Jongens van Oudt-Holland

Part 4

Chapter 44,087 wordsPublic domain

Ook de hond was in de boot gesprongen, en likte zijn jongen meester op handen en aangezicht.

"Stil, Castor,--stil, goed beest!" zei Jan. Maar opeens gaf Jan een wilden kreet.

"Hij leeft,--jongens, hij leeft!" gilde hij meer, dan hij riep.

De riemen bleven in rust, en de jongens keken met gerekte halzen naar hun doodgewaanden makker.

"Dan moet hij bewusteloos geweest zijn door gebrek aan lucht onder de boot!" zei Arent Bloem. "Bij het omslaan zal daar lucht onder gebleven zijn, en Nicolaas moet juist onder de boot boven water gekomen wezen.--Nicolaas! Nicolaas!"

En alle jongens riepen schreiende van vreugde: "Nicolaas! Nicolaas!"

Wie beschrijft hunne vreugde, toen zij zagen, dat Nicolaas inderdaad de oogen opende. Flauw, en zonder bewustzijn keek hij hen aan. Toen sloten zijne oogen zich weer.

"Beweeg hem de armen en beenen, jongens," zei Jan. "Hij komt meer en meer bij, en er bestaat nog hoop. Toe maar!"

De jongens volgden dien raad, met het gevolg, dat de ademhaling langzaam hersteld werd.

Eene groote menigte menschen naderde, en hoopte zich aan den oever op. Het nieuws had zich reeds met ongelooflijke snelheid door het dorp verbreid.

"Is hij gered?" werd er van den wal geroepen.

"Leeft hij nog?" vroegen anderen.

"Hij is gered, en leeft! Jan Willemsz heeft hem gered!" antwoordde Ary Kist.

Zoodra de boot aan den wal lag, drongen enkele mannen naar voren.

"Jongens, ga jelui zoo spoedig mogelijk naar huis, om droge kleeren aan te trekken. Je zult anders ongetwijfeld ziek worden. Wij zullen Nicolaas Calff intusschen naar zijne woning roeien, en ook de booten thuisbrengen. Toe, spoedig, je loopt al veel te lang in die natte plunje."

Die raad was goud waard, en de jongens spoedden zich naar huis. Telkens kwamen zij menschen tegen, die hun vroegen, of Nicolaas verdronken was. En jubelend van opgewondenheid en vreugde klonk dan hun antwoord:

"Hij leeft nog. Jan Willemsz heeft hem gered!... Hij leeft!"

Weldra hadden de knapen hunne respectievelijke woningen bereikt, en toen men ook daar vernam, wat er gebeurd was, voor zoover men het nog niet wist, heerschte er groote vreugde, dat alles zoo goed afgeloopen was. Als althans Nicolaas Calff herstellen mocht, wat iedereen wenschte, want de familie Calff was in hoog aanzien, en van Nicolaas hield iedereen.

In diens woning heerschte echter groote droefheid, want de tijding dat Nicolaas verdronken was, was daar aangekomen en had het gezin in diepen rouw gedompeld. Juffrouw Calff lag half bewusteloos op een ruststoel, terwijl haar echtgenoot en de ijlings ontboden meester Pomp, de chirurgijn, al het mogelijk deden, om haar weer bij kennis te maken. Haar hoofd en hare polsen werden met azijn en water gewasschen, en men sprak haar woorden van troost en berusting toe.

Sinjeur Calff was pas thuisgekomen, om zijne vrouw te zien en toe te spreken. Hij was verderop in de Westzijde geweest, en daar had de vreeselijke tijding hem bereikt. Dadelijk had hij zich op weg begeven, om eerst naar zijn huis te snellen, en dan naar de plaats des onheils.

"'t Is Gods wil geweest, lieve vrouw," sprak Sinjeur Calff, terwijl hij haar teeder kuste, "wij mogen niet murmureeren, en opstaan tegen Zijn wil."

Hij sprak deze woorden kalm en bedaard uit, maar de bleekheid van zijn gelaat bewees, dat hij zelf diep geschokt was. Telkens staarde hij gejaagd naar buiten. Hij had in huis rust noch duur.

