Part 5
Ieder, die gehuurd was, ontving zijn handgeld, waarmede hij zich nog een paar dagen aan wal vroolijk kon maken, wat velen dan ook maar al te zeer deden. Vrijdags daaropvolgende zou de aanmonstering aan boord van het schip plaats hebben, wat gewoonlijk gevolgd werd door een stokvischmaal voor de reeders en hunne gasten, en den anderen dag zou de vloot uitzeilen.
De Commandeur ontving van Sinjeur Calff, den boekhouder, 150 gulden als handgeld, een stuurman 65, een timmerman 40 à 45, een kok 36, een chirurgijn ook zooveel, een matroos 18 of 20 gld., enz. Jan ontving ook twintig gulden, maar dat was alleen te danken aan de omstandigheid, dat Sinjeur Calff de boekhouder was. Jan kreeg er zelfs nog een vriendelijken handdruk bij.
Na beleefd zijne muts voor de heeren afgenomen te hebben, verliet hij in allerijl de herberg, niet om als zoovelen zijn geld aan allerlei onnutte dingen te besteden, maar om zich met zijn schat naar zijne lieve moeder te begeven. Wat voelde hij zich rijk en gelukkig met dat geld, het eerste, dat dienen moest, om zijn moeder de zorg voor het gezin te verlichten. Hij liep op een draf naar zijn huis, en telde met van blijdschap stralende oogen het geld voor haar uit op de tafel. En hij kon er zijne blikken bijna niet van afwenden. Opeens vloog hij zijne moeder om den hals en kuste haar gelukkig en dankbaar op de beide wangen. 't Was voor beiden een oogenblik, om nooit te vergeten!
Twee dagen later begaf hij zich naar zijn schip, het Bonte Calff, dat er feestelijk uitzag. De vlaggen wapperden van de masten, evenals van de andere schepen der vloot, en vele mannen en vrouwen, in hun Zondagsche gewaad, bewogen zich aan boord.
Geen wonder trouwens. 't Was een feestdag voor allen, die aandeelen in het schip hadden. Heden werd de equipage aangemonsterd en zou het feestmaal gehouden worden. Dat Sinjeur Calff, de boekhouder, hierbij de voornaamste persoon was, behoeft niet te worden gezegd. Hij en de Commandeur hadden in de kajuit plaats genomen, en Jan Willemsz riep alle mannen van de equipage een voor een binnen, om de monsterrol te teekenen, welke daad inhield, dat zij gehoorzaamheid en trouw aan den Commandant beloofden, en zich verbonden, getrouw aan alle gestelde wetten te zullen voldoen. Jan zelf teekende het laatst van allen.
En toen gingen de gasten aan tafel, waarvan volgens aloud gebruik stokvisch den hoofdschotel vormde. Jan hield de wacht aan de deur van de kajuit.
De parelende wijn vulde de glazen, en Sinjeur Calff stond op, om een woord van afscheid te spreken. Hij hief het glas omhoog, en sprak den wensch uit, dat het Bonte Calff een gelukkige reis zou hebben en een voorspoedige vangst. Hij wenschte allen gezondheid en voorspoed toe, en hoopte hen over enkele maanden behouden in het vaderland terug te zien.
En nauwelijks was hij uitgesproken, of Commandeur Jan Folkersz stond op, om den spreker te beantwoorden. Hij dankte den boekhouder voor diens hartelijke woorden en goede wenschen, en gaf de verzekering, dat hij voor schip en goed zou zorgen als voor zijn leven, en dat hij het belang der reederij zou behartigen, alsof het zijn eigen was. "Daarop," zoo riep hij uit met verheffing van stem, "schenke God de Heer zijn onmisbaren zegen!"
Bij deze woorden gaf hij Jan een wenk, wien hij vooraf zijne bevelen gegeven had, en deze spoedde zich de trap op naar boven, naar den stuurman, om hem te zeggen, dat het tijd was. En op een wenk van deze brandde met donderend geluid het kanon los, om de gebruikelijke saluutschoten te doen.
