Jongens van Oudt-Holland

Part 6

Chapter 64,178 wordsPublic domain

Het zoeken van de wormen, bij het licht van eene lantaren, had Jacob wel een aardig werkje gevonden, maar het maken van den poer vond hij meer dan vies. Alle wormen werden aan een langen sajetdraad geregen en tot bundels vereenigd. Om elken bundel kwam een dun, maar sterk touwtje, waarvan het andere einde aan een korten stok werd bevestigd. Daarmede waren de poeren gereed, en Jacob keerde naar zijn huis terug, erg ongerust, dat hij zich verslapen zou. Want hij moest om half vier opstaan, daar Kist gezegd had, dat hij niet op hem wachtte, indien hij later dan vier uur aan de boot was.

Jacob werd dien nacht wel twintig keer wakker, en na twee uur deed hij geen oog meer dicht, om zeker te zijn, dat hij zich niet verslapen zou.

De klok van half vier was nog niet koud, toen hij reeds bezig was zich te kleeden. Haastig at hij eene boterham, of een stuk, zooals zij toen zeiden, en zonder leven te maken begaf hij zich naar de boot van Kist, die hij zeer goed wist te liggen. Ary had hem beloofd, zijn poer voor hem mede te zullen nemen.

't Was nog schemerig, want de zon was nog niet op. Toen Jacob bij de boot kwam, trof hij daar Ary en diens vader reeds aan. Zij hadden een kleine tobbe medegebracht, welke zij in de boot zetten.

Na een korten groet namen zij plaats en staken van wal. Kist roeide de Voorzaan langzaam af, en keek uit naar eene geschikte plek, om de poeren uit te werpen. Deze was spoedig gevonden, aan den kant van den Hoogendijk. De boot werd vastgelegd, de tobbe overboord gezet en met een touwtje aan het middelbankje verbonden, en de poeren daalden in het water neder. Langzaam bewoog het drietal visschers ze op en neder, gereed om op te halen, zoodra zij er eenige zwaarte aan mochten voelen.

Maar de palingen lieten op zich wachten, en Jacob werd huiverig van de koude morgenlucht.

"'t Is frisch genoeg op het water," zei hij huiverend.

"Ja, 't is koud," zei Kist.

"Je broer Jan zal het vrij wat kouder hebben," merkte Ary op. "In de Noordelijke IJszee tusschen de torenhooge ijsbergen zal hij het wel laten, om in den vroegen morgen te gaan poeren."

"Dat denk ik ook wel," lachte Jacob.

"Ja, jongens, 't zal daar erg koud zijn. Wie nooit in die streken geweest is, kan er eigenlijk geen flauw denkbeeld van krijgen, wat zoo'n koude zeggen wil. Dat heb ik in Rusland ondervonden. Daar is het 's winters ook niet pluis. Vooral niet in Archangel, waar ik ook nog eenigen tijd heb gewerkt."

"Ik geloof het graag," zei Jacob. "Is het waar, buurman, dat die Russen nog zoo onbeschaafd en ruw zijn, als men wel zegt! En gelooft u werkelijk, dat de Czaar van dat groote rijk dikwijls als gewoon timmerman met hamer en beitel aan het werk is? Ik geloof er geen woord van."

"Toch is het zoo," zei Kist. "De Russen zijn vreeselijk ruw en onwetend. Denk je bij voorbeeld, dat zij eenig begrip hebben van eene roeiboot, om maar iets te noemen? 't Lijkt er niet naar. Zij varen op vlotten of uitgeholde blokken hout, en van zeilen of varen hebben zij evenveel verstand als een walvisch van vioolspel. 't Is een dom volk, dat eigenlijk nog van weinig afweet. Vechten kunnen ze, en opstaan tegen hun Czaar, daar hebben ze ook slag van, maar overigens wonen er rijke edelen en grondeigenaars, die niets uitvoeren, en slaven en lijfeigenen, die hard moeten werken en als beesten behandeld worden. 't Is een raar en een naar land, al moet ik toegeven, dat ik zelf het er heel goed heb gehad."

