Jonker Willem van Arkel

Part 5

Chapter 53,948 wordsPublic domain

"Ik ben blijde, dat ik dit monnikskleed eenige dagen gedragen heb. Het werd mij geleend door een vroom man, dien ik heilig zou verklaren, als ik er de macht toe had. Hij heeft mij menig merkwaardig woord gezegd, dat ik nooit te voren gehoord heb, en één dier woorden zal ik thans voor u herhalen, Willem. Als ik u en uw huis niet liefhad, als ik niet gezworen had, u en uw vader tot aan mijn laatste uur met het zwaard in de vuist te verdedigen tegen verraad en geweld--waarlijk, ik zou niet tot u gekomen zijn. Gij hebt u.... maar neen, ik wil u liever het woord toefluisteren, dat die vrome monnik tot mij sprak: "God geeft mildelijk en verwijt niet. En waar Hij niet verwijt, waar hij niet doet naar onze zonden en ons niet vergeldt naar onze ongerechtigheden, maar integendeel ons zegent en weldoet--daar moet ook de mensch, de Christen, zijn voorbeeld volgen. Neen, Willem, ik ben niet gekomen, om u iets te verwijten. Gij draagt den grootsten verwijter binnen in u. Zie, Willem," vervolgde hij, diens hand teeder drukkende, terwijl de jonker met een gebukt en afgewend gelaat vóór hem stond, "ik was te Arnhem bij uw oom. Daar was ook uw vader. Daar bevonden zich ook Egmond en IJselstein. Zal het noodig wezen, u te schetsen, hoe ik uw vader aantrof? Maar neen, dat gevoelt gij beter dan ik het u schilderen kan. Laat mij u zeggen, dat allen besloten hebben, het zwaard tegen u aan te gorden, de oom tegen den neef, de zwager tegen den zwager.... de vader tegen den zoon. Allen zeg ik--behalve één, behalve uw oom Hertog Reinout. Deze kwam tusschenbeide, en niettegenstaande zijn afgevaardigden tot dusver hoonend werden weggezonden, niettegenstaande al zijn voorslagen afgewezen werden, meende hij nog één middel te moeten beproeven. Dat middel was, om te pogen rechtstreeks tot u door te dringen en te trachten u tot een verzoening met uw vader te bewegen. De keuze viel op mij--en zie, Willem, hier ben ik. Nog eens, ik kom tot u, zonder verwijt, maar slechts met deze vraag:

"Wilt gij den strijd tegen uw geweten, tegen God tot het uiterste volhouden? Wilt gij nog langer de speelbal blijven van oproermakers, goddelooze priesters, ontrouwe raadslieden, van menschen, die zich door goud laten omkoopen, evenals Judas, die voor eenige penningen den Zaligmaker verkocht? Zijt gij zóó door valsche eerzucht verblind, dat gij niet inziet, hoe uw huidige vrienden u morgen ook zullen verraden, verkoopen en zelfs om het leven brengen, als zij meenen, dat hun belang dit vordert? En wilt gij het hart breken van hem, die, zwaar beleedigd en getergd als hij is, nochtans een hart bezit, waarin liefde voor u woont? Zeg mij, Willem, wilt gij dit?"

Splinter had in het vuur zijner rede de rechterhand van Willem gegrepen en schudde deze alsof hij hem uit zijn droom wilde wekken.

Jonker Willem was evenwel te beschaamd en te ontroerd, om te spreken, en Splinter moest dezelfde vraag nog eens herhalen. Eindelijk gaf de jonker aan zijn gevoel lucht: heete tranen druppelden langs zijn wangen, en met al de teekenen van berouw en verbreking des harten stamelde hij:

"Zou mijn vader zich nog wel met mij willen verzoenen?"

"Twijfel daaraan volstrekt niet, Willem," zeide Splinter. "Uw vader is wel een streng, maar geen ongevoelig man, en zoodra hij uit uw mond verneemt, dat gij berouw hebt, zal hij de eerste zijn, die u de hand van vergiffenis aanbiedt."

