Part 3
Dit was echter gemakkelijker gezegd, dan gedaan, want Jacob Willemsz nam zijn riem van de pen, en duwde den zeeroover met alle kracht van zijn boord af. En de Admiraal riep kapitein Dirk Rogge toe, dat Claes Salm uit diens boot op de zijne moest overstappen, want Claes Compaan had niet alleen een lichtere boot, maar bovendien had hij twee roeiers aan boord, waardoor Nicolaas Calff het wel móést verliezen.
Het gelukte Claes Salm aan boord van het Admiraalschip te komen, en nu roeiden Jacob Willemsz en hij zoo snel voort, als zij konden. Maar de zeeroover gaf geen kamp. Zijne beide roeiers spanden ook alle krachten in, en zelfs de rooverkapitein ontzag zich niet, de riemen door opduwen meerdere kracht bij te zetten.
Michiel de Ruyter verloor steeds terrein, zoodat ook hij zich genoodzaakt zag, de riemen te gaan opduwen. Intusschen was het een zoo geducht leven op het water, dat Castor, de hond, er zijne kalmte bij verloor, en begon te grommen en met zijn staart te kwispelen.
"Stil maar, Castor, er is geen kwaad bij, hoor, 't is maar spel.--Stil Castor!--Toe jongens, nog harder roeien, als je kunt, want Claes Compaan haalt ons meer en meer in!"
Het andere rooverschip, waarin Teeuwis Rogge en Heyn Pomp gezeten waren, kwam een geducht eind achteraan. Tegen zulk roeien konden zij niet op. Maar zij volgden den strijd met de grootste belangstelling, en moedigden hun hoofdman door luide kreten aan tot meerdere krachtsinspanning. Michiel de Ruyter moest echter tot zijne groote ergernis ontwaren, dat de strijd vermoedelijk in zijn nadeel beslist zou worden, want eindelijk had de zeeroover hem ingehaald en stond deze gereed hem de enterhaken aan boord te werpen.
"Ha, ha! Je bent er gloeiend bij, dappere Admiraal!" voegde Claes Compaan hem sarrend toe. "Allo, mannetje, laat mij je papieren eens zien. Ik geloof, dat jij een schip bevaart, dat mijn eigendom is.--Geef je over!"
"Nooit!" antwoordde Michiel. "Houdt die kerels van boord, jongens!--Kom ons te hulp, kapitein Rogge!"
"Daar dan!" schreeuwde Claes Compaan, terwijl hij den haak, die met een ketting aan de bank van zijne boot vastzat, aan boord van het convooischip wierp. De haak greep zich aan den rand vast, en nu werd het vaartuig naast dat van den zeeroover getrokken. De booten lagen tegen elkander. De roeiers haalden hunne riemen binnen boord, en nu werd het een gevecht van man tegen man, natuurlijk onder het uitstooten van verwoede kreten. De hond blafte en gromde als een razende, en de booten schommelden geducht heen en weer.
Er was een zeer drukke scheepvaart op de Zaan, en zoolang de jongens elkander eenvoudig met groote snelheid naroeiden, had men er geen kwaad in gezien. Maar nu zij overgingen tot zulk een verwoed spiegelgevecht, vond men het een hoogst gevaarlijk spelletje, en van menig voorbijzeilend vaartuig werden waarschuwende stemmen vernomen.
"Past op, kwâjongens! Moet jelui verdrinken?" En even later klonk het weer:
"Die booten zullen omslaan, deugnieten. Wil je er wel eens mede ophouden?"
En een derde riep: "Heidaar! Heidaar! Dat loopt verkeerd, jongens, dat gaat te wild."
Maar de jongens waren zoo in het vuur van hun spel, dat zij die stemmen niet eens hoorden. Claes Compaan deed alle moeite, om met Jan Gekeer en Cornelis Noomen op het convooischip over te springen, wat hun door Michiel de Ruyter en Claas Salm belet werd. Intusschen probeerde Jacob Willemsz den haak los te maken, waardoor hun schip weer vrij zou komen. Maar dat gelukte niet, want de haak was een weinig in het hout gedrongen.
