Part 10
De toeloop van volk werd echter zoo groot, dat de magistraat er verlegen mede werd, en alle genomen maatregelen nutteloos bleken. De schuttingen werden omvergeloopen en de wachten verdrongen.
Toen de Czaar naar buiten wilde treden, ontdekte hij de jubelende schare, en hij werd opnieuw toornig. "Te veel volks! Te veel volks!" zeide hij. Hij keerde in zijne kamer terug en verkoos deze niet meer te verlaten. De deur smeet hij toornig achter zich dicht.
Het schip kwam intusschen voor den Dam, waar duizenden menschen stonden te wachten, om den Czaar te zien. Hij bleef echter den geheelen dag onzichtbaar, en nam het besluit, den volgenden dag Saardam te verlaten. Hij was daar te veel door nieuwsgierigen omringd, en wenschte niets liever, dan geheel te kunnen doen en laten, wat hij verkoos, zonder altoos door een drom van menschen te worden aangestaard. Van zijn besluit om te vertrekken schijnt hij de regeering kennis gegeven te hebben. Deze had althans voorzorgen genomen, om hem daarbij van dienst te zijn.
Het schip werd zonder ongelukken over den Dam gebracht. Aan weerskanten van den Dam was daartoe een hellende vloer gelegd, die dus met den Dam als het ware eene brug vormde. De planken vloeren waren terdege ingesmeerd, om ze gladder te maken. Twee touwen werden aan den voorsteven vastgemaakt, en ook twee aan de kiel van het schip. De andere einden liepen om spillen of windassen, die elk door een twintig à dertig man langzaam werden omgedraaid. Hierdoor werd het vaartuig tegen de helling opgetrokken, en om te voorkomen, dat het door een of ander toeval mocht terugglijden, deed men ook touwen boogsgewijze om den achtersteven. Zoo ging men langzaam met winden voort tot het schip zijn hoogsten stand had bereikt, waartoe heel wat arbeid noodig was, daar de Dam eene breedte had van honderd- en vijftig voet. Maar was het schip eenmaal geduikeld, dan kon het winden niet te hard gaan.
Onder het gejuich van duizenden menschen raakte het eindelijk in de Voorzaan vlot. En de menigte verspreidde zich. Men begaf zich huiswaarts, doch om den volgenden dag in nog grooter aantal terug te keeren.
Nauwelijks was Kist dien morgen opgestaan, of hij zag verscheidene schuitjes in de sloot bij het Krimp, en hij riep een van de opvarenden toe:
"Wat beteekent die drukte hier in den vroegen morgen? Is er iets bijzonders aan de hand?"
"Dat zal jij niet weten, Kist?" was het antwoord van den man in de boot.
"Ik?--Ik weet nergens van! Waarlijk niet!" zei Kist.
"Weet je dan niet, dat de Czaar vandaag gaat vertrekken? Hij gaat voor goed weg."
Wat was Kist verwonderd, want het gerucht van het op handen zijnde vertrek had hem nog niet bereikt. En de Czaar zelf had hem er ook niet over gesproken.
Kist spoedde zich naar binnen, en vertelde het groote nieuws aan zijne vrouw, die er ook niet weinig verwonderd van opkeek.
"Dan mag hij ons wel rijkelijk al de moeite en drukte vergoeden, die wij van hem gehad hebben," zei ze. "Is me dat de gansche week een geloop en een gedoe geweest. Wij hebben geen rustig uur gehad van het oogenblik af, dat hij hier gekomen is, tot nu toe."
"Zou je dan denken, Neeltje," zei Kist, "dat hij ons niet goed beloonen zal? Daar blief ik niets van te gelooven. Hij zal in den loop van den dag, en in elk geval voor zijn vertrek, wel met ons afrekenen. En wel goed ook, daar ben ik van overtuigd."
"Ik mag het lijden," zei Neeltje schouderophalend. "Ik geloof er echter niet veel van."
Kist begaf zich weer naar buiten, vergezeld van Ary, wien het wel speet, dat de Czaar ging vertrekken. Hij had er vast op gerekend, dat deze den geheelen winter blijven zou, wat hij trouwens zelf gezegd had.
De drukte aan het Krimp nam met elk oogenblik toe. Het zag er zwart van de menschen. Wel waren de wachten op de beide bruggetjes verdubbeld, maar de lieden hadden hen verdrongen, en op de sloot wemelde het thans van roeibootjes, gevuld met nieuwsgierigen. Hier en daar klommen de menschen op de daken, waarvan de pannen werden weggenomen, en men zich voor een drie-gulden een goede plaats veroverde.
