Kamertjeszonde

Part 38

Chapter 383,531 wordsPublic domain

Woest, de tafel opzij duwend, vloog zij naar ’t raam, trok met één ruk van drift het gordijn op. Het rijtuig, glad-glimmend-vierkant reed weg. Er stond een agent naast ’n heer met ’n parapluie. Anders niet. Het gordijn barstte neer, neerflappend van de rol en met een snijdenden angstkreet, rauw-gillend, rende zij naar de deur, met de vuisten en ’t hoofd bebonzend het hout, heesch-krijschend gillend: „Me kin-de-re!... Me kin-de-re!... O God me kin-der-tjes!...” Ik greep haar in mijn armen, sleurde haar weg van de deur, waartegen zij het arme, krankzinnige hoofd beukte, zoende, suste haar, maar ze zàg me niet, worstelde om los te komen, jammerend, rauwgillend, het hoofd in smartkramp achterover, tot ze verstijfde en in mijn armen wegzakte naar den grond, waar ze bewusteloos bleef liggen, dicht bij den vlammenden haard, die haar doode gelaat belichtte.

Volgenden dag was zij dof-rustig, kwam er een deurwaarder met een papier, dat ik las—, omdat zij het niet wou:

Extract der minuten, berustende ter Griffie der Arrondissements Rechtbank te Amsterdam.

Aan de Arrondissements Rechtbank te Amsterdam.

Geeft met verschuldigden eerbied te kennen

Isaac Davidson, ten deze buiten beroep handelende, wonende te Amsterdam aan de Jodenbreestraat no.... doch ten deze domicilie kiezende ten kantore van den procureur Mr. Mozes Gluip, aan de Heerengracht no.... te Amsterdam;

dat verzoeker den 5den Maart 1887 te Amsterdam is gehuwd met Georgine Casper en uit dit huwelijk zijn geboren twee kinderen met name Catherina en Cateau Davidson;

dat verzoeker van zijne echtgenoote voornoemd gedurende dit huwelijk heeft moeten ondervinden, dat zij in ongeoorloofde betrekking heeft geleefd en nog leeft met een anderen man dan verzoeker en wel afzonderlijk heeft gewoond van af vijf November 1893 tot Donderdag den twaalfden Maart 1894 in de Jan Steenstraat no.... te Amsterdam ten huize van den heer J. Doedelaar, dat de Gerequireerde met den bedoelden persoon een kamer met alkoof en keuken gedurende dien tijd bewoond heeft en op die kamer zich toen heeft bevonden slechts één tweepersoonsbed;

dat meerdere personen gezien hebben dat de gerequireerde met den bedoelden persoon te zamen in nachtgewaad op hetzelfde bed hebben plaats genomen, dat deze feiten daarstellen overspel door de gehuwde vrouw gepleegd en grond moeten opleveren tot het toewijzen eener eventueele vordering van verzoeker tot echtscheiding;

dat verzoeker de voormelde kinderen wenscht onttrokken te zien aan de macht zijner vrouw en hoe eer hoe liever deze onder zijn hoede wenscht te nemen;

dat verzoeker voornemens is, na bekomen verlof van den Edelachtbaren Heer President Uwer Rechtbank, eene rechtsvordering in te stellen tegen zijne genoemde echtgenoote tot echtscheiding, op grond van overspel door de Gerequireerde bij herhaling gepleegd, een en ander met veroordeeling van de Gerequireerde in de kosten op deze procedure vallende;

Redenen weshalve verzoeker zich wendt tot uwe Rechtbank met eerbiedig verzoek dat het UEA. moge behagen om, nadat door hem uit kracht van een daartoe door den Edelachtbaren Heer President dezer Rechtbank te verleenen verlof, bij gewone dagvaarding de eisch tot echtscheiding zal zijn ingesteld, aan hem toe te wijzen de conclusiën, die hij voornemens is daarbij te nemen, strekkende om bij vonnis dezer Rechtbank het huwelijk van den verzoeker met de Gerequireerde te verklaren ontbonden door middel van echtscheiding met alle gevolgen daaraan door de Wet gehecht, een en ander met condemnatie van de Gerequireerde in de kosten der procedure, en met voorloopige machtiging om gedurende den duur van gezegde procedure de beide genoemde kinderen tot zich te nemen, zonder gehouden te zijn Gerequireerde in zijne woning te ontvangen.

