Jongens van Oudt-Holland

Part 2

Chapter 24,138 wordsPublic domain

"Die man ben ik zelf," zei hij. En toen begon hij te vertellen. "Er waren maar een paar mannen op het dek en een van hen ontdekte opeens een grooten ijsbeer, zittende op een schots. Ze besloten de bemanning niet te wekken, en stilletjes een sloep overboord te zetten, om den beer te gaan dooden. Maar de loopers van het takel maakten zooveel lawaai, dat de Commandeur wakker werd en op het dek kwam. "Wat is er te doen mannen," vroeg hij, "is er een walvisch te zien?" "Neen Commandeur, geen visch, maar een ijsbeer. We zijn juist van plan hem even een bezoek te brengen. Gaat u mede?" "Ja, maar dan moet er wat volk gewekt en een tweede sloep gestreken worden." Dat gebeurde en ze staken van boord..."

"Hoe is het mogelijk,--hoe is het mogelijk!" zei de Moeder hoofdschuddend. "Wat zoeken zulke menschen de gevaren toch op. Waarom lieten zij dat beest niet stilletjes zitten?..."

"'t Ging aan de vlucht, moeder!" riep Jacob uit, terwijl zijn oogen schitterden van genoegen, dat hij zelf in zijn verhaal had.

"Nog beter,--waarom lieten zij dat beest niet gaan?"

"Daar zijn de ijsberen niet voor!" meende Jacob. "Maar luister. Hij sprong van de schots af in het water, en Jonge Kees, die met zijn sloep het dichtst bij hem was, bracht hem met zijn lans eene zoo zware wond toe, dat de ingewanden hem..."

"Hu, houd toch op!" riep zijne moeder uit. "Zoo'n stom dier..."

"Ja,--maar hij heeft een mooien pels, die veel geld waard is, en dit wist Jonge Kees ook wel. "Jongens," zei hij tegen zijne mannen, "laat hem maar zwemmen, want hij zal het niet lang meer maken. Zijne wond is doodelijk."

Maar toch klom de beer nog tegen een vijf voet hooge schots op, en daar ging hij op liggen met zijn bek op zijn voorpooten.

"Geef mij de schietlans! Hij sterft!" zei de Commandeur, en daarmede gewapend sprong hij op de schots. 't Touw, dat er aan verbonden was, had een lengte van acht of negen vademen. Maar nauwelijks was de Commandeur op de schots, of de beer nam een zoo vervaarlijken sprong, dat Jonge Kees niet meer wist, wat hij deed. De schietlans vloog hem uit de hand over zijn hoofd heen, en op hetzelfde oogenblik lag hij achterover op de schots, met den beer boven op zich. Diens linkerpoot stond hem in de rechterzijde en zijn rechterklauw op zijne linkerborst, en het dier sperde den muil open om hem den strot af te bijten..."

"Kind, houd toch op,--'t is vreeselijk!" riep de moeder uit. "Ik kan er niet langer naar luisteren, en als ik wist, dat Jan ook zoo onvoorzichtig zou wezen, liet ik hem nooit gaan, hoor je,--nooit!"

"U begrijpt, dat Jonge Kees in de benauwdheid zat, of eigenlijk--hij lag er in, want hij kon geen vin verroeren. En de mannen in de sloepen hieven van schrik een erbarmelijk geschreeuw aan. "Help, help, springt op de schots! Redt den Commandeur!" riepen ze, maar er was er maar één, die moed genoeg bezat, om den man te helpen. 't Was een matroos, Claas Niele van Westzaan, die alleen met een scheepshaak gewapend op de schots durfde springen, wat het gevolg had, dat de beer op de vlucht sloeg.

De Commandeur was meer dood dan levend, en ze moesten hem in de sloep dragen, doch 't was alleen maar van den schrik, want gewond was hij niet.

