Jonker Willem van Arkel

Part 4

Chapter 43,848 wordsPublic domain

"Dat behoef ik u niet te herhalen, Willem; gij kent het, en wat zou het mij baten, u nog eens te zeggen, dat ik de onverzettelijkheid uws vaders in deze prijs. Uw spreekwoord is: Medio tutissimus ibis (de middelweg is de veiligste), maar ik houd het er voor, dat een man moet weten wat hij wil, dat hij partij moet kiezen en zich niet moet laten slingeren door de gevoelens van deze en gene. Uw vader is in zijn volle recht: de Hollandsche graaf heeft hem bij gelegenheid van het tornooispel even smadelijk bejegend als wijlen Hertog Albrecht, en het moge christelijk zijn, beleedigingen te vergeven, maar een edelman heeft ook zijn eischen. Allereerst die, dat de beleediger vergiffenis vraagt. En dit heeft Graaf Willem nooit gedaan; integendeel, toen uw vader naar recht handelde, viel Willem VI in zijn bezittingen en ontroofde hem, in vereeniging met Utrecht vele schoone sterkten en steden. Zoo uw vader zich door weeke gevoelens liet leiden of door klaagbrieven de zaak op de lange baan wilde schuiven, zou hij zeer in mijn achting dalen."

"Maar, Splinter," viel hem Jonker Willem haastig in de rede, "denkt gij dan nooit aan het lijden onzer onderhoorigen, aan de verliezen, die de bewoners van Gorcum of Leerdam hoogstwaarschijnlijk zullen treffen, als mijn vader zijn halsstarrigheid doordrijft?"

"Zeker denk ik daaraan, en met smart stel ik mij voor, hoe zoovele menschen door een vernieuwden oorlog van leven, huis en have beroofd zullen worden--maar als het goede recht aan onze zijde is, moeten wij niet op de gevolgen letten: wij moeten kiezen of deelen. Wat mij betreft, ik heb reeds lang gekozen, en zoo uw vader den strijd hervat, zal mijn zwaard hem en uw huis gewijd zijn."

Jonker Willem was beschaamd en wist niet anders te doen dan de hand van zijn vriend te drukken.

"Het geeft mij inderdaad een groote vertroosting, van u deze verzekering te ontvangen," begon hij na eenige oogenblikken stilzwijgens. "Ik heb deze voortdurend noodig, geslingerd als ik word door hoop en vrees; vrees dat de oorlog weer met vernieuwde woede zal uitbreken en hoop dat er een eervol vergelijk komt tusschen mijn vader en Graaf Willem. Te weten dat gij mij en ons huis in lief en leed zult bijstaan, is mij een ware verkwikking."

"Op mijn hulp--ik herhaal het--," zeide Jonker Splinter, "kunt gij voortdurend rekenen; ik ben op dat punt beslist. Maar mijn hulp is slechts zwak. Bedenk, hoe vele machtige vijanden uw vader heeft: Adolf Van Kleef, de beide Van Borselens, Floris Van der Aa, Filips Van de Leck en zooveel anderen. Bovendien, gij hebt in uw eigen stad uw vijanden, sommigen die vriendschap en onderwerping huichelen, anderen die bijna in het openbaar den graaf van Holland huldigen. En onder deze is Walraven Van Brederode niet de minste."

"Wat zegt gij? Walraven Van Brederode!" riep jonker Willem verwonderd uit. "Houdt gij hem voor een verrader?"

"En twijfelt gij daaraan nog?" vroeg Splinter op zijn beurt.

"Zeker," antwoordde Jonker Willem met hartstocht. "Ik weet zeer goed, dat hij met hart en ziel aan den graaf van Holland is gehecht en weleer de wapenen tegen ons huis heeft opgevat; ik weet zeer goed, dat hij nooit de partij van mijn vader zou kiezen en dat, als er wederom een oorlog ontstaat tusschen Holland en Van Arkel, hij zijn best zal doen, om onze balken te vernielen [9], maar iets anders is het, hem een verrader te verklaren. Zie, Splinter, gij hebt onze partij gekozen, en het zou uw lust zijn, indien het tot een oorlog kwam, het zwaard tegen den Hollandschen graaf te keeren--maar nimmer zoudt gij er aan denken, hem door verraad in onze macht te brengen. Een verrader is in mijn oog een laaghartig mensch, en verre is het van mij, Heer Walraven Van Brederode voor zulk een te houden. Bovendien zou het schandelijk ondankbaar van hem zijn, op deze wijze de goedheid mijns vaders te vergelden, aan wien hij zijn vrijheid te danken heeft."