"Ik ga ons kind halen, lieve vrouw," sprak hij zacht. "Spoedig ben ik weer hier. Tracht je te beheerschen..."

Maar de moeder wrong radeloos de handen en jammerde om haar kind,--en ook de overige huisgenooten schreiden heete tranen.

Sinjeur Calff stond op, om naar buiten te gaan, en zijn kind tegemoet te snellen.

Opeens werd de kamerdeur driftig geopend en Sinjeur Noomen, de vader van Cornelis, trad binnen.

"Goede tijding, vrienden, goede tijding!" riep hij hun vroolijk toe. "Droogt uwe tranen, en dankt God, want--Nicolaas leeft; hij leeft, zeg ik, al is hij den dood nabij geweest."

De ouders staarden hun vriend Noomen ongeloovig aan. Zij durfden deze gelukstijding bijna niet gelooven.

"Leeft hij, Noomen?" vroeg Sinjeur Calff, terwijl hij zijn vriend angstig aanstaarde en hem bij den arm greep.

"O, bedrieg mij niet, en geef mij geen ijdele hoop!" stamelde juffrouw Calff.

"Gods wegen zijn wonderbaar en ondoorgrondelijk, goede menschen," sprak Noomen ernstig. "Uw kind is onder de omgeslagen boot boven water gekomen, en moet daar eene voldoende hoeveelheid lucht gevonden hebben, om niet dadelijk te sterven. Toch was hij reeds totaal zonder bewustzijn, toen Jan Willemsz hem vond."

"Jan Willemsz?" vroeg Sinjeur Calff. "Van de weduwe Willemsz op den Lagen Horn?"

"Juist, dezelfde. Een kranige jongen, hoor. Hij kwam toevallig op de plaats des onheils, en zag uw hond, Castor, luid jankend op de omgeslagen boot zitten. Dat bracht hem op de gedachte, dat Nicolaas daar onder kon liggen. En met gevaar voor zijn eigen leven heeft hij zich onder de boot laten zakken, en mocht het hem met Gods hulp gelukken hem te redden."

Juffrouw Calff, die door deze heerlijke tijding weer geheel tot zichzelf gekomen was, stond van haar stoel op. Zij hief hare gevouwen handen ten hemel, en dankte den Hemelvader voor deze groote blijdschap en wonderbare redding. En daarna riep zij uit:

"Sinjeur Noomen, waar is mijn kind?--Waar is hij?"

"Houd u rustig en bedaard, juffrouw Calff. Men voert hem in de boot van Meindert Bloem herwaarts. Ik weet, dat hij leeft, ik weet het zeker, want ik heb hem zelf gezien, toen de boot door de sluis schutte. Elk oogenblik kunnen zij aankomen..."

Sinjeur Calff kon thans zijn ongeduld niet langer bedwingen. Met haastige schreden verliet hij de kamer, om zijn kind tegemoet te gaan.

Werkelijk duurde het maar kort, toen een luid geblaf de komst van Castor aankondigde. Op het volgende oogenblik sprong hij de kamer in, doornat, maar kwispelend met den staart, en blijkbaar in de grootste vreugde.

Wat werd het trouwe dier met blijdschap ontvangen. Juffrouw Calff sloeg hem de armen om den nek, en kuste hem op den kop. Toen spoedde zij zich naar de deur...

Daar naderden eenige mannen, met den verheugden vader aan het hoofd, die Nicolaas voorzichtig naar binnen droegen.

"O God,--hij is toch dood!" stamelde juffrouw Calff verschrikt.

"Neen,--neen,--hij leeft!" was het antwoord. "Waar wenscht u, dat we hem neerleggen?"

"Hier,--hier!" zei juffrouw Calff, op den ruststoel wijzende. "Hij moet toch eerst droge kleeren aan hebben, vóor wij hem op het bed kunnen leggen."

