Part 7
"Ha, daar is weer zoo'n vreemde snoeshaan!" riep er een uit, toen Van der Hulst buiten kwam.
"Ja, goede vriend," zei Van der Hulst, tot verbazing van iedereen in vloeiend Hollandsch, "hier is er een. En wat denk jij nu eigenlijk wel van ons?"
"Wat ik denk?" zei de ander. "Wel, ik dacht dat ge Russen waart, misschien wel lieden van het groote gezantschap, dat de Czaar van Rusland naar Holland zenden zou."
"Misgeraden!" antwoordde Van der Hulst. "Totaal misgeraden, vriend. Wij zijn gewone handwerkslieden, en komen hier om het scheepstimmeren te leeren, en ook andere ambachten. Wij hooren in het geheel niet bij het groote gezantschap van den Czaar."
"Gewone handwerkslieden?" riep er een lachend. "'t Mocht wat. Laat dat heerschap zijne handen maar eens toonen. Kijk eens, wat een fijn huidje! Gekheid, hij speldt ons wat op de mouw!"
"Gewone handwerkslieden hebben geen zijden beurzen, gevuld met goudgeld!" zei de ander, die de beurs had gezien. Waarop Van der Hulst zijne stem verhief, met de bedoeling om door velen verstaan te worden, en uitriep:
"Toch is het waar, menschen. Ik ben een Hollander van afkomst, maar mijne reisgenooten zijn werkelijk Russen, die hier een handwerk komen leeren. Wij blijven den geheelen winter hier, en dus kunt ge ons nog dikwijls genoeg zien. Gaat daarom nu heen, opdat wij ons wat vrijer bewegen kunnen. Zooveel volks hindert ons."
Nicolaas Van der Hulst trad de herberg weer binnen, in de hoop, dat de menschen zouden vertrekken. Maar hij had zich misrekend. Zij verzamelden zich voor de ramen en drukten er de neuzen bijna op plat, om beter naar binnen te kunnen gluren. En de brutaalsten traden ook de herberg binnen en eischten een kan bier, om op die wijze gemakkelijker hunne nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.
Dat was den Czaar een doorn in het oog, en toen het steeds voller werd in de zaal, ontbood hij den kastelein, en verlangde eene vrije kamer. Daarin onttrok hij zich met zijn gevolg aan de al te nieuwsgierige blikken.
Eenigen tijd later trad Gerrit Kist de kamer binnen. Hij begaf zich naar den Czaar, en een enkele blik was voldoende om hem te overtuigen, dat de machtige Heer zeer boos was. Dat was niet geschikt om Kist meer op zijn gemak te brengen. Hij keek den vorst schuw aan, en wilde eene eerbiedige buiging voor hem maken, maar--hij was daarmede nauwelijks begonnen, of hij hield er mede op,--omdat hij niet durfde. En hoe moest hij hem noemen?
"Pieter?" Dat durfde hij al evenmin, en "Majesteit" nog veel minder. Hij bleef dientengevolge zwijgend voor den Czaar staan, met de oogen naar den grond gericht.
"Welnu?" vroeg Czaar Peter. "Is alles gereed en kan ik komen? 'k Verlang er naar, om vanhier te vertrekken. De menschen vervelen mij."
"Uwe Majest....." zei Kist, maar de Czaar bulderde hem toe:
"Alweer Majesteit? Ik heb je mijn naam gezegd en wil niet anders genoemd worden. Heb je me nu verstaan? Spreek op, is alles in orde om mij te ontvangen?"
"'t Is in orde, Pieter, als u het eenvoudige voor lief wil nemen. Ik heb u gezegd, dat wij arm...."
"Genoeg!" zei de Czaar. "Dat weet ik al. Laten wij gaan."
En zich tot zijn gevolg wendende, gebood hij kortaf:
"Tracht hier of daar een onderkomen te vinden, en zeg aan niemand, wie wij zijn. Men behoeft alleen te weten, dat wij hier werk komen zoeken."
De Czaar verliet de herberg, en Kist bracht hem naar zijn eenvoudig huisje op het Krimp, een der achterbuurten van Saardam.