De hond sprong luid blaffende en brommende in de boot heen en weer, en greep ten slotte den rooverkapitein zoo geducht in het been, dat deze van den schrik bijna achteruit in het water sprong.
"Dat akelige beest!" riep hij uit. "Ik was juist bijna in het vijandelijke schip!--Au--het doet zeer ook!" Maar hij vergat de pijn heel spoedig en hervatte den strijd. En het moet gezegd worden, dat hij zich geducht weerde.
Op dit oogenblik was ook het tweede rooverschip op het terrein van den strijd aangekomen en wilde den hoofdman juist te hulp komen, toen kapitein Rogge hem op zijde kwam, en den strijd met hem aanbond. Maar dat lag niet in de bedoeling van Teeuwis. Hij trachtte zijn broeder Dirk te ontkomen, om ook het Admiraalsschip aan te vallen.
De strijd werd nu algemeen, en de hond maakte zulk een vervaarlijk leven, dat de waarschuwingen der voorbijvarende schippers niet eens tot de vechtende jongens doordrongen.
Het gelukte Teeuwis inderdaad, het Admiraalsschip aan de andere zijde te naderen, en nu trachtten hij en Heyn Pomp dat schip te bestormen. Nicolaas Calff zag het dreigende gevaar, maar hij was met zijne beide roeiers niet in staat, de vijanden aan twee kanten tegelijk te keeren. Toch verdedigde hij zich met mannenmoed. Nu eens duwde hij een aanvaller uit zijne boot terug, dan weer drukte hij de boot van Teeuwis achteruit. En zoowel Dirk Rogge als Arent Bloem moesten het lijdelijk aanzien, dat het Admiraalsschip een prooi der vijanden werd.
"Houd je goed, Admiraal!" schreeuwde Arent.
"Gooit ze er uit!" riep Dirk. "Toe Arent, laten wij op het rooverschip overspringen. Dan wordt de strijd meer verdeeld!"
Deze raad was goud waard. Zij naderden de boot van Claes Compaan, en sprongen daar op over.
Teeuwis keek echter goed uit zijn oogen, en nauwelijks had hij gezien, wat Arent Bloem en Dirk Rogge van plan waren, of hij kwam met zijn boot naderbij en snelde zijn hoofdman te hulp.
"Hoezee voor Claes Compaan!" riep hij luidkeels, terwijl hij Arent Bloem, die juist gereed stond om op het Admiraalsschip over te springen, met kracht achteruit duwde, bijna met te veel kracht, want Arent sloeg haast over boord.
"Hoezee voor Claes Compaan!" riepen de andere zeeroovers.
"Goed gedaan, Teeuwis," schreeuwde Ary Kist, die met Michiel de Ruyter in een hevig gevecht gewikkeld was. "Zóó moeten ze hebben!"
"Leve Bestevaar Michiel!" klonk de stem van Jacob Willemsz, die zijne pogingen om den haak los te krijgen, had opgegeven, en zich met kracht tusschen de strijdenden wierp.
Het Admiraalsschip kreeg het bitter kwaad te verantwoorden, en bijna alle jongens waren thans in die boot vereenigd.
"Neemt hen gevangen!" riep Ary Kist zijne volgelingen toe.
"Dat nooit!" klonk het van de tegenpartij.
"Geef je dan over!" schreeuwde Ary Kist weer.
"Nooit ofte nimmer!" was het antwoord.
De boot van Nicolaas Calff schommelde angstwekkend heen en weer, en hield, door de te zware vracht, weinig boord meer. Maar de jongens hadden er in het vuur van den strijd geen erg in, evenmin als in de waarschuwingen van de voorbijvarende schippers.
Opeens sprongen ook Dirk Rogge en Claes Salm op het Admiraalsschip over, juist toen het aan stuurboord sterk overhelde, doordat de strijdende jongens zich te veel op een zijde samengehoopt hadden.
Het gevolg was ontzettend.