Nog den geheelen dag duurde het feest voort, en 't was al avond geworden, eer de gasten naar huis terugkeerden.
Toen ging ook Jan naar huis, en den volgenden dag had hij het druk met afscheid nemen. Al zijne kameraden ging hij groeten, en zelfs Hein Pomp werd niet vergeten. En 't laatst van allen ging hij naar Sinjeur Calff, om ook daar goeden dag te zeggen. Juffrouw Calff kuste hem hartelijk, want zij gevoelde zich zeer tot den knaap aangetrokken, die het leven van haar Nicolaas had gered. En Sinjeur Calff drukte hem de hand, en vermaande hem, terdege zijn plicht te doen.
"Jongen, verlies dat nooit uit het oog, dan kun je het nog ver brengen in de wereld," zoo besloot hij. "Wees trouw en eerlijk in handel en wandel, en toon je den waardigen zoon van je brave moeder."
Maar het moeilijkste afscheid kwam 's Zaterdagsmorgens nog voor hem aan, want toen moest hij zijn moeder vaarwel zeggen, en Jacob en kleine zus. Nu, kleine zus had er nog niet veel weet van, en Jacob huilde er ook niet om. Integendeel, hij vond het wàt een feest, dat hij zijn broer naar 't schip mocht brengen en dientengevolge niet naar school hoefde. Maar zijn moeder had al den geheelen morgen bleek gezien en was geducht in de war. En toen het oogenblik van scheiden gekomen was, kon zij hare tranen bijna niet bedwingen. Maar dat deed zij toch. Zij wilde zich tegenover haar jongen niet zwak toonen en hem dit afscheid niet zwaarder maken, dan het reeds was. Toen het oogenblik van scheiden dan ook was gekomen, sloeg zij hem zwijgend de armen om den hals en kuste hem vaarwel.
"Dag moedertje,--tot weerziens!" zei Jan zacht. Daarna knuffelde hij kleine zus, nam zijn scheepszak op den rug en ging heen.
Maar zijne moeder vergezelde hem tot op den Hoogendijk. Daar groetten zij elkander nog eenmaal, en toen ging jan heen, vergezeld van zijn broer Jacob. Nog een paar malen keek Jan om naar zijne moeder, om haar nog eens toe te wuiven, tot hij haar eindelijk niet meer zien kon.
Na eenige minuten kwamen zij aan boord van het Bonte Calff, waarvan de geheele bemanning reeds compleet was. De wind was gunstig, en de commandeur gaf bevel, enkele zeilen te hijschen. Ook op de andere walvischvaarders heerschte levendigheid en drukte, want de schepen zouden alle tegelijk afvaren. En tal van bootjes met familieleden van het scheepsvolk voer op de Voorzaan heen en weer, en telkens opnieuw riep men elkander een hartelijk vaarwel toe.
Eindelijk stapte Sinjeur Calff in de boot,--want hij was ook op het schip om afscheid te nemen van den Commandeur en van Jan,--en hij bood Jacob daarin ook een plaatsje aan. Het afscheid tusschen de beide broeders duurde maar kort.
"Dag Jan, goede reis en behouden weerkomst!" zei Jacob, terwijl hij Jan de hand drukte.
"Dag Jacob, het ga je goed. Groet moeder en zus nog eens van me. Tot weerziens!"
De boot stak van wal, en Commandeur Folkersz gaf bevel de ankers te lichten.
Langzaam zette het mooie schip zich in beweging, en statig gleed het de Voorzaan af naar het breede IJ. Andere schepen volgden, wat een mooi gezicht was voor de Saardammers, die het fraaie schouwspel met belangstelling gadesloegen. 't Uitvaren van de Groenlandsche vloot was altoos eene gebeurtenis van groot belang, en wie het half kon doen, ging er een kijkje van nemen.
Ook vele vrouwen, sommigen met een klein kind op den arm en nog wel een of twee aan de rokken, liepen op den Hoogendijk, om het vertrek bij te wonen van den echtgenoot, die voor langen tijd van huis ging om het brood te verdienen voor de zijnen. En menigeen vroeg zich fluisterend af:
"Zou ik hem weerzien? Zou hij niet blijven in die verre zee?"--
HOOFDSTUK V.