De vrouw van Kist had den moed niet, haar doorluchtigen gast te ontvangen. Van achter haar gordijntjes begluurde zij echter met onbeschrijfelijke nieuwsgierigheid den nieuwen bewoner van het achterkamertje. En zij vond, dat hij er schrikwekkend genoeg uitzag, om bij haar het plan te doen rijpen, zich zooveel mogelijk op een eerbiedigen afstand te houden.
Ook Ary en Jacob hadden den gast zien komen, en het ontging hun niet, dat Kist hem met den grootsten eerbied behandelde, iets dat anders in het geheel niet in den aard van Kist lag, want hij was zeer vrijpostig in zijn doen en laten, en had gewoonlijk meer praats, dan iemand van zijn stand paste. Maar nu gevoelde hij zich blijkbaar zeer klein en nietig, en hij sprak zoo bescheiden en nederig, dat Ary en Jacob beiden er zich over verbaasden.
Toen de Czaar het kleine vertrekje binnengetreden was en de deur achter zich gesloten had, zei Ary tot Jacob:
"Wil ik je eens wat zeggen?"
"Ja,--graag!"
"Nu,--als dàt de Czaar van Rusland niet is, mag jij van middag mijn heele portie paling hebben, de graten incluis!"
"Ik geloof, dat je best gelijk kon hebben," zei Jacob. "Je vader heeft zich versproken, van morgen in de boot. Maar laten wij er over zwijgen, want je vader zal er wel goede redenen voor hebben, als hij het niet weten wil."
"Dat ben ik met je eens, Jacob. Dit is een geheim tusschen jou en mij, en een ander heeft er niet mede noodig.--Maar de Czaar is het, dat staat bij mij als een paal boven water."
Een oogenblik later kwam Kist binnen. Hij zag er verbazend geheimzinnig uit, en had het kolossaal warm. Hij wischte zich het zweet van het voorhoofd, en haalde zoo diep adem, of hij zich verruimd gevoelde, nu hij het gezelschap van den vreemdeling had kunnen verlaten.
"Vrouw, heb je nog bier in huis?" vroeg hij.
"Bier, wel neen, man, hoe wou ik bier in huis hebben. Je hebt gisterenavond immers de laatste kan leeggedronken!"
"Dan moet er dadelijk gehaald worden, want de Cza...."
Ha, daar had Kist zich bijna versproken. Ary en Jacob wisselden een geheimzinnigen glimlach met elkander. Maar Kist begreep, dat hij zijn geheim bijna verraden had, en werd daar boos om.
"Apen van jongens, wat doe jelui hier en kijkt een mensch de woorden uit den mond! Allo, maakt dat je de deur uitkomt, of ik schop je er uit!"
"Je wou immers bier hebben, man?" vroeg de vrouw. "Mij dunkt, dan kon Ary dat wel eens gaan halen. Hij is dan meteen van den vloer."
"Goed, maar dan gauw. En drinkkannen moeten er ook komen, want wij hebben van dergelijk spul niet genoeg in huis. Ga maar in "De drie Swaanen," en zeg, dat het voor mij is. En als men je vraagt, hoe onze nieuwe bewoner heet, zeg dan..."
"Dat het de Czaar van Rusland is!" viel Ary zijn vader in de rede.
Kist sprong toornig van zijn stoel op, met het vaste plan zijn zoon een oorveeg te geven, die hem lang heugen zou.
"Wees gerust, Vader!" zei Ary, om de tafel vluchtende. "Geen mensch zal het van mij hooren, maar ik weet, wat ik weet."--
"En wat weet jij dan, bengel van een jongen?"
"Dat het de Czaar is, Vader, de Czaar en niemand anders. Maar wij bunnen wel zwijgen, hè Jacob, en wij zullen tegen iedereen zeggen, dat hij Pieter Michaeloff heet, en hier komt om het scheepstimmeren te leeren."