"Het doet mij leed, Willem," zeide jonker Splinter, "dat gij van een ander gevoelen zijt. Gij vertrouwt de menschen te veel en gij sluit uw oogen te lichtvaardig voor hetgeen zij bedekt of onbedekt doen."

"Maar Brederode is een vriendelijk man," hernam Willem. "Als hij mij zijn bezoek aankondigt en tot ons komt, dan is hij uiterst beleefd en hartelijk. Er ligt ook niets in zijn oog, dat eenigen schijn van valschheid verraadt. Gij ziet misschien te scherp."

"En gij te weinig. Er zijn ten allen tijde menschen geweest, die de kunst verstaan hebben, hun gedachten achter hun woorden en gebaren te verbergen. Gij moogt zeggen, wat gij wilt, maar als Walraven tot u komt, dan heeft hij daarmede een doel, dat hij u niet laat bemerken, en terwijl hij u bezighoudt en u tot spreken uitlokt, zwerft zijn blik naar alle kanten en is zijn oor voor alles geopend, waarvan hij voordeel kan meenen te trekken."

Jonker Willem was opgestaan. Splinter's gevoelen had hem gemelijk gemaakt, en op korreligen toon zeide hij:

"Gij zijt ook altijd zoo wantrouwend."

"Wantrouwend of niet," sprak Splinter, die ook opstond, "maar zoo ik u een raad mag geven, hoed u voor Brederode. Die man is een roofdier met fluweelen pootjes, en als hij er kans toe ziet, om Gorcum en alles, wat heer Jan Van Arkel in Holland bezit, aan den graaf van Holland in handen te spelen, zal hij niet terugdeinzen voor onzedelijke middelen. Doch het wordt tijd, dat ik heenga, en het doet mij leed, dat ons gesprek, gedurende de weinige oogenblikken, die ik hier heb doorgebracht, zulk een wending heeft genomen. Vaarwel, Willem, overleg mijn woorden. Moge het nimmer bewaarheid worden wat ik vermoed."

Hij reikte hem de hand, en Jonker Willem nam ze aan, maar drukte ze niet zoo hartelijk als weleer: hij kon niet ontkennen, dat Splinter's woorden hem ontstemd hadden. Toch wist hij zich te bedwingen en geleidde hij zijn vriend naar buiten, gaf den bediende last, het paard te brengen, en vergezelde hem tot aan den buitensten hof, waar hij afscheid van hem nam en hem een goede reis wenschte.

Jonker Willem was naar zijn vertrek teruggekeerd en had zich weder bij het vuur nedergezet. Zijn gewoonlijk opgeruimde stemming bleef thans achterwege en verdrietig staarde hij in het vuur, volgde het spel der vlammen en trachtte den indruk, dien Splinter's woorden op hem gemaakt hadden, uit te wisschen. Terwijl hij daar zoo alleen zat, werd zachtjes een deur geopend en het hoofd van een jongen man zichtbaar, die, na zich verzekerd te hebben, dat niemand anders dan de jonker hier aanwezig was, stil en behoedzaam de kamer binnentrad en de deur weer achter zich sloot. Hoe stil dit ook geschied was, toch was het door Jonker Willem niet onopgemerkt gebleven. Hij wendde het hoofd naar den kant der deur en toen hij den binnenkomende gewaarwerd, keerde hij weder den blik naar het vuur, alsof hem het bezoek geheel onverschillig was. Er was, wat jaren betreft, weinig verschil tusschen Jonker Willem en den binnenkomende, maar ook slechts een vluchtige vergelijking tusschen hun kleeding was voldoende, om te doen zien, dat die van den laatste van minder gehalte was dan van den rijken erfgenaam der Van Arkels. Hij droeg de kleuren van het Arkelsche huis, donkerblauw en lichtrood, en bewees hierdoor reeds, dat hij tot de onderhoorigen of dienstbaren van Heer Jan Van Arkel behoorde. Toch was er een verschil tusschen hem en de lijfknechten, die wij daar straks bij het bezoek van Jonker Splinter opmerkten, daar zijn kleeding fijner was en hij aan den gordel een kleinen dolk droeg, ten teeken dat hij een der wapendragers was van Jonker Willem.