’t Welk doende enz.

(get.) MOZES GLUIP, procureur.

Wij President der Arrondissements Rechtbank te Amsterdam; Gezien het verzoekschrift op heden in persoon aan ons overhandigd door Isaac Davidson, wonende te Amsterdam, strekkende tot ontbinding door echtscheiding van het tusschen hem en Georgine Casper bestaande huwelijk, op grond van overspel, waarvan hij zijne echtgenoote beschuldigt;

Gelet dat genoemde verzoeker op onze aan hem voorgehouden bedenkingen verklaard heeft bij zijn verzoek te volharden;

Gezien de artikelen 816 en 817 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

Bevelen dat de verzoeker en zijne echtgenoote in persoon voor ons zullen verschijnen op Woensdag den vijf en twintigsten Maart 1894, des namiddags te half twee ure, in onze Audiëntie-Kamer ten Paleize van Justitie alhier, teneinde door het maken van zoodanige aanmerkingen als wij raadzaam zullen oordeelen eene verzoening tusschen deze echtgenooten, zoo mogelijk, teweeg te brengen, zullende een afschrift van dit bevelschrift door den Heer Griffier bij deze Rechtbank aan de hiervoren genoemde Georgine Casper, overeenkomstig de voorschriften der wet worden toegezonden. [6]

Gedaan te Amsterdam den achttienden Maart 1894.

(get.) KNIBBELAAR.

No. 852. Geregistreerd te Amsterdam den een en twintigsten Maart 1894 deel 307, folio 2, recto vak 2. Een blad geen renvooi. Ontvangen voor recht twee gulden veertig cent. ƒ 2.40. De ontvanger G. A.

(get.) ROOD.

De Griffier bij de Arrondissements Rechtbank te Amsterdam verklaart dat een afschrift van nevenstaand bevelschrift aan de daarin genoemde Georgine Casper toegezonden is. (dito[6])

Amsterdam den een-en-twintigsten Maart 1894.

(get.) BOF.

No. 852. Geregistreerd te Amsterdam den een en twintigsten Maart 1894, deel 307, folio 2, recto vak 3. Een blad geen renvooi. Ontvangen voor recht een gulden twintig cent. ƒ 1.20. De ontvanger G. A. (get.) ROOD. Voor extract conform (get.) BOF, Griffier.

Verschot ƒ 6.05 Leges ,, 4.55 -------- ƒ 10.60

Extract der minuten berustende ter Griffie der Arrondissements Rechtbank te Amsterdam.

Heden den vijf-en-twintigsten Maart 1800 vier-en-negentig is voor ons President der Arrondissements Rechtbank te Amsterdam ingevolge ons bevelschrift van den achttienden Maart 1800 vier-en-negentig verleend op een door den hierna te melden comparant aan ons ingediend verzoekschrift, gericht aan deze Rechtbank, strekkende tot echtscheiding, in persoon verschenen en wel in onze Audiëntie-Kamer ten Paleize van Justitie alhier:

Isaac Davidson, zonder beroep, wonende te Amsterdam aan de Jodenbreestraat no....; zijnde zijne echtgenoote Georgine Casper in gebreke gebleven voor Ons te verschijnen, niet-tegenstaande haar een afschrift van ons gemeld bevelschrift door den heer Griffier bij deze Rechtbank was toegezonden geworden. (dito [7])

Hebbende hij comparant alsnu zijn eisch tot echtscheiding herhaald en verklaard daarbij te blijven volharden, niettegenstaande de bedenkingen welke wij vermeend hebben hem daartegen te moeten voorhouden [8].—Waarop de comparant het hierboven gerelateerde heeft onderteekend.