Kist bromde nog wat in zijn baard, maar hij knikte de jongens toch goedkeurend toe en ging weer zitten. En Ary en Jacob haastten zich naar de "Drie Swaanen", om bier en kannen te halen. En zij kregen al dadelijk gelegenheid te over, om het geleerde lesje op te zeggen, want het was drukker op de straat dan gewoonlijk, en velen vroegen hun, hoe de vreemdeling heette, en wie hij was. Steeds klonk hun antwoord:
"Wie hij is? Wel, hij heet Pieter Michaeloff, en hij komt hier, om het timmeren te leeren."
Als de menschen daarmede niet tevreden waren, voegde Ary er nog bij:
"'t Is nog familie van ons: zijne moeder was eene zuster van de nicht van mijn overgrootvaders meutje, en als je het niet gelooven wilt, mag je het hem zelf gaan vragen."
Na zoo'n antwoord maakte Ary gewoonlijk, dat hij spoedig uit de voeten kwam, want hij was er van overtuigd, dat hij dan heel goedkoop een draai om zijne ooren kon oploopen, iets, waaraan hij in het geheel geen behoefte voelde.
Op den Dam kwam Heyn Pomp op hem toe, met een stuk zeep in de hand en een doek over den schouder.
"Is een van die mannen bij jelui in huis?" vroeg hij nieuwsgierig aan Ary.
"Ja," antwoordde deze. "Waarom?"
"Wel, iedereen praat over die vreemdelingen, en wil je wel gelooven, dat ik nog niets van hen gezien heb?"
"Dat is jammer," spotte Ary. "Ze zien er verbazend vreemd uit. Eén is er bij met drie beenen, twee hebben een staart, en de drie anderen hebben ieder twee hoofden. Ze laten vragen, of je hen wilt komen scheren."
"Loop rond!" zei Heyn. "Jij houdt mij altoos voor den gek. Maar zeg, Ary, is het waar, dat een van die mannen bij jelui zijn intrek heeft genomen, en dat Mary Freeriks op stel en sprong haar huis voor hem heeft moeten ruimen?"
"Ja, dat is waar," zei Ary.
"En is het waar, dat het een schatrijke prins is uit het gevolg van Czaar Peter?" vroeg Heyn nieuwsgierig verder.
"Ook waar," zei Ary. "De diamanten zitten hem met eene dubbele laag op den rug van zijn rood schipperswambuis genaaid, zijn hoed is bezet met paarlen, en zijne waterlaarzen zijn van klinkklaar goud. Hij laat je vragen, of je een potteken biers met hem komt drinken."
"Hoe grappig ben je toch," grinnikte Heyn met een zuurzoeten glimlach. "Toe Ary, vertel er me nu eens wat van, want ik heb den ganschen morgen moeten inzeepen. 't Is veel drukker in den winkel dan gewoonlijk.--Toe zeg, vertel me nu eens, wie het is, zonder gekheid."
"Och Heyn, 't is doodgewoon een achterneef van ons. Hij heet Pieter Michaeloff, en zijne moeder was de zuster van de nicht van mijn overgrootvaders meutje. Zie je, nu weet je er alles van. Dag Heyn!"
Ary en Jacob vervolgden hun weg, Heyn vrij beteuterd en nog veel nieuwsgieriger, dan hij al was, achterlatende. En zij lachten hem smakelijk uit.
Gewapend met een goeden voorraad bier en een aantal kannen keerden zij naar het huisje aan het Krimp terug, en 't was wàt een feest voor Ary, dat hij den Czaar zelf het gehaalde mocht brengen. Zijn vader was er door den Czaar op uitgezonden, om te gaan zien, waar de overige heeren een onderkomen hadden gevonden, en zijn moeder durfde voor geen geld ter wereld bij den Czaar binnengaan.
Ary noodigde Jacob uit hem te helpen, want alleen kon hij alles onmogelijk dragen. Zij kwamen aan de achterdeur, deden de bovenhelft daarvan open, daarna de onderdeur, en riepen:
"Vollek!"
De Czaar was in het voorvertrekje, maar spoedig kwam hij met groote schreden nader. Zijne booze bui scheen hem verlaten te hebben, want hij keek hen vriendelijk aan en zeide:
"Wat jij moet?"
