Kamertjeszonde

Part 5

Chapter 54,104 wordsPublic domain

Scherp had me natuurlijk nadenkend aangekeken, zei na een poos: „Duidelijk vind ik je niet. Hóé denk jij over het huwelijk?”—„Ik denk”—vervolgde ik: „dat, zooals de zaken nù staan, zooals de boel nu is, dat wil zeggen, precies ’t omgekeerde van zoo als ’t in álles behóórde te zijn, ik, als overtuigd socialist, geheel ànarchistisch te werk móét gaan, om niet mee te doen aan het liegen, het bedrog der burgerlijke anarchisten, die het tegenwoordig huwelijk bèst vinden. Niemand op deze maatschappelijke mestvaalt heeft het recht mijn huwelijk te sluiten. Wanneer ik zeg: ik neem jou, Marie, Anna of Trees tot vrouw, eenvoudig, eerlijk—, dan heeft er iets heiligs plaats waarvoor geen pa’s, ma’s, oomes, tantes, géén rotte vormen, géén rot ceremonieel, géén bruiloft, géén onwaarheden noodig zijn.”—„Dus ben jij voor de vrije liefde?”—„Loopt naar de hel met je vrije liefde. Ik weet niet wàt vrije liefde is. Van vrije liefde—nee maar, godbeterme, kun jij je iets anders dan vrije liefde denken!—, van wat jè vrijgeesten, jè verlichten, jè zoodje anstellers vrije liefde noemen, heb ik nooit anders dan gore staaltjes èn damesboeken-malligheden gezien. Dank je! Ik ken geen vrije, geen ònvrije liefde.”—„Zeg ’t dan duidelijker. Wat is ’r dan? Wat dan?”—„D’r is..... D’r is.... ’t Is wat moeilijk om hier in de Bar achter ’n kleintje koffie, over dingen te kletsen die je voor jezelf in ’n geheimzinnigheid, in een mysterie, als iets érg sentimenteel-onbereikbaars voelt. Kijk, ik zal is aannemen dat ik verliefd ben, verliefd op een vrouw zooals ik me die droom. (Hier begon ik eenigszins te delireeren)—dat wor ik wel nooit, omdat ’r niet van zulke vrouwen zijn, omdat je je altijd een vrouw fantaseert, fantaseert, fántáséért zóó ragfijn van leven, zoo één met het teerste doen van je eigen gevoel, dat de werkelijkheid je fantasie bevuilen móét, als een zwanenveer die door modder geblazen wordt—maar, ik zal ’t is aànnèmen en ook ’t geval stellen dat zoo’n vrouw—leelijk mag ze niet zijn, nee, leelijk zou niet kùnnen—minder let op mijn ouwelijk bakkes, m’n rooie haren, m’n rooie snor—merk je de consequentie van m’n redeneering?—dan op het frissche dat er misschien in mijn leven is, dús, óók verliefd op mij wordt—, dan zou ik tot haar zeggen: „Marie, of Betsy of hoe hiet je—, wil je mijn vrouw worden?” Dan zou ze natuurlijk, nee, dat zou ze nìèt—als ze dàt dee, zou ’t ook in ééns uit zijn; d’r is geen tusschenweg—, zou ze niet spreken van d’r vader, d’r moeder, of denken aan vriendinnen en po... po.... positie, maar ze zou haar hand in mijn poot leggen, zonder meer, met eerlijk, prachtig vertrouwend kijken en we zouen arm in arm, zonder praten, zonder iets te zeggen naar mijn huis gaan. Wonderlijk van aandoening moet ’t zijn, wat?, als de sleutel in de kou van ’t slot rinkt, als de huisdeur dichtvalt.... Dan zou ik alle gordijnen neerlaten, licht opsteken vóór, licht áchter, licht in de gang, licht in de keuken. ’k Zou hoopjes kaarsen zetten om de spiegels, het licht weerkaatst zien in ’t glas. ’k Zou al de bloempotjes uit den tuin halen, hyacinten, klimop, de twee potten rozen, al ’t ever-green—er weer kaarsen tusschen zetten—overal groen, rustige vlammetjes, gróén, en we zouen zitten bij elkaar, stil, gelukkig met de groote, geweldige aandoening in onze kelen. Dan zou ik opstaan, wat zeggen, ik weet niet wat, iets dat in tranen verstikt, geen klanken meer zou hebben. ’k Zou mijn handen leggen op haar hoofd, zacht betasten de haren.—’k Zie ’t zóó voor me—en wat zeggen.... wàt..., wàt”....