De mannen wierpen den beer met een stuk hout, maar raakten hem niet, en hij liep hollend het hout achterna en schreeuwde zoo ijselijk, dat de mannen er van beefden. Toen besloten ze met hun allen op de schots te klimmen, om den beer de rest te geven. Jonge Kees nam nog eens de schietlans ter hand, en met hun achten gingen zij hem bestoken. Het schot van Jonge Kees was mis; de lans vloog hem onder het lichaam door, en de beer bleef er met zijn pooten overheen staan. Eindelijk ging hij uit vrees voor zijne aanvallers voet voor voet achteruit, tot hij in het water viel, en daarna hebben ze hem vervolgd van de eene schots naar de andere, totdat hij bezweek. Zoo'n grooten beer had Jonge Kees zijn leven lang nog niet gezien, en het had maar weinig gescheeld, of de Commandeur was voor de haaien geweest. Hij heeft het me zelf in kleuren en geuren verteld."

"O ja, er gebeuren wel meer van die stukjes," zei Jan, "maar ze loopen bijna altoos goed af. Wees maar gerust, Moeder, ik zal mij niet onnoodig in gevaar begeven. En bovendien, ik ben nog niet aangemonsterd. Was ik maar een voet grooter, dan zou ik meer kans hebben. Ik vrees werkelijk, dat ze mij te klein zullen vinden en te tenger. Toch ben ik veel sterker, dan ik er uitzie..."

"Kom, kinderen, de tijd zal het wel leeren. Jan, lees eens een hoofdstuk uit den bijbel. Dan kunnen wij danken."

Jan deed wat hem gevraagd werd, zooals trouwens elken middag de gewoonte was, en na het dankgebed stonden allen van tafel op, behalve de kleine zus, die na het middagmaal en onder de lange vertelling van Jacob, met het hoofdje voorover op de tafel, in slaap gevallen was. De Moeder liet haar stil slapen.

"Waar ga jij heen?" vroeg Jan aan zijn broer.

"Naar de jongens, op den Dam," was het antwoord. "We hebben afgesproken daar bij elkander te komen, om gezamenlijk een of ander spel te doen. Ga je meê?"

"Neen, ik ga naar het Bonte Calff. 'k Wil 't liefst nu maar dadelijk weten, hoe de zaken er voorstaan."

De beide jongens verlieten de woning.

Jan sloeg op den Hoogendijk rechtsaf, om naar de Holle Sloot te gaan, en Jacob linksaf, om zich naar zijne makkers te begeven.

De Moeder bleef in spanning achter.

HOOFDSTUK II.

EEN HEVIG GEVECHT EN EEN GROOT ONGELUK.

Het dorp Saardam bestond uit twee deelen, Oost-Saardam, gelegen ten oosten van de Zaan, en West-Saardam, gelegen ten Westen daarvan. Oost-Saardam met Oostzaan behoorde tot de banne van Oostzaanen, en daarmede tot Kennemerland, en West-Saardam met Westzaan tot de banne van Westzaanen, en daarmede tot de Baljuwdie van Blois. 't Waren dus twee afzonderlijke gemeenten, die wel enkele belangen gemeen hadden, maar overigens geheel van elkander gescheiden waren.

Eerst in later tijd, onder Napoleon, zijn de beide helften tot één gemeente vereenigd.

Dwars door de Zaan was een dam gelegd, die den eenigen verkeersweg uitmaakte tusschen Oost- en West-Saardam. Deze dam was er reeds vóór het jaar 1388, zooals uit de oude archieven blijkt. Het is echter niet bekend, in welk jaar hij precies is gelegd.

Toen Jacob Willemsz op den Dam kwam, vond hij daar al eenige jongens bijeen, want zij hadden afgesproken, elkander daar te zullen ontmoeten.

"Zoo Jacob," riep een groote jongen hem toe, wiens kleeding duidelijk verried, dat hij tot den gegoeden stand behoorde. 't Was Arent Bloem, de zoon van Meindert Arentsz. Bloem, een van de burgemeesters van Oost-Saardam.

"Zoo Jacob, ben je daar? Komt je broer Jan niet mede?"

"Neen, die heeft heel andere plannen!" antwoordde Jacob met een air van gewicht, want hij was er wat trotsch op, dat zijn broer ter walvischvaart zou gaan.