Door den schok schepte de boot water en sloeg totaal om, haar kostbaren inhoud in de breede Zaan uitstortende.
Een verbazende schrik maakte zich meester van de jongens, die nog niet op de boot van Nicolaas Calff waren overgesprongen. Doodsbleek staarden zij op de oppervlakte van het water, dat zich onmiddellijk boven de hoofden hunner makkers gesloten had. De omgekeerde boot, waarvan de enterhaak losgemaakt was, dreef met de kiel boven, langzaam verder, medegesleept door stroom en wind.
Teeuwis Rogge, Heyn Pomp en Jan Louwrensz waren het gevaar ontkomen. Zij stonden als versteend in de boot.
Ook op de schepen had men gezien, wat er gebeurd was, en onmiddellijk werden hier en daar de zeilen gestreken, om zoo mogelijk ter hulp te snellen.
De eerste drenkeling, die boven kwam, was Ary Kist, en daar hij zich dicht bij de boot bevond, werd hij spoedig gered. Ook de andere jongens kwamen boven water, en riepen luidkeels om hulp. Van verschillende kanten kwamen booten aanroeien, en het gelukte de mannen, alle jongens te redden, naar zij meenden. Zij werden aan den wal gebracht, en kregen de vermaning, hunne booten aan den kant vast te leggen en zoo spoedig mogelijk naar huis te gaan, om droge kleeren aan te trekken.
De hond zwom nog heen en weer, alsof hij iets zocht. Maar eindelijk kwam ook hij aan wal. Hij schudde zich het water uit de haren en liet zijne ooren klappen, en liep toen vlug tusschen de jongens door, die elkander zwijgend van schrik en ontsteltenis aanstaarden. Hij besnuffelde iedereen en begon toen jammerlijk te janken.
"Wat scheelt hem toch?" vroeg Ary Kist. En opeens zijne kameraden een voor een aanziende, vroeg hij bevend van schrik: "Waar is Nicolaas Calff? O God,--hij is verdronken!--"
"Verdronken?" stamelden de anderen, elkander als het ware tellende. "O, o,--Nicolaas is er niet!--Hij is verdronken..."
Enkele jongens begonnen te schreien, en de hond liep angstig en gejaagd langs den oever. Opeens wierp hij zich met een sprong te water, en zwom weer naar het midden van de Zaan.
Maar hoe het trouwe dier ook zocht, het kon zijn jongen meester niet terugvinden. Het zwom voortdurend om de omgeslagen boot, en klom er eindelijk zelfs bovenop, van welke plaats het een jammerlijk klaaggeschrei deed hooren, dat den ontroerden jongens door merg en been drong.
De menschen, die met hunne roeibooten te hulp waren gesneld, roeiden nog eenigen tijd op het water rond, om den verlorene te zoeken, maar hunne pogingen waren vergeefsch.
Helaas,--de jongens hadden een van hunne meest beminde makkers verloren.
Geen van hen was zijn tranen meer meester, en zij weenden om den dood van hun jongen vriend.
HOOFDSTUK III.
EEN VERGEEFSCHE TOCHT EN EENE WONDERBARE REDDING.
Jan Willemsz was met goeden moed en vol hoop op de toekomst op weg gegaan, om een bezoek te brengen aan het Bonte Calff en diens Commandeur, welk schip, evenals zeer vele andere, voor de Groenlandsche visscherij werd uitgerust. De walvischvaart was in dien tijd tot grooten bloei gekomen, wat kan blijken uit het feit, dat in dat jaar (1697) niet minder dan honderd en elf schepen ter uitvaart gereed lagen. En een zeer groot deel daarvan hoorde in Saardam thuis en werd door Saardammers bemand. Het is te begrijpen, dat hierdoor groote welvaart in die plaats ontstond. Talrijke scheepstimmerwerven trof men er aan,--want de Saardammers waren om hun voortreffelijken scheepsbouw niet ten onrechte vermaard,--zeilmakerijen, touwslagerijen, kompaswinkels, kortom, van alles wat op de scheepvaart betrekking had, kon men in de Zaansche dorpen vinden. Er heerschte daar in die dagen eene zoo groote bedrijvigheid, dat de bestuurders der gemeente het noodig geoordeeld hadden, de kinderen te verbieden om twaalf uur op straat te loopen, omdat zij anders in gevaar verkeerden onder den voet te raken door het vele volk, dat dan van de verschillende werkplaatsen huiswaarts keerde. Wanneer wij hier nog bijvoegen, dat in datzelfde jaar door de Hollandsche visscherij niet minder dan 1274 walvisschen gedood werden, dan kan men zich eenigszins een denkbeeld vormen van de groote vlucht, die deze visscherij toen genomen had.