—Scherp zat stil, ik keek naar den grond. Toen nam ik ’n sentimenteel slokje koffie, moe van die literatoren-huwelijks-visie. „’t Is toch wel màl, Scherp, dat ik, hier, in ’n kroeg van zulke dingen spreek,” hernam ik na een poos.—„Wat doet ’t ’r toe,” zei hij; „Ik zie niks van die àndere menschen. Zeg, dat zijn wel mooie gedachten. Maar ’t gebeurt nooit. Wat?”—We zaten als twee redeneerende, jeugdige Werthertjes. „Nee, ’t gebeurt nooit,” zeide ik: „D’r zijn geen krankzinnige nette-meissies, d’r vergóóit zich geen vrouw—ze willen engazement, nou maar zoo líéf, met engazementkaaretjes verguld op snee èn samen op ’n kanapee met de gelukkige pa’s, ma’s, opoes ’r bij èn staande recepties met sherry, madera, schuimpjes, bitterkoekjes én mag ik u-feliciteerens? en van-harte-dit, hartelijk-dat, èn samen wandelen, dodderig-gelukkig, zoo gelukkig, nee maar zoo verliefd, zulleke verliefde mense, soo’n huwelijk-uit-liefde, met hoogen hoed en glacee-handschoenen en voiletje en opgenomen sleep en dàn vijf, zes maanden, een jaar, twéé jaar vrijen, stiekem in ’n donkere kamer, in ’n hoek van ’n gang—likken, lebberen, voelen, vingeren tot ’t meisje vermagert en de jongen pijn in zijn rug krijgt—en als ’r ànderen bij zijn, zoo fatsoenlijk, zoo netjes, zoo opgevoed, zoo welopgevoed—en dan trouwen, rijjen naar ’t stadhuis, daar liegen van gehoorzaamheid—volgen—onderhouen—, voor ’n vreemden stadhuiskerel, voor ’n wildvreemden officieelen idioot, fooien, bruiloftsherrie, den heelen dag bekeken worden door glimlachende getrouwde familieleden, die stilletjes zwijnigheden fluisteren, door publiek dat in de rijtuigen loert of ’t ’n knappe, lèkkere meid is, den heelen goddelijken dag geklets van zatte ooms aan de natafel, geestigheden van ’n verren neef die te veel gezopen heeft, pistaches-geknap, amandelen-gekraak, liefhebberijkomedie met snoepige toepasselijkheden van broers en zusters die zich verkleejen, voordracht van ’n komieken vriend en dan stilletjes wegsluipen, nagekeken door glimlachende, glimlachende familie, geblèr-accompagnement van schoonmama, naar ’n hotel, waar de kelners je vrouw beloeren—en zoo de móóiste oogenblikken van je leven verdoen in gemeene, burgerlijke patserij! Bah! Bah! Bah! Verbeel je: ik op zoo’n kanapee als ’n kelner—, ik op ’t stadhuis, zoo’n vent antwoord geven, ik condities-sjaggerend op zóó’n dag, ik, aangekleed bourgeois, in m’n uren van koninklijke extase, ik een handteekening zetten met zwarte inkt op wit papier als ik gezegd heb, gezegd met zwart van oogen in zwart van oogen: ik neem je tot vrouw! Nee. Dat gaat niet in dézen tijd. Dat verdom ik! ’t Is om te bulken van ’t lachen!”—„Het is wél waar wat je zegt,” zei Scherp droomerig: „ik herinner me de bruiloft van m’n zuster. ’r Zou kerkelijk ingezegend worden. Dat had ’k nog nooit bijgewoond. ’t Gebeurde bij ons aan huis, in de eetkamer. In de kerk hoeft ’t niet. M’n zwager smeet ’n glas stuk op ma d’r goeie tapijt en ze dronken kauschere wijn. Toen zongen de rabijn en de voorzanger ’n mopje met d’r gezicht naar het buffet dat in een hoek stond. Ik zag niks dan d’r fluweelen kalotjes, die wiebelden voor de schalen met roomsoezen en de wijnflesschen. Ik was toen véél jonger, begon te gieren van ’t lachen. ’n Oom kneep me vinnig in m’n arm, keek me woest aan, viel mee in, in ’t gebed. Dat heb ik altijd onthouden. Later heb ik de symbolen begrepen, wel mooi gevonden, maar zulke symbolen worden zoo gauw verkruijenierd. ’n Joodsch galmgebed voor ’n buffet, da’s iets als een mis in een spoelingbak.” We bleven even in gesoes. „Toch, geloof ik, Alfred, dat je héél zuiver zou kunnen doen, wat je zegt en voor den-vorm naar het stadhuis gaan. D’r zijn eenmaal straatwegen, reglementen, politiebeambten, lui die ’t vuil an je deur weghalen—waarom zou je geen formulier teekenen? Wordt je vrouw niet de dupe van alles?”