"Dan maar hoe eerder hoe beter!" riep Jonker Willem haastig, als vreesde hij, dat hij te laat mocht komen--een wijze van handelen, die men meer bij zwakke karakters opmerkt.

"Ik ben bereid met u te gaan," zeide Splinter, "maar vergun mij vooraf een enkele opmerking. Gij begrijpt, dat aller oogen op u gevestigd zijn en dat gij van geheime vijanden omringd zijt. Nu weet gij wel, dat mijn leus is in alles recht te handelen, maar een man, die recht en gerechtigheid liefheeft, handelt ook voorzichtig. Het zou der goede zaak meer kwaad dan goed doen, zoo gij plotseling heengingt en den burcht verliet. Ik raad u aan, dat gij in stilte, dat is zonder opzien te baren, van hier vertrekt. Gij kunt immers een wandelrit in den omtrek doen, en bij die gelegenheid staan u alle wegen open naar 's-Hertogenbosch, waarheen zich uw vader heeft begeven en waar hij u wacht."

Jonker Willem vond dezen voorslag zeer goed, en na eenige overwegingen werd besloten, reeds den volgenden dag uitvoering aan hun voornemen te geven.

Op dit oogenblik meldde Simon de komst van den edelman Quannevan, die den jonker dringend wenschte te spreken. Willem Van Arkel zag Splinter aan.

"Gij kunt hem gerust laten binnenkomen," zeide deze. "Hij is een oprecht man en een vurig aanhanger van uw huis."

Jonker Willem gaf een wenk en een paar minuten later trad Quannevan binnen. Hij was gekleed in al den opschik van zijn Bourgondisch gewaad. Een korte groene mantel, doorwerkt met groote bloemen, bedekte zijn schouders en was om den hals met een dik koord bevestigd. Van voren hingen de slippen open en lieten een rijk geborduurden lijfrok zien; zwart fluweelen kousen, met gouddraad gestikt, omsloten de knieën en reikten tot aan de spits uitloopende schoenen; een fluweelen baret rustte op de grijze haren en aan zijn linkerzijde was een kort zwaard gegespt.

"Vergeef het mij, edele heer jonker," zeide hij, met drift op Willem Van Arkel toeloopende, "dat ik u wellicht op een ongelegen uur stoor, maar al zou ik door het water moeten gewaad hebben, om tot u te komen,--ik had het niet kunnen nalaten. Twee dingen beletten mij sedert acht dagen en nachten, om behoorlijk te denken en te slapen. Ten eerste mijn dienstmaagd en ten tweede uw persoon. Vergeef het mij, edele jonker, zoo ik door den hartstocht, waarmede ik spreek, het eerst mijn dienstmaagd heb genoemd. Maar inderdaad, die meid, die Jennike!" vervolgde hij in toenemende drift, "met haar is het niet, om uit te houden. Zij luistert naar geen woord, geen bedreiging en zelfs naar geen vloek, nog minder naar het opheffen van mijn karwats. Het is of ze.... vergeef het mij--van den duivel bezeten is!"

Beide jonkers moesten onwillekeurig glimlachen.

"Wat is er dan met uw dienstmaagd,--de zuster van Simon?" vroeg jonker Willem.