"Gij moet mij niet storen, Simon," zeide Jonker Willem op stuurschen toon, zonder het hoofd naar den binnentredende te wenden. "Al zijt gij ook duizendmaal mijn zoogbroeder en geniet gij het voorrecht met mij in denzelfden toren te wonen, toch verlang ik niet, dat gij mij zoo dikwijls lastig valt."

Een ander dan Simon zou misschien bij het hooren dezer woorden schielijk de kamer verlaten en zich verontschuldigd hebben, maar Simon scheen aan dergelijke bejegeningen gewoon te zijn of wist uit ondervinding, dat zulk een booze bui spoedig overwoei en dat het spreekwoord: de aanhouder wint, waarheid bevatte. In plaats van heen te gaan, deed hij nog een paar stappen vooruit, zoodat hij vlak achter den jonker kwam te staan, en zeide:

"Ik wist niet, dat gij verdrietig waart, jonker--maar al waart gij het nog erger en nog langer, toch zou mij dit niet teruggehouden hebben, u kennis te komen geven van een bezoek, dat ik daar straks heb ontvangen van...."

"Mij gaan uw bezoeken volstrekt niet aan, Simon," viel hem de jonker in de rede.

"Een bezoek van Aart," vervolgde Simon hardnekkig.

"Al was het een bezoek van uw overgrootvader, die reeds vijftig jaar dood is," bromde de jonker. "Houd uw bezoeken maar voor u."

"Van Aart," ging Simon voort, "gij weet wel, jonker, den lijfknecht van den edelman Quannevan, bij wien mijn zuster Jennike...."

Jonker Willem zette de beide ellebogen op zijn knieën en hield de handen voor zijn ooren ten teeken, dat hij naar niets wilde luisteren. Simon, die dit opgemerkt had en reden scheen te hebben voor den wensch, dat de jonker het toch hooren zou, versterkte nu zijn stem en riep luid:

"Hij kwam vanwege mijn zuster en verzocht mij, u te mogen spreken. Toen ik hem vertelde, dat gij een vriend bij u hadt en hem verzocht, mij de boodschap slechts op te dragen, antwoordde hij, dat Jennike hem gezegd had, dat het een groot geheim was en hij het aan niemand anders mocht openbaren dan aan u."

Jonker Willem bleef doof.

"Een groot geheim," herhaalde Simon, nog luider sprekende.

"Ik wil de geheimen uwer zuster niet weten," zeide de jonker. "Zij gaan mij niets aan."

"Maar zij konden wel eens zeer gewichtig zijn. Gij weet het, jonker, mijn zuster is zeer aan uw huis gehecht, en als zij eens iets gehoord had, dat voor u noodig was te weten...."

"Ik blijf er bij, Simon," sprak Jonker Willem opstaande, "dat mij de geheimen uwer zuster niets aangaan. Het zullen keukenpraatjes zijn, of misschien heeft zij weder kibbelarij gehad met den driftigen heer Quannevan.... Kom, ga heen, en laat mij alleen!"

"En wat moet ik dan tegen Aart zeggen?" vroeg Simon.

"Alles, wat gij wilt," antwoordde Jonker Willem, die naar de deur ging als wilde hij het vertrek verlaten.

Op dit oogenblik liet zich trompetgeschal vernemen ten teeken, dat iemand den burcht naderde en begeerde binnengelaten te worden.

"Ga eens zien, wie daar komt," zeide Jonker Willem.

"Maar Aart....?" vroeg Simon weifelende.

"Loop rondom met uw Aart!" riep de jonker uit.

"Hij heeft mij echter gezegd, dat, zoo hij u niet kon spreken, hij onverwijld uw vader moest opzoeken, daar zijn boodschap geen uitstel gedoogde."

Deze laatste woorden brachten den jonker Van Arkel toch tot eenig nadenken, zoodat hij staan bleef en zeide:

"Wat zou hij mij dan toch te zeggen hebben? Misschien kan ik hem van avond of morgen spreken. Misschien ook kan ik hem nu...."

Op dit oogenblik kondigde een bediende het bezoek aan van Heer Walraven van Brederode. Jonker Willems gelaat helderde op en zijn schreden richtende naar den uitgang, om den bezoeker te verwelkomen, zeide hij tot Simon:

"Gij ziet, ik kan thans dien knecht niet spreken. Als zijn boodschap zóó belangrijk is, laat hem dan mijn vader opzoeken, die te Arnhem of op reis herwaarts is."

Met deze woorden verliet hij het vertrek.

