Part 2
Het is thans mijn voornemen, u in de gewelfde kelders te brengen onder het huis van den edelman Quannevan, ten einde u te toonen wat daar plaats had, maar alvorens dit te doen, zal het noodig zijn, u op de hoogte van onze geschiedenis te brengen, waarna gij beter sommige toestanden en uitdrukkingen van het vorige hoofdstuk zult verstaan.
Reeds gedurende de regeering van Hertog Albrecht, graaf van Holland, was er een vredebreuk ontstaan tusschen hem en Jan Van Arkel. Deze laatste was een zeer rijk en machtig edelman, een der voorlaatste spruiten uit het oude geslacht der Van Arkels, dat zich, gelijk een geschiedschrijver zegt, evenzeer door rijkdom en trotschheid, als door overmoed en dapperheid had onderscheiden. Vandaar dan ook, dat zijn naam als zoodanig voorkomt in het Oud-Hollandsche rijmpje:
De Brederode's de edelsten; de Wassenaars de oudsten; De Egmonds de rijksten; de Arkels de stoutsten.
Behalve de heerlijkheid Arkel met den weleer zoo beroemden burcht van dien naam, bezaten de Arkels de steden Gorcum, Leerdam, Schoonrewoerd, met de burchten en vestingen Everstein, Gasparne en Hagestein. Buitendien had Jan Van Arkel in Frankrijk de heerlijkheid Pirlepont [5], in Brabant de stad Mechelen met onderscheidene dorpen en vlekken, benevens nog vele steden, dorpen en goederen in Holland en Zeeland. Gij kunt begrijpen, dat zulk een machtig heer ook niet ontbloot was van geld. Zijn jaarlijksche inkomsten bedroegen drie en tachtig duizend zeshonderd Rijnsche guldens, benevens vijf duizend oude schilden uit Veluwsche tienden en jaarlijks zes duizend dukaten uit de bank van Venetië, een rijkdom voor dien tijd zoo aanzienlijk als geen Duitsch vorst dien bezat.
Nu zegt men wel eens voor een spreekwoord: geld geeft moed, maar ook overmoed. En dit spreekwoord was ten volle van toepassing op Heer Jan Van Arkel. Rijk en machtig als hij was, verwant aan invloedrijke vorsten en edelen, meende hij niemand te behoeven te ontzien, en was hij terstond bereid, het zwaard te trekken en zijn onderhoorigen tot den strijd aan te voeren, als men hem ook slechts met een blik of een woord beleedigde.
Behalve vele eereposten, onder andere het stadhouderschap over Holland, Zeeland en Friesland [6], bekleedde hij ook het rentmeesterschap van Holland, welke betrekking hem door Hertog Albrecht was opgedragen en die bij hem in goede handen was, daar deze graaf van Holland dikwijls uit geldgebrek genoodzaakt was, zijn toevlucht tot dien rijken rentmeester te nemen en zich van hem aanzienlijke sommen liet voorschieten. Met weet niet met juistheid, of de aanleiding tot den oorlog tusschen den Hollandschen graaf en Jan Van Arkel hierin moet gezocht worden, hetgeen overigens geen wonder zou zijn, daar geld zoowel vrienden als vijanden maakt. Eerst was men van meening, dat de twist ontstond, doordat Jan Van Arkel geweigerd zou hebben, rekening en verantwoording van zijn rentmeesterschap te doen--doch algemeen zijn de geschiedschrijvers hiervan teruggekomen, omdat het gebleken is, dat Jan Van Arkel slechts een jaar rentmeester is geweest en in het begin van 1394 rekening en verantwoording heeft gedaan, waarbij uitkwam, dat hertog Albrecht hem nog een aanzienlijke som schuldig bleef [7]. De waarheid zal hier in het midden liggen: Jan Van Arkel, die den hertog deze gelden niet wilde kwijtschelden, bleef op de betaling daarvan aandringen, en de hertog, die de eer aan zich wilde behouden, weigerde de rekening en verantwoording te erkennen. Daarbij kwam nog iets, dat van zeer veel belang is. Hertog Albrecht, benevens zijn zoon, de graaf van Oostervant (later Willem VI), behoorden uit den aard der zaak tot de Hoeksche (de conservatieve partij), terwijl de trotsche Jan Van Arkel, misschien alleen uit overmoed geneigd het regeerend Huis te dwarsboomen, de partij der Kabeljauwschen (liberalen) had verkozen. Nu spreekt het vanzelf, dat er niets bij de regeeringspartij kon gebeuren, of Jan Van Arkel wist iets ter berisping te berde te brengen, en inderdaad gebeurde er, helaas, dikwijls iets in Den Haag, dat sterke afkeuring verdiende. Zoo bijvoorbeeld liet zich Hertog Albrecht zeer beheerschen door een aanzienlijke jonkvrouw, Aleid Van Poelgeest genaamd, en deze dame werd op zekeren avond met haar hofmeester, Willem Kuser, in Den Haag vermoord (21 Sept. 1393). Dadelijk na dien moord verzuimde Jan Van Arkel niets, om Albrechts zoon, die de vlucht had genomen en zeker niet geheel onschuldig was, bij den vader in het hatelijkste daglicht te stellen, en Hertog Albrecht had dan ook in den beginne de medeplichtigen aan den moord met gestrengheid vervolgd,--maar later had hij de vervolging gestaakt en zich weder met zijn zoon verzoend (1395). De graaf van Oostervant (Albrechts zoon), die aan Jan Van Arkel de schuld gaf van de plaats gehad hebbende oneenigheid, hitste nu zijn vader en al de Hoeksche edelen tegen Jan Van Arkel op en ging zelfs zóó ver, dat hij van Albrecht verkreeg, dat deze de heerlijkheden van Arkel in Holland verbeurdverklaarde en hem ten eeuwigen dage uit Holland verbande. Thans greep Jan Van Arkel naar het zwaard, en een aanzienlijke krijgsmacht op de been brengende, viel hij in Holland en verwoestte verscheidene plaatsen. Graaf Willem verzamelde de Haarlemmers, de Kennemers, de Leidenaars en Amsterdammers, die hij, onder bevel van Hendrik Van Wassenaar, burggraaf van Leiden, naar het Arkelsche gebied zond, waar zij niet minder verwoesting teweegbrachten, maar door de Arkelschen met donderbussen begroet en tot de vlucht genoodzaakt werden. Nu nam Hertog Albrecht scherpere maatregelen. Gesterkt door hulpbenden uit Engeland, Kleef en Utrecht, sloeg Albrecht het beleg voor Gorcum (29 Juni 1402) en niettegenstaande de dappere verdediging zag Jan Van Arkel zich genoodzaakt, het verdrag aan te nemen, dat Jan Van Beieren, bisschop van Luik, had bewerkt. Bij dit verdrag was bepaald, dat Jan Van Arkel Hertog Albrecht en diens zoon binnen Gorcum op de knieën vergiffenis moest vragen en dat het vaandel des Hertogs één dag op den Arkelschen burcht zou wapperen.
Welk een vernedering voor den trotschen edelman! Welk een ongerechtigheid van de zijde van Hertog Albrecht en diens zoon! Hoeveel onschuldig bloed werd er om hunner zonden wil, om hun eer- en heerschzucht gestort. Maar meen niet, dat het de schuld was van die duistere tijden, toen het Christendom hoofdzakelijk bestond in kerkelijke plechtigheden, die niemand begreep en weinig nut aanbrachten, in het prevelen van Latijnsche gebeden, door het volk niet verstaan, in een dwazen Maria-dienst en de aanbidding der heiligen. Later toen de Hervorming doorbrak, en men zou denken, dat de zielen der menschen met vrede vervuld werden, bleek juist het tegendeel, en niet geheel ten onrechte zegt zeker schrijver, dat, naarmate het Evangelie verspreid wordt, ook de oorlogen meer en de menschenslachtingen grooter worden.
Het verdrag tusschen Hertog Albrecht en Jan Van Arkel bleef niet lang van kracht. 't Schijnt, dat de graaf van Oostervant, de gezworen vijand van Heer Jan, hem en zijn onderzaten met allerlei kwellingen lastig viel, doch tot een hervatten der vijandelijkheden kwam het eerst na den dood van Hertog Albrecht (14 Dec. 1404). Beide partijen droegen hieraan schuld, daar zij elke gelegenheid te baat namen, om elkander te sarren. Zoo bijvoorbeeld gaf Willem VI, kort nadat hij den grafelijken troon bestegen had, in Den Haag een groot tornooi of ridderspel, waaraan vele aanzienlijke edelen deelnamen. Jan Van Arkel, die, waar hij kon, gaarne met zijn rijkdom schitterde en dus ook het tornooi wilde bijwonen, had in een schip al zijn kostbare wapenen, harnassen, lansen, gouden en zilveren versierselen naar Den Haag gezonden, doch toen het schip te Rotterdam kwam, werd het verbeurdverklaard. Waarschijnlijk geschiedde dit op bevel van den Hollandschen graaf, die naijverig was op de pracht van Jan Van Arkel en dezen wilde beletten, boven hem in glans uit te munten. Jan Van Arkel, dit hoorende, zond zijn boden naar Den Haag en eischte zijn goederen terug, maar hij klopte aan eens dooven mans deur, totdat het den meergemelden Jan Van Beieren gelukte, den graaf te bewegen, na het tornooi de goederen los te laten en Jan Van Arkel te bevredigen.
Dit had intusschen weer kwaad bloed gezet. De burgers van Hagestein, wellicht aangespoord door Jan Van Arkel, vielen in het Nederstichtsche, waarop de Hollanders uittrokken, dezen te keer gingen en verscheidene gevangenen maakten. Graaf Willem besloot, deze gestreng te straffen, en liet ze naar Woudrichem tegenover Gorcum vervoeren, om ze daar, als in het gezicht van laatstgenoemde stad, op het rad ter dood te doen brengen. Toen dit Heer Willem Van Yssendoorn, een voornaam bevelhebber der heeren Van Arkel, vernam, haastte hij zich, deze gevangenen te verlossen. Met eenige krijgslieden, als kooplieden vermomd, gaat hij scheep, en te Woudrichem komende tracht hij, onder voorwendsel van tol te betalen, eenigen zijner mannen binnen de stad te brengen, om de poort te openen. Dit gelukt, en nu springen de overige krijgslieden het schip uit, verlossen de gevangenen, steken verscheidene huizen in brand, rooven en plunderen, en nemen ruim een dertigtal aanzienlijke burgers als gijzelaars mede naar Gorcum.
Stel u thans de woede van Graaf Willem voor! Het kostte wat het wilde,--dezen hoon mocht hij niet ongewroken laten. Al de grafelijke rentmeesters ontvingen last, om zooveel geld als mogelijk was bijeen te brengen, ten einde de onkosten des oorlogs te kunnen bestrijden, en de graaf zelf riep al zijn edelen van Holland en Zeeland ter heirvaart tegen Jan Van Arkel op. Ook met Utrecht en den bisschop sloot Graaf Willem een verbond. Het duurde echter tot het midden van Juli 1405, vóór de oorlog met kracht aangevangen werd en wel met de belegering der reeds meergemelde sterkten en vestingen Everstein, Gasparne en Hagestein. Niettegenstaande de dapperste verdediging gelukte het toch aan de grafelijke bevelhebbers, zich van deze sterkten meester te maken, en wel door uithongeren. Zij hadden rondom elke sterkte diepe grachten gegraven, voorzien van een borstwering van palen, en sneden dusdoende allen toevoer aan de belegerden af. Jonker Willem Van Arkel sloot nu (19 Dec. 1405) een wapenstilstand tot den zomer van het volgende jaar.
Misschien verwondert het u, dat Jonker Willem Van Arkel dezen wapenstilstand sloot, daar immers de graaf van Holland niet direct tegen den zoon, maar wel tegen den vader krijg voerde. En te meer baart dit verwondering, als wij in de historie lezen, dat de vader in geenen deele met dezen wapenstilstand tevreden was en den oorlog met kracht wilde voortzetten. De vraag is dus niet ongepast: in welke verhouding stond de zoon in dezen krijg tegenover zijn vader? Deze vraag, hoe gemakkelijk ook gesteld, is evenwel niet zoo licht te beantwoorden, omdat de gegevens weinige zijn. Nochtans hoe karig de geschiedenis hieromtrent ook zij, toch weten wij genoeg, om vast te stellen, dat Jonker Willem in geenen deele het fiere, halsstarrige en onbuigbare karakter had van zijn vader en dat hij volstrekt niet vrij was van een zekere zwakheid en wispelturigheid, die overigens aan de Van Arkels vreemd was. Wel is waar kan men tot zijn verschooning veel bijbrengen. Jonker Willem toch was de eenige spruit uit het doorluchte stamhuis der Arkels en hem wachtte nog een rijkere bezitting, als zijn oom Reinout, Hertog van Gelre of Gelderland, die geen kinderen had, kwam te overlijden. Jonker Willem begreep dus te recht, dat zijns vaders halsstarrigheid in het voortzetten van den oorlog wel eens ten gevolge kon hebben, dat hij niet slechts Arkel, maar zelfs de Geldersche erfenis verloor. Om die reden,--en misschien om die reden alleen--vinden wij dan ook zooveel wankelmoedigs, veranderlijks in het karakter van Jonker Willem, die nu eens, aangevuurd door de fierheid zijns vaders, met leeuwenmoed tegen den Hollandschen graaf streed en straks zijn eigen wapenen tegen zijn vader keerde, om weinig tijds daarna weder vol berouw aan diens voeten te vallen en zich opnieuw tot den strijd tegen Willem VI aan te gorden. In den loop van ons verhaal zullen wij gelegenheid hebben, hierop nader terug te komen.
Jan Van Arkel keurde den wapenstilstand, dien zijn zoon met den graaf van Holland gesloten had, in geenen deele goed. Hij wilde van geen vrede weten, ten minste niet, nu hem deze drie sterkten ontnomen waren, en hij rekende zich nog machtig genoeg, om Willem VI het hoofd te kunnen bieden. Zijn Zwager, hertog Reinout van Gelre, beproefde tevergeefs dat stugge, trotsche gemoed te buigen; hij vermocht niets anders van Jan Van Arkel te verkrijgen, dan dat deze Walraven Van Brederode in vrijheid stelde. Van dezen Walraven heb ik u reeds iets verteld in de noot op bladz. 13 en 14; tot nadere opheldering wil ik er bijvoegen, dat deze Walraven een trouw aanhanger was van Willem VI en niets onbeproefd liet, om van zijn gevangenschap ten gunste van den graaf partij te trekken. Gij kunt wel begrijpen, dat er in Gorcum verscheidene personen waren, die het in het geheim met den Hollandschen graaf hielden en die de gedurige oorlogen moede waren, welke zij alleen aan de halsstarrigheid en trotschheid van Jan Van Arkel toeschreven, zoodat zij blijde zouden zijn, als zij van dezen laatste ontslagen en onder het bestuur van den graaf gebracht waren. En niet ten onrechte klaagden velen. Want oorlog brengt verwoesting, ziekte en hongersnood mede; de inwoners der steden en dorpen werden verjaagd, hun velden vernield, hun zonen gedood,--kortom allen, althans de meest aanzienlijke inwoners van Gorcum, verlangden naar vrede, en, zoo deze niet anders te verkrijgen was, den ondergang van Jan Van Arkel. Walraven Van Brederode had deze gemoedsstemming der Gorcummers gedurig aangewakkerd, en toen hij nu door bemiddeling van Hertog Reinout van Gelre vrijheid kreeg, om van tijd tot tijd naar zijn familie te vertrekken, sprak het wel vanzelf, dat hij ook niet vergat, Graaf Willem VI in Den Haag op te zoeken, ten einde met hem te overleggen, op welke wijze Gorcum en het slot der heeren van Arkel het gemakkelijkst in handen te krijgen. Ik behoef u niet te zeggen, dat Graaf Willem dit zeer begeerde, en schoon hij niet rijk was, wist hij toch nog altijd goud genoeg voor Walraven bijeen te krijgen, die hiermede moest werken, daar geld sedert eeuwenoude tijden het meest beproefde middel is geweest, om vrienden tot verraders te maken. En eigenlijk gezegd deed dit ook Walraven,--schoon met de beste bedoeling, namelijk om zijn wettigen heer te bevoordeelen en hem Gorcum als een schoone parel aan de grafelijke kroon te vlechten. Maar laag is het altijd, den verrader te spelen en anderen tot verraders en afvalligen om te koopen. Gorcum behoorde aan Jan Van Arkel, en zoo deze de stad door een oorlog verloor, kon hij slechts jammeren over de ongelukkige kansen van den krijg--maar zoo hem de stad ontweldigd werd door het verraad van hen, op wie hij zijn vertrouwen stelde en aan wie hij dikwijls gunsten en voorrechten had verleend, dan had hij reden, om met alle weldenkenden laag neder te zien op menschen, die van zulke verachtelijke middelen gebruik maakten.
Zoo stonden nu de zaken, en daar ik geloof, dat gij nu op de hoogte van de geschiedenis zijt, vat ik den draad van mijn verhaal weder op en breng u in de gewelven onder het huis van den edelman Quannevan.
DERDE HOOFDSTUK.
Waarin van een samenzwering en saliemelk verteld wordt.
Jennike had de kamer verlaten, maar was volstrekt niet van zins, om zoover buiten de stad te gaan en den steenbakker Pekeric te gaan roepen. Niet dat zij wegens de moeite en den afstand tegen deze boodschap opzag,--volstrekt niet. Al ware het nog tweemaal verder geweest en het weder nog donkerder en onstuimiger, zou zij er niet tegen opgezien hebben, den wensch van den edelman te vervullen,--maar zij vertrouwde de dingen en nog veel minder de personen niet, die haar heer omgaven. Buitendien er waren geruchten tot haar gekomen--hoe wist ze zelf niet, misschien had zij ze in een droom gehoord--dat er een samenzwering op til was tegen Heer Jan Van Arkel. Er heerschte veel ontevredenheid in de stad wegens de gedurige oorlogen en de onverzettelijkheid van Heer Jan, om met den graaf van Holland vrede te maken. Zij wist, dat Walraven Van Brederode in het geheim bijeenkomsten hield met aanzienlijke personen, onder anderen met Jan Gerardijn, proost en deken van het canonikale college dier stad, met de gebroeders Herlaars en anderen,--menschen, die een vriendelijk gelaat in zijn bijzijn aan Heer Jan Van Arkel vertoonden, maar achter zijn rug tegen hem samenspanden. Van dezen handel had zij een gruwel, te meer omdat het haar bekend was, hoe Heer Jan Van Arkel dezen Jan Gerardijn, die van arme ouders stamde, door ondersteuningen in geld in de gelegenheid gesteld had, tot zulk een hooge betrekking op te klimmen. En meer dan ooit besloot zij een waakzaam oog te houden, vooral toen het haar bleek, dat Walraven Van Brederode in de laatste dagen dikwijls uit de stad geweest was en telkens bij zijn terugkomst bijeenkomsten gehouden had met bovengemelde personen.
Jennike was in geenen deele dom, en wie haar beschuldigde van verstand ontbloot te zijn, sloeg de plank geheel mis. Zij vermoedde, dat er weder een geheime samenkomst op til was; het was alsof haar iemand zeide, dat die samenkomst in de gewelven van het benedenhuis zou plaats vinden en dat het bezoek der beide schepenen slechts diende, om Quannevan bezig te houden en zijn opmerkzaamheid op hetgeen er beneden mocht plaats grijpen af te leiden. Zij kon dus het huis niet uit, zoo zij de bewegingen der verraders wilde gadeslaan. Maar hoe zou het dan gaan met de boodschap aan den steenbakker? Zij mocht toch haar meester niet ongehoorzaam zijn. In haar angst riep zij tot God om hulp--en spoediger dan zij verwachten kon, daagde deze op. Aart kwam te huis, en wetende, dat hij een liefhebber was van saliemelk, beloofde zij hem een ketel vol, als hij voor haar de boodschap ging verrichten.
Nauwelijks was Aart weg, of haar luisterend oor meende iets onder in het huis te vernemen. Zachtjes sloop zij uit haar keuken naar een klein vertrekje, dat onmiddellijk boven het middelste gewelf gebouwd was. Zij legde zich hier plat op den grond met het oor op den estriken vloer, doch zij kon niets vernemen, dat naar eenig gesprek of woord geleek. Het baatte haar dus niets, al bleef zij hier ook den ganschen avond op de loer,--en weten moest zij wat er onder haar gebeurde. Eensklaps viel het haar in, wel eens gehoord te hebben, dat er in de kast van het vertrekje, waarin zij zich thans bevond, een deur was, die op een gang uitkwam, aan welker einde een trap naar de gewelven voerde. Wat zou zij nu doen? Zou zij zich in de duisternis van die gang wagen? Zou zij tot in de nabijheid der samenzweerders afdalen? Hevig klopte haar hart, want de vrees, dat men haar ontdekken en wellicht van het leven berooven zou, woog zeer zwaar bij haar. Eenige oogenblikken stond zij stil en dacht na wat zij doen zou, maar ook slechts eenige oogenblikken, want twee minuten later stond zij reeds in de kast, tastte langs alle reten en kieren of zij ook den verborgen ingang kon vinden, en wilde--ontmoedigd--reeds het zoeken opgeven, toen zij met haar voet tegen een klein, hard voorwerp stiet. Zij bukte zich, om dit te bevoelen, en ontdekte, dat het de knop eener veer was. Op dezen drukte zij met de volle kracht harer hand en langzaam rees de deur opwaarts, en stroomde haar de koele, vochtige nachtlucht uit de gang tegen, te gelijk met een huivering, die haar plotseling overviel. Doch zij mocht zich geen tijd gunnen tot overleggen, en eenigszins haastig, maar toch met bedachtzamen tred betrad zij de donkere gang, aan welker einde zich de steenen trap bevond. Nauwelijks had zij deze bereikt, of de stemmen, die zij straks had meenen te hooren, werden nu duidelijk verstaanbaar, en niet verder durvende gaan, zette zij zich op een der treden neder en luisterde thans met scherpe aandacht, wat zij des te gemakkelijker kon doen, daar zij in dezen haren schuilhoek door niemand kon gezien of gehoord worden. Ook zijzelf zag niemand, en het eenige, wat zij waarnam, was het zwakke licht van een paar kaarsen, welker schijnsel door eenige spleten en scheuren tot haar doordrong.
Gedurende eenige minuten vernam zij niets dan eenig gemompel, doch straks hoorde zij een stem, die zeide:
"Is heer Bruyn Woutersz. nog niet gekomen?"
"Neen," was het antwoord.
"Ik ken die stemmen," fluisterde Jennike. "De vrager is Jan Gerardijn, de proost onzer kerk. Die Judas! Onder zijn heilig gewaad verbergt hij het verraad tegen zijn weldoener. Maar God zal hem te zijner tijd wel vinden! De andere stem is die van Arend Van Goor."
"En is Heer Walraven Van Brederode verwittigd, dat wij te zeven uren hier zouden bijeenkomen?" vroeg Jan Gerardijn.
"Ja, eerwaarde heer," antwoordde Arend Van Goor. "Maar het is mogelijk, dat hij eenig oponthoud heeft gehad en een weinig later zal komen, daar hij zijn weg herwaarts over Utrecht wilde nemen, ten einde nog met den bisschop eenige zaken nader te overleggen."
"Als hij ons dan maar niet tevergeefs laat wachten want op zijn verzoek zijn wij immers hier saamgekomen, en zou hij ons de noodige bescheiden van Graaf Willem--de heilige Maagd behoede onzen vorst!--medebrengen. Gij begrijpt dus wel, dat wij van onzen kant wel te huis hadden kunnen blijven, als wij zeker wisten, dat hij oponthoud gekregen heeft."
"Heer Walraven is anders voortvarend genoeg," zeide een andere stem.
"Dat is de stem van Gerrit Herlaar," fluisterde Jennike. "Ik herken hem aan zijn grove spraak."
"En niet alleen voortvarend," zeide Van Goor, "maar ook ijverig. Wat hij onderneemt zet hij met alle kracht door, en ik zou mij zeer moeten bedriegen, als wij hem niet binnen weinige oogenblikken in ons midden zagen."
"Het beste is, dat wij dan maar met geduld wachten. Weet ook iemand uwer, hoe het hierboven gesteld is en of de ingang van dezen kelder goed bewaakt wordt?"
"O, daarop kan ik u het beste antwoord geven," sprak een stem, die door Jennike als van Rutger Van der Haar, een der schepenen, herkend werd. "Zooals Uw Eerwaarde bekend is, heb ik dezen kelder in gebruik als bergplaats van koopmansgoederen, en mijn knecht Dirk, die zoo trouw is als goud, staat aan den ingang en laat niemand door, die het wachtwoord niet weet. Hij heeft van mij den last ontvangen, ons door een schel gefluit kennis te geven van naderend gevaar, daar wij toch op onze hoede moeten wezen. Mocht dat gevaar waarlijk bestaan, welnu dan nog geen nood. Wij blazen eenvoudig de lichten uit en vluchten. Ook moet ergens een trap uitkomen, die--ik weet niet waar--heen geleidt."
Jennike's hart klopte hevig bij het hooren dezer woorden.
"Ik bemerk, dat gij uw voorzorgen goed genomen hebt," zeide de proost, "maar mijn vraag: hoe het hierboven gesteld is, hebt gij nog niet beantwoord."
"Ook daaromtrent kan ik u geruststellen, eerwaarde Heer," hernam Rutger Van der Haar. "Mijn beide medeschepenen Jacob Roelofsz. en Boudewijn De Ledige houden den ouden edelman gezelschap, en om hem nog meer afleiding te bezorgen, en vooral om de meid--die looze feeks--uit het huis te krijgen, zullen zij Quannevan overhalen haar naar buiten te zenden tot Willem Pekeric den steenbakker. Ha! ha! ha! Het zal haar op dien duisteren weg niet invallen, dat wij haar die poets gebakken hebben.... Maar daar komt iemand."
"Het is Heer Walraven Van Brederode!" zeide Jan Gerardijn, naar voren gaande en den binnenkomende de hand reikende. "Welkom, Heer! Ik moet zeggen, gij zijt een man, die uw tijd kent."