"Wel, die meid," antwoordde de edelman, vuurrood van drift, "begint mij al te kwellen, als de dag nog nauwelijks aan den hemel is, en houdt niet op, mij voor te spiegelen, in welken stroom van ellende Walraven en zijn aanhang Gorcum en het doorluchtige huis van Arkel gebracht hebben, sedert het hun gelukt is, den zoon van den vader af te scheuren. Met de scherpste kleuren heeft zij mij het gepleegde onrecht geschilderd en mij toegeroepen: "Ja, schop en trap mij zooveel gij verkiest, maar dit zal mij niet beletten, zóó lang aan te houden, totdat gij u naar Jonker Willem begeeft en hem smeekt en beweegt, de zijde van die goddelooze oproermakers te verlaten. Ik kan het niet doen, want mij--arme dienstmaagd--geeft hij geen gehoor...." En op deze wijze gaat de meid elken dag voort. Maar ik moet zeggen, zij heeft geen ongelijk--vergeef het mij, edele jonker! Mij had men tot dusver onkundig gelaten van alles, wat er voorgevallen is, en in mijn oprechtheid ontving ik nog steeds eenige avonden in de week de schepenen en vrienden van Walraven Van Brederode bij mij,--doch plotseling zijn mijn oogen geopend en heb ik ingezien, hoe gij, edele jonker, u hebt laten misleiden door menschen, die voor goud het land aan Graaf Willem VI willen verkoopen. Sinds dat oogenblik heb ik zelfs geen rust meer, en gehecht aan uw huis en uw persoon als ik ben, waag ik het...."

"Ik erken uw goede bedoelingen, mijn waarde heer Quannevan," viel hem Jonker Willem in de rede, "en ik haast mij u gerust te stellen. Wetende hoezeer gij ons een goed hart toedraagt, en dat gij, waar het te pas komt, kunt zwijgen, durf ik het u wel toevertrouwen, dat ik mij morgen met mijn vriend Splinter naar mijn vader begeef, om mij met hem te verzoenen. Ik dank u voor uw goede bedoeling!"

"Dat verheugt--dat verheugt mij!" riep Quannevan uit, terwijl zijn oog van vreugde straalde. "Het verheugt mij om uwent- en om mijnentwil. Nu krijg ik rust van mijn dienstmaagd, en kan ik mijn wapenrusting in orde brengen, want ik voorzie thans een zwaren strijd, daar alle Hoekschen, met Graaf Willem VI en Walraven Van Brederode aan het hoofd, tegen u zullen opstuiven. Doch geen moed verloren, edele jonker! Zeg uw vader, dat, schoon ik oud en grijs ben, mijn kracht nog niet verzwakt en mijn zwaard evenmin verroest is. Hij kan op mij rekenen!"

Jonker Willem, nog bewogen door het tooneel, dat straks plaats had gehad en levendig getroffen door de vurige en oprechte betuiging van den edelman, die van geestdrift blaakte, legde zijn hand op diens schouder, dankte hem met hartelijke woorden en bood hem een verfrissching aan, die deze dankbaar aannam.

Den volgenden middag begaf zich Jonker Willem naar 's-Hertogenbosch, gevolgd door Splinter, die, om geen argwaan op te wekken, eenige uren later wegreed.

Wij willen de beide edellieden niet op hun tocht naar 's-Hertogenbosch vergezellen. Genoeg zij het, dat het, onder Gods zegen, gelukte den verscheurden band weder te bevestigen, en vader en zoon zich eenstemmig verbonden, om hun rechtmatig verkregen goed tegen alle aanranders te verdedigen. Hertog Reinout evenwel had nog een ander belang dan zijn zwager. Jan Van Arkel toch was het hoofdzakelijk te doen, om in het bezit van zijn erfgoed te blijven, en zoo hij dit verloor, dan kon het hem eigenlijk onverschillig zijn, wie de overweldiger was, die het hem ontroofd had. Maar Reinout was een regeerend vorst; hij was hertog van Gelre en zijn landen grensden onmiddellijk aan die van den Hollandschen graaf, die derhalve een machtige en gevaarlijke nabuur was en wien, door toenemende macht, wel eens de lust kon bekruipen, zich van Gelre meester te maken. Om dus hieraan paal en perk te stellen, was het voor Reinout van groot belang, zich van Gorcum te verzekeren, de stad en den burcht te overvallen en de verraders aan leven en bezittingen te straffen.