—„Als een vrouw een mán naast zich heeft, is ze sterk,” koffiehuis-redeneerde ik; „Er zullen géén dupes meer zijn, als de stadhuis-eerbaarheid wèggetrapt wordt. Het meisje dat in vertrouwen mijn vrouw wordt staat duizendmaal hooger dan die andere, de fatsoenlijke-van-de-kanapee.”—„Anderen denken zoo niet.”—„Dat is stom genoeg van die ànderen. De komende tijd zal meelijdende verbazing over hebben voor dit stumperig ras, voor die verrekt-eerzame bourgeois die een maatregel van orde, een onnoozel politiereglement, een peuterig bevolkingsregister dat op centjes en weerbaarheid baseert, verheven hebben tot jè allerhoogste. Zet wat geraamtes naast elkander, geraamtes van gehuwden en òngehuwden! Hahaha! Doet ’t jòù wat of twee skeletten op ’t stadhuis zijn geweest! Daar haal je je schouders bij op. Maar neem ’r twee, waarvan je wéét dat ze innig van elkaar gehouen hebben en deden wat zij meenden dat góéd was zonder zich te bekommeren om een stomme bourgeois-kliek—nou, krijg je daarbij geen heimwee, geen lust om te zingen? Wordt ’t niet tijd om hardop te zeggen dat er maar één huwelijk is, niet het officieele, niet het kerkelijke, niet het maatschappelijke, maar dát wat door eerlijke menschen in stille kamertjes gesloten wordt? Moeten wij nog langer dulden dat waarlijk-getrouwden nagekeken worden door gekoppeld-rot? Ik weet wel dat jij dit overdreven vindt. Maar ik voel ’t sterker, hartstochtlijker dan jij. Het is voor mij een simple waarheid, dat het leven voor ons mannen eerst in z’n volrijpheid begint bij de vróúw. Ik ben daarin zóó tot zekerheid gekomen, dat ik niet makkelijk àlle argumenten in ééns kan zeggen. Dat gaat zoo altijd. Heb je wel opgelet hoe afgunstig—afgunstig is het woord niet—hoe afgunstig-kwaadaardig ’n gezeten koopmansvrouw ’n meid, ’n mintenee, ’n scharrel nakijkt, die met ’n man an de rol is?”—„Natuurlijk.”—„Met wat ’n minachting ze praten over die „schepsels,” hoe bang ze zijn—als van ’n schurftig beest—voor ’n hoer?”—„Natuurlijk.”—„Vin je ze niet verdoemelijk stuitend, die tràpjes van eerbaarheid! Is er bij ’t tegenwoordig contract éénig verschil tusschen vrouw-zus, vrouw-zoo?—„Da’s weer ’n paradox!”—„Nee, niks geen paradox. Alles wòrdt gekocht of koopt. Je kunt de dingen in een rotte maatschappij niet uit d’r verband scheuren.”—„Nou, nou, nou! Denk eens aan je moeder, je zusters.”—„Jawel. Dat is me weer zoo’n dooddoener van ’t jaar nul. Als ik wat de ploerten noemen: een onecht kind zou zijn, met vader of vaders onbekend, zou ik m’n moeder geen greintje minder respecteeren en van m’n zusters zou ik gewoon als „broer” blijven houen als ze, om niet van hònger te krepeeren voor hoer zaten.”—„Onzin! Nou sla je door. Nou klèts je!”—„Nee jij kletst! Geen vrouw is voor haar plezier hoer. Ze is ziek of ze doet ’t om te eten. Niewaar?”—„Of te lui, of te hysterisch!”—„’t Eerste is ’n burgermans-kletspraatje....”—„Dank je.”—„Hysterie is ziekte. Zieke menschen moet je niet minachten, als maatschappelijk toeval je zelf gezond bloed heeft gegeven. Blijft dus over de noodzakelijkheid om te eten, laten we zeggen te vreten. Is dat schánde? Wat is schandelijker: met een volle maag bij een hongerige hoer te komen, of je prostitueeren uit honger?”—„’t Is allebei gemeen.”