"Maar hoe komt dat Russische volk dan zoo dom, vader?" vroeg Ary, die met groote belangstelling geluisterd had.

"Och, zij kijken niet verder, dan hun neus lang is, en hebben er geen flauw begrip van, dat de menschen in andere landen hen zooveel vooruit zijn. Trouwens, hoe zouden zij dat ook kunnen weten? Het is hun verboden het land te verlaten, en zelfs de Czaar is voor zijn volk onzichtbaar. Hij moet altoos in zijn paleis blijven, en het wordt voor een onderdaan of een vreemden gezant als een verbazend groote eer beschouwd, indien hij het gelaat van den Czaar mag zien..."

"O, dus het is toch niet waar, dat de Czaar van Rusland dikwijls als een gewoon timmerman aan het werk is, en met de scheepstimmerlieden als hunsgelijke omgaat?" viel Jacob in.

"Ja, dat is toch wèl zoo," was het antwoord van Kist. "De vader van den tegenwoordigen Czaar, en zijn grootvader ook, hebben ingezien, dat het met de beschaving van het Russische volk treurig gesteld was, en lieten daarom bekwame handwerkslieden uit andere landen komen, om de Russen in allerlei nuttige zaken te onderrichten. Zoo komt het ook, dat er zoovele Saardammers naar Rusland getrokken zijn, waar zij met eer behandeld worden en goed geld verdienen. Ook Italianen zijn er, en Engelschen, en Zwitsers, en Franschen. Maar de Russen zelf haten alle vreemdelingen, en zouden niets liever willen, dan hen een kop kleiner te maken. Want om een menschenleven geven zij al bitter weinig. Voor een flesch brandewijn doen sommigen van hen een moord...."

"Een mooi volkje!" zei Ary.

"Het zal echter wel beter worden. Wat Czaar Alexeï begonnen is, wordt door zijn zoon met kracht voortgezet. Czaar Peter is iemand, die weet, wat hij wil, en voor geen klein geruchtje vervaard is. Het is zijn heilig voornemen, het Russische volk tegen wil en dank de Europeesche beschaving deelachtig te maken, en zelf geeft hij het voorbeeld, door met hamer en beitel op de scheepstimmerwerven te arbeiden. Ik heb hem zelf dikwijls gezien, en met hem gesproken ook wel. Hij kent mij zeer goed."

"Hoe oud is Czaar Peter?" vroeg Jacob nieuwsgierig. "Ha, daar voel ik den eersten paling!" riep hij uit, en werkelijk gelukte het hem, het beest in het tobbetje te doen vallen. Het was met zijne kleine tandjes aan den sajetdraad blijven hangen. Spoedig werden er nu meer palingen gevangen, maar de jongens hielden toch niet op met vragen, en Kist vond het wel aardig, van zijn verblijf in Rusland te vertellen.

"Hoe oud de Czaar is?" vroeg hij. "Wel, hij is van het jaar 72, dus moet hij nu 25 jaar oud zijn. 't Is een forsche, sterke man, met wien niet te spotten valt. En bang is hij ook niet. Eens werd hem verteld, dat een groot aantal Russen in een huis vergaderd waren, met het plan, hem dien nacht te vermoorden. Zij waren voornemens een huis in brand te steken, omdat ze wel wisten, dat de Czaar gewoon was, bij het blusschingswerk zelf mede te helpen. In de verwarring zouden zij hem dan dooden. 't Waren mannen, die het in Czaar Peter afkeurden, dat hij zooveel nieuwigheden in zijn land invoerde. Zij wilden liever alles bij het oude laten. 't Was 's avonds om tien uur, dat de Czaar het hoorde, en nadat hij een officier bevel gegeven had het huis te omsingelen, ging hij geheel alleen naar de samenzweerders, die hem verrast en ontsteld aankeken.

"Ik kom een glas met u drinken, vrienden," zei hij vroolijk, precies of er niets bijzonders aan de hand was. Hij was een uur te vroeg, want pas om elf uur zou de officier met zijne... "Hé, dat is een dikkerd, jongens! Kijk eens, wat een pracht van een paling! Die zal smaken."

