Kamertjeszonde

Part 4

Chapter 42,240 wordsPublic domain

„Zeg, Alfred,” hij weer.—„Ja.”—„Waarom kom jij toch haast elken nacht bij die lui?”—„Elken nacht is wat sterk.”—„Zoolang ik je ken, blijf je ’r na één uur plakken.”—„Dat is de schuld van Vening Meinesz.”—„Wat is dat voor onzin?”—„Vroeger ging ik om één uur naar de Quelle. Die bleef tot twee uur open. Na tweeën was ’t Mosselenhuis de societeit. Dan ging ’k om drie uur naar huis.”—„Zit je dan zoo graag laat op?”—„Vroeger niet. Maar als je laat gewerkt heb, bijv., tot twaalf, half een, wil je ’n luchtje scheppen, wat afleiding hebben. Ik heb wel gepròbeerd thuis te blijven. Dan zette ik koffie, stak ’n versche pijp op. Je kùnt niet naar bed gaan als je op je zenuwen drijft. Maar dan voelde ik me zoo verdomd eenzaam, zóó triestig, leek de heele dag me zoo leeg en de nacht zoo vrééselijk lang. Vooral den komenden morgen zie je ’s nachts zoò grijs, zoò vaal, zòò-weer-hetzélfde voor je. Er hoort meer resignatie toe dan ik heb om te werken àltijd op je kamer, àltijd ’t werk, ’t wèrk, ’t wèrk. Dat wordt vreugdeloos, dor, ’n marteling. Dat mat af. Dat vermoordt je. Als ik zoo’n half uur bij m’n koffie, m’n pijp gezeten had, kleedde ik me an, liep de stad in, naar de Nes, naar de eerste de beste gelegenheid om er te kletsen over wàt ze maar wouen, met de eerste de beste meid. Dat dee me genoegen. Dat gaf me veerkracht. Gek, hè? Mal, hé? Met zoo’n meid praatte ik liever dan met een van de koffiehuiskennissen. Later ontmoette ik Dirk. In z’n tijd was ie ’n gevoelige jongen, een die soms in goeie buien fragmenten uit Mei wèrkelijk mooi kon voordragen. Nou is die abruti. Soms komt nog ’t ouwe in ’m boven. Maar als je zit in de vuilniskar van zóó’n passie, ben je voor de haaien. Dirk inviteerde me. Dirk was óok ’n nachtuil. Nou dat weet je! En ’t was ’n bizarre wereld, het zoodje van de kabotijns, die samenhokten in De groote Slok, in de Catacomben. Je ziet er elken dag wat nieuws, wat anders, nog iets méér gemeens, liederlijks. Ik denk dat ’k ’r eens ’n boek over schrijven zal.—Nou. Zoo zie je me plakken hier en daar, omdat ik geen thuis heb, ’s nachts tóch niet slapen kan, menschen zien móét, onverschillig wàt voor menschen ’t zijn. Gek, dat iemand voor z’n leven ’n dosis verveling bij ànderen nóódig heeft. Ik voel me er niet ongezond onder, al zie ik bleek. Nou—en de ouwe dag.... God, die òùwe dag.... wat ’n ráár verschiet, als je je jong—zoo oud en zoo belabberd eenzaam voelt.”—„Laat mij maar dikwijls bij je komen,” zegt hij héél-vriendschappelijk.—„Als je wilt.”—„Zou je niet naar huis gaan. ’t Wordt stinkend laat. Je moet ’t heele end nog terug loopen. En ’t begint weer te regenen.”—„Ja je heb gelijk. Dag kerel. Tot morgen.”—„Slaap lekker!”

Loom, rustig lag de Amstel. Regen tikkerde in het water, op de boomen. In de verte, achter het plomp silhouet van het Badhuis, kromde een melkstreep van opkomenden dag. Mat groende het water daar, glanzend tegen het brauwende zwart der donkere landen. Nog brandden lantaarns, koperroode priempuntjes, die in het water weerkaatsen tot gouden, draaiende, diepgaande zuilen. Vuriger boorde het purperen oog van het overzetveer. En naarmate de melkstreep in de verte fletser werd, wijdend over vreemde roetpluimingen, het kopergroen van het water strakker, vervaagden de roode priempuntjes tot dansende, schemerende stippels. Een melkboer klotste aan achter een kar, waarvoor honden wit-adem-hijgend trokken. En klokken begonnen te luien, zeer zachtjes, dompende, wiegende stooten in de kille, grauwe schemering. Eerst één klok, langzaam, klagend, elke dreun gonzend-nazoemend. Dan een ander, vlugger als van een zoekende hamel op verre bergtoppen.