Jan Willemsz had het schip spoedig bereikt. 't Was een zeer mooi vaartuig, dat nog niet lang in de vaart was. De masten verhieven zich fier in de lucht, en de Hollandsche vlag wapperde vroolijk van den top.
Jan wist, dat de Commandeur zich elken dag aan boord bevond, om voor de goede uitrusting te zorgen. En dat vereischte veel nadenken en groote nauwkeurigheid. Het Bonte Calff was een van de grootste walvischvaarders, want hij had 6 sloepen aan boord en zou met 42 koppen worden bemand. 't Is dus te begrijpen, dat er heel wat voor noodig was. Er lag dan ook een zwerm van booten rondom, die allerlei waren voor de groote reis aanbrachten. Er waren booten met vaten, waarin het spek van den walvisch moest worden bewaard, booten met levensmiddelen, met ankers, harpoenen, touwen, zeilen, enz. enz. De Commandeur liep op het dek rond met een groot papier in de hand, waarop hij telkens aanteekeningen maakte. Een viertal matrozen was druk in de weer, om alles in het ruim te bergen en daar een goede plaats te geven.
Het schip lag een weinig van den wal voor anker, daar het vlak aan den kant op die plaats te ondiep was. Jan moest dus een goede gelegenheid afwachten, om aan boord te komen.
Maar spoedig was die gevonden. Een bootje met ijzerwerk, geroeid door Gerrit Kist, den vader van Ary, kwam aangevaren, en Jan besloot dadelijk hem te vragen, of hij meê mocht aan boord. Kist was een buurman van hem. Hij woonde wel niet vlak naast hem, want Jan's huis lag aan den Lagen Horn en Kist bewoonde een huis op het Krimp, maar de afstand was toch niet groot, en zij zagen elkander dagelijks. Ook kwam Kist wel bij zijne moeder aan huis, om een buurpraatje te maken.
"Heidaar, Gerrit-buur, mag ik meêvaren?"
"Zoo Jantje, ben jij daar? Met alle plezier, hoor. Ik zal je afhalen."
Met een paar forsche slagen was Kist naar den wal geroeid, en Jan stapte in de boot.
"Wat moet jij aan boord van dien walvischvaarder doen, Jan?" vroeg Kist nieuwsgierig, want hij zag wel aan het ernstige gelaat van den jongen, dat deze daar niet alleen voor de grap was.
"'k Wil probeeren, of ik kajuitswachter kan worden, buurman," was het antwoord. "Zou dat gelukken, dunkt u?"
Kist trok een bedenkelijk gezicht en haalde de schouders op. "Je kon wel licht genoeg van postuur zijn, jongen," zei hij. "Alevel, 't is te probeeren! Vindt je moeder goed, dat je gaat varen? 't Is altoos een gevaarlijk werkje. Je weet toch wel, dat er verleden jaar zes schepen van de Hollandsche visscherij verongelukt zijn?"
"Ja, dat weet ik wel, maar moeder vindt het gelukkig goed, buurman. En u moet niet vergeten, dat er heel wat schepen naar het Noorden gaan, dus dat het geen wonder is, als er eens een paar niet terugkeeren."
"O, ik weet het getal precies. Verleden jaar zijn er honderd uitgevaren en vierennegentig teruggekeerd. Enfin, 't is eene goede broodwinning, beter dan die van smidsknecht. Ik had ook vrij wat beter gedaan, als ik ambachtsman in Rusland gebleven was, bij den Czaar. Toen verdiende ik goed geld, en tegenwoordig is het maar schraaltjes.--Ohoi, Commandeur! hier is het bestelde ijzerwerk."