"En toen!" vroeg Jacob, die veel meer belang stelde in het verhaal van Kist, dan in diens vangst.

"Wel, hij praatte vroolijk, en de samenzweerders dronken op zijne gezondheid. Eindelijk fluisterde een van hen zijn buurman toe: "Het is tijd, broeder." Waarop de Czaar opstond en met donderende stem uitriep: "Ja, het is tijd, schurken, moordenaars!" En met een geduchten slag op de tafel gebood hij: "Staat op en bindt elkander!" En de mannen waren zoo verschrokken van dit optreden, dat zij werktuiglijk gehoorzaamden en elkander de handen op den rug snoerden. Een oogenblik later kwam de officier binnen, die hen allen gevangen nam."

"Dat was dapper, Vader!" zei Ary. "Dien Czaar zou ik ook wel eens willen zien!"

"Zij zullen wel geducht gestraft zijn," meende Jacob.

"Allen opgehangen of onthoofd!" zei Kist. "Ja, Czaar Peter maakte korte metten met zijn tegenstanders. Die niet gehoorzamen wil, moet maar dood. En hij is er niet bang van, om zelf den beul een handje te helpen."

"Brrr,--toch ook nog echt Russisch," zei Jacob.

"Ja, natuurlijk,--hij is zelf ook niet overbeschaafd, maar toch is hij een zeldzaam man, voor wien ik grooten eerbied heb. Ik ben er van overtuigd, dat hij het Russische rijk nog eenmaal groot en krachtig zal maken, want hij deinst voor niets terug. Ik geloof, dat het zijn liefste wensch is, eenmaal eene machtige oorlogsvloot te krijgen, en zijn gebied uit te breiden tot aan de Oostzee. Het zou mij althans niet verwonderen, indien dat zoo was. In elk geval wil hij zijn voornaamste onderdanen laten zien, hoe het in beschaafde landen toegaat, en daarom heeft hij kortgeleden een gezantschap op reis gezonden, bestaande uit wel 270 personen, waaronder zich verscheidene prinsen bevinden. Zij hebben in last, Holland te bezoeken, en goed uit hunne oogen te kijken."

"Dat is aardig!" zei Jacob. "Misschien komen zij hier ook nog wel. Of zou u het niet denken, buurman?"

"Best mogelijk, jongen, want de Saardammers staan bij den Czaar in hoog aanzien.--Zoo, Ary, dat is een dunnetje; 't lijkt waarlijk wel een pier!"

"Die het kleine versmaadt, is het groote niet waard," zei Ary lachend.

"Maar deze is dikker!" riep Jacob uit, terwijl hij behendig een dikken paling in de tobbe wipte. "Ze beginnen beter te bijten, vind ik. Wij krijgen al een mooi zoodje."

"Genoeg om je moeder ook een Zondagsmaal te bezorgen," zei Kist. "Het begint gelukkig wat warmer te worden; ik kreeg het koud!"

De zon was opgekomen en verjoeg langzaam den dauw. 't Werd inderdaad wat warmer, en de drie visschers begonnen zich recht behaaglijk te voelen. Ook omdat het met de vangst zoo meeliep. Kist had het geluk gehad een goed plaatsje te treffen.

't Zal ongeveer tegen zes uur geweest zijn, toen Ary zeide:

"Kijk eens, Vader, wat komt ginds een vreemde schuit aan? Wat is er dat voor een?"

Kist bekeek het vaartuig nauwkeurig, en antwoordde:

"Dat is een Rijn-aak, als ik mij niet bedrieg. Zoo, dat is vreemd. Zulke schepen ziet men hier niet dikwijls. Ik begrijp niet, wat dat ding hier komt uitvoeren."

Het vreemde vaartuig kwam langzaam naderbij, en hoe meer het naderde, des te meer begon het de belangstelling van Kist te trekken. En ook Ary en Jacob merkten er blijkbaar iets vreemds aan op, want zij keken meer naar het schip dan naar hun poer.