—„Dat kan je híér gemakkelijk zeggen, kalfskop, hier in ’n aangename kroeg. Nee, papa, alles slaat terug op deze dierbare bourgeoisie die gebouwtjes van eer èn schande heeft opgetrokken. Ik vind het verkoopen van je lichaam, zie je, het verkóópen, zoo iets afschuwelijks, dat ik het grootst medelijden heb met hoeren en het noodlot van haar beetje arm leven. Maar als man heb ik hetzelfde „respect” voor ze, dat ik heb voor àlle mercantiele vrouwen, voor vrouwen met uitzet, voor vrouwen die geld aanbrengen, voor vrouwen die verliefd raken op epauletten, voor vrouwen die hengelen naar een titel—je weet wel, het huwbare zoodje! Wat is er voor onderscheid? Wat? Is ontwikkeling niet aan geld gebonden, maatschappelijk toeval, maatschappelijk onrecht, maatschaplijke diefstal? Wordt de dochter van ’n erg-hoogen, erg-rijken „meneer” verleid door ’n koloniaal, die over zes weken moet uitvaren? Trouwt ’n kolonel (da’s me ’n hooge!) met ’n keukenmeid die niet schrijven kan? Zit het heele huwelijk, de heele eerbaarheid van vandaag niet vast aan de stinkende sociale toestanden, aan”....—„Hahaha! Hahaha!”—„Waarom làch je nou?”—„Wel jij redeneert zoo grappig! Van je ideaal-huwelijk, je kaarsen en je bloempotten, ben je verzeild geraakt in je eeuwig socialisme. Wil je een groccie? Aannemen! Twee groccies!”—.... „Of je ’r nou om lacht, stom groen, bourgeois-foetus, stommeling!”...., zei ik heftiger. (O, als je in ’n koffiehuis begint te redeneeren, komt ’r geen eind an) „of je ’r om lacht de redeneering is juist. En als ’k zoo lang gekletst heb is ’t om jòù te overtuigen. Anders niet. Wat ik bewijzen wou, héb ik bewezen: er is géén huwelijk meer—er is een normale, geziene, erkende, eerbare koppeling, per contract op ’t stadhuis—verder zijn er egoïste, stompe, bruute, dierlijke mannen, zieke vrouwen én vrouwen die haar jong lichaam moeten exploiteeren tot de maag die ze dwòng, ze in de snijkamer brengt. Er zijn uitzonderingen, waarschijnlijk, maar ik ken er geen. In onzen „stand” heb ik nooit ànders gezien, nooit, nooit, nooit! Jouw zuster heeft zeker ook ’n bruidschat meegekregen?”—„Mijn zuster? Da’s olie in jouw vuur. Die is geschadjent hahaha!”—„Wat is dat?”—„Wel, alles ging schriftelijk. Ze had m’n zwager nog nooit gezien. De oudelui bepaalden de condities, de koopsommen. Toen zagen ze elkaar, waren twee uur later geëngageerd, drie dagen later verliefd, twee maanden later getrouwd.”—„Nou zijn ze zeker érg gelukkig?”—„Jawel. Werkelijk gelukkig.”—„Natuurlijk. Dat lapt ’m de ongewoonte. Een wildvreemde duif en doffer paren ook opperbest.”—„Gek! Als ’n ander me zoo iets zou zeggen, zou ik kwaad worden.”—„Ook uit gewoonte. We hebben werkelijk moeite, Scherp, om eerlijk te zijn. We zitten zoo dik in de leugens.”—„Weet je wát ik zou doen, Alf, als ik over verschillende dingen dacht als jij?”—„Nou?”—„Dan zou ’k me verdrinken.”—„Waarom?” lachte ik, verbaasd.—„Jij ben zoo’n idealist, dat je dáárdoor een ontzettende pessimist ben geworden.”—„Och, je ben krankzinnig!”—„Anderen vinden je ’n cynist. Maar ik weet beter. Houen je ouders van je?”—„O jawel.”—„Praat je met hen wel eens zoo?”—„Godbeware!”—„Ben je wel eens verliefd geweest?”—„Eens. Toen ’k negentien was op de zuster van het meisje waarmee ik geëngageerd was.”—„Hahaha! Wat ben je toch ’n formidabel gèkke kerel!”—„Nou haal ik over de dertig. Ja, jongen, ik wor oud.”—„Zal ik je straks nog voorlezen wat ik geschreven heb?”—„Nee. Van avond niet. Ik heb zoo ònhebbelijk zwaar geredeneerd, dat ik moe ben.”—„Ja je ben an ’t doorslaan geweest.”—„Dat dènk je, ouwe jongen. Ik geloof ’n end op streek te zijn naar de wáárheid.”