Helaas, deze gril heeft Jonker Willem vele onaangenaamheden gebracht. Had hij Aart toegelaten en de boodschap aangehoord, die deze kwam brengen, gewis zou hem dan veel leeds gespaard zijn gebleven. Mijn lezer vermoedt reeds wat Aart te zeggen had. Jennike, bevreesd, dat het Walraven gelukken mocht, overwicht op Jonker Willem te krijgen, had Aart naar den burcht gezonden, om den zoon van Heer Jan te waarschuwen, en slechts diens onstandvastig, wispelturig karakter droeg schuld, dat de boodschap niet tot hem kwam. Aart, getrouw aan zijn opdracht, sloeg den weg in naar IJselstein, in de hoop Heer Jan daar te vinden. Jonker Willem ontving Walraven Van Brederode en den raad van Splinter in den wind slaande en slechts zijn eigen oppervlakkig gevoel raadplegende, viel hij, bevreesd als hij was voor den ondergang van zijn huis, in den gespannen strik zijner vijanden en werd de verrader zijns vaders. Niet bestand tegen de vloeiende en klemmende redenen van Brederode, trad hij in een verbond met de samenzweerders, die hem kwansuis het bezit van Gorcum en het omliggende land waarborgden, maar eigenlijk slechts een tweespalt tusschen vader en zoon beoogden, om daarvan ten voordeele van den graaf van Holland partij te trekken. Jonker Willem, zeg ik, viel in den strik, en de zoon, die nog een dag geleden vol liefde was voor zijn vader, kwam binnen de muren van Gorcum en liet de poorten sluiten voor den ouden Jan Van Arkel, die, zoodra hij bericht ontvangen had van hetgeen er tegen hem gesmeed werd, in allerijl naar Gorcum trok en tevergeefs beproefde binnengelaten te worden. Evenzoo geschiedde dit te Leerdam, werwaarts de samenzwering zich verplaatst had, en schoot er voor Jan Van Arkel niets over, dan tot zijn zwager Reinout Van Gelre te keeren.

Het was een schandelijke daad van Jonker Willem, die door geen tranen ooit kon uitgewischt worden.

VIJFDE HOOFDSTUK.

De uitkomsten van verraad en verzoening.

Het is geen vreemd verschijnsel, dat sommige menschen, wier geweten hun verwijt, dat zij gezondigd hebben, de knagingen van dat geweten zoeken te verdooven door het najagen van vermaken, aan welke zij vroeger zelfs niet eens dachten. Anderen daarentegen worden, nadat zij zich aan een grove zonde hebben schuldig gemaakt, in een geheel anderen toestand verplaatst. Als eenmaal de zonde gepleegd is, schijnen zij als het ware bewusteloos en doof voor alle vermaningen van hun geweten geworden te zijn en kunnen het maanden, ja jaren achtereen uithouden, terwijl zij van de eene zonde in de andere vallen, totdat eindelijk op een zeker oogenblik hun plotseling de schillen van de oogen afgerukt worden en zij de ontzaglijke diepte zien, waarin zij zich door een nieuwe roekelooze handelwijze gestort hebben. Niet alleen de Heilige Schrift--zooals bijvoorbeeld bij David--maar ook de ondervinding van het dagelijksch leven bevestigt bovenstaande waarheid, zoodat het goed is elkander te waarschuwen voor de eerste schrede op den weg der zonde, daar die eerste schrede gewoonlijk achtervolgd wordt door een tweede, en niemand zeggen kan, waartoe de mensch komt, die in zulk een toestand verkeert.

Jonker Willem had toegegeven aan de verleidende voorstellingen van Walraven, en schoon het blijkt, dat deze laatste al zijn krachten moest aanwenden, om Willem over te halen, toch is het niettemin bewezen, dat de jonker zich in de armen van de verraders en vijanden zijns vaders geworpen heeft. De samenzweerders hadden dus het eerste gedeelte van hun doel bereikt; zij hadden nu den zoon van zijn vader vervreemd; thans bleef hun nog over, zich van den zoon zelf te ontdoen, om tot het eindpunt te komen, namelijk Gorcum en het omliggende land in de macht van Graaf Willem VI te brengen. Dit moest evenwel op een bedekte, listige wijze geschieden, want zoodra Jonker Willem hiervan de lucht mocht krijgen, zou hij gewis met behulp van tal van aanhangers, die hem persoonlijk genegen en die velen waren, den ganschen toeleg onderstboven keeren. Om dit laatste te voorkomen, veinsden al de samenzweerders groote ingenomenheid met Jonker Willem, te meer daar hij naar hun raad luisterde en de poorten der stad deed sluiten niet alleen voor Heer Jan Van Arkel en diens aanhang, maar zelfs voor zijn beste vrienden, zoo deze niet zijn (Willems) partij hadden gekozen. Gorcum zelf werd in een goeden staat van verdediging gebracht; de poorten sterk bezet en het bevel uitgevaardigd, niemand van verdacht voorkomen binnen de stad of op den burcht toe te laten.