"Andere plannen?--Wat dan?" vroeg een andere knaap, die zoo lang en dun was en zoo'n smal hoofd had, dat hij wel wat aan een hazewindhond deed denken. 't Was de zoon van meester Pomp, een man, algemeen bekend onder de Saardammers. Dat was geen wonder, want hij vereenigde in zijn persoon de betrekkingen van chirurgijn en barbier, zooals in dien tijd gewoonte was, en men kon hem dus een gewichtig man noemen.

"Jan gaat zich laten aanmonsteren voor de Groenlandsche vaart," antwoordde Jacob. "Vanmiddag gaat hij naar het Bonte Calff, waarvan de Commandeur een kennis van ons is."

"Je broer is er nog veel te klein voor," zei Heyn Pomp met eenige minachting, want hij wist wel, dat hij zelf een hoofd grooter was dan Jan Willemsz. "Als hij mijne lengte nu nog had, was het wat anders," vervolgde hij niet zonder eenige verwaandheid, die Jacob boos maakte.

"Och kom," zei Jacob lachend, "die dunne lengte van jou heeft ook niet veel te beteekenen. Als je ergens tegen aanloopt, sla je dubbel."

"Wat wou je zeggen?" vroeg Heyn Pomp beleedigd, want de andere jongens lachten om hetgeen Jacob gezegd had.

"Ik wou alleen maar zeggen, dat het hem niet in de lengte zit, maar in de kracht. En Jan is sterk genoeg, veel sterker dan jij. Dat hebben we laatst gezien, toen hij je een pak slaag gegeven heeft, dat je kraakte. Wat wist jij, zoo lang en dun als je was, toen van beenen maken!"

De jongens begonnen opnieuw te lachen, want Heyn Pomp kenden zij allen als een praatsmaker, die van iedereen wat te zeggen had en toch niet veel moed bezat. Maar Heyn werd boos en trad een schrede naderbij.

"Wie zegt, dat ik loopen ging?" vroeg hij, terwijl hij zich met gebalde vuisten voor Jacob plaatste en zijn smal gezicht bijna tegen diens neus hield. "Durf jij dat zeggen?"

"Ja,--dat durf ik!" zei Jacob, die zich ook schrap zette, om dadelijk gereed te zijn, als hij mocht worden aangevallen.

"Zeg dat nog eens, als je 't hart hebt!" schreeuwde Heyn luidkeels. "Zeg jij, dat ik aan den loop gegaan ben, omdat ik bang was van Jan?"

"Ja,--dat zeg ik!" herhaalde Jacob, en hij voegde er aan toe: "Dat durf ik nog wel honderdmaal te zeggen, en wel duizendmaal ook. Je moet niet denken dat ik bang voor je ben."

"En ik voor jou ook niet!" schreeuwde Heyn, die echter geen moed genoeg bezat, om Jacob aan te grijpen.

"Heyn durft niet!" sarde een andere jongen, met een korte, gedrongen gestalte en een paar gespierde armen en beenen. Hij heette Ary Kist, en was de zoon van een smidsknecht. "Toe Heyn, laat je niet van de vliegen steken."

"Hij is me te min," zei Heyn, die het tijd vond, den aftocht te blazen. "Ik vecht niet met zulke kleine jongetjes."

Maar nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of hij voelde zich bij de keel grijpen, en in minder dan geen tijd lag hij voorover op de leuning van het sluisje, dat in den Dam was aangebracht, en kreeg hij een aantal geduchte klappen op zijne broek. Jacob had zich driftig gemaakt, en gaf hem eene afstraffing.

"Dáár dan!" zei hij tegen Heyn Pomp, die bang was, dat hij voorover in de sluis zou duikelen. "Neem dát dan van het kleine jongetje, en wees dankbaar, dat je niet meer krijgt."

"Goed zoo!" zei Arent Bloem. "Jacob is in zijn recht, want jij behoeft geen kwaad te spreken van zijn broer. Ha,--ginds komen Cornelis Noomen, Claes Alewijns, Dirk en Teeuwis Rogge en Jan Laurensz Louwe aan. Hei jongens, komt hier!"