En we bleven zoo nog wat praten over koetjes en kalfjes.

V.

GEORGINE.

Dagen na dit gesprek zat ik ’s avonds laat bij Mast. Het lijkt wel zonderling, deze saâmkoppeling van koffiehuis- én gesprekherinneringen, maar die tijd hing samen aaneen van schrijven, werken, koffiehuis in-en-uit en loome gesprekken. Is er iets ánders in ’t leven van jonge mannen die zonder familie, rondgaan in de verveling van stoffige steden? Niemand van de vrienden, zelfs Scherp niet, had ik in dagen gezien. ’n Obscure bui, zooals Dirk ’t noemde.

Tien minuten voor één stoof Karel binnen. Eerst wat vragen an ’n kelner, toen recht op me af.—„Zit jij hier? Waar heb je al dien tijd gezeten? Zóó, heb je gesoupeerd! ’t Zit ’r an! Drink gauw uit. We zijn àllemaal in De Slok.”—„Wie allemaal?”, vroeg ik.—„Guus, Dirk, Duif, Piet, Moos, ’n heele bende.”—„Nee, ik kom strakkies wel bij Dirk. Nóú nog naar De Slok!”—„D’r is óók iemand die jou wou spreken,” zei hij geheimzinnig-glimlachend.—„Wie?”—„Dat zal je wel zien.”—„Nee, ik kom strakkies bij Dirk.”—„Ga nou mee; d’r is heusch iemand,” herhaalde hij. „Wie dan?”—„’n Dame.”—„Nee, ik vlieg ’r niet in!”—„Zij is ’r.”