Inmiddels hadden de saamgezworenen ook niet stilgezeten. In een samenkomst van Walraven van Brederode, Jan Gerardijn en de overige verbondenen werd overeengekomen, om zoo spoedig mogelijk den graaf van Holland van het gebeurde kennis te geven en hem de heerlijkheid van Gorcum aan te bieden, vooral daar Jonker Willem, vergezeld van eenige getrouwen, het gewaagd had de stad te verrassen. Maar zijn aanval mislukte en men hield thans zoowel voor vader als zoon de poorten gesloten. Van beide zijden werden er nu toebereidselen tot een krijg gemaakt, doch het schijnt, dat Hertog Reinout niet geneigd was tot een aanval van zijn zijde. Misschien waren zijn legerbenden niet slagvaardig, misschien ook waren er andere staatkundige redenen, die hem noopten het voeren van een openbaren oorlog tot een meer gelegen tijd uit te stellen. Wel had hij eenigen zijner edelen en de poorters van Nijmegen, Tiel en Bommel ter heirvaart opgeroepen, met bevel, om dadelijk te Gorcum in te rijden [11], maar tevens trad hij in onderhandeling met Utrecht en Holland, om een verdrag, of liever een wapenstilstand te sluiten, hetwelk hem ook gelukte en waarbij overeengekomen werd, dat deze laatste zou duren tot het Pinksterfeest van het volgend jaar. Jan Van Arkel en diens zoon waren echter van dit verdrag uitdrukkelijk buitengesloten.

Het had dus allen schijn, dat Hertog Reinout langs staatkundigen weg, dat is niet met het zwaard, en in lengte van tijd een verzoening tusschen den graaf van Holland, de Arkels en Gorcummers zou bewerkt hebben,--maar de mensch wikt en God beschikt, en het zou geheel anders loopen dan het in de bedoeling van Hertog Reinout lag. Ik heb u daar straks medegedeeld, dat de verraders besloten hadden, Graaf Willem de heerlijkheid van Gorcum op te dragen. De graaf van Holland ontving die opdracht, toen het verdrag reeds tot stand gekomen was, en het zij nu, dat hij hiervan spijt had, of dat de saamgezworenen zeer bij hem aandrongen, of dat hij meende machtig genoeg te zijn, Hertog Reinout het hoofd te kunnen bieden,--genoeg, hij liet zich verleiden, het bestand te schenden, nam de opdracht van Gorcum aan en vertrok derwaarts, om zich als landsheer binnen de stad te doen huldigen. [12] Hij nam zijn tocht over Woudrichem, vergezeld van vele ridders en edelen, en stak van daar over naar Gorcum, waar hij--gelijk een kroniekschrijver het uitdrukt--zijn optocht nam tusschen den burcht en de stad, op een plaats, de Quelling genaamd. [13] Inmiddels hadden de verraders, die wel degelijk vooraf er op aangedrongen hadden, de tachtig duizend Fransche kronen van Graaf Willem ontvangen, welk geld, benevens de kosten der inhuldiging, uit den verkoop van lijfrenten ten laste van Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda en Rotterdam gevonden werd. De Hollandsche graaf werd zeer plechtig en feestelijk ingehaald. De geestelijkheid met Jan Gerardijn aan het hoofd ontving hem aan de poort, en de Hollandsche banieren wapperden van burcht, kerktoren en stadhuis, terwijl er van tijd tot tijd met donderbussen geschoten werd, om de vreugde te vergrooten. In de kerk komende, nam de proost Graaf Willem VI den eed af, om de stadshandvesten, vrijheden en rechten te zullen beschermen en onderhouden, en vervolgens trok de nieuwe landsheer naar den burcht, waar hij ook gehuldigd werd. Graaf Willem meende echter nog iets te moeten doen, om zijn getrouwe Gorcummers--de verraders--te beloonen, en sloeg de vier gebroeders Herlaar, Ambrosius, Woutersz en Jan Van Donk tot ridders. Maar toen hij, in gezelschap van deze nieuwe ridders, naar Leerdam reed, om zich ook aldaar te doen huldigen, zeide hem de heer Van Asperen, die over Leerdam het bevel voerde en met minachting op deze verraders nederzag: "Edele, machtige vorst. Gij hebt deze kooplieden tot ridders gemaakt, maar in plaats van een vergulden halsband zou hun als verraders en dieven beter elk een bast (strop?) om den hals passen. Wacht u, om bij hen te vernachten, want wat zij hun geboren landsheer gedaan hebben, zullen zij u 't avond of morgen ook nog doen. Stel geen vertrouwen op zulke kooplieden." De graaf antwoordde hierop niets; hij vergenoegde zich met eens te glimlachen, daar hij misschien meer het verraad dan de verraders beminde. [14]