De komst van de vijf genoemde jongens maakte een einde aan de vechtpartij, tot groot genoegen van Heyn Pomp, die er geduchte spijt van had, dat hij de ruzie begonnen was, want de klappen van Jacob kwamen harder aan, dan hij aangenaam vond.

"Wat was er aan de hand," vroeg Cornelis Jansz. Noomen, wiens vader lakenkooper was en tevens tot de vroedschap der gemeente behoorde. "Waren jullie aan 't vechten!"

"Jammer, dat 't uit is," lachte Dirk Rogge, "'t Lijkt wel, of ik altijd te laat moet komen, als er een pretje is."

"Een mooi pretje!" zei zijn broer Teeuwis. "Zeg jongens, wat gaan we doen?"

"Willen we naar het Hemveld gaan?" vroeg Claes Alewijns Salm, ook de zoon van een burgemeester. "Daar is altijd wel wat te beleven."

Op dit oogenblik hoorden de jongens zich toeroepen, en omziende ontdekten zij in de Zaan een fraaie roeiboot, waarin twee jongens gezeten waren. Een mooie hond, wel bijna zoo groot als een klein kalf, stond voor op de plecht.

"Ha, daar zijn Nicolaas Calff en Pieter Gekeer. "Nu zijn ze er allen. Hallo--waar gaan jullie heen?" vroeg Arent Bloem.

"Wel, we komen aan de afspraak voldoen. We zouden immers op den Dam bij elkander komen?" antwoordde Nicolaas Calff, die de riemen hanteerde. Hij was de zoon van een der voornaamste ingezetenen van Saardam. Zijn vader was een zeer voornaam koopman, wiens schepen naar alle zeeën bevracht werden. Ook het Bonte Calff behoorde voor een groot gedeelte aan hem, zooals we Jan Willemsz reeds hoorden opmerken.

"'t Was maar gelukkig voor Jacob en Heyn, dat mijn Vader niet in mijne plaats in de boot zat," merkte de andere jongen lachend op. "Als hij gezien had, hoe die twee aan 't vechten waren, was het niet goed met hen afgeloopen."

"Dat kon wel," zei Claes Salm. "De Heer Schout laat niet met zich spotten. Maar jij zult hen wel niet verklappen, denk ik?"

Jan Gekeer was inderdaad de zoon van den Schout, maar hoezeer de jongens zijn vader ook vreesden om zijne gestrengheid, met Jan gingen zij graag om, want hij was een aardige jongen, en zij konden hem volkomen vertrouwen. Al hadden zij soms iets uitgevoerd, dat niet door den beugel kon, Jan zou er thuis nooit over spreken, want dat vond hij laf. Zijn vader vroeg hem er trouwens ook nooit naar, zeker om van zijn zoon geen klikspaan te maken.

"Wat een mooie hond is dat toch!" zei Arent Bloem. "Zeg, Nicolaas, zou hij je redden, als je over boord sloeg?"

"Ongetwijfeld!" zei Nicolaas, die verbazend veel van zijn hond hield, "'t Is een Bernardshond, een echte, want vader heeft hem een jaar geleden zelf uit het buitenland meêgebracht, en hij is zoo trouw, dat ik je niet raden zou mijne moeder ook maar het bewijs van een klap te geven, want dan zou hij je aanvliegen.--Niet waar, Castor?"

De hond kwispelde met zijn staart, nu hij zich hoorde aanspreken, en keek zijn jongen meester vriendelijk aan. "Maar zeg, jongens, wat gaan we doen?"

"Willen we naar de Hemvelden gaan? Daar hebben we altoos pret!" opperde Claes Salm nogmaals, die altoos 't liefst buiten het dorp dwaalde.

"Mij goed,--ik wil wel!" riep er een.

"Ik ook wel!" zei een ander.

Maar Nicolaas Calff had een ander voorstel.

"Zeg eens jongens," zeide hij, "Jan Gekeer en ik hebben afgesproken om zeeroovertje te gaan doen. We kunnen..."

"Ha, ja, dat is een echt spelletje!" zei Ary Kist, zich van de voorpret reeds de handen wrijvende. En ook de andere jongens schenen er wel ooren naar te hebben.