(get.) I. DAVIDSON.

Wij President voormeld bepalen, dat de twee uit het huwelijk van partijen geboren kinderen, genaamd Catherina en Cateau, voorloopig aan de zorgen van hem, comparant, zullen blijven toevertrouwd en verleenen hem, comparant, verlof om tegen zijne echtgenoote den eisch tot echtscheiding in te stellen.

En is van een en ander opgemaakt dit proces-verbaal, door ons President en den vervangenden Griffier geteekend.

(get.) { KNIBBELAAR. { PAF v. GR.

No. 815. Geregistreerd te Amsterdam den zes-en-twintigsten Maart 1800 vier en negentig, deel 307, folio 418, vak 3. Een blad een renvooi. Ontvangen voor recht twee gulden veertig cent. ƒ 2.40. De ontvanger G. A. (get.) ROOD. Voor extract conform (get.) BOF, Griffier.

Min. Exp. Voor afschrift: Verschot ƒ 4.— MOZES GLUIP. Leges ,, 3.10 Procureur. ------- ƒ 7.10

In den jare 1800 vier-en-negentig, den een-en-dertigsten Maart; Ten verzoeke van Isaac Davidson, ten deze buiten beroep handelende, wonende te Amsterdam aan de Jodenbreestraat no...., doch voor deze zaak domicilie kiezende ten kantore van den procureur Mr. M. Gluip aan de Heerengracht no.... te Amsterdam en krachtens een door den EdelAchtbaren Heer President van de Arrondissements Rechtbank te Amsterdam, den vijf-en-twintigsten Maart 1800 vier-en-negentig verleend verlof, zijnde geregistreerd;

Heb ik Pieter Willem Penning, eerste deurwaarder bij de Arrondissements Rechtbank te Amsterdam, aldaar wonende en kantoor houdende aan de Vijzelstraat no....

BETEEKEND

en met het tegenwoordig exploit afschrift overgeleverd aan Georgine Casper, wonende rechtens te Amsterdam ten huize van den Eischer, doch feitelijk thans verblijf houdende aan de Ruysdaelkade no.... ten huize van de Weduwe Perron te Amsterdam, aldaar ter harer verblijfplaatse mijn exploit doende aan en sprekende met HEd. in persoon, van:

1°. een door den Eischer aan de Arrondissements Rechtbank te Amsterdam, den achttienden Maart 1800 vier-en-negentig, ingediend verzoekschrift, houdende verzoek om verlof tot het instellen tegen de Gedaagdes eener rechtsvordering tot echtscheiding op grond van overspel door de Gedaagdes gepleegd, alsmede 2°. van een proces-verbaal van het daarop dienzelfden dag door den EdelAchtbaren Heer President van gemelde Rechtbank gehouden verhoor van den Eischer en het daarop gevolgde bevel tot oproeping van de Gedaagdes ter verschijning voor ZEdAchtbare op Woensdag den vijf-en-twintigsten Maart 1800 vier-en-negentig, behoorlijk geregistreerd; 3°. van eene verklaring van den EdelAchtbaren Heer Griffier bij welgemelde Rechtbank dd. twintig Maart 1800 vier-en-negentig, insgelijks geregistreerd en eindelijk 4°. van een proces-verbaal van comparitie van den Eischer voor den EdelAchtbaren Heer President der Rechtbank voornoemd van Woensdag den vijf-en-twintigsten Maart jongstleden, houdende verlof tot het instellen eener rechtsvordering door Eischer tegen Gedaagdes, ter bekoming van echtscheiding, strekkende deze beteekening opdat de Gedaagdes er kennis van drage.