De boot was het schip genaderd, en de Commandeur keek over de verschansing.
"Zoo Gerrit Kist,--ben je daar? Je komt goed op tijd en bent een man van de klok. Wij zullen een ketting over boord gooien, waaraan een haak bevestigd is. Als jij daar de dingen aan hangt, zullen we ze aan boord hijschen."
"Wel goed, Commandeur, maar hijsch dan eerst dezen jongen aan boord. Hij heeft wat met u te bespreken."
De Commandeur keek den jongen scherp aan, om te zien, of hij hem kende.
"Wou jij me spreken, ventje?" vroeg hij.
"Graag, Commandeur!" was het antwoord van Jan, die eene kleur kreeg, toen hij den Commandeur ventje tegen hem hoorde zeggen. "Ophijschen is echter niet noodig, Commandeur. Gooi maar een touwtje overboord, dan zal ik me wel redden."
De Commandeur deed het, en Jan klauterde vlug als eene kat omhoog. Hij wilde toonen, dat hij in elk geval behendig en vlug was, al behoorde hij niet tot de grooten.
"Dat heb je er kranig afgebracht, jongen," zei de Commandeur. "En wat heb je me nu te zeggen?"
Jan sloeg zijne hand aan de muts, en vroeg flink en op den man af: "Commandeur, ik kom u vragen, of u mij zou willen aanmonsteren als kajuitswachter. Ik ben wel niet groot, maar gezond en sterk..."
"Geen sprake van, knaap," was het antwoord van den Commandeur. "Je bent vlug genoeg, dat heb ik gezien, maar ik vind je veel te klein van stuk. Kom over een paar jaartjes nog maar eens terug en groei in dien tijd zoo hard, als je kunt. Je moet eerst een hoofd grooter worden."
Jan hield verdrietig de oogen op het dek gericht, en zijne groote teleurstelling stond hem op het gelaat te lezen. Dat bleef voor den Commandeur, die een goedhartig zeeman was, dan ook niet verborgen, en deze vroeg hem:
"Spijt je dat zoo, mijn jongen? Had-je zoo graag ter walvischvaart willen gaan?"
"Ja, Commandeur," zei Jan zacht, "en ik had gehoopt, dat u mijn geringe grootte over het hoofd had willen zien, ter wille van mijn armen vader..."
Jan's gemoed schoot vol, en tranen vulden zijne oogen. "Wij hebben het zoo noodig, Commandeur," zei hij nog.
"Je vader?--Ken ik dien dan?"
"U heeft hem gekend, Commandeur. Hij heeft onder u zijne laatste reis gemaakt, en is niet weer thuisgekomen. Mijn vader heette Willem Jansz..."
"Willem Jansz? Die arme kerel!" riep de Commandeur uit. "Zeker, zeker, heb ik hem gekend. En ben jij zijn oudste zoon?"
"Ja, Commandeur."
"Je vader was een beste kerel, hoor, een zeeman op en top. En om zijnentwil zou ik je graag nemen, als ik kon. Maar je bent werkelijk te klein, te licht. De reeders zouden het niet goedkeuren, dat ik je aanmonsterde. En hebben jullie het arm, zeg je?"
"Ja Commandeur, erg arm. We hebben niets meer in huis, en 't is noodig, dat er verandering kome. Toe Commandeur, heb medelijden en probeer het eene reis met me. Ik zal zóó mijn best doen, dat u geen betere kajuitswachter kunt verlangen."
"Hoor eens, dat gaat niet,--kort en goed, het gaat niet. Zeg dat maar aan je moeder. Met den besten wil van de wereld kan ik het niet doen. Maar vanavond hoop ik je moeder nog te bezoeken, want als de nood zoo hoog is, moet er geholpen worden..."