In al dien tijd had ik niet aan háár gedacht. Waarom ook? Maar ik wist in ééns wie hij bedoelde.—„Is zij ’r? Wat kan mij dat schelen?” zei ik onverschillig.—„Drink nou uit. Anders zijn ze weg!”—„Laat me maar rustig zitten. Ik ben niet op ’r gesteld.”—„Wees niet zoo lomp. Ze heeft me gezegd dat ze ’t vergeten had. Ze heeft er zoo’n spijt van.”—„Doet me plezier. Ze kunnen me maar eens voor de gek houen.”—„Zeven, acht keer,” hield Karel aan, „heeft ze naar de deur gekeken om te zien of je niet kwam.”—„Wel, wel, wat een eer voor me!”—„Ze heeft me gezonden om te zien, of je soms bij Mast zat.”—„Ga dan maar terug en breng ’r m’n komplimenten.”—„Hé, wat doe je kinderachtig!”—„Denk je dat ik me interesseer voor die juffrouw? ’k Ben haar kwajongen niet.”—„Zij laat jóú toch vragen! Ze heeft ’r toch spijt van!”—„Zanik maar niet verder. Mijn nee is mijn nee,” zei ik lusteloos.—„Laf!” protesteerde Karel, schouderschokkend.—„Zeg-je an Dirk dat ’k vanavond kom?”—„Ja. Ja. Ja. Je ben kinderachtig hoor!”

Dat was netjes afgepoeierd. Díé zou tenminste weten dat ik geen afspraakjes maakte als ’n jòngen. En zoo mal, om binnen te komen in De Slok als ieder ’r uitging en in ’t volle licht bedremmelde wissewasjes te zeggen,—met Duif die toe zat te kijken en al de komedianten, die je kenden. Nou kon Karel net terug zijn. Dat was ’n ràke beleediging. Als ze ’t maar vóélde. Tegen lompheid kon je alleen grofheid stellen.—„Een-uur-hee-ee-ee-re!”—Daar had je de portier al. Opstappen. Wat nou? Langzaam opwandelen naar Dirk of even wachten? Als je wachtte liep je ’t heele gezelschap tegen ’t lijf, had je tóch wat je niet wou. Ja, maar wòù je ’t niet? ’t Was toch zoo verschrikkelijk niet geweest. Als ze ’t heusch vergeten had? Vergeten? Dát kwam juist niet te pas! Dàt was wel ’t bewijs, dat ze ’r niks om maalde. Dan maar doorloopen. Als je ’t dee was de kennismaking voor goed uit. Wat ’n zwaar-op-de-hand geredeneer over ’n kleinigheid. Als ze niks om je maalde, had ze toch niet zes, zevenmaal naar de deur gekeken? Je moest de eer an jezelf houden. Maar je kon slim zijn. Als je langzaam liep in de Utrechtschestraat, alsof je in niks erg had, moesten ze je inhalen. Dan beleefd groeten, praten met Guus en Duif, geen notitie van haar nemen, om ’t ’r nog méér te laten voelen. Zoo, nou nòg langzamer. Even schuilen in de donkere portiek van ’n manufactuurwinkel. Waar bleven ze nou? De Slok werd toch ook om één uur gesloten. Waren ze daar? Nee, dat waren ze niet. Daar hàd je ze. Je hoorde de stem van Duif. Nou zachies doorloopen an den anderen kant. Nog langzamer. Nou stonden ze weer stil op ’n hoop. Zeker goeien avond zeggen an die of die, die heenging. Misschien was zij al weg. Nou haalden ze je in. Wat schreeuwde die Duif weer ongemanierd. Daar had ’t. Je hoorde Guus vragen of Spier daar niet liep. „Loopt-ie daar niet?”—„Ja da’s z’n loop!”—„Spier!”—„Alfredje!”—Ik verwonderd.—„Hé, zijn jullie daar? Waar kommen jullie vandaan?”—„Uit De Slok. Waarom ben je niet met Karel meegekommen?”—„Ik had iemand bij me.”—„Waar heb je gister en eergister gezeten?”—„Gewerkt.”—Pratend liep ik op met Duif en Guus. Vlak achter me hoorde ik háár met Dirk en Karel. Nou geen notitie van ’r nemen—erg hard spreken met Guus, voorál lachen. Als je vroolijk was, hinderde je nog meer.

