Kamertjeszonde

Part 25

Chapter 253,838 wordsPublic domain

„... O zoo... Ik ben me daar gek geworde... Jawel!... Ik ben me daar gek geworde... Zès maal naar ’n portret staan kijke... Omdat zij zulleke mooie schouers heeft... zulleke mooie beene... Ik ken jullie... Jullie zijn net als de hondjes... Dat begint met ’n portret... Dat eindigt met bedriege... O zoo... Ja, ik ben me daar gek!... ’k Heb oogen in me hoofd... Zès maal staan kijke naar d’r beene, d’r arme... Met díé zou je wel is wille, hè?... Jawel!... Nee, mannetje... Dan heb je ’t glad mis... Me kouse zoo maar neersmijte... En z’n horloge vergete op te winde... En me haarspelde anneme, zóó onverschillig!... Jawel!... Da’s ’t begin... Niewaar?... Eérst onverschillig... Dan naar andere vrouwe kijke... Natuurlijk... Bij mij is ’t nieuwtje ’r af... Jawel... Ik ben me daar gek geworde... Jawel... Jawel... Nou, kan je geen antwoord geve?... Hoor je me niet?... O—meneer is beléédigd!... Jawel... Ménéér is beléédigd... Ménéér wil doen wattie wil... En ik mag geen anmerking make... Nou!... Blijf uit je humeur!... Mot ’k me omkeere?... ’k Ga zóó slape zònder j’n zoen te geve... Toe nou, Alf... Blijf-ie boos?... Zòò?... Blijf jij boos?... Nou dàt zulle we is zien, of jij boos blijft!... Wil je je hoofd na me toedraaie... Allée!... Allée!... Hoor je me niet?... Wacht is ventje!... Wacht jij is!”... En dan zoende ze me met passie op m’n mond, beet me, kwam er gegiegel onder de dekens, waren we allebei èrg lief voor elkaar nu de vrede er weer was—en vijf minuten ná die huilpartij, na haar woede en mijn kregeligheid, stonden we allebei op, stak ik de lamp aan, waschte zij zich in de alkoof, spoelde ik me af bij de tafel, waar de snippers lagen, waar ’n afgerukte voet dreef op ’t nat bakje van een kopje met koffiedik. Dan liep ik me af te drogen, keek naar de leege plek boven het kastje, had een vreemd, zonderling gevoel—gevoel van onvoldaan, triestig mensch met bevredigd lichaam. En in bed wéér, in het donker, terwijl haar rustige, warme ademhuifjes in mijn hals puften, keek ik in de verre, vèrre donkerte, die onze twee lichamen als een lijkwa omgaf.—„Hou je van me?—Hou je van me?”—, vroeg ze, kinderlijk, vóór ze voor goed slapen ging. „Ja. Zéker”—, zei ik, mijn arm om haar lijfwarmte. Haar ademhuifjes bliezen warmer op mijn bloote borst en mijn oogen keken vol-open in ’t donker, alsof ik nog was achter het masker van Sinterklaas.