"Hier is bier, Sinjeur!" zei hij flink! "Ik heb het gehaald uit de "Drie Swaanen.""
"En kannen, Sinjeur," zei Jacob. "Willen wij alles maar op de tafel zetten?"
"Goed--zeer goed. Hoe is jou naam?"
"Ary Kist, Sinjeur."
"Jij ook smid ben?" vervolgde de Czaar.
"Neen, Sinjeur, ik ga nog op school, maar als ik wat grooter ben, ga ik naar Rusland, naar den Czaar, om te werken."
Ary keek den Czaar scherp aan, om te zien, hoe deze zich houden zou. Maar er gebeurde niets bijzonders. Alleen klopte de Czaar hem op den schouder, en zeide:
"Dat is flink, Ary. In Rusland is werk in overvloed en kun-je veel geld verdienen. Maar eerst een vak leeren."
En zich tot Jacob wendende, vervolgde hij:
"En hoe jij heet?"
"Jacob Willemsz, Sinjeur. Mijn vader is dood."
"En jij ook nog op school gaat?"
"Ja, Sinjeur."
"Doen alle jongens dat?" vroeg de Czaar met belangstelling.
"Ja Sinjeur, bijna alle."
"Dus bijna alle menschen hier schrijven kunnen en lezen, en rekenen?"
"O ja, bijna iedereen. Stellig wel het meerendeel."
De Czaar verzonk in gepeins. Blijkbaar dacht hij er over na, hoe iets zoo schoons ook in Rusland te bereiken zou zijn.
Hij nam eene kan van de tafel, en schonk elk der jongens en ook zichzelven een beker vol in.
"Daar!" zei hij. "Drink op,--dat gezond is."
Ary en Jacob lieten zich niet lang noodigen, en dronken den beker tot den laatsten droppel ledig. Daarop begaf de Czaar zich naar de andere kamer, en liet de jongens doodgewoon staan. Dezen wisten daarom niet beter te doen, dan ook maar te vertrekken. Zij deden de deur achter zich dicht, en waren den koning te rijk, dat zij den machtigen Czaar gesproken hadden, en dat hij zoo vriendelijk tegen hen was geweest.
Korten tijd daarna begaf Jacob zich naar huis, want het werd tijd, om het middagmaal te gebruiken. En hij vond het zeer vereerend voor hem, dat de machtige Czaar van Rusland dien middag paling zou eten, die hij voor een deel gevangen had. En zelf had hij er ook grooten trek in. Hij en Ary hadden de dieren schoongemaakt en eerlijk verdeeld, elk naar de behoeften van het gezin.
Hij smulde er dan ook verbazend aan, en hij had zijne moeder heel wat te vertellen onder het eten. Dat de Czaar zelf ook onder de vreemdelingen was, deelde hij echter niet mede. Dat was een geheim, hetwelk hij aan niemand verraden mocht.
HOOFDSTUK VII.
ALLERLEI GERUCHTEN.--HEYN POMP WORDT NOG NIEUWSGIERIGER.
Op dienzelfden Zondagmorgen vonden Sinjeur Calff en diens vrouw, toen zij uit de kerk kwamen, iemand op hen wachtende, en Calff herkende dadelijk in hem een handelsvriend uit Amsterdam. 't Was Sinjeur Anthonie van Vollenhoven, iemand die ook schepen ter walvischvaart uitzond.
De begroeting tusschen hen was zeer hartelijk, en Sinjeur Calff noodigde hem dadelijk uit, dien dag zijn gast te blijven. Maar dit heusche aanbod werd afgeslagen.
"Waarde vriend Calff," sprak Sinjeur van Vollenhoven, "ik heb eene tijding vernomen, die ik voor u en voor het dorp Saardam van veel, zeer veel belang acht, en ik meende verplicht te zijn, zelf naar hier over te komen, teneinde u daarvan mededeeling te doen."
"Goede tijding, naar ik hoop?" vroeg Sinjeur Calff, die dadelijk begreep, waarover zijn gast hem kwam spreken.