„Overrrr!”

„Overrrrr!”

„Halloooo! Hallo-óóó!”

Over het water komt de jolleman gegleden. De riemen doorklokkelen het water.

„Goeien avond meneer.”

„Dag Tijs.”

„Misselijk weertje, meneer.”

„Ja. Niks lekker.”

Telkens een zwarte geul bij de riemen, wat schuim, en over het heele water de vinnige spetjes van regen, de gouden spiegelzuilen van de lantaarns. Ik ben koud geworden, huiverig, ben blij als ik thuis in den hangstoel lig. Door de ramen vaalt eerste daglicht. Alles lijkt leelijk, oud, hard. De krant ligt wijd-open, vertrapt op den grond. Waar Karel gezeten heeft, is het rooie tapijt wit, goor en grijs van ingeloopen sigarenasch. Het vuil theegerij staat op tafel. In mijn vermoeid hoofd is een onbestemd gevoel, dat ik omringd ben door wreede, dierlijk-gemeene dingen en ik denk flàùw, met iets van zelfverwijt en iets van laat-alles-nou-maar-gebeure-d’r-kan-me-niks-schele—dat ik wonderlijk-ongelukkig ben.

IV.

IK REDENEER ONHEBBELIJK ZWAAR EN DRINK ZWARTE KOFFIE.

„Hoe laat heb je ’t?”, vraag ik ongeduldig.—„Vijf minuten voor half elf”, zegt Karel.—„Ik, zeven.”—„Je hoeft niet naar de klok te kijken. Zè komt zèker.”—„Nou, ’t heeft ’r veel van of ze ons voor de gek houdt.”—„Wacht nou maar.”—„Wàt heeft ze je gezegd?”—„Gelóóf je me niet? Ze zei—zeg an Spier, an meneer Spier natuurlijk, da’k om half elf in de Slok kom en of-die me ’t genoegen wil doen d’r ook te kommen.—Hoeveel keer mot je ’t nou nóg hooren?”—„Waar heb-ie ’r gezien?”—„Ze liep in de Kalverstraat met nóg ’n dame. Je heb de groeten van me vriend van Prot zei ik, om ’n praatje te maken.”—„Hèb ik jou wat opgedragen?”—„O, was ’t soms niet goed. Ik dacht nog wel héél goed te doen. Toen zei zij: wat is dat voor iemand? Toen heb ik je natuurlijk zwàrt gemaakt. Toen zei zij dat ze je zoo’n nette jongen vond en dat ze wel eens verder wou kennis maken. Kom dan van avond in de Slok zei ik. Goed zei ze, om half elf. Als je me bedondert zeg ik, ben ik eeuwig kwaad op je.”—„Nou, ’t is half elf.”—„’t Is d’r nog víér minuten voor. Wat ben jij ongeduldig. Kommen de vrouwen niet altijd te laat?”—„Ik hou niet van wachten. Je moest voortaan zulke afspraakjes niet meer maken,” zeg ik uit m’n humeur.—„Da’s me dank! Heb je niet gezegd dat je d’r ’n móóie vrouw vond?”—„Wat zegt dat? Je hoeft m’n woorden niet als goud te wegen!”—„Wor je nou nijdig, omdat zij ’r nog niet is?”—„Nee, nee, nee! Maar ik doe niet graag móéite voor ’n vrouw. Als ze je voor niks laten komen, krijg je ’t gevoel van ’n Hoogereburgerschool-jongen, die an ’t scharrelen is en door ’t dienstmeissie uitgelachen wordt.”—„Jij ben in alles pedant.”—„.... Wacht is!.... Is ze daar niet?”—„Waar?”—„Links van de leestafel. Met dien gelen hoed?”—„Nee. Zoo dik is ze niet.”—„Laten we dan maar weggaan.”—„Nog vijf minuten.”—„Nee. Wachten is ’t beroerdst dat ik ken.”—„’k Kan wel zien dat jij weinig afspraakjes maakt.”—„Wel mogelijk. ’k Begin er te oud voor te worden.”—„Dàt maakt je melankoliek.”—„Beste jongen, wor ’r nou niet kwaad om, maar van mijn melankolie snap jij geen bliksem.”—„Ik snap ’r zooveel van,” zegt Karel, geprikkeld: „dat als jij ’n vrouw had, je minder an allerlei ònzin zou denken!”—Ik antwoord niet. Wat gaan mij z’n platte beschouwingen an! Zenuwachtig kijk ik naar de klok, naar de deur, trommel met de vingers op tafel.—„En of je je nou maar zoo houdt,” zegt hij weer: „jij wil wàt graag verder kennis maken. Jij bent net zoo ijdel als èlk ander man. O zoo.”—„’k Geloof niet da’k díé soort ijdelheid heb.”—„Waarom had je ’r dan zooveel pleizier in, toen ’k je zei dat ze je ’n nètte jongen vond?”—„D’r ligt me niet dát an gelegen. Voor mijn part vindt ze me ’n patser.”—„Jij wil altijd anders!”—„Ga je mee?”—„Aannemen!”—Uit ons humeur gaan we de Slok uit. Hij, omdat ie ’n mal figuur slaat met z’n afspraakje—, ik, om den gebroken avond en óm, en óm, en óm ijdelheidsredenen. Dat voel ik wel. Als ik er buiten denk te staan, líég ik.—„Ga je mee naar Mast?”—„Nee. Strákjes. ’k Heb om half twaalf ’n afspraak met Scherp, die me wat voor moet lezen.”—„En àls Georgine gekomen was?”—„Dan had ik hèm laten wachten.”—„Kom je zèker bij Mast?”—„Ik denk ’t wel.”—„Nou, tot straks dan.”—„Adi.”