Zoo was de éérste ruzie. Ik heb dagen gehad, dat Georgine’s ijverzucht mij drukte, hanteerde, dat ’k diep en met meerder smart voelde den jammer van burgermans-leed in klein-warme kamers, uren zelfs dat ik haar háátte. Het zijn de kleine dingen die bij tijden het leven tot een walg maken—het koppig zijn van eene vrouw—, het langdurig, gemelijk kibbelen met vlaagjes van drift—, het mokkend gezwijg—, het thuiskomen in een niet opgeruimde kamer, als de vrouw onwillig te bed ligt—óf als ’t eten te dampen staat en ze niet eten wìl—, het zijn de kleine dingen van vijandschap—mokken—boudeeren—die al de benauwenis van kleine kamerwanden, lamp, stoelen, tafel, kast, prentjes—heet naar de keel jagen, het hoofd doen branden van kleine kamertjessmart, wijl er zooveel schoons, goeds op de wereld is en al het schoone, het goede van den sterksten man vastgenepen ligt aan morrelende, ophitsende kamerkleinigheden. En dit vind ik van een zúlke droevige smart, van een zúlke smartelijke wanhoop dat ik over mijzelve in geen uitgesponnen details wil treden,—wat een nutteloos verwijt zou zijn aan de vrouw die ik liefheb èn een verontschuldiging voor de eigen kleine-kamertjes-gebreken. Er is geen ontloopen aan, geen ontkomen. Kamertjesleven heeft ons vast, houdt ons àllen gestrekt op een martelbank. Verleden, herinneringen zijn bedrog. Verleden is ons tot een samenstel van feiten geworden, dingen die zijn bijgebleven door meerder vreugdelijks of smartelijks. Maar het gewèldigst, benèpenst, dróévigst van datzelfde verleden, de kwelling van kleinigheden, de nooit ophoudende pijnlijke schrijning van kamertjesdingen—tèlkens opnieuw verdrongen, óvergolfd door àndere kamertjesdingen, tèlkens verstorend, prikkelend, tèlkens verstikkend-opdringend de kamerwanden, de zotte gevangenis—dàt zwaar-wegendst van het verleden vermoffelen we onder vreugdevolle of smartelijke „feiten”. Ook om díé reden háát ik beschrijvingen van leven, beschrijvingen die liegen en romantiek voor kamertjeswáárheid in de plaats stellen. Als ik thuiskom, te laat, de visch koud is geworden, huilt Georgine, die me had willen laten smúllen. Er is kamertjesruzie, drenzende, mokkende, ónvermijdelijke kamertjesruzie, mét de wanden van behang er-om-heen. Als ik haast heb en ’t eten ’n half uur te laat op tafel komt, kijk ik zuur, zeult het onvrindelijk gezwijg tegen ’t behangsel, de gordijnen. Als er vetvlekken zijn op mijn papieren, grolt ’r ’n drift in me op. Als ik bitter bij ’n vrind of in ’t koffiehuis, kwelt me de ingehouden woede mijner vrouw. Zoo is er duizend en meer, alles kamertjespijn—, die ’n lief lezer glimlachen doet, kamertjespijn, die het bourgeois-publiek aan hetwelk literatuur door literatuur joden versjaggerd is—in lief-humoristischen trant ingelepeld wordt—, kamertjespijn afhankelijk van ’n gesteven boord, van koud geworden aardappelen, van gebrek aan geld, van zorgen, van ’n geschonden stel porselein, van gemis aan tabak, van heele schoenen, van kindergeschreeuw, van burengepraat, van stoomende lampen, van wintervoeten, van aangebrand vleesch, van ’n omgestooten inktpot. Kamertjespijn en kamertjesdingen. Het groote-feit-looze leven gaat zwaar van kleine adders die de beste uren dooden met giftigen steek. Kamertjespijn is heen om ons állen, benauwend, kwalachtig, vies, droevig. Liefde, haat, woede, hartstocht wentelen rondom de aarde, worden beschreven, ontleed, komen niet toe aan kamertjespijn, aan ’t kleine leed der kleine dingen, aan ’t groote leed der kleine menschen, aan de smarten, zorgen, ellenden van kámertjesmenschen. En zoo ik mijzelf bij ’t schrijven dezer kleine gedachten, terugdwing naar de herinnering van veel kamertjespijn, van veel stroeve uren, voel ik dat vele daarvan mij hinderlijker, moeielijker, levenslust-versmórender waren, dan wat anderen in mijn leven fèìten zullen noemen. De jaloezie-scènes van Georgine—als ’k een vrouw had aangekeken—of ’n brief van een vrouw had gekregen—en ’t zeurig, hatelijk, loom-hangend drensen in de kleine kamer, met de lamp bij onze hoofden, met het behang—vergorend in slappe bloemetjes—aan de wanden, met het schel-glimmen der tafelschel, met de portretten op ’t kastje, de vazen op den schoorsteen, het tafelkleed in rimpels—de zwak-dreunende straatgeluiden, maar vóóral het drensen, het langzwijgend mokken, het opgehitst over elkander zitten, als vréémden—zijn mijn óngelúkkigste momenten geweest. En zoo anderen meenen te staan boven deze wàre dingen—bedotten zij zichzelf, líégen ze. Zoolang de huizen aansteunen tegen elkander in stadsluchten, kamertjes naast kamertjes, straten grauw van cement, en lompe keien heen-grijzen en menschen samenhokken in verderfelijken gezelligheidszin—zal kamertjespijn er zijn, zullen sterken én zwakken haar ondergaan. En wie een beeld tracht te geven van eigen of anderer leven, die is altijd er náást. Want nóg eens, nìèt de feiten maken dit leven smartelijk, niet de „lotgevallen” of „gebeurtenissen” benauwen het zwáárst—maar dè kamertjesdingen. De triestige wanhoop van een schrijnend kamerruzietje is gróóter dan een uiterlijk smartelijk ding. Géén biographie deugt. Bij alle fameuze kulmenschen der historie wàs het kamertjesleven, stonden vier wanden te grijnzen om het clownesk klein gedoe van-den-dag—en ik, dwalend in deze herinneringen wéét dat evenmin iemand een beeld van mijn leven kan hebben, die niet tusschen elk gebeurtenisje rééksen van klamme kamertjesdingen ziet, voelt, weet.