"Och, Commandeur, de beste hulp zou wezen, dat u mij aanmonsterde. Wat helpt het al, of wij weer voor een paar dagen uit den nood geholpen worden? En méér zou u toch niet kunnen doen."
"Neen jongen, meer niet, dat is waar. Maar misschien kan ik je hier of daar aan een stiekje helpen. Ik heb vele kennissen, onder allerlei ambachten. Wat zou je het liefst worden, jongen?"
"Walvischvaarder," zei Jan.
De Commandeur glimlachte.
"Je hebt een goed tongetje, dat moet ik zeggen. Maar dàt moet je je uit het hoofd zetten, want er kan niets van komen. Hoe heet je?"
"Jan Willemsz, Commandeur."
"Er zijn, meen ik, nog twee kinderen bij jelui, niet waar?"
"Ja,--een broer en een zusje."
"Welnu, Jan, het spijt me wel, dat ik je niet helpen kan, maar van avond kom ik bij je moeder. Zeg haar dat. We zullen dan eens zien, wat we doen kunnen.--En nu moet ik je verlaten, want ik heb geen tijd om langer met je te praten. Dag Jan!"
"Dag Commandeur!"
Jan liet zich langs het touw weer in de boot afglijden, en Kist zag dadelijk aan zijn bedroefd uiterlijk, dat Jan onverrichterzake terugkeerde.
"Is 't mis, Jan?" vroeg hij.
"Ja,--mis. Er is geen sprake van zelfs," antwoordde Jan.
"Zoo, dat is wel jammer,--ik moet nog verder op; ga-je meê, of wil ik je aan land zetten? Ik moet nog naar de Witte IJsvogel, om een en ander af te laden."
"Neen, dank u, buurman. Zet me maar aan land, want ik wil liever naar huis terug. U begrijpt, dat Moeder erg nieuwsgierig is naar den uitslag."
"Ja,--dat begrijp ik zeer goed."
Kist roeide naar wal, en Jan nam afscheid van hem. Langzaam keerde hij naar huis terug; 't was of hij lood in zijne schoenen had. Wat was dit eene groote teleurstelling voor hem. Hij had zoo gehoopt, zijn lieve moeder voor goed uit de zorgen te helpen, en nu lag dat heerlijke plan totaal in duigen. Wat moest hij nu beginnen? Een vak leeren?--Maar dan verdiende hij weinig of niets, en moest zelfs al dankbaar wezen, als hij als leerling gratis werd aangenomen. Neen, hoe hij er ook over nadacht,--hij zag de toekomst donker in.
Op dit oogenblik trof een luid gejoel zijn oor, en opziende ontdekte hij in de verte, midden op de Voorzaan, het elftal jongens, dat daar zeeroovertje speelde.
"Daar zal Jacob ook wel bij wezen," mompelde hij zacht. "Wat zouden zij toch uitvoeren?"
En al spoedig bleek het hem, dat de jongens bezig waren, zich op hoogst gevaarlijke wijze te vermaken. Hij maakte zich ongerust over hen. Een ongeluk was spoedig gebeurd. En nog geen twee minuten later zag hij, dat een van de booten omsloeg. Hij hoorde hier en daar roepende stemmen van schippers en zeelieden,--en hij zag, hoe men in verschillende booten zich naar de plaats des onheils spoedde....
Ten hoogste ontsteld begaf ook hij zich zoo snel mogelijk derwaarts, maar hij kwam te laat.
Hij vond de jongens schreiende aan den oever, bleek van schrik en bevende van ontroering. Hij hoorde het droevig gejank van den hond, die op de omgekeerde boot langzaam afdreef....
Met een enkelen oogopslag bemerkte hij, dat zijn broer Jacob zich onder de geredden bevond.
"Goddank," mompelde hij. "Hij is althans gered. Zegt toch, jongens, wat is er gebeurd? Wat is er?"
"O, o,--o Jan,--wat vreeselijk...."
"Maar wat dan toch....?"
"O,--Nicolaas Calff is verdronken... Hij is niet weer bovengekomen...."