„Alfred! Hallo! Zeg kun je ons geen goeien avond zeggen?”, schreeuwt Karel. Net iets van hem.—„Bonsoir! Bonsoir!.... Goeien avond juffrouw,” zeg ik koeltjes.

„Dag meneer.”

„Waar heb jij gezeten?”....—Daar had je ’t àlweer. Dat was dríémaal.

En dan liep je ineens alléén met haar. Ze deeën ’t er om.

„Wat ’n lèkker weer”...., zegt zij mallig-verlegen.

„Ja. Zoo zacht in de lucht”...., zeg ik, onrustig.

„Wat loopen ’r nog ’n mènse”....

„Ja, ’t is hier altijd zoo druk”....

Afgeloopen. ’t Gesprek stokt. Duif en Guus lachen akelig hard op.

„U moet me niet kwalijk nemen”....

„O nee. Da’s niks. Ik denk ’r niet meer an”....

„Ik had me—verslapen”....

„Verslapen?”....

„Ja, ik slaap altijd na ’t eten.”

Nou jokt ze. ’t Klopt niet met wat Karel gezegd heeft.

„Was-u niet èrg kwaad?”

„Nou, dat ging nog al,” glimlach ik.—„’t Spijt me heusch.”—„Mag ik u zoover een arm geven?”—„Asjeblief.”—Weer stokt ’t gesprek. Haar gehandschoende hand rust op mijn arm. Toch gezèllig als je met ’n vrouw loopt.—„Ben u in De Slok geweest?”, vraag ik, soezelig.—„We komen ’r net vandaan.”—„Woon u ver hier vandaan?”—„In de Albert Cuyp.”—„Bij familie?”—„Nee bij juffrouw Bok.”—„Was dat die juffrouw van laatst?”—„Ja.”—„Hé! Daar is nog ’n slager open.”—„Da’s altijd.”—„O, is dat altijd? Nog nooit opgemerkt.”—„Ja, die is nog om twee uur open.”—„Zou die zoo laat nog klanten krijgen?”—„Dat denk ik wel.”—„Da’s ook geen leven voor zulleke mense.”—„Nee, daar zou ik nou niet tegen kennen.”—„Ja, de bakkers die hebben ook geen prettig leven.”—„Nee, allesbehalve.”....

Krankzinnig zijn zulke gesprekken, waarbij je aan andere dingen denkt; ik over de hand op m’n arm, over het zachtzinnig-goede dat over je komt als je ’n vrouw naast je voelt—, zij over weet ik-wat. Gelukkig komt Karel naar ons toe.

„Jongens, we gaan niet naar Dirk. Guus heeft ’n idee. D’r mot zoo’n gemééne societeit in de Pijp zijn. Gaan jullie mee ’n kijkie nemen?”—„Nee, dat wordt mij te laat.”—„Kom juffrouw.”—„Nee, ik heb de huissleutel niet.”—„Dan gaan we ’m effen halen.”—„Nee, ’t wordt zoo laat!”—„Toe nou. Als ik ’t vraag?”—„Nou dan ’n uurtje. Maar dan eerst langs de Albert Cuyp.”—„Waar zit Georgine?” roept Duif.—„Die loopt achter met Alfred!”—„Kom nou, niet achterblijven jullie twee? Geen gehoer hoor!”—„Kalmpjes wat, Duif. Niet zulke aardigheden,” zeg ik gepiqueerd.—„Ben je weer op je teentjes getrapt? Pas maar op voor’m Sjorsjien. Al die mense met gladde smoele zijn stiekemerds.”—Georgine laat mijn arm los, gaat inloopen tusschen Guus en Duif. Ze snappen en lachen. Zij heeft ’n mooien prettigen, jongen lach.