"Helaas, neen!" was het antwoord. "Ik moet u een Jobstijding brengen, tot mijn leedwezen. Laat mij u zeggen, wat er van de zaak is. Gisterenavond, tegen zonsondergang, is een van mijne schepen uit het hooge noorden teruggekeerd, en werd mij door den commandeur gerapporteerd, dat door hem stukken wrakhout in zee zijn gevonden, die het ergste doen vreezen voor uw Bonte Calff. Ik mag u niet verhelen, dat dit fraaie schip vermoedelijk, neen, zelfs waarschijnlijk en bijna zeker, is vergaan."
De spreker hield stil, en Sinjeur Calff zeide met een zucht:
"Ik vreesde het,--ik vreesde het. Maar nu heb ik zekerheid.--Waardoor kon uw commandeur weten, dat het wrakhout van het Bonte Calff afkomstig was, Sinjeur van Vollenhoven?"
"Er was geen twijfel mogelijk, mijn vriend," was het antwoord. "Aan boord van de Twee Gebroeders is onder de meegebrachte wrakhouten ook een deel van den spiegel aanwezig, waarop met vergulde letters het woord Calff staat. 't Is aan geen twijfel onderhevig, of het schip is vergaan.--Dat zal een zware slag zijn voor u en voor geheel Saardam, wanneer althans de bemanning niet is gered."
"Heeft u daaromtrent niets vernomen?" vroeg de vrouw des huizes, wier oogen met tranen gevuld waren.
"Ik weet er niets van, Juffrouw Calff.--Omtrent de bemanning wist mijn commandeur mij niets mede te deelen. Wellicht is het haar gelukt, zich te redden. Dat zou niet de eerste maal zijn, niet waar? Reeds dikwijls hebben de walvischvaarders het behoud van hun leven aan de ijsschotsen te danken gehad, waarop zij eenige dagen drijvende konden blijven..."
"'t Is waar, en ik heb daarop ook mijne hoop gevestigd," sprak Sinjeur Calff. "Hoewel mij gisteren echter reeds is medegedeeld, dat het Bonte Calff met man en muis is vergaan. 't Is eene recht treurige tijding voor de arme weduwen en weezen, die achterblijven zonder kostwinner."
Een paar uren later keerde Sinjeur van Vollenhoven naar Amsterdam terug. Calff en Nicolaas welke laatste zeer onder den indruk van het treurige bericht verkeerde, omdat zijn vriend Jan Willemsz nu ook in het hooge noorden zoo jammerlijk om het leven gekomen was, brachten hem naar de veerschuit, waar de koopman afscheid van hen nam.
Vader en zoon keerden zwijgend naar huis terug, en het ontging den Saardammers niet, dat Sinjeur Calff er bezorgd en verdrietig uitzag. Het gevolg daarvan was, dat men dadelijk aan het gissen ging, wat hiervan de reden kon zijn. "Zou er misschien slechte tijding van het Bonte Calff gekomen zijn?" vroeg men elkander af. En al spoedig ging het gerucht door de plaats, dat het met dit schoone schip niet in orde was, en dat het misschien wel was vergaan.
"Vader," vroeg Nicolaas, toen zij dicht bij hun huis gekomen waren,--"moet de treurige tijding nog langer geheim gehouden worden? Is het niet beter, dat zij langzamerhand bekend wordt?"
"Wij mogen haar niet langer verzwijgen, jongen," was het antwoord. "De menschen hebben er recht op te weten, wat er gebeurd is."
Juist toen zij binnen wilden gaan, kwam Jacob Willemsz aanloopen. Hij groette Sinjeur Calff door het afnemen van zijn muts, en zeide:
"Heb je al van de vreemdelingen gehoord, Nicolaas? Er zijn Russen in Saardam aangekomen, ongetwijfeld groote heeren, die hier een ambacht komen leeren."
"Ja, ik heb ze gezien," was het antwoord, maar Nicolaas zag er zoo droevig uit, toen hij Jacob aankeek, dat deze het dadelijk opmerkte.
"Scheelt er wat aan?" vroeg Jacob belangstellend. "Ben je ziek, of--is er iets droevigs bij jelui voorgevallen?"