EEN VREESELIJK GERUCHT, EENE SPOOKHISTORIE EN EEN VREEMD BEZOEK.
Ongeveer vier maanden waren voorbijgegaan, en 't was Zaterdag 17 Augustus geworden. De veerschuit van drie uur in den middag kwam uit Amsterdam aan en werd aan den steiger vastgemeerd. Verscheidene kooplieden, die voor zaken naar de stad waren geweest, stapten er uit, pratende en lachende. Onder hen bevond zich ook Sinjeur Calff, maar hij liep zwijgend met zijne vrienden mede en nam geen deel aan hun levendig gesprek. Blijkbaar hielden ernstige gedachten hem bezig, die hem geheel in beslag namen. Zijn voorhoofd was gefronst, en zijn gelaat teekende zorg. Hij nam spoedig van zijn reisgenooten afscheid en begaf zich naar zijne woning, waar zijne vrouw hem met een vriendelijken groet tegemoet trad. En dadelijk gaf zij bevel het middagmaal voor hem op te zetten, waaraan zij de dienstbode ijverig medehielp.
Het ontging aan haar scherpziend oog echter niet lang, dat haar man iets schortte, en dat hij in zorg verkeerde. Terwijl hij zwijgend zijn middagmaal gebruikte, zette zij zich aan den overkant van de tafel en nam hare breikous ter hand, gedachtig aan de oude spreuk, dat een paardentand en eene vrouwenhand nooit moeten stilstaan. Een paar malen zeide zij iets over het weer, dat dien dag heel mooi was, maar haar man hoorde haar niet en gaf geen antwoord. Nicolaas kwam binnen en groette zijn vader, maar deze merkte hem niet op. Blijkbaar waren de gedachten van den koopman elders. En zijne vrouw maakte zich ongerust, vooral, toen het haar bleek, dat haar man zeer weinig at, veel minder dan anders.
"Smaakt het je niet, Cornelis?" vroeg zij luider, om zijne aandacht te trekken.
"Smaken,--jawel vrouw, zeker, 't smaakt me heel goed," was het antwoord, maar tegelijkertijd ontsnapte een diepe zucht aan zijn borst, zoodat het voor haar niet twijfelachtig meer was, of er was iets ernstigs gebeurd.
"Ben je dan niet goed,--of scheelt er iets anders aan?" vroeg zij verder. "Er is toch stellig iets niet in orde."
"Je hebt gelijk, Dieuwertje," antwoordde haar man zacht en ernstig. "'k Heb zeer slechte tijding gehoord, zéér, zéér slechte en droevige tijding."
Juffrouw Calff sprong verschrikt op en kwam naast hem staan. Zij legde hem haar hand op den schouder en zeide:
"Zeer slechte tijding, Cornelis? Je doet me schrikken! Zeg me toch spoedig, wat er gebeurd is..."
"Vrouw, 'k sprak dezen middag een commandeur van een teruggekeerden walvischvaarder, en die zeide mij, dat onder de visschersvloot het gerucht ging, dat het Bonte Calff met man en muis is vergaan..."
Juffrouw Calff sloeg ontzet de armen ten hemel, en Nicolaas, die stil in een hoekje van de kamer bij het raam had gezeten, sprong van zijn stoel op en liep naar zijn vader.
"Het Bonte Calff vergaan,--met man en muis,--en Jan Willemsz dan, Vader, is Jan Willemsz ook verdronken?"
Sinjeur Calff keek zijn zoon, wiens tegenwoordigheid in de kamer hij niet vermoed had, een oogenblik verrast aan, en zeide:
"Wat, jongen, ben jij hier? Ik heb je niet gezien!"
"'k Ben een oogenblik geleden binnengekomen, Vader, maar u merkte mij niet op," zei Nicolaas, die van den schrik op het hooren van deze ongelukkige tijding bleek geworden was, evenals zijne moeder, die zoo begon te beven, dat zij op haar stoel moest plaatsnemen.