"We hebben schuiten genoeg," vervolgde Nicolaas Calff. "Dirk en Teeuwis Rogge kunnen er wel voor zorgen, want hun vader heeft een scheepstimmerwerf, en daar zijn er altijd in overvloed.--"

"En ik kan de onze ook halen," zei Arent Bloem. "Ja, ja, laten we zeeroovertje gaan spelen. Maar wáár zullen we het doen? Op de Achterzaan?"

"Neen, op de Voorzaan. Daar zijn we veel vrijer," zei Jan Gekeer, die bang was, dat zijn vader het zou zien. "Als de schout ons zag, was het mis!"

De andere jongens lachten er om, dat Jan dit zeide, omdat de schout zijn eigen vader was.

"Ja, ja, op de Voorzaan is het veel beter," zei Ary Kist. "Ik ga onze schuit ook halen. Zeg jongens, brengen jullie haken meê om te enteren? Dat doen zeeroovers ook altijd."

"Haken hebben wij wel!" zei Dirk Rogge. "'t Is goed, laten wij onze booten halen. Dat is nu juist een spelletje, waar ik zin in heb!"

Terwijl de andere jongens naar huis gingen, om booten te halen, schutten Nicolaas Calff en Jan Gekeer door de sluis, waardoor zij op de Voorzaan kwamen, en Nicolaas noodigde Jacob uit, bij hem in de schuit te stappen. Hij mocht Jacob graag lijden en ging veel met hem om, hoewel hij zeer goed wist, dat Jacob tot de armsten van het dorp behoorde. Maar dat was hem volkomen onverschillig.

"Wat een echt mooi schuitje is dit toch," zei Jacob, terwijl hij de boot met welgevallen beschouwde, en zich op het achterbankje neerzette. "En wat staat je hond daar grappig. 't Lijkt net, of hij de kapitein is en het vaarwater moet verkennen. Zeg, jongens, weet je al, dat mijn broer Jan naar het Bonte Calff is gegaan, om te vragen, of ze hem willen aanmonsteren voor kajuitswachter?"

Nicolaas liet de riemen drijven. Het Bonte Calff met alles wat daarbij behoorde, boezemde hem veel belang in, omdat hij wist, dat het schip grootendeels van zijn vader was. Hij keek Jacob verrast aan en zeide:

"Wel, dàt vind ik aardig! Over veertien dagen zeilt de vloot uit. Zou hij als kajuitswachter meê willen?"

"Of hij! Graag! De Commandeur kent ons van vroeger, dus misschien heeft Jan wel een schreefje vóór. Ik zou ook wel mee willen! 't Is een mooie reis!"

"Ik ben benieuwd, of hij aangenomen zal worden," zei Nicolaas. "Als ik den Commandeur spreek, zal ik hem vragen, of hij het doen wil. Hij komt dikwijls bij ons aan huis."

"O ja, doe dat. Wie weet, of het niet helpt. Er komt nog bij, dat we het hoog noodig hebben, want er wordt na vaders dood niet verdiend, dus de spaarduiten raken op. Waar afgaat en niet bijkomt, blijft spoedig niemendal over."

"Je kunt er op rekenen, dat ik het doen zal," zei Nicolaas medelijdend. "Maar of het baten zal, weet ik niet."

De jongens roeiden langzaam verder, en na eenigen tijd, toen zij langs de scheepswerf van Lijnstbaas Rogge voeren, welke aan den Hoogendijk gelegen was, zagen zij de booten van Dirk en Teeuwis van wal steken. In de boot van Teeuwis had Heyn Pomp een plaatsje gekregen, terwijl Claes Salm bij Dirk Rogge aan boord was.

"Ik behoef nergens voor te vreezen," riep Teeuwis de anderen lachend toe, "want ik heb de Pomp aan boord. Als ik een lek krijg in den strijd, kan hij me boven water houden."

Cornelis Noomen vond een plaatsje in de boot van Ary Kist, welk vaartuigje van veeljarigen dienst getuigde en al dikwijls op de helling was geweest. Maar Ary beweerde altoos, dat zijne schuit den meesten gang had, en dat in heel Saardam geen beter boot te vinden was, dan de zijne.