"Wat een vreemde passagiers bevinden er zich op!" zei Jacob. "Kijk eens, wat eene eigenaardige kleeding."

"Dat moeten Russen zijn," sprak Kist, wiens verbazing steeds toenam.

"Russen?" riep Ary verrast uit.

"Russen?" vroeg ook Jacob. "Zouden het misschien leden van het groote gezantschap zijn, waar u van sprak?"

"'k Weet het niet,--'k weet het niet!" mompelde Kist, wiens blik voortdurend gericht was op een man, die voor aan de plecht stond. 't Scheen een schipper te zijn, want hij was niet, als de andere vreemdelingen, gekleed in uitheemsche kostbare kleeren, maar droeg een eenvoudige, witte broek en een rood wambuis, zooals meestal door schippers gedragen werd. Kist hield de hand boven de oogen om beter te kunnen onderscheiden, en mompelde:

"Vreemd, jongens,--vreemd! Jelui wilde immers zoo graag den Czaar zien? Welnu, die man daar, op de plecht van die aak, lijkt op Czaar Peter, als de eene druppel water op den anderen. Als je hèm ziet, kun je gelooven, den Czaar te zien."

"Bedoelt u den man met die schitterende kleeding, bij den mast?" vroeg Jacob.

"Ik zeg, den man op de plecht van de aak. Hij heeft een rood wambuis aan en een witte linnen broek. Die is het!"

"Maar dat is een schipper, Vader!" riep Ary verwonderd uit.

"Ja, dat is een gewoon schipper!" zei ook Jacob.

En Kist antwoordde:

"Ik beweer ook niet, dat het de Czaar van Rusland is. Ik zeg alleen, dat hij op den Czaar gelijkt, als de eene druppel water op den anderen."

't Was een forsche, indrukwekkende gestalte, de man daar op de plecht, die met fonkelende oogen het voor hem oprijzende Saardam aanschouwde. Zijne fiere houding en de vorstelijkheid van zijne verschijning boezemde den knapen eerbied in, ondanks de eenvoudige schipperskleeding.

Op de aak werd het groote zeil gestreken, en de Russische heeren, die zich op het vaartuig bevonden, kregen Kist in het oog. En nauwelijks hadden zij hem gezien, of zij spoedden zich naar den man op de plecht en maakten hem op Kist opmerkzaam. Ook deze vestigde zijn blik op den visscher in het bootje, en een oogenblik later hoorde Kist zich toeroepen:

"Smid!--Smid!--Kom bij ons!"

De jongens zagen, dat Kist ontroerde. Zwijgend trok hij de tobbe met paling aan boord, greep de riemen, en roeide naar de aak.

"Blijft hier, jongens, en wacht op me!"

Kist betrad het dek van de aak en boog voor den forschen man zoo diep, als hem mogelijk was.

HOOFDSTUK VI.

HOE NIEUWSGIERIG DE SAARDAMMERS WAREN.

"Majesteit!" stamelde Kist, die van verbazing totaal in de war was en niet wist, wat hij zeggen moest.

"Majesteit?"--klonk het in vrij goed Hollandsch terug. 't Werd alleen met een vreemd accent uitgesproken, waaruit duidelijk blijken kon, dat de man een vreemdeling was.--"Hier geen Majesteit is. Ik ben Pieter Michaelof, van beroep timmerman en kom hier om den scheepsbouw te leeren. Ik heb u hier laten komen, om u te zeggen, dat ik bij u mijn intrek zal nemen."

Nu raakte Kist nog veel meer in de war.

"Bij mij uw intrek nemen, Majesteit! Maar dat is onmo..."

De vreemdeling stampte driftig met den voet op het dek en herhaalde:

"Ik zeg, hier geen Majesteit is! Mijn naam is Pieter Michaeloff, en bij u zal ik mijn intrek nemen."

"Maar Majest..."

De oogen van den vreemdeling begonnen van toorn te flikkeren, waarop Kist zichzelven schielijk in de rede viel:

"Maar Pieter Timmerman, ik ben maar een eenvoudige smidsknecht en heb een groot gezin. 't Is niet mogelijk, dat een machtig vorst..."