"Arme menschen!" mompelde zij zacht voor zich heen.
"Hoor eens, Nicolaas," sprak Sinjeur Calff langzaam en met nadruk,--"hoor eens, jongen, deze tijding was niet voor jou ooren bestemd, en had ik geweten, dat jij je in de kamer bevond, dan zou geen woord daarvan aan mijn mond ontsnapt zijn. Ik draag je dus op, over deze zaak het diepste stilzwijgen te bewaren,--ik zeg, het diepste stilzwijgen. Begrijp je dat goed, Nicolaas? Er mag geen woord daarvan over je lippen komen."
"Ik zal er niet over spreken, Vader, wees daar gerust op. Maar o, dat Jan Willemsz ook verdronken is..."
"Hoor eens, lieve vrouw, en Nicolaas, luister jij ook, want nu je het eenmaal toch weet, is het beter, je alles te zeggen, wat ik denk. Ik zeide straks, dat het nog slechts een gerucht is, en niets meer. Commandeur Jan Pietersen van Amsterdam is niet in gezelschap van het Bonte Calff geweest, en heeft het schip zelf niet gezien. Hij heeft alleen van een anderen Walvischvaarder gehoord, dat het schip is vergaan, en dat geen der schepelingen, voor zoover hem bekend, was gered. Maar ook die andere schipper had het slechts van hooren zeggen, zoodat het tot nog toe niets meer is, dan een los gerucht. 't Is best mogelijk, dat het waarheid bevat, en het gerucht op zichzelf is al erg genoeg en geeft mij redenen tot groote bezorgdheid, maar zoolang wij geen meerdere zekerheid hebben, acht ik het noodig, er het diepste stilzwijgen over te bewaren. Er zijn nog verschillende gevallen mogelijk. 't Schip kan van de andere afgeraakt zijn en is misschien niet meer door hen gezien, wat allicht het vermoeden kon wekken, dat het vergaan is. En zelfs als dat zoo ware, als het schip werkelijk ten gronde is gegaan, blijft nog zeer wel de mogelijkheid over, dat de mannen zich op de ijsschotsen hebben geborgen, en konden zij door andere schippers worden opgemerkt. In allen gevalle zou het verkeerd zijn, de familieleden van de bemanning noodeloos in angst en zorg te brengen, door alleen op een los gerucht af te gaan."
"Je hebt volkomen gelijk, Cornelis," sprak Juffrouw Calff. "Laten wij hopen, dat een zoo vreeselijke slag onze plaats niet getroffen heeft. Wat een tal van weduwen en weezen zou in ongelukkige omstandigheden achterblijven."
"Ja, Vrouw, 't zou vreeselijk zijn, en ik zal geen gerust oogenblik meer hebben, voor ik het Bonte Calff weer aan den Hoogendijk zie liggen."
"Wist ik maar, of Jan Willemsz nog leefde," zei Nicolaas bedroefd.
"Ook voor de Weduwe Willemsz zou het een zware slag zijn, dat is waar, mijn jongen. Het arme schepsel heeft al genoeg te dragen. 't Is te wenschen, dat de Heere God dezen zwaren slag van haar en van ons allen zal afwenden, want ook voor ons zou het een geducht verlies wezen. Het Bonte Calff vertegenwoordigt een groote waarde. Doch dit zeg ik van ganscher harte: als een van beiden verloren moet gaan, het schip of de bemanning, dat het dan het schip moge wezen. 't Zou mij tot in mijne ziel bedroeven, indien zoovele gezinnen ongelukkig moesten worden."
Bij die woorden stond Sinjeur Calff op, om zich naar het kantoortje te begeven, dat aan zijn huis was gebouwd.