Het spreekt vanzelf, dat Jan Van Arkel terstond zijn toevlucht zocht bij Hertog Reinout en dat deze hem zijn bijstand toezeide, die allereerst zou bestaan in het treffen van een vergelijk tusschen Heer Jan Van Arkel en zijn oproerige onderdanen [10]. Jan Van Arkel's zwager zond dan ook oogenblikkelijk eenige afgevaardigden naar Gorcum in de hoop een verzoening tusschen beide partijen te bewerken. Doch hun herhaalde zendingen liepen telkens vruchteloos af. Beide partijen waren te fel tegen elkander verbitterd, dan dat er van een verzoening sprake kon zijn. Bovendien wilden de proost, Van Goor en de gebroeders Herlaar hiervan niets weten, omdat dan de tachtig duizend Fransche kronen voor hen verloren gingen. De onderhandeling liep dus vruchteloos af voor Heer Jan Van Arkel en de samenzweerders wonnen er dit nog bij, dat zij van Jonker Willem de plechtige en met eeden bekrachtigde belofte verkregen, dat hij zonder hun toestemming en goedkeuring met zijn vader en diens aanhang in geen onderhandelingen zou treden (30 Mei 1406).

Nu vierde Gorcum feest; zoowel burgemeesters en schepenen als de kerkelijke overheid deden alles, om van hun vreugde te doen blijken, en het geringe volk, dat zich steeds laat leiden naar de willekeur der overmacht, juichte mede. Misschien was het Jonker Willem zelf, die dit vreugdebetoon in de hand werkte, en wellicht was het door zijn tusschenkomst, dat er zoowel op den burcht als in de stad allerlei feestelijkheden plaats vonden. Dit moet ons geenszins verwonderen. Jonker Willem had geen vrede; zijn geweten klaagde hem aan als een ontaarden zoon, die de liefde zijns vaders met ondank beloond had, en te zwak zijnde, om openlijk schuldbelijdenis te doen en zich weder aan de zijde zijns vaders te scharen, moest hij allerlei dingen bedenken, om dat geweten--zoo het mogelijk ware--tot zwijgen te brengen. En hoe zou hij dat anders kunnen doen dan door het rumoer van feesten?

Ik heb eens een parabel gelezen van een prins, die zijn vriend in een hartstochtelijk oogenblik van het leven had beroofd en deswege ter dood zou gebracht worden, zoodra hij binnen acht dagen insliep. Hij moest dus op middelen bedacht wezen, het acht dagen zonder slaap uit te houden, en hij scherpte zijn vernuft, om zulke vermaken te verzinnen, die hem gedurig bezighielden. Danspartijen, tooneelvoorstellingen en jachtpartijen wisselden elkander onophoudelijk af, en twee--drie dagen hield de jonge prins het zonder slapen uit. Maar de natuur liet spoedig haar rechten gelden. Toen hij op het punt stond van in te slapen, beval hij, dat men hem knijpen, in het water werpen en met gloeiende naalden prikken zou, zoodra hij slechts de oogen sloot. Doch ten laatste baatten ook deze middelen niet meer. Nu liet hij een hoog koord over een water spannen en begon zich te oefenen er overheen te loopen; als hij een misstap deed, door den slaap bevorderd, viel hij in het water. Dit hielp één dag, maar zóó machtig werkte de slaap, dat hij zelfs in het water zou zijn ingeslapen. Om dit te verhinderen, liet hij een ander koord boven een vuur spannen, en bij zijn val brandde hij zich deerlijk. Maar zelfs het vuur kon den slaap niet weren, en hij zou onder diens geweld eindelijk bezweken zijn.... toen hem een vriendelijke stem van de straf onthief.