De vreemdeling, die bij den naam Pieter Timmerman tevreden geglimlacht had, want dien naam klonk hem aangenaam in de ooren, gaf weer blijken van drift, zoodra hij de laatste woorden van Kist vernam, wat duidelijk bleek uit een eigenaardig trekken met den rechterarm en zenuwtrekkingen aan de rechterzijde van zijn gelaat. Kist haastte zich dan ook te zeggen:

"'t Is onmogelijk, Pieter. Mijn gezin is armoedig en klein behuisd. Ik kan u niet herbergen."

Maar de vreemdeling wees met een gebiedend gebaar naar de boot, waarin de beide jongens naast de aak voeren, en zeide kortaf:

"Ga naar uw huis en maak daar plaats voor me. Ik wil dat, hoort ge,--ik wil dat. Bij u en niemand anders wil ik wonen. Ga heen!"

Kist keek den man verwonderd en verlegen aan, en wilde nog tegenwerpingen maken. Maar de vreemdeling herhaalde:

"Ga heen! Ik wil niet anders! En ik beveel u te zorgen, dat niemand iets anders van mij weet dan dat ik Pieter Michaeloff ben, en hier kom om den scheepsbouw te leeren.--Vertrek!"

Kist durfde niet langer wederstreven. Hij kende dat gebiedende gebaar en wist, dat hij alleen te gehoorzamen had. Hij wenkte daarom de jongens, dat zij naderbij moesten komen, en liet zich in de boot afglijden.

"Roei naar den wal, Ary!" zeide hij peinzend en blijkbaar nog diep onder den indruk van deze vreemde ontmoeting.

Ary en Jacob gaven elkander een geheimzinnig knipoogje, en de eerste zeide op goed geluk af:

"Vader,--die man in schipperskleeren is Czaar Peter, niet waar?"

"Ja, dat is de Czaar, niet waar, buurman?" voegde Jacob er bij.

Kist schrikte bij die woorden uit zijn gepeins op.

"De Czaar?" zei hij verward, denkende aan het gebod van den vreemdeling. "Wie zegt je, dat het de Czaar is? Heb ik dat gezegd?"

Ary en Jacob begonnen te lachen.

"Neen Vader," zei Ary, "maar zóó dom zijn we niet, of dat kunnen wij wel begrijpen. Zei u zelf niet, dat hij en de Czaar op elkander gelijken als twee droppels water, en hebben wij niet gezien, hoe diep u voor dien man boog? Dat doet men niet voor een eenvoudigen schipper. Neen, Vader, die man is de Czaar!"

Kist geraakte hoe langer hoe meer in de war, want hij was niet gewoon te liegen. En toch was hem uitdrukkelijk bevolen, den hoogen stand van den vreemdeling niet bekend te maken.

"Hoort eens, jongens," zei hij, "ik geef toe, dat hij sprekend op den Czaar gelijkt,--maar hij heeft mij gezegd, dat hij Pieter Michaeloff heet en timmerman is. Hij komt hier, om den scheepsbouw te leeren. Zou jij dan denken, dat de Czaar bij ons in den kost zou komen, Ary?"

"Wat!" riep Ary verbaasd uit, "komt hij bij ons in den kost? Maar neen, dan kan hij de Czaar ook niet wezen. Die zou wel niet in zoo'n klein huisje en in zulk eene eenvoudige buurt willen wonen. Is het echt waar, vader?"

"'t Is volkomen waar, jongen," zei Kist. "Bega dus geen dwaasheid en vertel nergens, dat het de Czaar van Rusland is, want iedereen zou je uitlachen, en je zoudt je zelven bespottelijk maken in het oog der menschen."

De boot lag nu aan wal, en Kist stapte er uit. Hij gebood de jongens voor de paling te zorgen, en liep met groote schreden naar zijn nederige woning. Hier had hij dadelijk een lang en fluisterend gesprek met zijne vrouw, die weldra op hare beenen stond te beven van ontsteltenis, en wier verbazing geen grenzen kende.