XVII.

EEN VÉÉLBEWOGEN HOOFDSTUK.

Dagen traagden in evenwichtige regelmaat. We hielden van elkander, gelúkkigst in de nachturen als Doedelaar en z’n vrouw te slapen lagen, als beneden en boven, voor en achter stilte was. Zij, over mij aan ’t breien, aan ’t verstellen van ’n jurkje—ik aan ’t schrijven en de paisible rust rondom. ’s Nachts, als we zoo opzaten in het loom-staande huis, bijna met het gevoel van alléén op de wereld te zijn, was onze liefde het grootst, buiten het bereik van kijkende menschen. ’s Nachts was er gedragen vrede, feestelijk-stille vreugde in de kleine kamer, was het huwelijk volkomen. Overdag plompten de dingen bruut, spatte het slijk van de buitenwereld in de kleine woning, kwam de kruidenier boodschappen brengen bij de „mintenee”, groette beleefd den „heer”, kwam de slager ’t vleesch brengen bij de „mintenee”, wachtend op zijn geld—bij mintenees mot je oppasse—, kwam de groenteboer met groenten bij de „mintenee”, kwamen allen die wij nóódig hadden, die geld aan mijn vrouw verdienden, haar minachtten met vrijpostige oogen. Overdag bleef de glazen deur vóór op slot, lichtte Georgine ’n gordijntip op eer ze opendeed uit vrees voor ’n beertje, meer nog voor den verren mán, dien ze op nerveuze dagen zocht achter elke schaduw. Overdag kwamen moeder of vader, altijd met geheimen, apartjes, bangmakerijen voor die of die, die den man zou waarschuwen. Overdag werd ze op straat lastig gevallen door studenten, kantoorheeren uit de buurt. Bij een vrouw die buiten je verachtelijk huwelijkswetje leeft, kun je licht ’n kans wagen. Dat compromitteert niet. Die is toch ’n halve hoer. Overdag stootten alle vijandige, reëele dingen, als ijsschollen die in kruiing opsplinteren, tegen ’t weggedoken kamertje, dee de straat, deeën de buren, deeën de menschen zich gèlden, driest, zelfbewust, sterk in hun ploertig bourgeois-gemeenschapsgevoel. Overdag stommelde buiten het stratenlawaai, bralde de stad, gromde karrengedreun, klonk het schreeuwen van sjaggerjoodjes, werd tegen de ruit van de voordeur getikt, gonsden de stemmen beneê van den barbier, van de vrouw, van den barbiersjongen, kakelden de kippen in ’t gore tuintje, speelden de kinderen. ’s Nachts was alles subliem van onverbroken stilte, leek het kamertje eene feesthal met de rust van een blankliggend meer, openden zich onze twee levens, zacht en eerlijk, wat overdag niet mógelijk was. Telkens wéér, in die mooie sereene nachtsfeer, vónd ik haar hart kinderlijk-onbedorven, als eene kelk die onder modder en vuil pure lotoswitheid behouden heeft. En nooit—het was wonderlijk-treffend—was in die nachtstilte iets in haar stem, iets in haar oogen, dat aan onoprechtheid deed denken, waartoe de menschen haar overdag dwòngen.