Zoodra Nicolaas op den stoel was geplaatst, knielde zijne moeder bij hem neer en kuste hem, terwijl vreugdetranen haar langs de wangen vloeiden, op het voorhoofd. Het doodsbleeke gelaat van haar kind verontrustte haar. Ook Sinjeur Calff drukte hem een kus op het gelaat, maar toen schoof hij zacht zijne vrouw terzijde, opdat meester Pomp gelegenheid zou hebben, zich met den knaap te bemoeien.

Deze borstelde hem de voetzolen en bewoog de armen van den patiënt op en neer. Daarop haalde hij een vlijmscherp mesje te voorschijn en gaf hem een snede in den arm, zoodat het bloed met een breeden stroom daaruit te voorschijn kwam. Thans kreeg de moeder het druk, want met de zindelijkheid aan de Saardamsche vrouwen eigen, duldde zij niet, dat een enkele druppel de matten op den vloer of het kussen van den stoel verontreinigde.

Het duurde maar kort, of Nicolaas opende de oogen en glimlachte zijn ouders, die hem in de grootste spanning aanstaarden, dankbaar en gelukkig toe.

"Breng thans droge kleeren, juffrouw Calff," sprak meester Pomp. "Ik geloof te mogen voorspellen, dat hier alles spoedig ten beste gekeerd zal zijn, en dat er voorloopig geen gevaar is."

Deze woorden gaven aan de ontstelde gemoederen de noodige kalmte weder. Nicolaas werd verschoond en voorzichtig te bed gelegd, waar hij spoedig in slaap viel. Een paar uren later, toen het al schemerig begon te worden, ontwaakte hij, en vertelde uitvoerig aan zijne ouders, wat er gebeurd was.

Wie hem gered had, en hoe dat in zijn werk was gegaan, kon hij echter niet zeggen, want daarvan wist hij niets. Groot was dus zijne verbazing, toen zijn vader hem zeide, dat hij onder de omgeslagen boot terecht gekomen was, en door de daaronder opgesloten lucht eenigen tijd voor verstikking was bewaard gebleven, en hoe hij eindelijk was gered door Jan Willemsz, die daarvoor zijn eigen leven gewaagd had. Dat ook Castor zich zoo flink gehouden had, werd in kleuren en geuren verteld. Eindelijk zeide Sinjeur Calff, terwijl hij opstond:

"En nu ga ik naar den Lagen Horn, naar Jan Willemsz, om hem dank te zeggen voor hetgeen hij heeft gedaan. Dat is niet meer dan mijn schuldige plicht, en de brave jongen heeft aanspraak op onze levenslange dankbaarheid."

"Dat is goed, lieve man, en zeg aan de weduwe Willemsz, dat ook ik haar spoedig bezoeken zal. Ik beschuldig mij toch reeds sedert eenigen tijd, dat ik de arme ziel te veel aan haar lot heb overgelaten. Maar voortaan zal zij daarover niet meer te klagen hebben."

De vader nam hoed en stok, en kwam naar het bed van Nicolaas, om hem nog eenmaal over de wang te strijken.

"Tot straks, mijn jongen," zei hij teeder.

"Dag Vader.--Maar wacht u nog even. Ik herinner mij, dat Jan Willemsz dezen middag naar het Bonte Calff zou gaan, om te trachten als kajuitswachter aangemonsterd te worden. Zijn broer Jacob vertelde mij, dat zij het erg arm hebben, Vader,... en..."

"Nu,.... en...?" vroeg Sinjeur Calff glimlachend.

"Och Vader, als u iets voor hem doen kon.... Ik zou hem zoo graag onze groote dankbaarheid ook willen toonen door onze daden, Vader."

"Ik zal er onderweg over nadenken, mijn kind. Tot straks."

De vader verliet de kamer en begaf zich naar de armoedige woning der weduwe. De afstand was niet groot; hij had haar dus spoedig bereikt.

HOOFDSTUK IV.

HET BEZOEK VAN SINJEUR CALFF, EN DE GEVOLGEN DAARVAN.

Het was donker in 't kleine vertrek. De avond was gevallen, en door de kleine ruitjes van het lage raam kon van buiten af weinig licht binnendringen. Trouwens, daar was het ook vrij donker, maar toch niet zoo erg als in het kamertje.