Aan den avond van dienzelfden dag werd de deur geopend van het kleine huisje op het Krimp, dat bewoond werd door Gerrit Kist, den vader van Ary, en drie gestalten, een groote en twee kleine, traden naar buiten, elk met eene lantaren in de hand, waarin eene smeerkaars brandde en walmde. 't Waren Gerrit Kist, de smidsknecht, zijn zoon Ary en Jacob Willemsz, die blijkbaar in den laten avond nog iets te verrichten hadden. Zij liepen den Hoogendijk af, tusschen de beide huizenrijen door, en kwamen op den Westzanerdijk, welke het doel van den tocht bleek te zijn. Zij hadden het dorp nu verlaten en hadden aan weerskanten van den dijk het vrije veld.
"Zie zoo, jongens," zei de smid, "hier zijn we, waar we wezen moeten, en ik denk wel, dat we klaar komen. 't Is er mooi weer voor, want er hangt een zware dauw over het veld, en de wormen zullen liever in het natte gras, dan in den uitgedroogden grond kruipen. Kijkt nu maar goed uit je oogen."
"Daar zal het niet aan mankeeren, buurman," zei Jacob, terwijl hij langzaam langs de helling van den dijk afdaalde, en bij het flauwe licht van zijn lantaren de wormen zocht, die er mochten rondkruipen.
Ary had hem 's middags verteld, dat zijn vader en hij den volgenden morgen vroeg uit poeren zouden gaan, wat zij in de zomermaanden wel eens meer deden. Kist had een groot huisgezin, want hij was gezegend met acht kinderen, die een gezond gestel en een goeden eetlust hadden. Daar zijn verdiensten als smidsknecht hem niet toelieten, dikwijls spek of vleesch te koopen, had hij nog al eens de gewoonte, des Zondagsmorgens heel vroeg uit poeren te gaan, ten einde zijn gezin en zichzelven daarmede een Zondagsmaal te verschaffen. Hij was een meester in de kunst van poeren, wat een echt geduldswerkje is, en het gelukte hem dikwijls een lekker maaltje paling te verschalken. Zoodra Jacob nu van Ary gehoord had, dat zij den volgenden morgen weer uit poeren zouden gaan, had hij dadelijk lust gekregen om mede te doen.
"Zou ik mogen?" vroeg hij aan Ary.
En deze antwoordde:
"Dat zou ik wel denken. Kom maar tegen een uur of acht, want tegen dien tijd gaan wij wormen zoeken aan den Westzanerdijk. Dan kun je het vader vragen."
Dat had Jacob gedaan, en tot zijne groote vreugde had Kist er in het geheel geen bezwaar tegen gehad. Zoo kwam het, dat zij zich thans met hun drieën aan genoemden dijk bevonden en ijverig aan het zoeken waren.
De drie dwalende lichtjes zagen er voor de weinige voorbijgangers, die niet konden vermoeden, wat er gedaan werd, vrij geheimzinnig uit. Want van de drie personen was door de duisternis niets te onderscheiden; alleen de langzaam her- en derwaarts zwervende lichtjes waren te zien.
De vangst was vrij voorspoedig. 't Was al dagen lang zeer zonnig geweest, en de dijk was dor en uitgedroogd. Toen nu 's avonds zich een heerlijke dauw over het veld verspreidde en de dorstige grassprietjes verkwikte, boorden zich ook wormen uit den grond, en kropen rond in het vochtige gras.
Telkens bukten de drie jagers, om een worm op te rapen en in klompen te bergen, die zij voor dat doel hadden medegebracht.
"Hè, wat heb ik hier eene lekkere pier!" zei Ary. "Wat zullen de palingen daaraan zuigen!"
"Ik heb er ook al heel wat," zei Jacob. "Hè, zeg, kijk eens, wat een groote! Deze is nog grooter dan die van jou."
"Ik heb er al bijna genoeg voor een poer!" riep Kist de beide jongens toe. "En jelui?"
"'t Gaat best, Vader," zei Ary. "Eene rijke vangst!"
"Nog een kwartiertje, langer niet!" riep weer Kist terug. "'t Is nog een heel werk, om de poeren te maken."
Het drietal ging ijverig met zoeken voort en kon niet vermoeden, dat iemand op eenigen afstand niet weinig verbaasd en erg angstig hen bespiedde.