De nieuwe ridders en de overige verraders waren niets over deze woorden gesticht, en spoedig bleek het, hoezeer zij door vele weldenkenden met minachting werden aangezien, zoodat zij het eindelijk niet meer in de stad konden uithouden, en met het loon des verraads naar elders de wijk namen, terwijl Jan Gerardijn, Broens De Verwer en Arend Van Goor als de heftigste tegenstanders van de Van Arkels in de stad bleven.

Gij kunt u evenwel voorstellen, hoe Hertog Reinout te moede was, toen hij het voorgevallene vernam. Deze schending des bestands toch werd door hem ten hoogste euvel opgenomen, maar hij draalde nochtans, om den Hollandschen graaf den strijdhandschoen voor de voeten te werpen,--en van de gevolgen eener samenkomst der ridderschap en steden van Gelre, om over een krijg tegen Holland te raadplegen, hoorde men niets.

Maar mocht Jan Van Arkel stilzitten? Mocht Jonker Willem het lijdelijk aanzien, dat zijns vaders bezittingen zoo wederrechtelijk door den Hollandschen graaf werden buitgemaakt? Mocht hij even besluiteloos handelen als zijn oom Reinout? Neen, hij wilde goedmaken wat hij bedorven had, en zoo geen ander heer of vorst zich aan zijn zijde schaarde, wilde hij het alleen op zich nemen, om--zoo het mogelijk ware--Gorcum weder te bemachtigen.

Wij zullen in het volgende hoofdstuk zien, of hem dit gelukte. Intusschen willen wij nog iets ten gunste van Hertog Reinout zeggen. Deze vorst, meer diplomaat dan krijgsman, trachtte nog steeds door middel van de pen te verkrijgen wat het zwaard met ongelijke kans zou moeten najagen. Toen echter alle wegen afgesloten bleken, om tot zijn doel te geraken, was hij het wellicht zelf, die Jonker Willem en diens vader tot den krijg aanspoorde. Maar of hij er niet een list bij verborg, is nog niet uitgemaakt. Althans schijnt het, dat hij Jonker Willem gebruikte, om aan zijn eigen eerzucht te voldoen, ten einde van de mogelijke mislukking van diens plannen voordeel te kunnen trekken.

ZESDE HOOFDSTUK.

Hoe Gorcum verrast werd--En nog eens in de gewelven van Quannevan's huis.

Het was Jonker Willem Van Arkel bovenal te doen, om zich van Gorcum meester te maken. Dit kon evenwel niet door middel van een openbaren oorlog geschieden, want de stad was van een Hollandsche bezetting voorzien en al de toegangen versterkt door gewapende mannen, die van poort tot poort, zoowel binnen als buiten de vest en de grachten, de wacht hielden. Ook zou het niet mogelijk geweest zijn, met een groot leger tot Gorcum door te dringen, daar Utrecht vijandig gezind was tegen de Van Arkels en de stad van den waterkant moeilijk te naderen was. Er moesten dus andere maatregelen genomen worden, en wel om de stad bij verrassing te overrompelen. De eerste maal, toen jonker Willem dit beproefde, was het ongelukkig afgeloopen, en, door de ondervinding geleerd, wilde hij het thans op een andere wijs beproeven, vooral daar hij zich verzekerd had van de hulp van eenige getrouwe vrienden, die te Gorcum achtergebleven waren of in de nabijheid der stad op de omliggende dorpen en hoeven vertoefden.