Eindelijk kwam ook Arent Bloem met forsche slagen aanroeien. Zijn bootje was even mooi als dat van Nicolaas Calff, maar het roeide wat zwaarder.

Jan Louwrensz, van den kompasmaker, had in diens boot een plaatsje gevonden.

't Was dus een heele vloot, toen de jongens bij elkander gekomen waren. Niet minder dan vijf booten voeren achter elkander het Kerkerak af, (de plaats waar vroeger het dorp Zaanden heeft gestaan), dat naar het IJ voerde. Toen zij in de verte de masten van het Bonte Calff en de andere walvischvaarders in het oog kregen, hielden zij halt, om te beraadslagen. De vijf booten werden tegen elkander aangeroeid, zoodat de jongens, elf in getal, gemakkelijk met elkander konden spreken.

"Wel jongens, hoe zullen we nu doen?" vroeg Arent Bloem.

"Ik wil de zeeroover wel wezen," zei Ary Kist. "Dat is juist een kolfje naar mijn hand. Heb je de enterhaken meêgebracht, Teeuwis?"

"Haken in overvloed," antwoordde deze, terwijl hij de kettingen liet rammelen, die op den bodem van zijn boot lagen.

"Ik weet het goed gemaakt," zei Jacob Willemsz. "De booten van Nicolaas Calff en Arent Bloem zijn verreweg de mooiste. Laten die daarom de koopvaardijschepen voorstellen, die met een rijke lading in de vaderlandsche haven terugkeeren."

"Dat is er een te weinig," zei Arent Bloem. "Twee tegen drie gaat niet. Op die manier zouden wij in het geheel geen kans hebben, om den strijd te winnen. Laat Dirk Rogge ook een koopvaarder wezen."

"Dank je hartelijk," zei Ary Kist. "In die drie booten zitten jullie met je zevenen, terwijl wij maar met ons vieren zouden zijn. Zeg, Jan Gekeer, kom jij dan bij ons, dan staat het vijf tegen zes."

"Mij goed," zei Jan, terwijl hij in de boot van Ary overstapte. "Ik wil even graag zeeroover zijn als koopvaarder. Wie is mijn opperhoofd?"

"Ik!" riep Ary Kist. "Ik ben Claes Compaan, je weet wel, de zeeroover, die nog te Oostzaan gewoond heeft. En Nicolaas Calff is Michiel de Ruyter. Is dat goed?"

"Best! Opperbest!" klonk het van alle kanten.

"Vaart dan eerst nog een eind verder, dan hebben wij tijd, om ons tusschen het riet te verbergen. Want zeeroovers komen altijd onverwachts opzetten."

"Ik weet het nog beter," zei Nicolaas Calff. "Als ik Michiel de Ruyter zal wezen, kan mijn schuit een convooischip voorstellen, dat de koopvaarders naar huis geleidt. In die dagen voeren zij altoos onder geleide van een oorlogsschip."

Dat werd een goed idée gevonden.

Zoo was nu alles afgesproken, en de booten van Nicolaas Calff, Dirk Rogge en Arent Bloem roeiden verder de Zaan af. Intusschen verdwenen de zeeroovers, bestaande uit Ary Kist, alias Claes Compaan, Jan Gekeer, Teeuwis Rogge, Heyn Pomp en Cornelis Noomen met hunne twee booten in het hooge riet, dat daar nog van het vorige jaar was blijven staan. Zij waren nu voor de koopvaarders onzichtbaar, en konden hen onverhoeds overvallen. De enterhaken werden over de twee booten verdeeld en aan de bankjes met kettingen verbonden. Ary Kist stond voor in de boot, want daar hij de rooverkapitein was, achtte hij het beneden zijne waardigheid, zelf de riemen te hanteeren.

Eindelijk kwamen de koopvaarders in het gezicht, en Claes Compaan gebood zijne mannen, alles voor den aanval gereed te houden.

Zoodra de drie schepen hen bijna bereikt hadden, gebood hij krachtig: "Voorwaarts! Daar zijn Hollandsche schepen, jongens, die een rijken buit beloven. Voorwaarts!"