En voorts heb ik deurwaarder exploiteerende en sprekende, met domiciliekeuze als voren, de voormelde Georgine Casper

GEDAGVAARD

Om bij behoorlijk te voren gestelden procureur op Donderdag den negenden April 1800 vier en negentig, des ochtends ten halftwaalf ure, te verschijnen ter rolle van de tweede kamer van de Arrondissements Rechtbank te Amsterdam, zitting houdende in het daartoe bestemde lokaal van het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht, bij de Leidschestraat, te Amsterdam,

TEN EINDE

Aangezien de Eischer den vijfden Maart 1887 te Amsterdam is gehuwd met de Gedaagdesse:

Aangezien gedurende dit huwelijk de Eischer heeft moeten ondervinden, dat de gedaagdesse in ongeoorloofde betrekking heeft geleefd met een anderen man dan den Eischer, immers met dien anderen man bij herhaling vleeschelijke gemeenschap heeft uitgeoefend en bovendien afzonderlijk heeft gewoond van af 5 November 1893 tot Donderdag den twaalfden Maart 1800 vier en negentig in de Jan Steenstraat No.... te Amsterdam ten huize van den Heer Jacobus Doedelaar, met dien anderen man dan den Eischer;

Aangezien de Gedaagdesse met den bedoelden persoon één kamer met alkoof en keuken gedurende dien tijd heeft bewoond en op die kamer zich toen heeft bevonden slechts één tweepersoonsbed;

Aangezien meerdere personen gezien hebben, dat de Gedaagdes met den bedoelden persoon te samen in nachtgewaad op hetzelfde bed hebben plaats genomen;

Aangezien deze feiten daarstellen overspel door de gehuwde vrouw gepleegd en dat de eischer mitsdien gerechtigd is om de ontbinding van het huwelijk door Echtscheiding te vorderen;

Aangezien de Eischer, zoo de Rechtbank het noodig acht, bereid is deze feiten door getuigen en andere middelen rechtens te staven,

Mitsdien bij vonnis van welgemelde Rechtbank en Kamer zal worden uitgesproken de ontbinding van het tusschen partijen bestaande huwelijk door Echtscheiding, met al de wettelijke gevolgen daarvan; alles met veroordeeling van de Gedaagdesse in de kosten van dit rechtsgeding,—onder voorbehoud voor den Eischer om, pendente lite, zoodanige incidenteele vorderingen te doen als hij naar aanleiding van de daartoe bij de wet verleende bevoegdheid zal vermeenen te behooren. En heb ik deurwaarder aan de gedaagdes

AANGEZEGD

dat Mr. Mozes Gluip, procureur bij de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam, voor den Eischer als zoodanig in deze procedure zal occupeeren en haar tevens exploit doende aan en sprekende als voren, gelaten afschrift van voorschreven stukken, ook van dit exploit waarvan de kosten zijn ƒ 6.60.

P. W. PENNING, Deurwaarder.

Ik smeet deez’ bevuiling van huwelijksschoonheid, ’t Edel-Achtbaar gedoe van rechters, advocaten, griffiers, procureurs, deurwaarders tegen den grond, liet ’r den schurftigen hond van Veuve Perron mede spelen, die het pleizierig aan stukken scheurde.

Daarna geschiedde weinig. Veuve Perron schuchterde verlegen binnen, de bruine handjes in de zakken van haar voorschoot knutselend.

„... As ’k u vrage mag, meneer... U ben vannacht hier gebleve... voor Georgien... met die gebeurtenis van de kindere, niewaar?... Dààr zeg ik niks van... Dáár zeg ik niks van... Georgien had wel troost noodig... ’t Was verschrikkelijk... Mààr... as ’k vrage mag... Was... Wàs ’t uw plan... om èlleke nacht... ’k bedoel wou u...”

„... Ja dat was éérst m’n plan...”

„... O... O... Mààr ziet u...”