De tafel was voor het raam geschoven. Aan de eene zijde zat de moeder, met kleine zus, die sliep, op haar schoot, en aan den anderen kant zaten de beide jongens. Er werd geen smeerkaars gebrand, omdat de moeder geen geld had gehad, om er een te koopen. Zij staarde op de tafel voor zich, en zuchtte somwijlen zeer zwaar, zonder dat zij er zelf erg in had. Zij was in hare gedachten verdiept, en die waren van droevigen aard, want nu Jan door den Commandeur niet aangenomen was, wist zij werkelijk niet, wat zij moest beginnen.

Ook de beide jongens spraken niet. Het koude bad in de Zaan had hun wel geen kwaad gedaan, maar zij waren, door hetgeen er dien middag was gebeurd, toch ernstig gestemd. Bovendien was Jan zeer terneergeslagen door de groote teleurstelling, die hij had ondervonden.

Eindelijk verbrak de moeder de stilte.

"Wat is het toch vreeselijk jammer, kind," zeide ze tot Jan. "Eerst had ik wel veel bezwaren, maar nu ik er goed over had nagedacht, moest ik toegeven, dat het onze eenige uitredding was, en hoopte ik, dat het gelukken zou. Maar je kunt het morgen nog wel eens beproeven bij de andere Commandeurs. Er liggen toch nog verscheidene andere schepen voor de uitvaart gereed?"

"O ja, Moeder, heel veel, maar als Commandeur Jan Folkersz mij niet durft aannemen, zullen de anderen het zeker niet doen. Neen, Moeder, 't zou moeite voor niets zijn.--U weet toch, dat hij straks hier komt?"

"Ja, je hebt het gezegd. Ik zal het hem toch nog eens vragen. Wie weet, of hij niet door medelijden gedreven van plan verandert. Er móét iets gebeuren, kinderen. 'k Heb geen brood meer in huis voor eene avondboterham, en je moet zonder eten naar bed. Alleen voor kleine zus is er nog een stukje..."

De jongens zeiden niets.

Opeens zagen zij eene zwarte gedaante voorbij het raam loopen, en een oogenblik later werd de bovendeur geopend, en daarna de onderdeur. Iemand stapte de donkere kamer binnen, en bleef aan den ingang staan, zeker omdat hij door de duisternis niets onderscheiden kon.

"Goedenavond, samen!" klonk de groet van Sinjeur Calff, want deze was het.

"Goeden avond, Sinjeur!" sprak de weduwe, en de beide jongens zeiden ook: "Goeden avond, Sinjeur."

En de weduwe vervolgde:

"Kom nader, Sinjeur, en Jan, schuif een stoel bij de tafel. Ik weet waarlijk niet, wie zoo laat nog..."

"Ik ben Cornelis Michielsz Calff, vrouw Geerte," sprak de koopman naderbijkomend, "en ik kom wel mijn innigen dank betuigen aan uw zoon Jan, wien wij naast God het leven te danken hebben van Nicolaas. Geef mij de hand, jongen, en wees overtuigd van onze groote erkentelijkheid. Je hebt eene daad gedaan, een volwassen man waardig."

Jan stond op, en gaf Sinjeur Calff de hand, die deze hartelijk drukte.

"Zonder jou hulp was mijn jongen er niet meer," sprak de koopman ontroerd. "Vrouw Geerte, u mag trotsch op den knaap zijn. En mijn vrouw heeft mij opgedragen u de mededeeling te doen, dat ook zij spoedig komen zal, om u te bezoeken en Jan haar dank te brengen."

"Geen dank, Sinjeur," sprak de weduwe. "Jan heeft slechts zijn plicht gedaan. Maar gaat u toch zitten, Sinjeur. Hier heeft u een stoel. Neemt u me niet kwalijk, dat het hier zoo donker is, maar ik had op 't oogenblik geen kaars in huis, en...."

't Was maar goed, dat het zoo donker was, want nu kon Sinjeur Calff niet zien, hoe de arme vrouw bloosde bij die woorden. Zij had nog nooit met hare armoede te koop geloopen, en wilde die ook nu nog voor haar bezoeker verbergen. Maar dat wilde Sinjeur Calff juist niet, want hij was gekomen om hulp te brengen. Zijn dankbaar hart noopte hem daartoe.