In ’t hoekje achter de deur van de Bar zit Scherpenzaal.—„Nou al groc?” vraag ik verwonderd.—„’t Is m’n twééde. ’k Drink ’r nog véél meer. ’k Hè-weer zoo’n goddelijke ruzie gehad! Jij ook groc?”—„Nee! Laat die zwijnderij maar stààn! Je mot niet drinken. Da’s de grootste pest. Johan, breng maar twee kleintjes.”—„Ik wil geen koffie!”—„Nou en ik wil niet dat je gròc blijft hijschen!”—„Nou, dan niks.”—Maar als de koffie en de geslagen room voor hem staan, verandert-ie van gedachte.—„Kom je van huis?”—„Nee, van de Slok.”—„Wat ben je dáár wezen doen?”—„Afspraakjes met ’n vrouw wezen mìssen.”—„Met ’n vrouw?”—„Vin je dat zoo wonderlijk?”—„’k Vin jou te ernstig voor geschàrrel.”—„Ik wou d’r oogen nog wel eens zien. Ze heeft oogen, die je doen denken aan ’n kind.”—„Waarom trouw je niet, Alfred? Je verdient genoeg. Je kon je thuis zoo gezellig maken.”—„Ik merk wel dat ik óúd wor. De menschen beginnen me állemaal goeien raad te geven. Karel straks. Nou jij. Morgen weer ’n brief van mama!”—„Nee, maar zònder gekheid!”—„O, zònder gekheid! O, zónder gekheid! Jij ben jonger dan ik en al hóú je er niet van—, toch ben je den heelen dag in een burgerlijke omgeving met bezopen begrippen. Bij joden is de traditie héél sterk, niet?”—„Ik weet niet waar je heen wil.”—„Wat jullie en de heele beschaafde fatsoenlijke, gezeten—wat is ’r nog meer! Weet je nog méér!—, ordelievende—tralala-wereld, huwelijk noemt, noem ik leugen. Dat is geen erg níéuwe ontdekking, wat? En nou breek ik liever mijn nek dan dat ik trouw!”—„Je moet geen eed doen over zulke dingen. Niemand weet wat hij mòrgen wil,” zei Scherp, wijs als een wijze Griek.—„Onzin! Een móói beginsel is voor je heele leven”—, meende ik zéér beginselvast. In een koffiehuis ben je dooreengenomen walgelijk sterk van principes. Ik geloof zelfs zeer pertinent dat vele dezer mèt de koffiehuizen staan of vallen.—