„Dag Alf,” zegt Scherp, die opeens naast me komt.—„Hé, waar liep jij?”—„Vlak achter je.”—„’k Had je niet gezien.”—„Nee, je leek wèl in druk gesprek. D’r is groot nieuws.”—„Wat dan?”—„’k Ben weggeloopen!”—„Kom nou!”—„Op mijn woord.”—„Wanneer?” vraag ik danig verbaasd.—„Gister.”—„Waarom ben je dan niet bij me geweest?”—„Gister heb ik tweemaal, vandaag driemaal gebeld. Je dee niet open.”—„Ik maak principieel nooit open als ’r gebeld wordt. Je had tegen de ruit moeten tikken.”—„Dat wist ik niet.”—„Waar heb je van nacht dan geslapen?”—„In het Toevluchtsoord. ’k Moet zuinig zijn.”—„Maar wàt is ’r dan gebeurd?”—„Dat kan ik je niet in een paar woorden zeggen. Hij heeft me den huissleutel afgenomen! Dat moest ’r nog bijkomen. D’r was ’n ruzie! ’n ruzie! ’k Zal je van nacht alles vertellen. ’k Moet bij je slapen.”—„Uitstekend. We zullen loten kanapee of bed.”—„’k Zal de kanapee wel nemen.”—„Dekens zijn ’r genoeg. Maar lakens. Enfin, we zullen zien.”—„Zeg ’r niks van an de anderen, hoor je? Die hebben ’r niks mee noodig.”

We zijn in de Albert Cuyp. Beneden een tapperij. Boven wonen drie gezinnen. Georgine belt an. „Ben u daar juffrouw Bok?”—„Nee. Ik ben ’t. M’n vrouw is naar bed,” roept een mansstem. „Wil u me de huissleutel is geven, meneer Bok. D’r is iemand jarig—of, wacht, nee—ik kom zelf effen boven.”—Ik wacht voor de straatdeur. Er slaan wat deuren, dan is ze er weer.

„’t Spijt me toch dat ’k me heb laten overhalen,” zegt ze bedrukt.

„Waarom? Hindert u iets?”

„Ik doe ’t nóóit zóó laat.”

„Voor ’n énkelen keer!”, verontschuldig ik.

„’t Is al half twee. Als ik om drie uur thuiskom, maak ik het kind wakker. Ze lag zoo lekker, die dot.”

„Welk kind?”, vraag ik—, zelf wat bedrukt.

„Kaatje, m’n oudste.”

„Hèb u dan kinderen?” zeg ik weer.

„Twéé. De oudste woont bij me. De jongste, Toos—da’s ook zoo’n lekker dier—is bij menschen uitbesteed. Die ’s drie jaar.”

„Ben u dan héúsch getrouwd?”

„Nee maar da’s ’n vraag! Wist u dat niet? M’n man zit in ’t buitenland.”

„Ja zè hadden me zoo iets verteld. Maar de menschen kletsen zoo véél. Ik geloof nooit wat van ànderen.”

„In Mei ga ’k naar ’m toe.”

„Vèr hier vandaan?”, vraag ik met even schimmende leegheid—, leegheid van alleen-zijn-in-kamer.

„Naar Amerika”, zegt ze praatlustig.

„In Mei? Da’s nog ’n hééle tijd. In acht maanden kan ’n bóél gebeuren”, ik.

„Wat loopen de andren ’n end vooruit.”

„Ja”, praat ik. O, er is een heel-vreemde strooming in het gesprek, iets van lippen-intimiteit in het donker.

„’t Wordt toch wat kóél,” vervolgt ze hard, in verwerende houding.

„Altijd in den laten avond,” zeg ik mat. En weer pogen we elkander met tastende woorden te benaderen.

„Heb-u familie hier in de stad?” vraagt ze na een zwijgen.

„Nee. ’n Enkele achternicht.... Is uw man làng weg?”

„Drie jaar.”