Op het hooren van deze vreeselijke tijding maakte zich ook van Jan eene groote ontroering meester, en hij stamelde met hokkende stem:
"Nicolaas Calff verdronken?... Maar hoe..."
"Hij was op de boot, die daar drijft," zei Ary Kist. "Maar de boot is omgeslagen, en wij hebben hem niet meer gezien.... O, Jan!..."
De verslagen jongens wrongen radeloos de handen.
"Maar die hond daar?" vroeg Jan. "Waarom komt hij niet aan den wal?"
"Het trouwe beest zoekt zijn meester overal," zei Jacob met tranen in de oogen. "O God,--Jan,--wat is het vreeselijk. Wat moeten wij toch beginnen...."
Opeens riep Jan uit:
"Hoort eens, jongens, die hond zit daar niet voor niemendal en het zou me niets verwonderen, als Nicolaas onder die boot lag. Ik ga kijken."
Jan stapte in de boot van Ary Kist, greep de riemen en stak van wal. Weldra had hij de verongelukte boot bereikt. Castor wachtte zijn komst kwispelstaartend af, telkens zijne aangrijpende jammertonen herhalende.
"Stil maar, Castor. Wij zullen hem wel zoeken, hoor. Stil maar, hondje," zei Jan, die zich aan de kiel vastgreep en zijn arm zoover mogelijk onder de omgeslagen boot stak.
Maar hij voelde niets,--niets dan water.
"Mijn arm is te kort," mompelde hij. "Toch ben ik heilig overtuigd, dat hij hier onder moet liggen. Een drenkeling komt immers altijd een of twee malen boven, voordat hij voor goed wegblijft.--Weet je wat,--ik waag er een nat pak aan.--Ik moet zekerheid hebben..."
Onverschrokken liet de dappere jongen zich over boord glijden. Hij hield zich aan den rand van zijne boot vast. Tot aan den hals toe lag hij in het water...
Nu stak hij den anderen arm nogmaals onder de boot, en zijn hart begon hem onstuimig in den boezem te kloppen, toen hij inderdaad bemerkte, dat hij zich in zijne veronderstelling niet bedrogen had. Hij voelde een been...
Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij kon het lichaam van Nicolaas niet onder de boot wegtrekken, zonder zijn eigen boot los te laten,--en wat kon er dan al niet gebeuren? Hij wist, dat hij zijn leven waagde. Toch deed hij het.
Hij greep den rand van de omgeslagen boot, liet zijn eigen vaartuig los, dat langzaam wegdreef, en dook onder water, bijna geheel onder de boot. Toen trok hij het doode lichaam naar zich toe, en hield het met het hoofd boven water.
"Je kunt niet weten..." mompelde hij zacht. "Misschien is er nog leven..."
Met inspanning van al zijne krachten wist hij den drenkeling op de omgeslagen boot te krijgen. Hij hield zichzelf aan de kiel vast, en riep luide om hulp.
De andere jongens hadden zijn daden onder eene ademlooze stilte aangezien, en eene groote vreugde maakte zich van hen meester, toen zij bemerkten, dat Nicolaas gevonden was. Hoewel zij druipnat waren, had niemand van hen den moed gehad, naar huis te gaan. Trouwens, daar zou de tijding van het vreeselijke ongeluk wel al aangekomen zijn. In de verte naderden groote drommen menschen.
Arent Bloem, Ary Kist en Jacob Willemsz sprongen in de boot van Arent, en roeiden Jan met forsche slagen te hulp. Spoedig hadden zij hem bereikt, maar opnieuw maakte eene groote verslagenheid zich van hen meester, toen zij het lichaam van Nicolaas doodsbleek op de boot zagen liggen.
"Dood, Jan?" vroeg Arent zacht.
"Ik vrees het--help mij--til eerst Nicolaas in de boot... Goed zoo, nu mij!"
Jan zat in de boot op het achterbankje. Nicolaas rustte met zijn hoofd op Jan's knie, en deze hield teeder zijne hand op diens voorhoofd.
Sprakeloos roeiden de jongens naar den wal terug.