Sinjeur Calff keerde zich bij die vraag tot Jacob, en antwoordde voor zijn zoon:
"Ja, jongen, iets zeer droevigs, althans iets, dat zeer droevig kan worden--ook voor jou."
"Voor mij?" vroeg Jacob verwonderd. En hij herhaalde na een oogenblik de vraag: "Voor mij?"
"Ja, voor jou ook. Maar 't kan alles nog goed afloopen, Jacob, want wij hebben nog in het geheel geen zekerheid. Er gaan slechte geruchten over het Bonte Calff, die in de Poolzee vergaan moet zijn."
Jacob werd doodsbleek bij het hooren van die woorden en zijn adem hokte hem in de keel.
"Het Bonte Calff vergaan?" mompelde hij zacht. En daarop vroeg hij bevend van angst over het lot van zijn broer Jan:
"En de bemanning, Sinjeur,--en Jan...?"
"Daaromtrent is mij niets bekend, totaal niets. 't Is mogelijk dat zij het leven hebben kunnen redden, dat is zelfs zeer goed mogelijk,--maar--"
Sinjeur Calff haalde bedenkelijk de schouders op.
"Zij kunnen ook vergaan zijn," vulde Jacob zacht den onvoltooiden volzin aan, en de tranen vloeiden hem langs de wangen.
Ook Sinjeur Calff was ontroerd, en Nicolaas had evenzoo de tranen in de oogen.
"God geve, dat zij gered zijn, Jacob," sprak de koopman ernstig. "Laten wij nog niet wanhopen. Geen muschje valt ter aarde zonder Zijn wil, en Hij is machtig om zelfs uit den grootsten nood uitredding te geven."
Sinjeur Calff zeide dit om den knaap wat te bemoedigen, maar zelf twijfelde hij niet, of de geheele bemanning had den dood gevonden in de golven. Ware het anders geweest, dan zou dit geen geheim gebleven zijn.
Bedroefd keerde Jacob naar zijn huisje op den Lagen Horn terug, en voorzichtig deelde hij aan zijne moeder de treurige tijding mede. Het arme schepsel was er tot in de ziel toe door geschokt, en de tijding verpletterde haar dermate, dat zij zelfs niet schreien kon. Onbeweeglijk, aan een blok gelijk, zat zij in haar armelijk huisje op een stoel in droef gepeins verloren. Soms mompelden hare lippen den naam van haar lieven Jan, dien zij zoo noode had zien vertrekken naar de verre zee...
O, 't was, of zij er een voorgevoel van had gehad, dat het met haar kind niet goed zou afloopen. Hoe had zij hem nagestaard bij zijn vertrek, en hoe wee en leeg was het in haar borst geweest, toen zij hem uit het oog verloren had.
En nu zou zij hem nooit,--nooit wederzien; nooit meer zou zij hem aan haar liefhebbend moederhart kunnen drukken, nooit meer hem in de trouwe, open oogen kijken. O, had zij hem maar niet laten gaan! Ware zij maar liever gaan bedelen, om brood te krijgen voor hare kinderen. Dan zou dit vreeselijke verdriet haar bespaard gebleven zijn...
Moeder noch zoon merkte op, hoe druk het in den loop van den middag werd op den Lagen Horn, veel drukker, dan het daar ooit geweest was. Het gerucht van de aankomst der vreemdelingen had vele wandelaars op de been gelokt, en honderden passeerden den Lagen Horn, om de woning van Kist aan het Krimp te zien, waarin een van die vreemdelingen zich bevond.
Maar die vreemdeling zelf vond dit drukke geloop verre van aangenaam, en bleef voor de Saardammers onzichtbaar. Den geheelen middag verliet hij het huisje niet, waar hij in een druk gesprek met Kist gewikkeld was en dezen allerlei vragen stelde, waaruit ten duidelijkste zijn groote weetgierigheid bleek.
"Hoeveel molens zijn er aan de Zaan?" vroeg hij onder anderen.
