Jonker Willem van Arkel

Part 3

Chapter 33,972 wordsPublic domain

"En zoudt gij meenen, eerwaarde Heer," sprak Brederode, eenigszins driftig, "dat een Brederode zijn woord kon breken? Neen, ik zou gekomen zijn, al had ook Van Arkel den geheelen weg met palen laten afzetten. Een vroom edelman springt over alle bezwaren heen. En ik verzeker u, ik heb er niet weinige gehad," vervolgde hij, zich het zweet van het voorhoofd wisschende. "Maar daarover later. Thans ben ik hier en mijn eerste vraag moet nu zijn, of de vrienden allen weten waartoe deze bijeenkomst strekt."

"Ik heb het hun daar zooeven juist herinnerd, edele Heer," gaf Jan Gerardijn ten antwoord, "en ik behoef u dus niet te zeggen, hoe wij allen begeeren te weten, welke de uitslag is geweest van uw pogingen bij den graaf."

"Ja, wij allen verlangen hoe eer hoe beter van het gehate juk van Jan Van Arkel ontslagen te worden," riepen sommigen der aanwezigen.

"Welnu dan, mijn vrienden, ik ben verblijd, dat ik u, die zulke trouwe aanhangers van onzen vorst zijt, goede tijding kan brengen. Ik had de eer, den graaf te spreken en uit zijn hand een brief te ontvangen, dien ik u voorlezen zal, terwijl hij mij opdroeg, u allen van zijn hooge toegenegenheid te verzekeren."

"Leve onze graaf Willem VI!" schreeuwden sommigen, maar Jan Gerardijn wenkte hun met de hand en verzocht hun, hun geestdrift een weinig te matigen, hun het spreekwoord in herinnering brengende, dat sommige muren ooren hebben.

"Ik wenschte echter vooraf een vraag te doen," zeide Arend Van Goor, "voordat de heer Van Brederode ons den brief voorleest."

"En welke is die vraag?" vroeg Walraven.

"Deze: hoe denkt Graaf Willem over Jonker Willem Van Arkel? Gij weet het allen, ik ben een gezworen vijand van Jan Van Arkel, maar tegen zijn zoon heb ik niets dan spijt, dat hij zijns vaders naam draagt. Welke zijn de gevoelens van den graaf omtrent jonker Willem?"

"Graaf Willem," antwoordde Brederode, "heeft mij meer dan eens gezegd, dat hij zeer welwillend omtrent Jonker Willem denkt en dat hij niets liever zou zien, dan dat er tusschen hen beiden vrede en vriendschap bestond, maar dat, zoolang de zoon partij kiest voor zijn vader tegen den graaf, er geen sprake van kan zijn, om in vrede en vriendschap met Jonker Willem te leven."

"Braaf gedacht van den graaf," zeide een der gebroeders Herlaar, "en daarom zou het, zoowel voor den graaf, voor Jonker Willem, als voor ons zeer wenschelijk wezen, dat er een scheiding bewerkt werd tusschen vader en zoon."

"Hoe schandelijk!" fluisterde Jennike op de trap.

"Ik zie er het nut niet van in," zei Jan Gerardijn, het voorbeeld volgende van menschen, die weldaden ontvangen en hun weldoeners ondankbaar zijn, "wat gaat het ons aan, of Jan Van Arkel in vrede dan wel in twist leeft met zijn zoon! Ons doel is, het land van de Arkelsche heerschappij te bevrijden."

"Toch geloof ik, eerwaarde Heer, dat er in de woorden van Herlaar een diepere en goede zin ligt," zeide Brederode. "Ik heb over dit onderwerp reeds verscheidene malen met Herlaar en Van Goor gesproken, en ons gevoelen zoowel als dat van vele vroede mannen in Holland en Utrecht is, dat een scheuring tusschen Jan Van Arkel en zijn zoon voor ons uitermate voordeelig zou zijn. Maar er is nog meer: Zooals gij weet, is Hertog Reinout van Gelre, vooral wegens bloedverwantschap, zeer op de hand van Jan Van Arkel en zal hij nooit dulden, dat Gorcum aan de heeren Van Arkel ontrukt wordt. Wij kunnen ons verzekerd houden, dat, zoodra Graaf Willem Gorcum op deze wijze in zijn bezit brengt, Hertog Reinout onmiddellijk al zijn edelen en steden met Kleef en Meurs ter heirvaart zou oproepen en Gorcum voor zijn zwager en neef ontzetten, ten minste zou trachten te ontzetten. Het zou van onze zijde een staatkundige fout en ten nadeele van Graaf Willem zijn. Ik zal u zeggen, hoe naar mijn oordeel de lijn moet wezen, die wij te volgen hebben. Wij moeten een scheuring bewerken tusschen vader en zoon, met belofte aan den laatste, dat hij in het bezit van het Arkelsche grondgebied en deze stad zal gehandhaafd worden, zoo hij, met onze hulp, zijn vader het land uitdrijft of desnoods gevangenzet."

"Dat zal moeilijk van den zoon geëischt kunnen worden," zeide Rutger Van der Haar, "en gewis zal hij dit ver van zich afwijzen."

"Zeg dat niet--zeg dat niet," sprak Brederode eenigszins haastig. "Jonker Willem heeft wel een edel gemoed, maar hij is zwak van karakter, en bovendien, als het hem klaar voor oogen gesteld wordt, dat hij nimmer zijn vader in het bezit van Gorcum en het Arkelsche zal kunnen opvolgen, ja, dat hij wellicht alles zal verliezen, zoo hij de partij zijns vaders houdt--dan geloof ik, dat hij er wel toe te bewegen zal zijn, om aan de stem der eerzucht meer gehoor te geven dan aan die der kinderlijke liefde."

"Ik zie evenwel nog niet in, dat dit ons veel zal baten," zeide de proost. "Wij willen met de Van Arkels niets uitstaande hebben."

"Ik heb u reeds gezegd, eerwaarde Heer," antwoordde Brederode, "dat wij geen oorlog tusschen Graaf Willem en Hertog Reinout moeten uitlokken. Beiden zijn zeer machtige heeren en ons land zou daardoor het grootste nadeel lijden. Maar bovendien, heer Reinout wordt oud--en als hij gestorven is, hebben wij een vijand minder te duchten. Eerst de eene partij tot vriend gemaakt, en dan de andere verslaan; op deze wijze komen wij tot ons doel, en Graaf Willem, al is het ook niet onmiddellijk, in het bezit van Gorcum."

"Als ik het plan wel begrijp," zeide Jan Gerardijn, "dan is het dit: eerst een scheuring tusschen Jan Van Arkel en Jonker Willem; daarna Hertog Reinout voor ons doel te winnen, en, door hem de eene of andere strook lands te beloven, gezamenlijk Jonker Willem uit het grondgebied te verjagen en Graaf Willem als heer des lands te huldigen."

"Zoo is het--zoo is het!" zeide Brederode. "En ik wil er nog dit bijvoegen, dat ik voor een en ander weinig zwarigheden zie, zoo wij maar trouw blijven aan ons verbond en geen woord buiten deze muren brengen."

"Ik zal wel zorgen, dat het buiten deze muren komt," fluisterde Jennike.

"Wat mij betreft," vervolgde Brederode, "ik neem het op mij, Jonker Willem te belezen, onzen voorslag aan te nemen, en wat Hertog Reinout aangaat, ik reken op diens heerschzucht. Hij houdt meer van een schoone stede en nieuwe vesting dan van een neef, die in de verlegenheid zit. Mij dunkt, Hertog Reinout zal wel te vinden en te winnen zijn."

"De Heilige Maagd en al de engelen te zamen mogen het u doen gelukken," zeide de proost, "maar...."

"Ik weet reeds, wat uw eerwaarde wil zeggen," viel Brederode hem in de rede, terwijl hij den duim zijner rechterhand eenigszins snel over den wijsvinger wreef, "gij herinnert u de tachtig duizend Fransche kronen, die Graaf Willem u en uw vrienden toegezegd heeft voor het geval, dat gij hem de stad in handen speelt. Nu, gij kunt gerust zijn, de graaf zal niet vergeten, wat hij u verschuldigd is voor de moeite, die gij doet. Hij weet, dat het geld u niet onverschillig is."

Jan Gerardijn beet zich op de lippen. Het was algemeen bekend, dat de proost een minnaar was van het klinkend metaal, en er waren zelfs onder zijn vrienden, die hem verdacht hielden, dat hij geen oneerlijke middelen schroomde, als het gold zijn schat te vermeerderen.

"Ik wilde maar zeggen," hernam Jan Gerardijn, zich bedwingende, "dat ik toch liever uit den mond van den graaf zelf de verzekering ontving zijner gunst en daarom heb ik reeds met vriend Van Goor de afspraak gemaakt, naar Den Haag te trekken en den graaf op te zoeken."

"Gij kunt doen, wat gij wilt, eerwaarde Heer," zeide Brederode, die zich een weinig gekwetst gevoelde in zijn eigenliefde, "en wanneer denkt gij er heen te gaan?"

"Eerstdaags."

"Nog voordat ik met Jonker Willem gesproken en de scheuring bewerkt heb."

"In het laatste geval zou ik immers een boodschapper van goede tijding zijn," zeide Gerardijn, "en de graaf..."

"Zal u dan niet met ledige handen laten gaan," viel hem Brederode, die een kleine wraak wilde nemen, in de rede.

"Mag ik u beiden herinneren," liet zich Rutger Van der Haar hooren, "dat wij op deze wijze veel kostbaren tijd verliezen. Ik geloof, dat wij moeten handelen en tot een besluit komen."

FIGURE ------

"Goed gesproken," zeide Gerrit Herlaar, "en ik geloof, dat zich beide zaken best laten vereenigen: de eerwaarde heer proost vertrekt met Van Goor naar Den Haag, om nog eenige punten met den graaf vast te stellen, b. v. verzekering van zijn bescherming tegen een mogelijken aanval van Van Arkel of tegen een niet gewenschte mislukking onzer plannen. Middelerwijl kan Brederode Jonker Willem een bezoek op den burcht brengen en hem trachten over te halen, onze partij te kiezen, hetgeen hem, bij het wankelmoedig karakter van den jongen man, wel gelukken zal. Willen wij dit zoo voor afgesproken houden?"

"Goed, zeer goed!" antwoordden verscheidene stemmen, en Brederode knikte met het hoofd ten teeken, dat hij hierin bewilligde. Middelerwijl had deze een papier uit een plooi van zijn lijfrok te voorschijn gehaald en, na het ontvouwd te hebben, op een tafel gelegd.

"De brief van den graaf! de brief van den graaf!" riepen Van Goor en Gerardijn. "Heer Brederode zal zoo vriendelijk zijn, ons den brief voor te lezen."

"Dat is mijn voornemen," sprak Brederode, "en gij zult daarin bevestigd zien, dat de graaf uw ijver voor zijn zaak op den rechten prijs stelt. Hij belooft u allen aanzienlijke posten, groote voorrechten en.... aan geld zal het niet ontbreken."

Al de samenzweerders drongen thans rondom Walraven Van Brederode, die zich gereedmaakte, bij het licht der kaars den brief voor te lezen, toen plotseling allen hevig ontstelden en den blik naar een duisteren hoek richtten.

"Wat is het?" fluisterde de proost, bleek van schrik, en zich achter Heer Walraven plaatsende. "Wat is dat? O! O! Daar is het weer!"

Nu kan ik juist niet zeggen, dat datgene, wat de personen, die in den kelder waren, hoorden, zoo akelig was en zoozeer om te ontstellen, maar wij moeten in het oog houden, dat niet alleen het oponthoud in die donkere gewelven, maar ook het doel der samenkomst weinig geruststellends en bemoedigends had, en ten volle werd de spreuk uit een der psalmen van David bevestigd: "de goddeloozen vlieden, waar geen gevaar is."

"Daar is het weer!" fluisterden de samenzweerders.

"Houdt u stil!" zeide Van Goor, zoo zacht mogelijk, "en blaast het licht uit, opdat ons niemand verrasse!"

Op hetzelfde oogenblik, terwijl aller lippen bezig waren de kaarsen uit te blazen, hoorde men--misschien reeds voor de tiende maal--een geroep, dat blijkbaar van de trap kwam, die Rutger Van der Haar daar straks had aangewezen. Thans was het evenwel zóó duidelijk, dat men zijn ooren niet behoefde te spitsen, om te vernemen, dat er iemand boven in het huis "Jennike!" riep.

"Jennike! Jennike!" herhaalde dezelfde stem, thans lager komende.

"Het wordt tijd, dat wij zoo schielijk en zachtjes mogelijk deze plaats verlaten," fluisterde Van der Haar, "want zoo wij hier nog langer toeven, zou het best kunnen gebeuren, dat de roepende ons hier verraste, en dit zou ons geen van allen lief zijn."

Die raad werd opgevolgd, en zoo stil mogelijk slopen de samenzweerders heen, de een na den ander, doch niet zonder zich hier en daar aan een vooruitspringenden steen of ander voorwerp te stooten, daar het thans volslagen duister in den kelder was.

Voor ons is het geen raadsel, van waar en van wien de stem kwam. Gij zult u nog wel herinneren, dat Jennike, die reden had van te huis te blijven, Aart naar buiten had gezonden, om de boodschap te verrichten, welke de edelman haar opgedragen had. Aart was teruggekomen en hoopte nu de beloofde saliemelk te genieten, die hem in dit gure weer zeer welkom zou zijn, maar in de keuken komende, vond hij nòch Jennike, nòch eenig spoor van saliemelk. Teleurgesteld zette hij zich bij den kouden haard en rakelde de glimmende kolen bijeen, ten einde een vuur te ontsteken, ieder oogenblik Jennike hopende te zien. Maar Jennike kwam niet. Hij wachtte en wachtte, zette zich op een laag bankje bij het nu flikkerend vuur en viel in slaap. Hij begint te droomen en in zijn droom is het hem alsof iemand hem een slag geeft op den rug, nog een slag, twee--drie--vier. Hij wil schreeuwen, wordt wakker--en daar staat de edelman Quannevan, met een van drift bloedrood gelaat voor hem, die hem een hagelbui van karwatsslagen op den rug toedient en hem toeroept:

"Zoo luiaard! Dwingt gij mij, u hier op te zoeken, rekel! Ik heb reeds twintigmaal u en die draalkous van een meid geroepen. Waar is zij?"

"Ik weet--ik weet het niet," stotterde Aart, zijn rug wrijvende.

"Weet gij het niet!" riep Quannevan woedend uit en paf! daar kreeg Aart weer een streek over den rug, "dat moet gij weten. Zij is toch voor een half uur te huis gekomen, nadat zij den steenbakker Pekeric bij mij ontboden had, en dus moet zij hier zijn. Weten wil ik het waar zij is, en nu zeg ik u, als gij mij niet binnen drie minuten nog een kan wijn brengt en binnen vijf minuten zeggen kunt waar die draalzak is, dan sla ik deze karwats op uw rug stuk. Ik heb thans geen tijd meer, om mij met u in te laten, daar mijn drie gasten mij wachten."

Hij hief nog eens dreigend de karwats op en verliet de keuken. Aart gunde zich geen oogenblik tijd, om te bedenken, waar hij zich het meest moest wrijven,--hij haastte zich, den wijn te brengen, en bleef ook geen minuut langer, om toe te zien, hoe de dobbelsteenen over de tafel rolden en de schepenen met den nieuwen gast den beker ledigden;--de vurige oogen van den edelman waren voldoende, om hem tot spoed aan te manen. Zoo snel hij kon, spoedde hij zich weer naar de keuken en van daar naar ieder vertrek in het huis, waar hij vermoedde, dat zich Jennike kon bevinden. Eindelijk kwam hij ook in de ons reeds bekende kast, en niet wetende wat die opgeschoven deur en die donkere gang beteekenden, begon hij eerst zacht en daarna steeds harder "Jennike!" te roepen. Jennike had hem wel gehoord, maar daar zij hoopte, dat hij spoedig stil zou zwijgen, verried zij haar schuilplaats niet, waarvoor zij reden meende te hebben,--doch toen zijn geroep niet bedaarde en zij ook geen geluid meer uit den kelder vernam, haastte zij zich, hem te gemoet te gaan, en fluisterde hem in: "houd u stil en zeg niemand, waar gij mij gevonden hebt. Tot belooning zal ik u ook een dubbele portie saliemelk bereiden, goede Aart."

Aart was inderdaad goed. Hij had reeds op de lippen haar te zeggen wat hij om harentwil geleden had, maar het uitzicht op een dubbele portie saliemelk verzoette alles, en nadat hij den edelman bericht had gegeven, dat Jennike in de keuken was, zette hij zich op zijn bankje neer, wachtende op de dingen, die daar komen zouden, terwijl de lieflijke saliegeur zijn neusvleugels deed zwellen.

VIERDE HOOFDSTUK.

Jonker Willem Van Arkel en zijn bezoekers.

Misschien bestond er weleer in Nederland geen trotscher, sterker en prachtiger slot dan dat des heeren Van Arkel, en zeer is het te bejammeren, dat er van al die heerlijkheid zelfs geen spoor meer is overgebleven. Niet door den tand des tijds noch door het geweld van stormen en onweer is het ineengestort en met den grond gelijkgemaakt, maar de verwoestende hand des gewelds, de mokers en houweelen, de brandfakkels des oorlogs hebben dit ontzaglijke gevaarte zoodanig gehavend, dat er van gezegd kan worden, dat men zijn plaats niet meer kent, gelijk een bloem, over welke de wind is heengegaan. Dit is het geval met alles op deze aarde. Hoe hecht en sterk, hoe groot en trotsch men ook heden ten dage moge bouwen, er komt eens een dag, waarop dat alles in elkander stort, omdat deze aarde den stempel der vergankelijkheid draagt.

Het is geenszins mijn voornemen, u een uitvoerige beschrijving te geven van dien prachtigen burcht, want dat zou mij te veel afleiden van de gebeurtenissen, die ik u wenschte mede te deelen. Alleen wilde ik u zeggen, dat een der voorvaderen van Heer Jan Van Arkel dezen burcht tusschen de jaren 1230 en 1267, aan de Noordoostelijke zijde van Gorcum aan den rechteroever der Linge heeft gesticht. Het gebouw, zegt een oud geschiedschrijver, was zóó aanzienlijk, dat er zijns gelijke in gansch Duitschland niet geweest is. Kemp geeft er ons in zijn beschrijving van Gorcum de volgende vermelding van: "Het hoge Hof hadt in zijnen omgang zeve onwinbare Toornen, met een hooge, lange en wijde zaal, en een schoone kapel kostelijk verciert, daar de Heeren, Vrouwen en Kinderen van Arkel den Godsdienst in hoorden. 't Middelste Hof had vier grote, zwaare Toornen, en beide de Hoven een grote, wijde omgaande gragt. Het nederste Hof had rondom een grote, dikke, hoge cingelmuur, met veele sterke Toornen en een grote voorpoort, in 't midden van 't nederhof stond een grote, schone kerk met een Choor voorzien, waarin de gemeene Dienaars van de Heeren Van Arkel dagelijks den Godsdienst hoorden. Dezelve Burg had ook schone hoven en boomgaarden, en langs de steeg of Dalemsche weg, grote opgaande boomen, een werk, dat het gezigt der aanschouwers met verwondering steroogende naar zig trok." Als de lezer vergelijken wil wat ik in voorgaande deeltjes van mijn "Historische Verhalen" ten opzichte der burgen, sloten en kasteelen gezegd heb, zal het hem niet moeilijk vallen te weten wat er onder 't "hoge, middelste en nederste Hof" alsmede van den "Singelmuur" moet verstaan worden, en dus veronderstellende, dat hij eenigszins in zulk een burcht of kasteel te huis is, noodig ik hem uit, mij naar het plein van het "middelste Hof" te volgen, waar ik hem in kennis zal brengen met eenige belangrijke personen uit ons verhaal.

Het was in den vroegen morgen van den 31sten Maart van het jaar 1406, dat een jeugdig man, wien men het zoowel aan zijn kleeding als aan zijn voorkomen kon aanzien, dat hij tot den aanzienlijken stand behoorde, de hooge poort van het kasteel uittrad en het plein opging. Hij liep eenigszins haastig, zoodat het blauw-fluweelen en met pelswerk omboord manteltje, dat om zijn schouders geslagen was, in den wind heen en weder fladderde. Hij sloeg hier echter geen acht op, daar zijn oog gericht was naar de voorpoort, waarvan de ijzeren deur juist door een paar lijfwachten geopend werd, om den toegang te geven tot een ruiter, die langzaam de brug van de gracht overreed en zijn paard tot spoed aanzette, zoodra hij den jongen man gewaarwerd.

"Hoe verblijdt gij mij, Splinter, dat gij mij komt bezoeken. Ik zag u van den Ruiterstoren in de verte aankomen en haastte mij, u te gemoet te gaan."

Hij drukte hem daarbij hartelijk de aangeboden hand en wenkte een der toegesnelde dienaren, om het paard, dat den ruiter gedragen had, naar den stal te geleiden en goed te verzorgen.

"Het doet mij leed, Willem, dat mijn bezoek slechts van korten duur zal zijn. Ik moet reeds over een uur vertrekken, daar ik nog een langen rit voor mij heb en gaarne morgen in Arnhem wenschte te zijn, schoon ik vrees, dat dit niet lukken zal."

"Dat spijt mij zeer," zeide Willem, die niemand anders was dan Jonker Willem Van Arkel, die zijn vriend Jonker Splinter Van Nieuwenroode verwelkomde, "ik had gehoopt, dat gij een paar dagen bij mij vertoefdet, om mij de eenzaamheid op dezen burcht draaglijk te helpen maken."

"Ik dacht, dat uw zwager, Heer Jan Van Egmond [8], en diens broeder, Willem Van IJselstein, u gezelschap hielden. Ook verwachtte ik hier een aanzienlijk gezelschap van heeren en ridders, die uw nieuwe donderbussen wenschen te bezichtigen."

"Allen zijn reeds eergisteren vertrokken. Mijn zwager is naar Haarlem en Willem Van IJselstein wilde Otto Van Heukelom gaan bezoeken, zoodat ik moederziel alleen ben met Simon, mijn zoogbroeder, die mij soms met zijn droomerijen en bange voorgevoelens verveelt, en ik dan maar, bij gebrek aan beters, het gezelschap opzoek van pater Bernardus en van mijns vaders geheimschrijver, dien hij, gelukkig, heeft hier gelaten en die mij dan iets uit onze kronieken voorleest. Doch laat ons naar binnen gaan. De rit zal u warm gemaakt hebben en het is hedenmorgen juist niet aangenaam, om buiten te staan."

Beide jonge mannen traden hierop het kasteel binnen en Jonker Willem geleidde zijn vriend door verscheidene gangen en langs een paar steenen trappen naar een rond vertrek in een der torens, waaruit men door een smal venstertje het uitzicht had op Gorcum, de beide rivieren en omliggende vlekken. Een goed vuur brandde er in den haard, en daar Jonker Splinter inderdaad een weinig huiverig geworden was, plaatsten zij zich beiden bij het vuur.

Het was een schoon gezicht, die beide jeugdige vrienden, wier gelaat blonk van het geluk, eenige oogenblikken elkanders bijzijn te genieten. Hoewel zij beiden even oud en pas hun twee-en-twintigste jaar ingetreden waren, won Jonker Splinter het toch in manlijke forschheid en ontwikkeling op Jonker Willem Van Arkel, die het teedere en beminnelijke van zijn vroeg gestorven moeder Johanna Van IJselstein meer had overgeërfd dan het ruwe en fiere van zijn vader. Beide jonge mannen waren bestemd, althans door hun rang en stand, om eenmaal een schitterende toekomst te gemoet te gaan, maar--ofschoon ik hier een weinig vooruitloop--zij vermoedden niet, terwijl zij daar zoo gezellig bij het vuur zaten en Willems arm op Splinter's schouder rustte, dat zij beiden in de kracht en den bloei huns levens op hetzelfde uur en denzelfden dag zouden weggerukt worden.

Een oogenblik, maar ook slechts een oogenblik staarden beide vrienden stilzwijgend in het vuur. Door beider ziel vlogen eenige gedachten, die zij elkander wel konden, maar niet durfden toevertrouwen. Jonker Splinter, die een scherpen blik had in de toekomst, vreesde voor Jonker Willem, en deze dacht er over, van welk gevolg het voor hem zou zijn, als hij in een nieuwen krijg tusschen zijn vader en den Hollandschen graaf gewikkeld werd.

"Gij hebt mij nog niet gezegd, Willem," begon Jonker Splinter, die het schrikbeeld, dat zich voor zijn geest geplaatst had, trachtte af te schudden, "gij hebt mij nog niet gezegd, waar uw vader is."

"Mijn vader bevindt zich sedert een week bij mijn oom Hertog Reinout van Gelre te Arnhem en zoo er geen onvoorziene gebeurtenissen plaats hebben, wacht ik hem eerst na de andere week hier. Ik denk, dat hij met mijn oom maatregelen neemt, om den oorlog voort te zetten. Misschien ook wil hij hem het beheer onzer bezittingen, en vooral van Gorcum, overdragen, ten einde een sterken arm te hebben tegenover de aanmatigingen van Graaf Willem."

"Dat zou ik verkeerd vinden van uw vader," zeide Splinter, "en ik geloof ook niet, dat hij hiertoe nu weder zal overgaan. Het zou immers gelijkstaan met de erkenning van zwakheid tegenover den graaf--en waarlijk uw vader is de man niet, hiertoe te besluiten, tenzij in den hoogsten nood. Wat uw oom Reinout betreft, hoe hoog ik hem ook schat, en welk een ridderlijk man hij ook zij, toch is hij niet vrij te pleiten van zelfzucht, en derhalve geloof ik, dat het plan eer van hem dan van uw vader zal uitgaan."

"Ik stem de waarheid toe van hetgeen gij zegt," sprak Willem ernstig, "en nu verblijd ik mij te meer, dat ik u zie, want ik kan u thans opdragen, gedurende uw verblijf te Arnhem de zaken aldaar eens te polsen, opdat gij mij dan berichten kunt, of ik mij in mijn vermoedens bedrogen heb, ja dan neen. Doch zeg mij uw gevoelen aangaande mijn vader, van wien gij weet, dat hij niet gezind is, het kwaad te laten rusten."