"Maar mijn hemel, Gerrit, hoe is dàt nu mogelijk!" zei ze wel honderdmaal. En dan zei Gerrit telkens:

"Maar vrouw, laat geen woord ervan aan je mond ontsnappen, want 't is een driftig heerschap, die soms van toorn niet weet, wat hij doet. Ik ga dadelijk naar Mary-buur en zal zien, haar het huis te doen ontruimen. Ik weet er anders niets op."

Kist ging de deur uit en begaf zich naar de vrouw, die het achterste deel van het huisje bewoonde. Want Kist, die het niet te breed had, verhuurde aan de weduwe Mary Freeriks de twee kleine achterkamertjes van zijn huis. Het voorste gedeelte bewoonde hij zelf.

"Goêmorgen, Mary-buur. Daar ben ik al vroeg, hè?"

"Dat zou ik meenen, buurman. Goêmorgen,-- ga zitten."

"Dat zal ik doen, maar veel tijd heb ik niet. Ik zal dus maar met de deur in huis vallen, Mary-buur, en je kort en goed zeggen, waar het om gaat. Ik wou, dat je op stel en sprong ging verhuizen,--dadelijk. Ik zal je den boel wel helpen overbrengen..."

Buurvrouw sloeg hare handen van verbazing in elkaar, en staarde Kist met open mond en opengespalkte oogen aan. 't Was haar, of ze 't te Keulen hoorde donderen.

"Verhuizen?" stamelde ze na een oogenblik van stilzwijgen. "Verhuizen?--Man,--hoe haal je 't in 't hoofd? Je loopt toch niet met molentjes?"--

"Neen Goddank, Mary-buur. Maar ik moet dit huisje vrij hebben, en wil je graag vergoeding geven, eene ruime vergoeding. Mij dacht, je kon wel tijdelijk bij je vader gaan inwonen. Die heeft nog wel plaats over, en je krijgt er eene goede fooi voor, dat verzeker ik je."

"Eene goede fooi?" zei de vrouw, die wel een buitenkansje noodig had, want zij had het arm. "Maar waarvoor is het noodig, dat ik op stel en sprong verhuize? Kan het niet wachten, tot ik alles..."

"Geen dag,--en ook zelfs geen uur, buurvrouw. Luister! 't Geldt hier een geheim, dat ik niet noemen màg, maar ik moet deze twee kamers vrij hebben, en wel direct. Wat dunkt u, zouden vijf Carolus-guldens in staat zijn, om u tot verhuizen te bewegen?"

De vrouw kneep bij het hooren van dat aanbod welbehaaglijk de oogen dicht, want vijf Carolus-guldens was voor een arme weduwe eene groote som. Maar zij gaf zich niet dadelijk gewonnen, en zeide:

"Zeg tien, buurman. Voor tien Carolus-guldens zal ik opstaan, 't Is..."

"Kort en goed, ik zal zeven geven, maar geen duit meer, en praat er nu niet langer over, want de tijd dringt. Straks is het te laat en gaat zoo'n buitenkansje uw neus voorbij. Toegeslagen?"

Kist stak haar de hand toe, en vrouw Mary legde er de hare in.

"Toegeslagen, buurman," sprak ze.

Een uur later was het huisje ontruimd, en haastte vrouw Kist zich alles in gereedheid te brengen voor de ontvangst van den machtigen vreemdeling.

Intusschen was de aak met zijne vreemde passagiers langzaam den Dam genaderd. Daar werd het laatste zeil gestreken, en de man, voor wien Kist zoo eerbiedig gebogen had, sprong met een touw in de hand aan wal, en legde 't vaartuig vast.

't Begon al drukker te worden op den Dam, en de menschen bleven een oogenblik verwonderd staan, om naar het schip en de vreemd gekleede reizigers te zien. En toen er eenmaal een groepje gevormd was, werd dit al spoedig grooter, want de menschen kwamen van alle kanten toeloopen in de meening, dat er "een standje" was, en daar wilden zij graag bij zijn.