"En hoe gaat het thans met uw zoon?" vroeg vrouw Geerte, die de kleine zus op een anderen stoel zette, omdat zij wakker geworden was en om brood vroeg. De weduwe haalde haar laatste stuk uit de kast, en reikte het haar over.

"Gode zij dank, het gevaar is geweken," sprak Sinjeur Calff. "Meester Plomp heeft hem eene aderlating gegeven, en die heeft uitstekend bij hem gewerkt. Hij laat Jan ook hartelijk door mij bedanken."

De kleine zus had spoedig haar stukje brood opgegeten, en zeide: "Ikke nog meer brood, Moe!"

"Neen, kind, nu niet," antwoordde de moeder, die ternauwernood een droevigen zucht kon onderdrukken. "Zus gaat nu naar bed."

"Ikke nog meer brood, ikke nog meer brood. Zus nog niet genoeg!" hield de kleine meid vol. En toen hare moeder haar op den schoot nam, om haar uit te kleeden, begon zij hevig te schreien, en spartelde met armpjes en beentjes tegen.

"Hoor eens, vrouw Geerte," sprak Sinjeur Calff, wiens oogen nu wat aan de duisternis gewend raakten, "dat zal zoo niet gaan. Die dikke meid lust nog wel een boterhammetje. Aan zoo'n klein stukje kan zij niet genoeg hebben."

De arme vrouw, wie toch het angstzweet al uitgebroken was, omdat dit nu juist gebeuren moest, terwijl er een vreemde heer in huis was, barstte in tranen uit.

"Ach Sinjeur," zei ze, "spreek toch zoo niet. Ik heb het kind mijn laatste stuk brood gegeven, en ik schaam mij..."

Sinjeur Calff stond op en haalde zijne beurs te voorschijn. Hij nam er eenig geld uit, dat hij aan Jan overhandigde, en zeide:

"Hier jongen, haal jij eens brood, melk en kaarsen. Als de wind zoo vlug, hoor!"

Jan was de deur al uit.

"En jij, kleine meid, wacht maar eventjes," vervolgde Sinjeur Calff. "Straks krijg jij nog eene lekkere stuk, hoor, een dikke!"

Zus begon te lachen, en liet zich gewillig uitkleeden.

"En vrouw Geerte," vervolgde Sinjeur Calff, terwijl hij haar de hand op den schouder legde: "Droog uwe tranen, want ik zal voortaan voor u zorgen. De goede God heeft mij, ik zeg het met bescheidenheid, met groote rijkdommen gezegend, en ik maak er mij een feest van, in dit gezin den nood te lenigen. Zoolang ik leef zal hier geen brood meer ontbreken in de kast."

De vrouw drukte hem ontroerd de hand, en zeide:

"Thans is het aan ons, om dankbaar te zijn, Sinjeur. Maar wij willen werken voor ons brood, want wij zijn geen bedelaars en houden de hand niet op voor aalmoezen. O Sinjeur, help ons aan werk; dat zou eene weldaad zijn."

Op dit oogenblik kwam Jan terug. De kleine zus kreeg een flinke stuk en een kroes melk, en de weduwe maakte licht.

"Hoor eens hier, Jan," vervolgde Sinjeur Calff. "Ben jij van middag naar het Bonte Calff geweest?"

"Ja, Sinjeur."

"En wat heeft Commandeur Jan Folkersz je geantwoord? Heeft hij je aangenomen?"

"Afgewezen, Sinjeur. Ik ben nog te klein, zei hij, en moet eerst nog een paar jaartjes groeien."

"Nu luister dan eens, naar hetgeen ik je zeg. De volgende week Woensdag, 's morgens om tien uur, zal de Commandeur de equipage aanmonsteren in de herberg "Spitsbergen," je weet wel, op den hoek van den Dam, tegenover de Oostzijder kerk. Kom jij je daar aanmelden, dan sta ik er borg voor, dat je aangenomen zult worden als kajuitswachter."