Op ongeveer een half uur van de stad, en wel ten noordwesten, lag een eenzame hoeve, die tot de bezittingen der heerlijkheid Van Arkel behoorde. De hoeve was thans ledig en verlaten, daar de bewoners gevlucht en wijd en zijd verspreid waren. Toch zou haar ruimte eerlang weer worden gevuld en ingenomen, niet door vreedzame landbouwers noch door vee, maar door personen, die niet gewoon waren een stal tot hun verblijf of een schuur tot hun woning te kiezen.

Gedurende drie dagen en nachten had het aanhoudend geregend, en dit onaangename weder was vergezeld van storm en hevige windvlagen, zoodat de landlieden, die in de maand September 1407 nog de laatste overblijfselen van den oogst en de karige veldvruchten van het veld bijeen wilden verzamelen, niet bij machte waren dit naar eisch te verrichten. Ook zag er de lucht nog niet naar uit, dat er spoedig een verandering ten goede zou komen, want onophoudelijk dreven de donkere wolken langs het zwerk en ontlastten zich over velden en akkers, zoodat de vest en stadsgrachten tot overloopens toe gevuld waren. Onaangenaam was dit ruwe, woeste weder niet alleen voor de landlieden, maar ook voor de krijgers, die op zekere afstanden tusschen of nabij de poorten der stad, in kleine torens de wachtposten betrokken hadden, daar zij op hun hoede moesten zijn tegen den een of anderen naderenden vijand. Geen maan of ster flikkerde aan 's hemels trans, en het was des nachts zóó donker, dat de schildwachten, zelfs op slechts eenige passen afstands, elkander niet konden zien. Niemand, die niet volstrekt buiten moest zijn, gaf dan ook de voorkeur aan het zitten buitenshuis, en zelfs eenige ruwe krijgslieden, meenende; dat er geen gevaar op handen was, zochten liever een schuilplaats in een der torens, dan zich ten bate van den Hollandschen graaf te laten natregenen.

Bij bovengenoemde hoeve zou men, zoo de duisternis van den nacht het niet verhinderd had, kunnen gezien hebben, dat van tijd tot tijd eenige mannen binnen haar wanden slopen. Van alle kanten drongen zij huis, schuur en stal in, zoodat de hoeve ten laatste bijna eivol werd. Toch hoorde men daar buiten geen geruisch, geen woord, wat trouwens ook onmogelijk was, daar de wind voortdurend langs de muren gierde en de toppen der peppelboomen deed zwiepen. Zoover de donkerheid het toeliet te zien, kon men vijf--zes mannen opmerken, die zich aan den ingang der deur geplaatst hadden en een langen, uitvorschenden blik naar de zijde der duistere stad wierpen. Zij droegen allen donkere mantels en hun rechterhand rustte op het gevest van het zwaard, alsof zij ieder oogenblik bereid waren, het uit de scheede te trekken.

"Uitmuntend weer voor onze onderneming, Willem," fluisterde een zachte, manlijke stem.

"Uitmuntend Splinter," was het antwoord, "het is alsof de hemel ons begunstigen wil. Mij dunkt, niemand in de stad zal er een voorgevoel van hebben, dat wij thans hier zijn, om haar--zoo mogelijk--in ons bezit te brengen."

"Wellicht zijn zij in de meening, dat het niemand in de donkerheid gelukken zal, haar te naderen."