„... Maar we gaan strakkies weg... ’k Weet zoo iets van uw dochters Amélie en Sophie... Wil u, als ’r nog verdere papieren van de rechtbank komen, die voor ons aannemen en... en... èn nazenden...”

„God, wil u zoo dàdelijk weg? Zoo dàdelijk?”

„Ja.—We blijven geen dàg langer. Dat kun je zoo hebben... De fabriek stinkt en ’t bed is te klein...”

„’k Had ook maar op ’n één-persoons gerekend, niewaar Georgien?... Maar às u ’n twéépersoons wil hebbe...”

„Nee. Dànk u. Wij gaan strakkies.”

Op straat vertelde ’k Georgine het afgeluisterd gesprek—wààrom ik Veuve Perron in de rede viel. Mijn hóófdreden was de gedachte aan de herinneringen van dìè kamer.

Wij aten, zochten Scherp op, die met koorts te bed lag. Tegen half twaalf wilden we ’n kamer nemen bij Mast. De portier schelde. De Oberkellner kwam naar benee, inspecteerde ons, zag dat we géén bagage hadden, vroeg of we getróúwd waren. Ik zei néé. En er waren gèèn kamers. We gingen naar Suisse. Er waren gèèn kamers. We gingen naar Polen. Er waren gèèn kamers. Wij hadden geen bagage. Wij waren niet getrouwd. Oberkellners zijn wèl zoo edel-achtbaar als de president van ’n Rechtbank.

Toen nam ’k, om niet langer bekeken te worden door kellners en portiers, een kamer in een Rendez-vous.

De juffrouw bracht frisch water.

De juffrouw bracht schoone handdoeken.

De juffrouw vroeg of ’t voor ’n uurtje was of voor den heelen nacht.

Ik zei voor den héélen nacht.

En betaalde vijf gulden.

Zij sloot de deur.

Ik dee de knip er op.

En huiverig in de kille kamer kleedden wij ons uit, kropen bij elkander, zoenden elkaar goeien nacht, woelden onrustig tot de morgen door de neergelaten gordijnen grauwde, de morgen die eerbaar Amsterdam kwam wakker maken.

Vroeg stond ’k op, sterk door m’n werkende zenuwen, keek door ’n gordijnkier naar buiten. Fletse, vale wolken druilden langs roodvuile daken. Een zwarte schoorsteen stompte vlak-bij, naast ’n dakgoot. Het was een uitzicht op goorbruine, verweerde stadsmuren, beslagen, schimmelend cement, verslijkende stofbulten. Van de straat was niets te zien. Schuinsover een zolderraam met grijze tullen gordijntjes.

’n Goeie afgelegen buurt voor ’n Rendez-vous, voor ’n Naaikrot in dienste der bourgeoisie, ’n huis zonder buren.

Op ’t ledikant ging ’k zitten, keek haar aan, zoo ze daar lag, wit, vermoeid, wekte haar. Zij sloeg de armen om mij heen, zoende me, zoende me. Ik zoende haar. De eerste reine kussen in dit bordeel.

Uit het bed, uit de kamerhoeken, uit de meubels opsloeg de stank eener zedelooze, ròttende bourgeoisie.

Wij kleedden ons aan.

Wij gingen naar beneden.

De dienstmeid maakte de deur open.

Wij stonden op straat.

Een arbeider, met een kalkbak op z’n schouder, zag ons uit het Rendez-vous komen, spuwde z’n tabakskwijl tot dicht bij mijn voeten.

Het was nog héél vroeg.

Samen gingen wij zoeken naar nieùwe kamers.

XXII.

OPGANG.

