is er geen woord voor. Het heeft me doodelijk bedroefd; het heeft m’n hart gebroken; m’n levensgeluk vernietigd, en het heeft me haast ’t leven zelf gekost. Het heeft zoo weinig gescheeld....”

„Wat?”

„’t Scheelde weinig of hij had Van Velton heel iets anders gemaakt dan een schoonvader.”

„Maar hoe komt dan dat huwelijk tot stand?”

„Dat heb ik gedaan. Zij was dol op hem en voor mij was hij toch verloren, tenzij ik hem gaf wat ik meende niet te mogen geven. Nu is zij ten minste gelukkig.”

Dokter Van der linden wischte zich het zweet van het voorhoofd. Welk een confidenties! Brrr! Hij hield daar nu niets van.

„U kunt begrijpen dat het niet gegaan is zonder zelfstrijd! Wat dat is, weet u niet, pa. Ik verwijt het u niet; ik geloof dat haast alle mannen zoo zijn. Zelfs Fournier zou ’t niet gedaan hebben. Gijlieden leeft maar voort, nemende wat gij krijgen kunt, als ge er lust in hebt. Voor wat gij niet wilt of niet kunt krijgen, doet ge als de vos in de fabel.”

„We dwalen af, Wies. Laat je fraaie beschouwingen over den man maar rusten; ik weet wel wat dat is. Ik heb weleens meer zulke pessimistische praatjes over den man gehoord. Een arme drommel mag zich weleens verdiepen in het ongezonde van lekker eten. Laat dat zijn. Je hebt gestreden tegen je genegenheid voor Fournier, en, zooals je zei, je hebt overwonnen. Waar ben je dan nu bang voor?”

Zij streek peinzend haar golvend haar weg.

„Ik weet het niet, pa, maar het is zoo. Zwijg er over, pa, asjeblieft, ja?”

„Niets liever.”

Van dien dag speelde dokter Van der Linden niet langer voor de baboe van zijn kleinkind; ook schaakte hij niet meer met den commandant. Hij verliet Louise niet meer. Geen vijf minuten kon ze ergens wezen, of hij was er ook. Van Hoven zag het dadelijk in. Bovendien had mevrouw Van Stralen hem duidelijke wenken gegeven, en ook zag de kolonel hem soms misnoegd aan.

Daarom betoomde hij zijn ijver.