't Was Heyn Pomp, de zoon van den chirurgijn-barbier. Hij had in den avond eene boodschap moeten doen naar Westzaan en was thans op den terugweg naar huis. Een groote held was hij nooit geweest, en in donker voelde hij zich altoos min of meer ongerust, vooral in de eenzaamheid.
En op den Westzanerdijk wàs het thans donker en eenzaam. Er was bijna geen huis te zien, alleen een paar nederige stulpjes van arbeiders op eenigen afstand.
Heyn had, behoedzaam luisterende naar verdachte geluiden, den weg van Westzaan naar hier afgelegd zonder iets vreemds of angstwekkends op te merken, tot hij opeens langs de helling van den dijk drie dwalende lichtjes ontwaarde, die hem den schrik op het lijf joegen. Hij stond, lang en dun als hij was, midden op den dijk stil, en hield de starende oogen onafgebroken op de geheimzinnige lichten gericht.
"Hemel,--kijk daar eens, wat zou dat zijn?" mompelde hij zacht voor zich heen. "Dat is niet pluis daar!--Kijk, ze gaan op en neer, nu hooger, dan lager. Hu,--zouden dat spoken zijn?--Menschen kunnen het niet wezen. Wat zouden daar nu menschen moeten doen? Neen, dat moeten spoken zijn, of mijn naam is--geen Heyn Pomp.--Hoe moet ik daar nog voorbij komen?"
Opeens werd Heyn in zijne alleenspraak gestoord, en keerde hij met groote stappen, maar toch op zijne teenen, om geen leven te maken, op zijne schreden terug. Want tot zijn grooten schrik had hij bemerkt, dat een van de lichten langzaam naderbij kwam, en hem weldra zou hebben bereikt.
Wat liep Heyn hard. Maar toch keek hij telkens achterom, ten einde te zien, of het dwaallicht hem achtervolgde.
Ja, het kwam nader.
En nu twijfelde Heyn niet langer. 't Waren vast en zeker drie spoken, die daar ronddwaalden langs den Westzanerdijk. Hij werd meer dan bang en wenschte niets liever, dan thuis te zijn. Maar hij zag geen kans er te komen, zonder de spoken te passeeren. En dat zou hij niet gedaan hebben voor al het geld ter wereld.
Ha, nu verwijderde het lichtje zich weer, maar nauwelijks had hij dat opgemerkt en was hij zijn grootsten angst weer te boven, of hij zag, dat het hem opnieuw met spoed naderde.
De schrik sloeg den dapperen Heyn om het hart, en hij zette het op een loopen, zoo hard hij kon. Zijn besluit was genomen: hij zou naar een van de huisjes gaan, daar ginds aan den voet van den dijk, en de bewoners te hulp roepen. Alleen durfde hij niet naar Saardam terugkeeren.
Hij liep of de nikkers hem op de hielen zaten, en met zijn lange dunne beenen nam hij stappen, of hij de zevenmijlslaarzen van klein-Duimpje aan had. Hij keek op noch om, en hield zijn blik alleen gericht op het flauwe lichtje, dat hem uit een van de ramen tegenflikkerde.
Hij had het spoedig bereikt, rolde meer dan hij liep bij den dijk neer, ging een vondertje over, en rinkelde aan de lage deur van het hutje. De deur was gesloten, misschien wel, omdat de bewoners geen bezoek van ongenoode gasten wilden hebben. Er liep in dien tijd dikwijls vreemd bedelvolk langs de wegen, die het de buitenmenschen wel eens onaangenaam konden maken. Het wachten duurde Heyn al spoedig te lang, want elk oogenblik vreesde hij het spook om den hoek van het huis te zullen zien komen. Hij rinkelde nog eens,--en nog eens, tot hem opeens de barsche stem van den bewoner in de ooren klonk, die hem toeriep:
"Wat is dat voor een helsch lawaai aan de deur? Wie is daar?"
"Ikke!" riep Heyn bevend van angst. "Ikke ben het! O, doe toch open! Er zijn spoken op den dijk."