De beide booten werden met krachtige riemslagen uit het riet gebracht en naar het midden van de Zaan gevoerd. De roeiers op de koopvaarders en het convooischip hielden bij hunne verschijning de riemen in. Nicolaas Calff, die nu in Michiel de Ruyter herdoopt was, stond voor aan de plecht, naast zijn grooten hond.

"Schepen in zicht!" riep Michiel. "Ohoi! Ohoi!" En Ary Kist schreeuwde luidkeels terug: "Ohoi! ohoi! Wacht jij maar met je ohoi; wij zullen je wel krijgen."

"Welke landslui?" riep Michiel hun toe.

"Goed volk," schreeuwde Ary Kist. "Draai maar bij, als je geen kogel door je want wil hebben."

"Welke landslui?" herhaalde Michiel de Ruyter met eene fiere houding en een krijgshaftig gebaar.

"Goed volk! Draai maar bij!" riep Claes Compaan. "We komen je papieren eens bekijken, als je het goedvindt."

"Je hebt met mijne papieren niets te maken!" riep Michiel de Ruyter terug. En zich tot zijne roeiers wendende, vervolgde hij: "Jongens, dat zijn zeeroovers, als ik me niet vergis. Weest op je hoede!"

"Bijdraaien!" gebood Claes Compaan nogmaals, waarop Michiel antwoordde:

"Niet voor een zeeschuimer! Wees voorzichtig, mannetje, want ik ben voor tien kerels van jou slag nog niet bang.--Kapitein Bloem hou je goed. We hebben hier met kwaad volk te doen.--Voorwaarts, mannen, roeien, zoo hard je kunt. Van de snelheid van de riemen hangt je leven af!"

De riemen plonsden in het water, en met groote snelheid trachtten de koopvaarders het onveilige water te ontvluchten. Claes Compaan met zijne gevaarlijke volgelingen waren hen echter dicht op de hielen. 't Werd nu een wedstrijd in het hardroeien, want de zeeroovers spanden alle krachten in, om hen te achterhalen.

"Houdt je goed, jongens!" riep de rooverkapitein hun toe: "laat een zoo rijke buit je niet ontsnappen! Sa, mannen, spant alle krachten in.--We winnen op hen! We winnen! Straks zijn de schepen ons!"

"Dat zullen we eens zien!" antwoordde Michiel de Ruyter. "Toe jongens, roeien van wat ben je me! Houdt je goed! De afstand tusschen ons wordt grooter!"

"Kleiner bedoelt u, Admiraal!" zei Jacob Willemsz. "We verliezen terrein, zie maar. De zeeroover komt steeds dichterbij!"

"We zijn verloren!" riep Jan Louwrensz, die de boot van kapitein Arent Bloem roeide. "Help een handje, kapitein, of hij entert ons binnen vijf minuten!"

Er dreigde voor de boot van Arent Bloem inderdaad gevaar, want Ary Kist zat haar vlak achter het roer. Daarom nam Arent een van de riemen van Jan Louwrensz over, en samen brachten zij de boot nu spoedig buiten bereik van den gevreesden zeeroover. Ook de boot van Dirk Rogge liep geen gevaar, want Dirk had er een uitgezocht, die zóó snel liep, dat ze niet bij te houden, nog minder in te halen was.

Maar het Admiraalschip kreeg het nu spoedig kwaad te verantwoorden, want het was wel een zeer sierlijk vaartuig, maar het had niet bijzonder veel gang, daar Michiel de Ruyter niet mederoeide, omdat hij daar als admiraal te deftig voor was.

En de oude kast van Ary Kist gleed heel licht over het water.

"Toe mannen, houdt vol!" riep Claes Compaan zijne beide roeiers toe. "We krijgen dien dapperen admiraal zoo wis als tweemaal twee vier! Een prachtige buit wacht ons. Houdt je goed! Voorwaarts!"

Het duurde maar kort, of de zeeroover was het admiraalschip genaderd, en Claes Compaan gebood met luider stem:

"Enteren, mannen, gooit hem de haken aan boord!"