Op een dag had een juffrouw me verzen gezonden „ter beoordeeling”. Dat gaf aanleiding tot het volgende gesprek:

„... Wat heb je die juffrouw geantwoord?”

„... Welke juffrouw?”

„... Nou, dat nuffie dat je verzen heeft gezonden.”

„... Dat ’t naar niks leek... Dat ’r niet één mooie regel...”

„Nou ja!”

„Wat, nou ja?”

„Je zult ’r wel geschreve hebbe, dat je ze erg mooi vond en dat ze maar is bij je moest kome...”

„Nee, mal kind...”

„O, ik ben zoo ongelukkig als je zùlke brieve ontvangt, Alf...”

„Wààrom dan toch?”

„Ik weet wel dat ’t dwáás van me is, maar ik wil je heelemaal van mij, héélemaal. Niet één haartje van jou gun ik anderen. Op alles ben ik jaloersch. Je kunt ’t zoo gek niet verzinne. Ben je daar kwààd om?”

„Nee—m’n lieve snoet.”

„Heb je d’r héúsch niks anders geschreve?”

„Niks.”

„Je moet me is ’n boek met móóie verzen geve...”

„Jij, verze?”

„’k Hou ’r wel niet van—maar ’k wil leere alles mooi te vinde wat jij mooi vindt.”

Ik zoende haar.

„Want je vindt me dom, niet?”

„Nee, née kind. Heelemaal niet.”

„Dat vóél ik toch. Als ik jou zoo elken avond zie werken, boeken lezen in talen die ik niet versta, zou ik wel kunne huile... ik zou graag zoo geléérd wille worde als de juffrouwe die je verze zende...”

„Blijf in Godsnaam zooals je bén,” schrikte ik. Ik schrikte werkelijk.

„Als ik geléérd was, zou ik nooit meer bang zijn dat ’r is een dag kon komen...”

„Nou?”

„Zul je niet boos worde?”

„Nee, heusch niet.”

„Eérst je woord van eer.”

„Op mijn woord.”

„... Dat je... dat je... op ’n vrouw van jóúw stand...”

„Bravo!... Nee, nóú weet ’k weer genoeg. Kijk me nu is in m’n oogen!... Zul je dan nooit eerlijk worden, Mol?”

„Bèn ’k dan nóg niet eerlijk?”

„Zoolang je wantrouwt, néé”...

„Ik zal probeere... ’k Heb zoo’n slechte school gehad... Kan ik Vondel begrijpe?”

„... Vondel!... Vondel?” glimlachte ik... „’k Zal je wel eens ’n mooi, eenvoudig boek meebrenge... D’r zijn ’r tegenwoordig wel niet veel”...

Dat denkbeeld van zich op te werken tot de kleine hoogte van haar man, uit vrouwelijk-voelen dat zij hem dàn gehéél zou hebben bracht haar tot aandoenlijk schoone dingen. Op een middag bezorgde de post een rose briefje. Het handschrift herkende ik niet dadelijk.

Aan Alfred.

Ik daalde heel laag Ik zonk tot den grond tot god een lieve engel mij zond O, engel van goedheid ik wijd u mijn leven gij hebt mij de rust in hart weer gegeven gij gaaf mij in het leven een doel rein van gedachte O zoet gevoel.