"En daarin konden zij ook wel gelijk hebben, Splinter," zei Jonker Willem Van Arkel, "maar zij vergeten, dat wij een juiste opgave bezitten van al de wegen en paden. Ik althans heb ze mij zóó diep ingeprent, dat ik zelfs geblinddoekt den weg naar de poort zou kunnen vinden, ten minste tot de vest."

"Dat is stout gesproken, Willem," hernam Splinter steeds op fluisterenden toon, "maar gij zijt hier geboren en opgevoed, en daarenboven gij hebt Simon en de gebroeders Van der Werve bij u, die deze streek zoo goed kennen als de os zijn kribbe. Ook wordt gij, als het ware, voorgelicht door den vurigen ijver, die u drijft."

"Zoo is het, Splinter," zeide Willem, "en moge God alles zóó leiden, dat ik, met zoo weinig bloedvergieten mogelijk, meester van de stad word. Hoe gelukkig zou mijn vader zijn, en hoe zou ik het voorrecht van den man benijden, die, als overbrenger der gelukkige tijding, de vreugde op zijn aangezicht zou mogen lezen. O Splinter! ik kan u niet half zeggen, hoezeer ik naar het oogenblik haak, waarop ik zal kunnen zeggen: de stad is ons!"

"Ik kan mij dit verlangen zeer goed verklaren," zeide Splinter, "maar wees voorzichtig, laat geen gunstig oogenblik ongebruikt voorbijgaan, en zorg vooral, dat alles, voor de overrompeling bestemd, bij de hand is. Zijn de schuitjes reeds aangekomen?"

"Neen, heer," antwoordde Simon, de zoogbroeder van Jonker Willem, tot wien deze vraag gericht was. "Wij wachten ze ieder oogenblik."

"Zij kunnen echter onmogelijk lang uitblijven, en als het niet zoo duister ware, zouden wij ze reeds ginder zien."

"Gij spreekt zoo stout, Willem," zeide Splinter, "omdat gij weet, dat Otto Van Heukelom zich daarmede belast heeft. En deze is bekend als iemand, die zich nooit laat wachten."

"Juist," hernam Jonker Willem, "Otto Van Heukelom, dien mijn oom Reinout aan het hoofd heeft gesteld van de Gelderschen, die mij in mijn onderneming zullen bijstaan, heeft het opzicht genomen over de schuitjes, die wij straks hopen te water te kunnen laten. Doch stil, zie ik daar niet eenige schaduwen naderen? Dat zullen de verwachte voorwerpen zijn."

Vier mannen naderden langzaam en zonder het minste gedruisch te maken de plaats, waar de hoofden der onderneming bij elkander stonden. Deze vier mannen droegen een schuitje, dat van leder gemaakt en zóó ingericht was, dat het acht of tien krijgsknechten kon bevatten. Deze vier man waren vergezeld van een vijfden.

"De overige schuitjes zijn in aantocht," fluisterde deze, op wiens bevel de dragers het vaartuig op den grond neerzetten. "Heer Otto Van Heukelom zal oogenblikkelijk hier zijn met de andere. Het ging zoo vlug niet als wij dachten, daar de weg moeilijk, de last zwaar en de onderneming niet geheel zonder gevaar was."

Jonker Willem beefde.

"Niet zonder gevaar!" riep hij op meer dan fluisterenden toon uit. "Heeft men dan iets in de stad gemerkt? Heeft een der voorposten u gezien of gehoord? Ach, dan ware onze onderneming mislukt!"

"Stel u gerust, edele jonker," fluisterde Quannevan, die het eerste schuitje vergezeld had, "niemand heeft ons opgemerkt, al is het volkomen waar, dat onze last zwaar was. Maar de mannen hebben zich uitmuntend gehouden, en telkens wanneer een zwarte wolk afdreef en de lucht een weinig lichter werd, bukten zij met het schuitje ter aarde, zoodat zij onmogelijk door den vijand konden gezien worden."