„Waarom ben je zoo woest tègen het huwelijk?”, vroeg hij weer, koffieslurpend. We zaten als twee knuffe leutjes—, zoo heelemaal geschikt om te koffiekonkelen. „Ik ben niet tegen het huwelijk. Ik ben tegen jùllie huwelijk, tegen het maatschappelijk contract zooals bourgeois-heeren dat ingepikt hebben”, zei ik.—„Wat wou je dan?”—„Wat ik wil weet ik zoo net niet,” zei ik vrij verstandig: „Voor ànderen zou ik ’t nu niet onder woorden kunnen brengen. Voor mezelf heb ik ’t wél overdacht, wéét ik wat ik doen moet.” De koffie in de Bar is uitmuntend.—„Dat lijkt me bij eerste hooren vreemd,” opponeerde hij: „àls het goed is voor jezelf, waarom deugt het dan niet voor anderen?”—„Omdat ik de anderen zóó weinig ken en ze zóó in leugens opgegroeid zijn, dat de méést-natuurlijke dingen niet meer voor ze passen”, zei ik: „daarenboven, beste jongen, leven we in een tijd van allemaal lòsstaande menschen. Er is in alles anarchie. Je kunt niets van het leven opnoemen of je voelt en ziet er in den burgelijken ondergang, ’t gedoe van individuën alléén. Ik kan in die benauwenis dus wel wéér iets ánders anarchistisch ’s doen, om mézélf tijdelijk te helpen èn een „revolutionnaire” daad begaan door me schrap te zetten tegen een immoreel contract, dat vastzit aan leugen en zoo als àlles aan bezit, maar voor anderen kan ik op dit moment nìèts dan wat ik noem „burgerlijke” raadgevingen over hebben. Dat begrijp je niet, wel? Ik bedoel dat het harmonieuze, eerlijke huwelijk, het huwelijk in onwrikbaar verband mèt een eerlijke maatschappij èn een eerlijke zedeleer eerst mogelijk zijn zal in een tijd als ze van ònze botjes al làng onderbroeksknoopen gemaakt zullen hebben. Vraag je me den besten raad vóór ànderen, dan zou ik zoo zeggen: handel in je huwelijkszaken als anarchist, sluit je voor het òverige aan bij díé socialisten die de beste taktiek volgen. Want die en die alléén gaan af op de kern van àl het rotte. Het feministen-vereeniginkje spelen en de rest is smurrie”....

Ik dronk mijn kopje leeg. Het spreekt vanzelf dat ik bovenstaande tirade nìèt sprak (ik spreek nooit zoo schrikkelijk aan-een-stuk wijs), nòch het volgende zóó zeide. Het verveelt me zelfs eenigszins dit onsmakelijk tendenz-gesprek in te lasschen. Maar mijne herinneringen zouden onvolledig en het relaas mijner historie onsamenhangend zijn, wilde ik een zoo fameus gesprek à la Van Lennep, Potgieter of een dier andere discours-lurkers, coupeeren. En ’t hoort er zoo bij, niet waar, om bij tijden—in een Dagboek—jezelf voor te stellen als een meneer die ’t bliksems goed weet en vóórál wijze dingen denkt. Dan hèrlees je je eigen ik met genoegen, als je later ’t manuscript opneemt, vind je jezelf een held, een làng-niet-missen philosoof. Ik ga dus voort in dien sympathieken toon van kleintjes-koffie-drinkende-jongelieden, die niets anders dan schóóne gezegden formuleeren en zóó ik strakjes sentimenteel word, is dat voorzeker (voor driekwart) aan eene ziekelijke fantasie te wijten, die uit een onnoozel koffiehuis-ikje—al schrijvend en literatuur fabriekend—een romanheld met louter gevoels- en denkpoenighedens distelleert. Ik ben lànge na zoo niet. Nee, waarachtig niet.