O engel voor u een heerlijk victorie mijn hart nu tot rust o zoete glorie gij hebt mij niet zooals anderen vermeden als gevallen vrouw of als een worm vertreden en daar ik door u in het reine verkeer

Herleef ik in deez heldere atmosfeer. Ik zie vol ontzetting op die jaren terug en ben voor weerkeeren dezer tijden beducht ik leef nu als in een warmen zonneschijn gesteund door u gij van gedachte zoo rein ik wil u, daarom met hart en ziel vertrouwen en op u eerlijk hart en oogen als op de lieve god bouwen

Deze letteren lieve Alfred zij zijn van uw Mol Lach!! er niet om ik was met poëzie niet dol maar ik zend ze u omdat ik u bemin en deugt mijn vers niet ’t was maar een begin.

Georgine.

Als je er om lacht, ben ik voor EEUWIG kwaad. Dag lieve engel!...

Georgine.

Het schrift was zoo goed mogelijk verzorgd, haperend, maar de eenvoud der woorden, de gouden bedoeling van dat „vertrouwen als op de lieve god”, de heele naïveteit van het vers, uitzeggende de opréchte gevoelens van het oogenblik, maakte het voor mij tot een bode van stijgend geluk. Was niet dit gebrekkig rijmsel het éérst náderkomen van de waarlijke vrouw tot den waarlijken man? Was het niet béter, volmaakter, échter dan ’t sonnetten-gepruts van jonge dames en heeren à la suite van Hélène Swarth, Perk, Kloos? Was niet elke taalfout prachtiger kreet dan ’t beschaafd ziekelijk-wee getriller van hysterische meisjes? Verlegen stond ze bij ’t fornuis toen ’k dien middag kwam eten. Ik zoende haar overal, op de oogen, op den mond, blij dat ze zóó was, niet anders.

Maar om de mysterieus-gelukkige oogenblikken van nánacht, om het innige samenvloeien onzer twee levens in de kleine kamer, wanneer de stad in steenen slaap was, schokte het groote, plompe ruw-dreunende leven der ànderen als een stootende kar die slijk en vuil naar de vensterruiten moddert. Met juffrouw Doedelaar was ’t natuurlijk na een paar weken tot een zachtaardige vijandschap geworden. Georgine beweerde dat ’t kiespijnmensch „verkoeld” was omdat de barbier vrijpostig-dikwijls àchter te scharrelen had, als ik niet thuis was, dàn om ’n kram in te slaan, dàn om den kachel in ’t keukentje hooger te stellen. Vrouwen beoorloogen elkander met grappig geschut, voelen vijandelijkheden waar ’n man ze niet oplet. Juffrouw Doedelaar was even zuur zoetig van glimlach, éven buurvrindelijk. Maar ze kon haar ommeletpan soms niet missen én Frits was dikwijls zoek als Georgine ’m noodig had voor ’n boodschap èn de plee die zìj moest schoonhouden liet ze aan Georgine over èn ze klaagde als ’t emmertje met vuil en aardappelschillen voor de tuindeur stond èn ze had al twéémaal niet kunnen helpen an ’n lichte turf om den kachel aan te maken èn ze had zuur gekeke omdat ’r ’n kop koffie over ’t tafelkleed was gevallen èn ze had op ’t boekje zes centen voor ’n half flessie bier opgeschreven in plaats van vijf èn ze had ééns an Kaatje ’s morgens gezegd—wat Kaatje had overgebracht—dat d’r moeder d’r zellef nèt zoo goed kon ankleeje—èn kwam ópzettelijk dikwijls—ópzettelijk—om emmertjes water—èn—èn—èn...