"O Sinjeur!" riep Jan vroolijk uit. "Dank u, dank u! Hoort u, Moedertje, hoort u dat? Nu zijn de bange dagen voorbij!"

"Ja jongen," viel Sinjeur Calff in, "dat zijn ze ongetwijfeld. Je moeder zal geen zorg meer hebben, maar zij wenscht, dat er voor gewerkt zal worden, en dat prijs ik in haar. Jelui zult geen genadebrood eten, daarvoor sta ik je borg. Jij Jan, komt bij de Groenlandsche vaart, en als je je best blijft doen, groeit er misschien nog wel een Commandeur van je. En Jacob zal op mijne kosten schoolgaan en de scheepvaart leeren. Op mijne schepen is nog plaats genoeg. Intusschen kan uwe moeder naaiwerk verrichten. Dan kan ze bij kleine zus blijven, niet waar?"

Vrouw Geerte was zeer ontroerd, en zij dankte Sinjeur Calff met tranen in de oogen. En Jan kon van blijdschap bijna niet spreken.

Een oogenblik later trad Commandeur Jan Folkersz binnen, en deze was niet weinig verrast, daar ook Sinjeur Calff aan te treffen. Hij had reeds van Jan's dappere daad gehoord en prees er hem uitbundig over. Hij wenschte zijn reeder geluk met de redding van zijn zoon, en vernam van hem, dat Jan als kajuitswachter bij hem geplaatst zou worden. Dat deed hem groot genoegen, want na de flinke daad van Jan was hij toch dadelijk reeds besloten geweest, Sinjeur Calff over den knaap te spreken. Dat was nu niet meer noodig. En toen een kwartiertje later de beide heeren vertrokken, lieten zij een overgelukkig gezin in het kleine huisje achter.

Jan kon 's avonds niet in slaap komen van vreugde, en het was al over elven, toen Jacob hem een por tusschen de ribben gaf, en hem toevoegde:

"Zeg, heerlijk voor je, hè, om te gaan varen!"

"Zoo, ben jij ook nog wakker?" vroeg Jan, die in de meening verkeerd had, dat Jacob allang sliep.

"Ik heb nog geen oog dicht gedaan," zei Jacob. "Ik moet er aldoor aan denken. Ik wou, dat ik met je meê mocht."

"Later ga je ook varen, heeft Sinjeur Calff gezegd; heb dus maar geduld. O, Jacob, ik ben toch zoo blij, om Moeder, weet je. Nu is ze uit de zorg!"

"Ja, dat is ze. En Jan," vervolgde Jacob lachend, "pas maar op, dat je niet net als Jacob Dieukes van Assendelft paardje gaat rijden op den rug van een walvisch. Je mocht er eens niet zoo goed afkomen als hij."

"'t Liefst niet!" zei Jan. "Wie gaat er nu paardrijden op den rug van een walvisch? En wie is die Jacob Dieukes?"

"'t Is toch echt gebeurd," zei Jacob, "want Jonge Kees heeft het me zelf verteld. Jacob Dieukes was een harpoenier, die een getroffen walvisch een tweeden harpoen in het lichaam wilde werpen. Maar de visch kwam juist onder de sloep boven water, wat zoo'n schok gaf, dat de harpoen Jacob uit de handen viel precies in den rug van den visch. En de harpoenier viel ook uit de sloep, en kwam naast zijn harpoen terecht. En het trof erg ongelukkig, want de lijn van den harpoen was hem twee bochten om zijn been geslagen, en hij kon zich niet losmaken. Toen moest hij wel meê, of hij wilde of niet. Zeg Jan, dat zal toch ook een benauwd oogenblik voor hem geweest zijn, denk ik."

"Of het," zei Jan. "Hij liever dan ik."

"Ja, maar hij wou ook niet graag, en hij keek angstig uit naar hulp. Verbeeld je eens, dat de walvisch onder water gedoken was voor een minuut of wat. Dan was Jacob meegesleurd en verdronken."

"Wis en zeker," zei Jan. "En hij is nog losgekomen?"