"Meer dan vierhonderd, Pieter Michaeloff," antwoordde Kist, die het woord Majesteit niet meer op de lippen durfde nemen.
"Alleen aan houtzaagmolens zijn er 183, oliemolens 70, pelmolens 35, papiermolens 20..."
"Die ik zien wil," viel de Czaar in. "Ik zal er modellen van maken en dergelijke molens in mijn rijk doen bouwen."
"En dan zijn er nog verfmolens, tabaksmolens, meelmolens, mosterdmolens en volmolens," hernam Kist. "De Zaan is het land, waar de menschen van den wind leven!"
Kist begon zich in het bijzijn van den Czaar blijkbaar meer op zijn gemak te gevoelen, en de Czaar vond zijn grappige opmerking wel aardig.
"Hoeveel scheepstimmerwerven vindt men hier!" vroeg hij.
"Zeer vele," was het antwoord, "en daaronder wel een 50 groote. Nog onlangs is hier aan de Zaan een schip van meer dan 90 voeten lengte gebouwd in vijf weken tijds, kant en klaar om in zee te gaan. Er is hier één scheepstimmerwerf, waar jaarlijks wel 10 à 12 schepen worden gebouwd."
"Wat zeer veel is, verre boven mijn verwachting," sprak de Czaar. "Ik elk geval zal op een van al die werven wel een plaatsje te vinden wezen voor mij. Den scheepsbouw wil ik tot in de kleinste bijzonderheden leeren kennen."
"Heel dicht hier in de nabijheid is de werf van Lynstbaas Teeuwisz Rogge," hernam Kist. "Zij is gelegen aan den Hoogendijk en 't zou dus voor u wel gemakkelijk zijn, daar uw werk te verrichten."
"Goed,--ik trachten zal, mij daar als knecht te doen aannemen," hernam Czaar Peter. "Morgen ga ik er heen, als de menschen allen aan den arbeid zijn, en mij hun gezelschap niet opdringen.--Is hier een kompaswinkel, waar ik verschillende instrumenten kan koopen?"
"O ja, bij Lauwrens Pieter Louwen, in de Passer, op den Dam. Daar is alles goed en billijk te verkrijgen, wat men van dien aard van dingen mocht noodig hebben."
"Morgen ga ik er heen," sprak de Czaar. "Varen van hier vele schepen ter zee?"
"Wel honderd," was het antwoord. "Zij bevaren alle zeeën, en er gaan er ook vele ter walvischvaart. De vloot zal weldra terugkeeren. Dezen middag vernam ik nog, dat hier van Saardam een van de mooiste walvischvaarders moet zijn vergaan. Als dat waar is, zal het eene groote ramp voor deze plaats zijn, want er waren meer dan veertig koppen aan boord. En voor Sinjeur Calff eene groote schade, daar het schip geheel of voor een groot deel zijn eigendom was."
"Wie die Sinjeur Calff is?"
"Een van de grootste kooplieden van Saardam. Hij bezit verschillende molens, en er vaart van hem meer dan een schip buitengaats. Hij zal dan ook wel niet arm worden door het vergaan van het Bonte Calff, maar 't zal alevel eene groote schade voor hem zijn."
De Czaar had tijdens dit gesprek telkens aanteekeningen in zijn zakboekje gemaakt, en begon daarin verder te bladeren. Kist meende daarom, dat zijn gezelschap langer niet gewenscht was, en wilde vertrekken. Doch toen hij reeds bij de deur was, vroeg de Czaar hem nog:
"Waar woont hier een bekwaam kleedermaker, die in den kortst mogelijken tijd mij en mijn gevolg flinke werkpakken kan bezorgen, zooals hier door de Saardamsche timmerlieden gedragen worden?"
"Dan komt u het beste terecht bij Sinjeur Jan Cornelis Noomen, hier in de Molenbuurt. Hij heeft een grooten lakenwinkel, en is zeker in staat, u vlug te bedienen."
Nadat de Czaar ook dit opgeteekend had, verliet Kist het vertrek. En de Czaar begaf zich vroeg ter ruste, om den volgenden morgen tijdig bij de hand te kunnen zijn.