Iederen dag meende Georgine nieuwe hatelijkheden op te letten. Zij oorlogde terug. „... ’k Heb d’r lekker d’r pan vuil teruggegeve... als zij denkt da’k ’t angebakke email zal schoonmake voor d’r—dan heeft ze ’t mis!”—Of: „ze had de brutaliteit om ’n táfelbeschuit en vier eieren te leen te vrage, Alf—’n Mooi bakkes, die Doedelaar, om táfelbeschuitjes te ete!... Zulleke mense vergéte altijd d’r stand. Komt ’t van ze te pas om táfelbeschuit te ete?... En vier eiere!... Mààr vier eiere te leen vrage... Je had ’r geen een van teruggezien”—Of: „’k Heb ’n slot gehange op de keukenkast, zeg... D’r lag ’n haar op ’t brood... Echt zoo iets gemééns van dat wijf. ’k Heb d’r in de spíéze. Wat ’n gemééne streek, hè?... Da’s nou enkel om ruzie te make tusschen jou en mijn. Begrijp-ie wel? Als jij ’n haar in ’t ete vin krijg ik een standje.—Néé, ’t wás geen haar van mijn.—Heb ik zúlk haar? Kijk is? ’k Heb ’m bewáárd.—Is dat haar van mij? Nee, niewaar? Da’s al de derde die ’k vin. Eérst een op de kaas. Tóén een in de sardines en nou een op ’t brood. Da’s géén toeval. Ik zeg je dat ’t géén toeval is. ’k Heb zellef de oogies van ’t hangslot ingedraaid. En nou zal ’k op me groente passe. Dat verzeker ik je.” Gróót van daden was het vrouwengeweld nog niet geweest. Het was een kleine, geacharneerde krijg achter glimlachjes, zàcht-praten. Als juffrouw Doedelaar in de kamer kwam, dee ze onderdanig-beleefd, mat van liefheid. Maar de dwarsstrakke oogen met de harde gemáákte lachkringen er onder waren in stage bescherming van haar eigendommetjes. Zoo kon ze belangstellend-glimlachend luisteren naar ’n beklág en dwars strak oogknippren van Georgine nààr ’n kring op het blad van de tafel, ántwoorden, meê-beklagen, kwaadspreken en Kaatje onder het kinnetje strijken—altijd met de schadeberekening in de grijs-glanzende oogjes. Ze had een grooten, voorzichtigen haat, een knagende burgervrouwtjes-verdrietigheid, een lieve afgunst—tegenover die àndere, mooie jonge vrouw, die béter leefde, béter kleeren had, dagelijks vleesch at, die haar kind liet gaan op ’n dúre school, die uitging, háár verdrongen had uit háár huiskamer. Fatsoenlijk gehuwde barbiersvrouw, vastgepolsd aan ’n geelbleeken barbier, aan ’n kelderverdieping met alléén Zondags twee ons magere lappies en anders aardappele ... aardappele ... aardappele ... hààtte ze innig die àndere, die ’t goed had bij ’n „heer”, die vrijer leefde dan zij. En al zei ze ’t niet uit, blij met ’n kamerhuur van vijf en twintig gulden die de heele huishuur zoowat dekte, blij dat ze cente trok van ’n kamer, waarom máánden lang niemand gekomen was—in haar kleine fossiele bewegingen was een smeulende, giftige, kwaadaardige afgunst.

Wat zou ze gehoerd hebbe voor geld—as God d’r maar geschape had met ’n móóier smoel—wat zou ze gehoerd hebbe—in plaats van die kelder—ándere bediene—aardappele vrete met speksaus—al de verdienste door ’t schrappe van vuile kinne à vijf cent per stuk.—As God ’t gewild had, was ze nog liever voor hoer gaan zitte met goed, ruim vrete en knappe kleere, dan dat eeuwig geneuk in ’n donkere bedstee met zoo’n lijk van ’n kèrel—en geen vooruitzichte om ’r ooit bovenòp te komme.—As ze ’t óver zou kunne doen!.... Liever dat ’t sap ’r bijvloog as wèèr ’n barbier, wèèr dat fatsoenlijke hongerlijje.... Wat kòcht je voor je fatsoen?.... Wat hadje an fatsoen? Geen mieter!.... Met fatsoen hoerde je je heele leven en niemand zei-je d’r dankie voor.—En nou zoo’n mintenée in je huis, die ’n kàkkie op d’r lijf had van de andere wereld en zoo’n trotsche stinkert van ’n vent, die net ’t noodige met d’r sprak.—As ze ’t maar is òver kon doen:....