............... Ween vrijelijk, mijn vrouw: er bestaat geen wijde, wijde wereld—er is ’n aarde met klamme kamertjes en straten; er is geen God: er zijn kérken—er is geen liefde: er is gehoereer om geld en bezit—er zijn geen mènschen: er zijn nìèt-voelende, stupiede clowns—er is geen vrijheid: er is de gedrochtlijke overheersching eener alles bevuilende klasse. Laat uw tranen gaan door dit boek, mijn kind,—dit eerlijk boek dat ik rinklen zal door de ruiten dezer liederlijke burgerij, niet vragend om datgeen waarom anderen plegen te vragen.

O, ik bén weer sterk door mijn geloof in de bevrijding van alle verdrukten—er daagt een horizon, er daagt nieuw leven. En al ondergaan wìj nog de smart, de ellende der heerschende levensbeschouwing, wij mogen niet te lang verwijlen bij dingen die klein zijn in verhouding tot den grooten strijd dien wij mede gaan strijden. Want nù weet ik hóé het zal zijn, nu wéét ik volkomen wat mij vroeger vaag voor den geest stond, nu wéét ik dat geen waarlijk vrije, bevrijde liefde voor een vrouw of een kind mogelijk is, vóór het moeras dat ons allen verpest is gedempt.

Berusting, mijn kind, is een schoon iets en voorwaar zij past ons als denkende menschen, als kleinlingen tegenover eene godheid, die wij ons voorstellen willen als almacht van waarheid en recht. Het past ons ernstig te bepeinzen de dagen des ouden dags en het onvergankelijk-grootsche der materie in hare oneindige phasen.

Maar berusting tegenover deze clowns, die wreed, zelfzuchtig en driest, geen andere schoonheid kennen dan het beest Kapitaal, berusting tegenover onderdrukkers, lieden-zonder-verheffing, zònder idealen, ware de dood voor ons best zieleleven.

Samen zullen wij thans mede onze schouders zetten onder dit oude, hideuze gebouw, onder deze verachtelijke ruïne, al beleven wij nimmer de donderende instorting, den razenden tuimel van binten en muren op de hoofden der fulpen schooiers.

Nù nog is huwelijk een beschimping, een hóón, een stinkend bourgeois-braaksel, nù nog is de godheid boerenbedrog, kwijl van dienstjes en boeken, maar het einde nadert van dit verkankerd leugenras dat moordt, er op los hoert, vrouwen versjaggert en kinderen opkweekt in bedrog.

Het einde nadert door hén, die onze makkers en genooten zullen zijn.

Mijn kind, ge moet mèt mij trachten het triestige van kamertjesleven te ontvluchten. Bij tijden in stille schemeruren zullen wij zacht-spreken over onze herinneringen, de oude smart hervoelen. Maar nu wij geleerd hebben kracht bij en met andren te zoeken, zullen wij beiden den schoonen opgang kennen uit dezen stratenwalm, uit de besmetting der bourgeoisie, den opgang door de wijde poorten van ons nieuw en groot geloof.

En, wanneer onze kinderen ouder geworden, zullen zij tot ons komen—in eerbiedige liefde.

9 September—15 December 1896.

AANTEEKENINGEN

[1] Is dit geen passende zin voor ’n Christelijke scheurkalender?

[2] Hier begon de tweede zin.

[3] De wet van 7 Juli 1896 heeft hierin „verandering” gebracht. Daarin wordt bepaald dat de dagvaardingen en alle andere exploiten zullen gedaan worden als volgt:

„Nummer 9. Ten aanzien van de getrouwde, niet van tafel en bed gescheiden vrouw, wat betreft de dagvaardingen en alle andere exploiten, die haar ten verzoeke van haren echtgenoot worden uitgebragt, aan haar in persoon of aan haar werkelijk verblijf, en, wanneer dit is ter woonplaats van haren echtgenoot, alsdan aan haar in persoon, of, zoo de deurwaarder haar aldaar niet vindt, aan het hoofd van het plaatselijk bestuur van die woonplaats, of aan dengene, die hem vervangt, invoege, als in art 2 van dit wetboek is voorgeschreven, terwijl bovendien in dat geval het exploit zal moeten worden aangekondigd in een dagblad der woonplaats van den man, of bij gebreke daarvan van een naburige plaats en een afschrift van die aankondiging zal moeten worden aangeplakt aan de buitenzijde der hoofddeur van het door hem bewoonde huis.”

„Deze aankondiging zal alleen bevatten de dagteekening van het exploit, de aanwijzing van den persoon te wiens verzoeke, en de persoon aan wie het exploit is gedaan, de vermelding van den deurwaarder, die het gedaan heeft en van den persoon aan wie afschrift van het exploit gelaten is; voorts, indien de aankondiging eene dagvaarding betreft, de aanwijzing van den regter voor wien, en van dag en uur der teregtzitting, tegen welke gedagvaard is, en indien de aankondiging de beteekening van eene regterlijke uitspraak of beschikking betreft, de aanwijzing van den regter door wien en van den dag waarop de uitspraak gewezen of die beschikking genomen is. Het aangeplakte afschrift der aankondiging zal op het verzoek van de vrouw door den deurwaarder onmiddellijk moeten verwijderd worden.”

Verder heeft genoemde wet „gunstige”—, ei, mijn hemel!—„gunstigèr” bepalingen betreffende het „onherroepelijk van kracht zijn van een bij verstek gewezen vonnis” en dito-dito.—O, voorwaar, Dirk heeft me verteld dat zandaardappelen van ’t jaar zoo slecht zijn, zoo glazig, zoo heelemaal niet geschikt voor gestampten pot—„gunstiger” condities aangaande de maatregelen „tot behoud der goederen tijdens de procedure tot scheiding van goederen, tot echtscheiding en tot scheiding van tafel en bed”—, maar deze schoone wet trad in werking 1 Januari 1897, toen bovenstaande dialoog al klassiek van ouderdom was. En, melieven, wat beteekent het wanneer zotte bepalinkjes door minder-zotte of èven-zotte vervangen worden? Ik voorspel u dat er eens een tijd zal zijn van simpel verhuisbiljet-aanvragen, dat onze hersenen zóó zwaar zullen groeien, dat het beneden-navelige niet meer van „invloed” zal zijn op eer, overspel etc. Eer mummelt een kikker over Kant, eer groeit een bloem op uwe hand—ei, ei, dit rijmt—, èèr cancaneert de doodsangst in uwe binnenkameren gelijk een dronken krankzinnige, eer drinkt gij wijn uit uw schedel, eer zuigt gij honig uit rots en olie uit kei—vergelijk testament—eer werpt een smousje leeuwen, eer wordt de zee tot een venijngezwel, eer baart een vrouw góúd (tientjes met beeltnis van Wilhelmina Regina), eer wordt het nierenvet der tarwe druivenbloed—, éér perkamenten wetjes, wijze kwijl uit pruimenmonden—, éér sabbelpraatjes eens onvruchtbren mans, het van de aarde allerschoonste, liefde, huwelijk, snoert in drekton van een bindend reglement. O, klootjesvolk, draagt úít het laken uwer dochteren, draagt úít het rood-bevlekt van weggeslagen kuischheid èn bidt tachtig dagen. Wellicht verstaat gij huwlijk ééns als niets meer is onteerd dat is bevrucht, wellicht dààgt eens de Dag in uw ontuchtge harten, zal òns hoereeren ù een lichtnis zijn.

[4] Deuteronomium XXII. 8.

[5] Deuteronomium XXIII. 3.

[6] Dit papiertje werd nóóit door Georgine ontvangen. Waarschijnlijk werd het bij den man zélf, „het wettig domicilie”, bezorgd—zie bladzijde 343.—Wat doet ’t ’r toe?—Wat zegt één triestige grap méér of minder? Spier.

[7] Zie noot voorgaande pagina.

[8] O grappenmakerij! ’t Kan goed geweest zijn—zoo’n rechter-Cupido.