"Als jij er zelf maar geen bent!" klonk het boos terug. "Je maakt er althans leven genoeg voor. Wie is ikke?"
"O, doe de deur toch open. Ik ben het,--Heyn Pomp, van den chirurgijn. Ik ben naar Westzaan geweest, en durf niet verder. Er loopen spoken op den dijk."
De man in het hutje hoorde duidelijk, dat het eene jongensstem was, die tot hem doordrong, en dat de eigenaar er van in hevigen angst verkeerde. Hij opende daarom de deur,--en Heyn vloog gejaagd binnen.
"Wat praat jij van spoken?" vroeg de man, terwijl ook de vrouw des huizes naderbij kwam met eene walmende kaars in de hand, die zij vlak bij Heyn's gezicht hield, om hem goed te kunnen bezien.
"O ja, heusch waar, er loopen spoken langs den dijk. Drie lichtjes dwalen heen en weer,--en ik durf er niet langs. Och, brengt u me asjeblieft een eindje weg."
"Kom, kom, wat zou er wezen? Ik woon hier al dertig jaar en heb nog nooit een spook gezien," sprak de man. "Je zult je bang maken voor niets. Wacht, ik zal eens even gaan kijken."
De man verliet het huisje en begaf zich op den dijk. Maar spoedig kwam hij terug en zeide:
"Ik zie niets, dan een paar lantarens in de verte. Jij bent zeker een beetje bang uitgevallen, jongetje. Ga maar meê, dan zal ik wel een eindje met je opwandelen. 't Is mooi weer."
Zij gingen met hun beiden op weg, en Heyn hield angstig zijne blikken op de lichtjes gericht, die zij weldra zouden hebben bereikt.
"Zacht loopen!" fluisterde Heyn zijn metgezel bijna onhoorbaar toe. "Misschien merken zij ons niet op."
De man lachte en zeide:
"Je bent zoo laf, als je dun en lang bent, jongen. Kom, ga een beetje op zijde. Je kruipt me bijna in mijn diezak!" [1]
En zijne stem verheffende, want zij waren het eerste lichtje nu genaderd, riep hij luid tot grooten schrik van Heyn:
"Goeden avond!"
"Ook goeden avond!" was het antwoord van Kist.
"Wat ben je daar aan 't zoeken? Heb-je wat verloren?" vervolgde de man uit het hutje.
"Verloren, neen, gelukkig niet. We zoeken wormen, om een poer te maken."
De man begon smakelijk te lachen.
"Die is mooi!" riep hij uit. "En hier is nog wel een jongen, die jelui voor spoken aanzag en niet naar huis durfde. Ha-ha-ha! Dat is grappig!"
Kist lachte ook, en hij en de beide jongens, die er ook braaf pret in hadden, klommen tegen den dijk op, en voegden zich bij hen.
"Wie is die dappere held?" vroeg Ary Kist, zijne lantaren opheffende, om beter te kunnen zien. "Wel heb ik van mijn leven! Dat is zoowaar Heyn Pomp! Heyn, Heyn, wat ben jij bang. Je moest je schamen."
"Dat heb ik ook al gezegd!" zei de man lachend. "Zoo'n groote jongen! 't Is waarlijk al te erg.--Kom, ik ga naar huis, of ben je nog bang, Heyn Pomp? 't Beste is, dat de spoken je maar thuisbrengen. Dan heb je een veilig geleide. Goeden avond samen."
"Goeden avond!" was het antwoord.
De terugreis werd aanvaard, want zij hadden nu wormen genoeg. Och, och, wat werd Heyn onderweg geplaagd! Jacob en Ary namen hem zorgvuldig tusschen zich in, om hem te beschermen, zooals zij zeiden, en zij deden bijna niet anders, dan lachen en spotten met zijn lafhartigheid, wat Heyn ook wel had verdiend. Heyn was wat blijde, toen zij den Lagen Horn hadden bereikt en hij van zijn kwelgeesten bevrijd werd. Hij zelf woonde een eindje verder, op den hoek van het Dampad.