Bijna, zou ik zeggen, was deze parabel van toepassing op Jonker Willem. Hij wilde de knagingen van zijn geweten, die voor hem als zoovele doodsteken waren, tot zwijgen brengen en wierp zich nu in den stroom der genietingen, en wellicht zou de ongelukkige jongeling er toe gekomen zijn, dat geweten als met een brandijzer toe te schroeien, zoo zich God niet over hem ontfermd had.

Op zekeren avond bevond zich Jonker Willem in dezelfde kamer, in welke wij hem voor het eerst hebben aangetroffen. Hij zat op een bank bij het diep inloopend venster, van waar hij een prachtig vergezicht had over de omstreken zijner vaderlijke bezittingen. Maar zijn oog staarde in de verte zonder iets te zien. De bloeiende boomen, die zijn tuinen versierden, bestonden voor hem niet; het rimpelen der wateren van de Linge en Merwede was voor hem een ijdele vlakte; de blauwe hemel boven zijn hoofd was een zwart doek--hij zag niets, of liever hij zag slechts één donker punt en hij hoorde slechts één woord: ondankbare! Zijn hart klopte hevig, en niettegenstaande het buiten zeer warm was, brak hem het koude zweet uit van angst, vrees en onrust. Eindelijk sloeg hij beide handen voor het gelaat en barstte uit:

"Neen, deze toestand is onverdraaglijk. Al gelukt het mij ook, te midden van ingebeeld genot de kwellingen mijns geweten te verdrijven--zoodra ik alleen ben, is het mij, alsof ik vóór en naast mij het beeld mijns vaders zie. Hij spreekt geen enkel woord: hij staart mij slechts zwijgend aan. Ik tracht hem te ontkomen, maar in de kerk, op de trappen van het hoogaltaar, bij het dragen eener gewijde kaars, bij het stamelen mijner gebeden, bij het opstaan, bij eten en drinken, naast mijn legerstede, in mijn droom.... staat daar mijn vader, op wiens gesloten lippen ik de woorden lees: ontaarde zoon. Neen, ik kan dit niet uithouden. Er moet een einde aan komen. Maar hoe? Zal ik het aan Walraven Van Brederode, aan Jan Gerardijn, aan burgemeesters en schepenen, ja zelfs aan Graaf Willem doen weten, dat ik...."

Hij kon niet voortgaan. Een rilling, een huivering overviel hem, alsof hem een slang aangeraakt had.

"Neen, neen--duizendmaal neen! Dat kan ik niet. Ik wil hun niet toonen, dat ik zwak, dat ik lafhartig ben. Liever wil ik den strijd tegen mijn geweten blijven voeren tot het uiterste...."

"Tot het uiterste?" herhaalde, zacht bewogen, een andere stem.

Jonker Willem keerde verschrikt het hoofd om naar de zijde, van waar dit geluid kwam, en zag een monnik vóór zich staan, die hem met een medelijdend oog aanstaarde.

FIGURE ------

"Wat wilt gij? Wie zijt gij?" riep de jonker, moeite doende, om moedig te schijnen.

"Ik wil niets," antwoordde de monnik zachtmoedig, "ik vraag slechts. Gij spraakt daar van een strijd tot het uiterste tegen het geweten te willen voeren. Zou het ook mogelijk zijn, dat gij tegen God streedt en gij in dien ongelijken kamp bezweekt?"

"Wat gaat dat u aan!" riep Jonker Willem uit.

"Wat mij dit aangaat? en kent gij mij dan niet in deze vermomming? Ik heb sedert drie dagen beproefd, tot hier door te dringen. Uw krijgslieden hebben mij met hun pieken teruggedreven. Ik ben bij nacht den stroom overgezwommen, heb mij, bij dag zonder eten of drinken tusschen steenhoopen verborgen en telkens naderbij komende, gelukte het mij, dezen burcht te bereiken, waar nog een man is--uw zoogbroeder--, die u waarlijk liefheeft en die mij, op gevaar van uw ongenade, hier gebracht heeft."

"Maar wie zijt gij dan?" vroeg Jonker Willem opstaande, daar hij de stem, die de monnik iets veranderd had, meende te herkennen.

De monnik wierp het grove kleed weg, en daar stond vóór hem Jonker Splinter Van Nieuwenroode.

Jonker Willem week een paar stappen achterwaarts en wendde het hoofd af: hij schaamde zich voor zichzelf, voor alle menschen, maar het allermeest voor zijn vriend.

Splinter zag dit als een goed teeken aan, en de hand op den schouder zijns vriends leggende, zeide hij: