Jonker Willem van Arkel

Part 6

Chapter 63,967 wordsPublic domain

Zijn woorden werden afgebroken door de komst van andere mannen, die allen, vier aan vier, een schuitje droegen, en Jonker Willem, tevreden, dat de maatregelen tot dusver zoo gelukkig geslaagd waren, drukte met vuur de hand van Otto Van Heukelom, den bevelhebber der Geldersche benden, die met het laatste schuitje was aangekomen.

Thans vormden deze hoofden een soort van krijgsraad, om nog eens zoo spoedig mogelijk, daar er geen tijd mocht verloren gaan, wilde hen de dag niet overvallen, het punt van aanval te bespreken, en toen dit vastgesteld was, werden in alle stilte de mannen uitgekozen, die bestemd waren, het eerst met de schuitjes naar den overkant der gracht te varen.

Intusschen hielden eenige krijgsknechten op het buitenste bolwerk tusschen de oude Kanse- en Arkelpoorten de wacht. Het was waarlijk geen aangenaam verblijf daar in de open lucht, blootgesteld als zij waren aan den onophoudelijken regen en de woeste rukwinden. Zij liepen heen en weder en trachtten zich nu en dan onder een vooruitspringend gedeelte van den muur te beschutten, maar ook daar bereikte hun de wind en de regen.

FIGURE ------

"Ik zou zeggen," zei een hunner, "dat wij hier een onaangename standplaats hebben. Mij dunkt, het is ginds in den toren veel beter."

"Dat is het ook," sprak een ander. "Daar is vuur, licht en bovenal bier, warm bier, dat ik zeer gaarne zou lusten, want ik ben tot in mijn nieren koud en daarbij dorstig."

"Ik zou ook niet weten," hernam de eerste, "welk verschil er bestaat tusschen ons zijn hier en het zitten ginds? Geen muis verroert zich op het veld, en Jonker Willem Van Arkel of zijn vader liggen misschien zoo lang als zij zijn in de veeren en droomen van hun verblijf op den ouden burcht."

"Dien zij toch nooit zullen krijgen," viel hier een derde in, "al ware het ook, dat hun de lust bekroop, deze stad te overvallen. Daar moeten zij vroeg voor opstaan, want ik verzeker u, dat ik ze ongemakkelijk zou onthalen, als zij het waagden, hier te komen."

"Ja, gij zijt een held, Dirk," zeide de eerste op spottenden toon, "dat weten wij wel, vooral als gij op een bos stroo ligt te slapen."

"Zeg dat niet!" riep Dirk, terwijl hij zijn piek tegen den arm liet rusten en zich de natte handen wreef, om warm te worden, "heb ik niet nog onlangs.... maar stil! Zie ik daar ginds niet wat? Schuift daar niet iets zwarts over den grond?"

De overige mannen namen niet eens de moeite, om te zien, en lachten den vrager uit.

"Het zal de schaduw zijn van den man, dien gij verleden te Woudrichem een piek door het hart hebt gestoken...."

"Toen die man al dood was!" spotte een derde. "Ja, ja, onze Dirk is een held!"

"Maar held of geen held, wie gaat er met mij mede naar den toren? Daar is de stadswacht bijeen. Hier is het niet, om uit te houden, en ik ben verzekerd, dat die mannen ons met vreugde zullen ontvangen. Zij zullen denken: hoe meer zielen hoe meer vreugd. En Dirk kan hun van zijn heldendaden iets vertellen. Wie gaat mede?"

Hij behoefde niet lang te vragen. "Bij dit hondenweer denkt niemand er aan, de stad te verrassen, en nu wij Dirk bij ons hebben, kunnen wij meer dan gerust zijn," was het algemeen gezegde. Allen begaven zich naar den toren [15], en zooals zij het gedacht hadden kwam het uit: zij werden met gejuich ontvangen, en zij, die meenden, dat het toch gevaarlijk en onbedachtzaam was, den buitenpost onbewaakt te laten, werden voor lafhartigen en bevreesden uitgekreten. De krijgsknechten stookten het vuur goed op, zorgden voor een verkwikkenden drank en vlijden zich rondom het vuur neder, hopende, dat de dag spoedig zou aanbreken en zij afgelost zouden worden.

Eensklaps begint een hond, die bij de stadswacht behoorde, te knorren en te blaffen.

"Wat zou dat wezen?" vroeg Dirk, die opgesprongen was.

"Hij zal een snoek hooren, die in de stadsgracht rondspringt," was het antwoord.

"Maar het kon ook wel iets anders wezen," vervolgde Dirk, "als het eens...."

"Houd u maar stil," zeide een der stadswachters, "ik zal het luikje openzetten en naar buiten zien."

Doch nauwelijks had hij dit gedaan, of hij wijkt achteruit, en zoozeer had de schrik hem bevangen, dat hij niet in staat was, een woord te uiten. Dit was echter bij de overigen niet onopgemerkt gebleven. Zij staan allen op, zien uit het luikje--.... en onder den uitroep: "Wij zijn verraden! De vijand! De vijand!" stortten zij zich naar buiten, om den vijand tegen te houden. Dirk echter verschool zich onder een bos stroo.

Maar het was te laat. Met de grootste behoedzaamheid en met inachtneming van alle stilte hadden de Arkelsche mannen en de Gelderschen de schuitjes, bevracht met krijgslieden en ladders, te water gelaten, waren de gracht overgekomen, en de gebroeders Van de Werve, met Jacob Luytgensz, den boer, wien de bovengemelde hoeve behoorde, waren de eersten, die, gevolgd door een trompetter, Jonker Willem Van Arkel, Splinter en de anderen, den muur beklommen. Tegen zulk een overmacht was nòch stadswacht nòch buitenpost bestand. Zij wierpen de pieken weg, en onder het geschreeuw "Van Arkel! Van Arkel!" vluchtten zij naar de Kanzepoort, waar een afdeeling Hollandsche soldaten lag.

De toren werd aanstonds genoegzaam bezet, en de arme Dirk, die hier veilig meende te wezen, krijgsgevangen gemaakt.

"Blaas--blaas victorie, trompetter!" riep Quannevan uit, die niet achtergebleven was. "Die oproermakers daarbinnen moeten het hooren, dat wij er zijn!"

En eer Splinter, die bedachtzamer was dan Jonker Willem en de driftige edelman, het verhinderen kon, blies de trompetter victorie, zoodat de tonen wijd en zijd langs bolwerk en wallen weerklonken. Gelukkig had het geen ongunstige uitwerking. Integendeel, de Gelderschen, van wie nog een gedeelte aan den overkant stond, kregen meer moed en haastten zich met de terugkeerende schuitjes over te komen, terwijl de bezetting, in de verbeelding dat de Van Arkels zeer talrijk waren, van schrik niet wist of zij vluchten dan wel zich verdedigen moest. Jonker Willem en Splinter voeren thans hun manschappen naar de Kanzepoort, terwijl Otto Van Heukelom bij den toren blijft, en zóó snel was de overrompeling geschied, dat zij weldra meester waren van de buitenpoort.

Inmiddels begon de dag aan te breken en geraakte de bezetting, opgewekt door het geschreeuw en het rumoer van de naderende benden, op de been. Jonker Willem meende nu geen oogenblik te moeten verliezen en besloot stoutmoedig de krijgsknechten van den Hollandschen graaf tegen te trekken, voordat deze den tijd hadden, zich geregeld te verzamelen. Quannevan, Simon, de gebroeders Van de Werve en verscheidene krijgsknechten, die de vluchtelingen achtervolgd hadden, braken de poort met bijlslagen open, en voordat het morgenrood de spits van den kerktoren bestraalde, mocht Jonker Willem de eerste schreden in zijn vaderstad zetten. Thans ging het met vroolijk trompetgeschal voorwaarts; de Arkelsche mannen en Gelderschen, aangevuurd door hun jeugdige bevelhebbers, rukten juichend de stad binnen, terwijl van alle kanten de stadswakers en de krijgsknechten van den graaf de vlucht namen. In de Kruisstraat evenwel kwam het tot een stilstand. Van Goor had in allerijl de bezetting bijeengeroepen en was besloten Jonker Willem den voortgang te betwisten, doch Quannevan, die vuur en vlam was van woede op de oproermakers, stortte zich met het zwaard in de vuist vooruit, en geholpen door tien--twaalf dappere mannen, deed hij de bende uiteenstuiven als kaf voor den wind.

"Blaas! Blaas,--blaas, victorie!" riep hij den trompetter toe, die wederom de trompet aan den mond zette en met al de kracht zijner longen de overwinning verkondigde.

Gorcum was in de macht van Jonker Willem Van Arkel. De vijand was buiten de stad gevlucht, om de treurige tijding aan den graaf van Holland te gaan verkondigen; anderen hadden zich naar den burcht gewend, om niet alleen daar een toevlucht te zoeken, maar ook de bezetting te versterken, wel voorziende, dat Jonker Willem straks met zijn Arkelsche mannen de vaderlijke bezitting zou trachten te heroveren.

Dit was ook inderdaad het plan van den jonker, maar zijn krachten schoten vooralsnog te kort; eerst moest hij zich overtuigen, dat het grootste deel der burgerij en inwoners op zijn zijde was, en als dan Hertog Reinout of zijn vader Jan Van Arkel hem een nieuwen toevoer van krijgsknechten zond, wilde hij een aanval op den burcht ondernemen. Wat het eerste betreft, spoedig smaakte hij de voldoening, dat hij meer aanhangers en vrienden in de stad had dan hij wist, en inderdaad, de Gorcummers waren in lang niet tevreden, dat hun stad door verraad in de macht van Graaf Willem VI gekomen was. Zoodra Jonker Willem zijn trompetter en eenige soldaten in de straten uitzond met den uitroep: "Wie zich onder de banier van Van Arkel schaart, dien zal niets misdaan worden!" [16], stroomden van alle kanten de inwoners uit de huizen, juichten den moedigen overwinnaar toe en vervulden de lucht met hun gejubel. Alle mutsen vlogen omhoog en de kreet galmde wijd en zijd: "Leve onze nieuwe landsheer!" Al juichende trok het volk voorwaarts en verlangde, dat de jonker zijn intrek op het stadhuis zou nemen, maar hiertegen verzette zich Quannevan, die zich de eer niet wilde laten ontnemen den zoon zijns weldoeners in zijn huis te ontvangen.

Jonker Willem, vergezeld van zijn bevelhebbers en voorafgegaan door Quannevan, begaf zich thans naar de Krijtstraat, en mijn lezer gist reeds, dat Jennike zich boven op het steenen bordes bevond, om den jeugdigen veroveraar toe te juichen, die, van Quannevan vernomen hebbende, welk een levendig aandeel de zuster zijns zoogbroeders in zijn lot genomen had, de hand der getrouwe dienstmaagd hartelijk drukte.

"Sta mij toe, edele heer," zeide zij, "dat ik u, voordat gij met mijn heer een beker wijn drinkt op het welslagen uwer onderneming en God dankt voor de overwinning, die Hij u geschonken heeft,--sta mij toe, dat ik u vooraf drie der ergste en valschte vijanden van u en heer Quannevan toon."

"Kom, kom!" riep Quannevan uit, "wij hebben nu geen vertooning meer noodig. De edele jonker is moede en verlangt naar rust. Luister niet naar haar, edele heer, want als gij dat doet, zijt gij verloren. Zij geeft nooit iets op en zet haar plannen met een hardnekkigheid door, die mij soms razend gemaakt heeft. Als ik er nog aan denk, dan...."

Hij balde in zijn drift de vuist, meenende, dat hij zijn karwats in de hand had.

"Maar haar aanbod is toch welgemeend, Heer Quannevan," zeide Jonker Willem glimlachend. "Ik wil wel eens mijn ergste vijanden zien--vooral als overwinnaar!"

"Ik niet," riep Quannevan uit. "Als ik mijn ergste vijanden in mijn macht heb, laat ik ze, zonder dat ik ze zie, ophangen. Men moet korte metten maken met oproermakers!"

"De schoonste taak van een overwinnaar is te vergeven," zeide Jonker Willem.... "Kom, toon mij eens mijn ergste vijanden en die van uw heer. Misschien kan ik ze tot mijn vrienden maken."

"Nieuwerwetsche grillen!" bromde Quannevan, "in mijn goeden ouden tijd ging het beter. Toen liet men het vergeven aan de priesters over en hing de booswichten op."

Jonker Willem, vergezeld van Splinter, eenige krijgsknechten en den trompetter, volgde Jennike, die hem door allerlei vertrekken naar de kamer bracht, waar de kast was met de verborgen deur. Hier gaf zij Aart een wenk, die een paar fakkels ontstak, waarop zij allen door de geheime gang de trappen afdaalden naar het gewelf.

Toen zij dit bereikt hadden, bleef Jennike een oogenblik stilstaan en zeide:

"Dezen morgen vroeg, terwijl mijn hart vroolijk klopte, toen ik de juichtonen van het trompetgeschal vernam en mij naar het bordes begaf, in de hoop u spoedig te zien, zag ik drie mannen in allerijl herwaarts vluchten. Zoodra zij mij gewaarwerden, vlogen zij de trappen op en smeekten mij, ter wille van de trouw en liefde, die ik mijn heer toedroeg, hen te verbergen. Ik wilde hun dit eerst weigeren, toen eensklaps zich een betere gedachte van mij meester maakte. Ik kende u, edele heer, ik wist, dat een edelmoedig hart in uw boezem klopt, en daar straks mocht ik daarvan weder een nieuw bewijs hooren. Welnu, die drie mannen zijn de grootste vijanden van u en Heer Quannevan. Zij hebben mijn heer vriendschap gehuicheld en samenspanningen tegen u gesmeed. Thans zijn zij in uw beider macht. Daar zijn zij! Doe met hen gelijk gij meent, dat een Christen doen moet."

Bij deze woorden schoof zij een grendel weg, trok de deur op en een koele, vochtige lucht woei hun tegen. Wat zagen zij bij het walmende fakkellicht?

Daar lag Jan Gerardijn, de proost en deken der kerk, op zijn knieën, met gevouwen handen, terwijl de beide schepenen, Roelofsz en Boudewijn De Ledige, bijna dood van schrik en angst op den grond uitgestrekt lagen.

"Vergiffenis--vergiffenis!" stamelde de proost.

"Die zij u geschonken!" riep Jonker Willem, "onder voorwaarde, dat gij die ook van God begeert en dat gij u voortaan, niet meer bemoeit met dingen, die uw heilige bediening niet aangaan. Heer Quannevan, sta toe, dat ik dezen man eerst eenige verkwikking doe toedienen, voordat hij van hier gaat!"

"Nieuwerwetsche grillen! nieuwerwetsche grillen!" pruttelde Quannevan. "Had ik slechts mijn karwats! Dan zou ik het wel weten!"

Hij durfde zich evenwel niet tegen het verzoek verzetten en beval Aart, den proost naar binnen te geleiden en hem een beker wijn in te schenken, waaraan deze ook voldeed.

De beide schepenen, wier ooren niet gesloten waren, hadden eensklaps door dit goede voorbeeld moed gekregen; zij stonden op en riepen ook de lankmoedigheid van Jonker Van Arkel in.

"Wij hebben dwaselijk gehandeld, edele heer!" zeide Roelofsz. "Dat zien wij thans duidelijk in."

"Ja, dat zien wij thans duidelijk in," stamelde Boudewijn De Ledige.

"Hadden wij geweten, dat gij zulk een edelmoedig heer waart, wij zouden ons nimmer tot zulke booze daden geleend hebben. Maar wij hopen, dat gij het ons vergeven zult."

"Wij hopen, dat gij het ons vergeven zult," herhaalde zijn echo.

"Kerels!" riep Quannevan uit, die meende ook een woordje te moeten meespreken en beefde van drift, "kerels! hoe is het mogelijk, dat gij tot zulke goddelooze dingen in staat zijt geweest!"

"Dat kan ik u wel verklaren, Heer Quannevan," zeide Jonker Splinter, die den driftigen edelman zachtjes op den schouder sloeg: "ons hart is geen bron van rein water; daaruit komen alle ongerechtigheden en wandaden te voorschijn, en hoe meer zich de mensch van God en Zijn dienst vervreemdt en den toegang voor hemelsche invloeden afsluit, des te sterker treden deze boosheden naar buiten!"

"Dan ware het maar het beste, dat men die kerels, die zulke booze harten hebben, hoe eer hoe beter uit de wereld hielp!" riep Quannevan.

"En dan?" vroeg Splinter kalm.

"En dan? Ja, dat moge de Heilige Maagd weten wat zij met die kerels doen wil. Wij zijn ze kwijt--en daarmede basta!"

"Dat mag ons niet genoeg zijn, Heer Quannevan!" zeide Splinter. "Die menschen toch hebben schuld beleden en onze vergiffenis ingeroepen, en wij mogen niet minder doen dan God, die--ik herhaal wat ik vroeger tot Jonker Willem zeide--mildelijk geeft en niet verwijt. Ik ondersteun dus hun verzoek en hoop, dat de jonker hen ontslaan zal."

"Altemaal nieuwmodische instellingen!" pruttelde Quannevan. "Ophangen is maar de baas!"

"Gij erkent slecht gehandeld te hebben?" riep Jonker Willem den beiden schepenen toe.

"Ja,--ja!" antwoordde Roelofsz.

"Ja,--ja!" galmde zijn echo.

"Welnu, dan voort van hier! Gaat naar het stadhuis en verkondigt daar aan allen, die het hooren willen, dat Jonker Willem Van Arkel de verovering zijner stad niet wil vieren met het plengen van bloed, maar met het bewijzen van liefde en vergevensgezindheid!"

Dit zeggende, verwijderde hij zich, terwijl Jennike, blijde als zij was, naar de kelderdeur onder het bordes liep, deze wijd openzette en de beide schepenen naar buiten geleidde.

BESLUIT.

De taak, die ik op mij genomen had, om u een episode uit de Arkelsche oorlogen tijdens de regeering van Graaf Willem VI te schetsen, is ten einde. Doch daar ik vermoed, dat gij nog wel het een en ander aangaande de beide Van Arkels wilt weten, zal ik u in korte trekken den verderen loop hunner geschiedenis mededeelen.

Het spreekt vanzelf, dat de Hollandsche graaf, onmiddellijk na de tijding van Gorcums verrassing, zijn krijgsknechten bevel gaf, naar de stad op te rukken, terwijl Jonker Willem het beleg sloeg voor den burcht, welks bezetting zich moedig verdedigde en bestand bleef zelfs tegen het geschut, dat de jonker er op liet richten. Hertog Reinout, die zijn neef wilde te hulp komen, zonder nog in openbaren oorlog met den Hollandschen graaf te treden, zond een bende Gelderschen naar Gorcum, die slechts het doel had, de stad van mondbehoeften en verdedigingsmiddelen te voorzien. Dit nam evenwel niet weg, dat de Gelderschen en Hollanders, die toch reeds verbitterd op elkander waren, dikwijls handgemeen geraakten, en dat de laatsten allerwegen in den Tieler- en Bommelerwaard het land afliepen, terwijl de eersten Woudrichem bestookten. Maar tot een eigenlijken oorlog kwam het niet, al had ook Reinout den graaf van Holland uitgedaagd. De staatkunde van vele vorsten is weinig betrouwbaar, en niet onmogelijk is het, dat Reinout en Graaf Willem in het geheim een verbond hebben gesloten, om, onder den schijn van tegen elkander te strijden, Jan Van Arkel van zijn heerlijkheid te berooven en deze in handen van den graaf te brengen. Althans er werd spoedig vrede gemaakt tusschen beide vorsten. Of evenwel Jonker Willem lang in het bezit van Gorcum is gebleven, is niet recht duidelijk. De burcht bleef intusschen door de Hollanders bezet, en af en toe veranderde Gorcum van heer, daar onder anderen Jan Van Arkel in het begin van 1409 aan zijn zwager het beheer zijner heerlijkheid opdroeg. De beide heeren Van Arkel intusschen konden hun wrok tegen den Hollandschen graaf niet overwinnen, en gedurig vielen zij met gewapende benden in het Sticht en Holland, en daar Reinout hieraan niet vreemd was, ontbrandde de krijg tusschen Gelderland en Holland weder, die daarmede eindigde, dat Graaf Willem 24 Juli 1412 te Gorcum als heer gehuldigd werd, en de eerste daad, die de nieuwe heer volbracht, was, dat hij het aloude slot Arkel tot den grond liet slechten en aan de Merwede een sterkte deed opwerpen, die de stad voortaan in bedwang zou houden. Wat Jan Van Arkel betreft, deze werd later gevangengenomen, op de poort van het hof in Den Haag gezet, vervolgens naar Gouda gevoerd, waar hij tot 1427 bleef en te Leerdam, 25 Juli 1428, in den ouderdom van 65 jaren overleed. Voorwaar, deze man, de rijkste edelman van die dagen, mocht wel met den aartsvader Jacob uitroepen: "weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest."

Jonker Willem Van Arkel mocht zijn vader niet lang overleven. Onder de regeering van Jacoba Van Beieren, de dochter van Graaf Willem VI, hadden zich Willem Van Arkel en zijn zwager Jan Van Egmond van Gorcum meester gemaakt, waarop de jeugdige gravin met een groot leger, onder bevel van Walraven Van Brederode, naar die stad trok en deze na een hevige bestorming innam. Doch thans ontstond er een woedende strijd binnen de straten; de Van Arkels verdedigden iederen hoek en elk huis, en zelden is er zooveel edel bloed binnen Gorcum gevloten als op den 1sten December 1417. Walraven Van Brederode sneuvelde, en helaas, ook Jonker Willem Van Arkel, die aan de zijde van zijn vriend, Jonker Spijker Van Nieuwenroode den dood vond in die zelfde straat en bij hetzelfde huis, waar hij eenige jaren geleden zoovele bewijzen van een zachte inborst gegeven had. Men zegt, dat Gravin Jacoba, toen zij den dood van Jonker Willem vernam, in tranen uitbarstte en uitriep: "Ik heb niet gewonnen, maar verloren," en de kroniekschrijver Kemp voegt er bij, "dat zij gehoopt had hem gevangen te maken en dan met de vrijheid hem tevens haar hand te schenken." Jacoba vertoefde zoolang te Gorcum, tot zijn lijk plechtstatig in de kerk was bijgezet. Zijn asch rust in de tombe der heeren Van Arkel "op ons Lieve Vrouwen Koor," en hij werd--zooals Van Zomeren het uitdrukt--met zijn zestien kwartieren begraven, die hij met name noemt.

Ter nagedachtenis aan dezen strijd en het sneuvelen van Jonker Willem Van Arkel werd in de Krijtstraat (Rivetsteeg) een langwerpige, witte arduinsteen in den gevel van een der huizen geplaatst, met dit opschrift:

Doe men schreef den 1 December M CCCC XVI, en een. Doen bleef den Edelen Hooggeboren Willem Van Arkel voor deze steen.

AANTEEKENINGEN

[1] Van Zomeren, in zijn beschrijvinge van Gorcum zegt, dat dit huis later de Gevangenpoort en het cipiershuis is geweest. Bladz. 309.

[2] Walraven Van Brederode was de zeventiende heer van Brederode, en bekleedde weleer het stadhouderschap over Holland. Hij werd de eerste Edele en graaf van Gennep genoemd. Als bloedverwant der laatste graven uit het Hollandsche huis droeg hij de volle wapenen van stam in zijn banier. Reeds onder den vader van Willem VI had hij zich door dapperheid onderscheiden, maar werd vier jaren vóór den aanvang van ons verhaal, in 1402, tijdens den eersten oorlog tusschen den graaf van Holland en Jan Van Arkel bij de belegering van Gorcum door een uitval der Arkelschen gevangengenomen en binnen de stad opgesloten. Eerst sedert kort was het Hertog Reinoud van Gelderland gelukt, hem door zijn voorspraak bij Jan Van Arkel te ontslaan, en kreeg Walraven verlof, van tijd tot tijd de stad te verlaten, een vrijheid, waarvan hij, gelijk wij zien zullen, ten nadeele van Jan Van Arkel gebruik maakte.

[3] Het jaar te voren (1405) hadden de Hollanders, in vereeniging met de Stichtsche legerbenden, den burg Everstein, de stede Gasparne en het slot Hagestein, die aan Jan Van Arkel toebehoorden, door hongersnood en geweld van wapenen tot de overgave gedwongen. Hagestein met het omliggende land kwam toen aan Utrecht.

[4] Kabeljauwschgezinden. Mijn lezers weten, dat sedert de regeering van Willem V (oom van den thans regeerenden graaf) de onzalige twisten der Hoekschen en Kabeljauwschen een aanvang hebben genomen. Ik veronderstel, dat zij met den oorsprong dezer partijen bekend zijn, die eigenlijk slechts een leus was, welke naar omstandigheden veranderde, zoodat soms steden en edelen, die het eene jaar Hoekschgezind waren, het volgende jaar tot de partij der Kabeljauwschen overgingen. Deze partijen bestaan, meen ik, nog altijd, schoon onder een anderen naam, en ik houd het er voor, dat de Kabeljauwschen tot de liberale richting behoorden en de Hoekschen meer conservatief waren.

[5] Pirlepont lag in het hertogdom Bar, een erfdeel van zijn moeder, die hij, helaas, schandelijk bejegend heeft.

[6] Hij bekleedde deze waardigheid sinds 1389. Zie Arend, Alg. Gesch. des Vad. II. 2. Bladz. 302.

[7] Zie Van Wijn, Naleezing op de Vaderl. Hist. bladz. 194-196.

[8] Deze Jan Van Egmond was gehuwd met de dochter van Jan Van Arkel, Maria, die in 1415 stierf, nalatende twee zoons, Arend en Willem Van Egmond. Arend werd later hertog van Gelre.

[9] Jonker Willem zinspeelt hier op het Arkelsche wapen: twee roode balken op een zilveren veld. Vroeger voerden de Van Arkels in hun wapen twee ronde torens met een blauw dak op een gouden veld.

[10] Eenige kroniekschrijvers deelen de zaak eenigszins anders mede. Zij doen het voorkomen, dat de dienstmaagd van Quannevan onmiddellijk aan Jan Van Arkel van de samenzwering had kennisgegeven, die daarop daags daarna, uit de kerk komende, zijn zoon te gemoet treedt en hem op vaderlijken, teederen toon zijn gedrag verwijt, waardoor Jonker Willem zóó getroffen zou geworden zijn, dat hij aan zijns vaders voeten nederzonk. Jan Van Arkel zou vervolgens zijn zoon bij de hand genomen en ter kerk geleid hebben, waarop de samenzweerders zich uit de voeten gemaakt hebben. Ik houd het er voor, dat zoo iets wel gebeurd kan zijn, maar niet bij gelegenheid van de samenzwering ten huize van Quannevan. Immers Jan Van Arkel bevond zich toen te Arnhem en niet te Gorcum. Hij kan dus onmogelijk den dag na het verraad met zijn zoon naar de kerk gegaan zijn.