Dat was den man in het roode wambuis blijkbaar in het geheel niet naar den zin, want hij keek den menschendrom met fonkelende oogen aan en gaf meer dan eens zijn ongenoegen te kennen.

Ook de andere vreemdelingen stapten aan wal, en hunne vreemde en zeer kostbare kleeding trok in hooge mate de belangstelling der Saardammers, die het zevental vreemdelingen steeds meer naderden, zoodat dezen bijna geen voet konden verzetten. De man in schipperskleeding echter wist daar wel raad op. Hij stapte met groote schreden op de omstanders af en drong zich met groote onverschilligheid door hen heen. De menschen vonden het geraden, een weinig voor dien forschen schipper op zijde te gaan, want hij werkte geducht en ook gevoelig met zijne ellebogen, en zag er uit, of hij op het punt stond, links en rechts klinkende opstoppers uit te deelen. De andere vreemdelingen volgden hem, waar hij ging.

't Is te begrijpen, dat de menschen over dit bezoek verwonderd waren, en elkander afvroegen, wie die mannen toch wel zijn konden.

"Ik denk," zei meester Pomp, "dat het leden zijn van het groote Russische gezantschap. In elk geval zijn het Russen, dat weet ik zeker. 'k Heb dikwijls genoeg Russen gezien, toen ik nog scheepschirurgijn was, en kan mij niet vergissen. 't Zijn stellig Russen!"

"Ja, en hooge heeren bovendien," meende een ander. "Kijk eens, wat hebben zij een blanke handen en fijne vingertjes."

"Aha, als je dat maar begrijpt!" riep een derde. "En die groote schipper met zijne krachtige vuisten en zijne vurige oogen is zeker hun knecht!"

"'t Kan wel," zei meester Pomp, "in elk geval zou ik liever met hem willen eten, dan vechten. 't Is een stoere baas!"

"De anderen loopen hem na als hondjes," merkte een schipper op. "En rijk zijn ze zeker, want zooeven had een van hen eene beurs in de hand van fijne zijde, en ik zag er meer goudstukken in, dan ik en al mijne voorvaders te zamen ooit gehad hebben. 'k Wil ruilen met de mijne."

De lieden lachten om deze woorden, en het aantal kijkers werd zoo groot, dat de vreemdelingen niet dan voetje voor voetje vooruit konden komen. De groote schipper struikelde bijna over Castor, den hond van Nicolaas Calff, die met zijn jongen meester een wandeling gemaakt had. En de man gaf den hond een geduchten schop, waarover Nicolaas zeer verontwaardigd was.

"Hola lomperd!" zei hij half binnensmonds, maar toch luid genoeg, om door den schipper verstaan te worden. "Zoo zijn hier onze manieren niet! Pas maar op, of hij bijt je in de kuiten, dat het lachen je wel vergaan zal."

Inderdaad was Castor zóó beleedigd, en bromde en gromde hij zóó dreigend, dat de menschen niet zonder eerbied een weinig plaats voor den grooten hond maakten.

Maar de schipper vreesde hem niet. Hij keek Castor met zijne fonkelende oogen zoo strak aan, dat deze kwispelstaartend achteruit week en zich tegen Nicolaas aandrong.

De schipper was thans voor eene herberg aangekomen en stapte daar binnen, om aan het gedrang, dat hem blijkbaar eene ergernis was, te ontkomen. De rijke vreemdelingen volgden hem.

Zij namen aan de tafeltjes plaats en bestelden iets, in de meening, dat het volk op straat zich wel verspreiden zou. Maar daarin hadden zij zich bedrogen.

De schipper sprak daarop even met een van de anderen, waarop deze zich verwijderde, en zich tusschen het volk begaf.

't Scheen een Hollander te zijn, want hij sprak de Hollandsche taal zeer vloeiend. Hij was dat dan ook inderdaad. Zijn naam was Nicolaas van der Hulst, en de Czaar van Rusland, want de man in schipperskleeding was inderdaad niemand anders, had hem medegenomen, om als tolk te dienen.