„Me man en ikke geloove an geen God, geen gebod”—zei ze op een middag, om Georgine te troosten, die beléédigd was door den kruidenier van de overzij die voortaan wél op crediet wou leveren, als de „heer” eerst z’n handteekening in ’t boekje zette: „—U mot u d’r niks van antrekke.—Soo’n vent die sellef niet te vrete het. As mijn Netje groot is en se vráágt mijn ... en se vráágt mijn ... dan laat ’k ’r liever in ’n kást gaan dan trouwe met ’n burgerman van mijn stand!.... De mense sijn niet wijser.... Wat heb ìk an me leve?.... Sórreg en gesappel.... Dàn weer in de sorrég voor ’t gaslich.... Dan weer in de sorrég voor de belasting.... En me man die allemaal kouwe komplimente en stront mot afwachte van vijf-cents-klante ... ’n kelner het ’t véél beter.... Wat hebbe wij?.... Seg u nou sellef?.... U het geen sorrege.... Wat kan u gebeure?.... Doedelaar mot maar is ’n sweer àn sijn hand krijge, bij wijse van spreke, en we sitte op ons gat, niewaar?.... Netje mot ’t sellef wete as se ouwer wordt.... ’k Wou dat ik nog haar jare had....”

Doedelaar minder expansief dan z’n vrouw, kwam alleen los, vóór, in den winkel, met een zoetsappige gemeenzaamheid, met eene ingehouden hartstochtelijkheid die scherpe lijnen in z’n beenige kop had gevreten. Slaperig schrapte hij z’n gewone klanten, sprak over ’t weer, vertelde vuile moppen an de buren. Als ik me liet scheren kwam-ie dikwijls los. Ik had ’n pré. Den meneer, die met ’n getrouwde vrouw leefde, vond-ie een zoo schunnig, ganschelijk te vertrouwen mensch, dat-ie zich niet kón inhouen, dat ie zwijnigheden aan Fritsje zei, die graag door ’m onderwezen werd en verhalen deed van ’n paar mintenees, die hij kapte als ze uit gingen. Ook bediende hij ’n rendezvous in de Govert Flinckstraat. Als-ie dààrvan vertelde, zakte z’n stem voor de gehoorigheid, lichtten z’n zwarte oogen in ’t doodskop-gezicht, schoor hij met kleine voorzichtige zetjes, omdat z’n hand te veel bibberde voor lánge halen. Ik verlangde zijn gore verhalen niet te hooren, maar de meneer, dien hij dagelijks om zich had, die ’r ’n „mintenee” op na hield, die stelde stilzwijgend belang in de warme, heetschrijnende gedachtetjes, die zijn mager barbiers-lichaam verschrompelden.

„.... Van morge bien iek weer ien die Govert Flienckstraat geweest.—Daar ies nou een bieldschoone meid mijneer.... Daar gaat je piepel bij staan, héhéhé!.... Dat zou iets voor Frietz zijn.... Bieldschoon, mijneer.... En die zat ien haar oenderlijfje en moest iek kappen.... Joeffrou zei iek—iek zou wel ies wielle.... Ja, dat gloof iek wol zei zij—als jij maar sjente heb, wie?—En toen vertelde zij mijn—als je viel ien zoo’n rendeewoe komt raak je gauw partikoelier—dat daar giesteravond een mijneer van die Nassaukade—zijn naam ben iek vergete—door die polizei uitgehaald ies geworden.—Die wou óok voor nieks, hèhèhè!.... Wie’k wel geloove.... En toen vertelde zij mij nog een goeie.... Die heer.... Ies ’t mes wol goed?.... Ja?.... had haar ausgeschimpft voor miespoent omdat madam ’t niet wou ... toen had zij èm gezeid: „Miespoent? Miespoent?.... Miespoent ies wat achter jou hemmetje zit!” hèhèhè!.... Goed, wie?.... Ja, da’s een bieldschoone meid.... De prammetjes van mijn vrouw zijn ’r nieks bij.... Mijn vrouw is zoo plat wie een pfannekoek ... hèhèhè.... Maar zoo eens an een bieldschoone meid te smulle vóór mijn dood.... Daar leg iek elke week één doebeltje voor weg, niewaar Frietz? En dan gaan Frietz en iek samen naar die hoere, niewaar Frietz?.... Klaar, mijneer.”