"Dat zal ik je vertellen. De andere sloepen roeiden, wat ze konden, om den walvisch in te halen, maar dat gelukte hun niet, want de visch was nog maar pas getroffen en had dus nog veel kracht. Toen riepen zijn kameraden hem toe:

"Jacob, snijd de lijn aan stukken!"

"Natuurlijk, dat was zijne eenige redding!" zei Jan. "En deed hij het?"

"Neen, hij deed het niet, want hij kòn niet, omdat het mes hem dwars in zijn zak lag, zoodat hij het er niet uit kon krijgen. Hij hield zich stevig vast aan de lijn van den harpoen, want als hij dat niet gedaan had, was hij van het glibberige beest afgegleden in het water, met het hoofd naar beneden, omdat hij met zijn been in de lijn verward zat. Het was echter zijn geluk, dat de harpoen losraakte, zoodat hij zijn waterpaard verlaten kon. En 't was juist bijtijds, want een oogenblik later dook de visch onder...."

"Hebben de anderen hem toen gered?" vroeg Jan.

"Ja, en den visch hebben zij nog gevangen ook. Maar 't was met dat al toch eene wonderlijke manier, om uit varen te gaan, en ik zou je niet raden, om het hem na te doen."

"'k Heb er ook geen plan op.--Maar jou raad ik aan, nu te gaan slapen, want het is haast middernacht. Wel te rusten!"

"Geen haar minder op je pruik," wenschte Jacob, en weldra sliepen zij beiden in.

's Woensdags daaropvolgende ging Jan op weg naar de herberg "Spitsbergen," om zich te verhuren. Maar hij was nog geen honderd schreden op weg, of hij zag Nicolaas Calff naderen, in gezelschap van zijn trouwen hond. 't Scheen wel, of het dier Jan dankbaar was, voor hetgeen deze gedaan had, want hij kwam kwispelstaartend op hem toe, en likte hem de handen. Soms sprong hij luid blaffend om hem heen.

"Dag Nicolaas, weer geheel beter?" zei Jan.

"Gelukkig wel!" was het antwoord van Nicolaas, terwijl hij Jan de hand gaf. "Zonder jou was ik mortibus geweest naar alle waarschijnlijkheid, en ik dank je wel voor je kloekmoedige daad, Jan. Maar zeg, waar ga je heen? Naar de herberg "Spitsbergen?"

"Ja, om mij te verhuren. Je weet, dat je vader het mij heeft beloofd?"

"Ja, dat weet ik," zei Nicolaas. "Ik ga met je meê. Vader is er ook."

De beide jongens en Castor vervolgden hun weg en kwamen weldra op den hoek van den Dam aan. Vroolijk wapperde de vlag uit een van de bovenramen der herberg, en een groote menigte volks bewoog zich op de straat daar voor. Van heinde en verre waren mannen en jongelieden opgekomen, om zich op de vloot te verhuren. Arbeiders van de Saardamsche pel- en oliemolens, welke 's zomers weinig of met halve kracht maalden, hadden zich oudergewoonte opgemaakt, om zich een plaatsje op de Groenlandsche vloot te veroveren, en uit vele Noord-Hollandsche dorpen, ja zelfs uit Friesland, van de eilanden der Noordelijke kusten, uit Duitschland, Jutland en Noorwegen was men naar hier getogen, om zich voor de vaart te laten aanmonsteren. 't Was dientengevolge zeer druk op de straten, en men hoorde spreken in velerlei dialecten en talen.

Maar Jan bekommerde zich allerminst om die groote concurrentie, want hij vertrouwde volkomen op de belofte van Sinjeur Calff, dat hij aangenomen zou worden.

Hij werd dan ook zeer vriendelijk ontvangen door den Commandeur Jan Folkersz, en door dezen op vriendelijke wijze als kajuitswachter gehuurd. 't Was zeer druk in de herberg, en Jan bevond zich daar te midden van stuurlieden, matrozen, timmerlieden, kuipers, koks, harpoeniers en zelfs chirurgijns. Want met elk schip ging een chirurgijn mede, die de zieken aan boord moest behandelen en tevens als barbier fungeeren.