't Woei zeer hard, en 't werd langzamerhand zelfs een storm. De magistraat, waaronder de heer Bloem, benevens Sinjeur Calff, de beide vrienden van den Czaar, raadden hem aan, liever een of twee dagen te wachten, daar de overtocht over het IJ werkelijk niet zonder gevaar was, althans met een boeier. Maar de Czaar wilde van geen uitstel hooren. Als hij eenmaal een plan gevormd had, liet hij zich daar door niemand of niets afbrengen. En het gevaar vreesde hij niet, wat hij al meermalen in zijn leven had getoond.
Kist liep onrustig om zijn huisje rond. Hij zag, dat de Czaar op het punt stond om te vertrekken, en nog altoos had het den Vorst niet behaagd, met hem af te rekenen. En hem om het geld vragen, durfde Kist niet.
Eindelijk trad de Czaar naar buiten, om zich naar zijn boeier te begeven. Deze lag aan den Runmolen, zijne gewone ligplaats. Nauwelijks werd de Vorst zichtbaar, of het volk barstte los in een luid gejubel, waarover hij echter zoo toornig werd, dat hij weer naar binnen ging. Zijn woede werd daar zoo groot, dat het scheen of hij stuipen had.
En ook Kist was zeer boos, want het bleek hem thans zonneklaar, dat de Czaar van plan was, zonder betalen af te reizen.
De regeering besloot den boeier over te doen brengen naar de sluis aan den Horn, en nadat zooveel ruimte was gemaakt als mogelijk was, begaf de Vorst zich al worstelende en slaande, door de menigte, over het Zuidelijke bruggetje van het Krimp, en bereikte gelukkig den boeier.
Men ging onder zeil. In het holle water gekomen brak het zwaardtouw, en de schippers, die den boeier ontmoetten, waarschuwden den Vorst, dat hij gevaar liep van om te slaan. Maar hij stoorde zich daaraan niet, en kwam behouden aan de Oude Stadsherberg te Amsterdam aan.
't Is te begrijpen, dat de jongens van Saardam het vertrek van den Czaar ook hadden bijgewoond. Nicolaas Calff was komen aanloopen met Jacob Willemsz, die nog altoos hunkerde naar bericht omtrent het Bonte Calff, over welk schip nog niets naders was vernomen. Nog altoos bleven hij en zijne moeder de flauwe hoop koesteren, dat de bemanning op de een of andere wijze gered mocht zijn.
Ook waren daar Arent Bloem, Cornelis Noomen, Dirk en Teeuwis Rogge en Jan Gekeer aanwezig. Ary Kist voegde zich na verloop van eenigen tijd ook bij hen. Hij deed dat, toen de Czaar het huisje had verlaten, om zich naar den boeier te begeven, bij welke gelegenheid hij een vol uur noodig had, om zich een doortocht te banen.
"Daar gaat hij nu," zeide hij tot zijne vrienden. "En hij heeft ons..."
"Eene vorstelijke belooning gegeven," viel Jan Gekeer in. "'t Zal jelui geen windeieren gelegd hebben, Ary, dat verblijf van den Russischen Czaar!"
"'t Mocht wat!" zei hij. "Hij heeft ons letterlijk niets gegeven, en hij gaat heen zonder te betalen. Is het geen schande? En dat doet nog wel een vorst, een machtig vorst. Een arme drommel zou ten minste nog "dankje" gezegd hebben, maar hij gaat zonder groeten heen, onverwachts, zonder er zelfs met een enkel woord over te kikken. 't Is netjes, dat zeg ik."
"Niet eens betaald!" vroegen de jongens verbaasd.
"Neen, geen duit!" riep hij. "Kijk, daar stapt hij op den boeier. Het zeil wordt geheschen! Daar gaat hij!"
"Hij zal het kwaad genoeg te verantwoorden hebben op het IJ," zei Dirk Rogge. "Er zullen groote golven gaan."
"Als hij maar niet omslaat," zei Jacob Willemsz, die weer aan zijn broer dacht. "Dat zou verschrikkelijk zijn."
Opeens bemerkte hij op eenigen afstand Heyn Pomp, die ook naar het vertrek van den Czaar was komen kijken.
"Hola, Heyn, moet je den Czaar nog niet even gaan groeten?" vroeg hij lachend. "Of heb je hem al gesproken?"
Alle jongens schoten in den lach, want zij hadden er van gehoord, hoe de Czaar hem tegen wil en dank eene kies had getrokken, wat zij verbazend grappig vonden.
En Heyn koos de wijste partij. Hij drong zich door het opgehoopte volk heen en voegde zich bij hen. Lachend zei hij:
"Ik ben in het geheel niet verlangend meer om den Czaar van nabij te zien; hij is mij te hardhandig."
Toen de boeier van den Czaar uit het gezicht verdwenen was, begaf het volk zich langzamerhand naar huis, en de gewone stilte keerde in Saardam's straten terug. Het verblijf van den Czaar was voor de bewoners een zeer belangwekkend geval geweest, en het speet hun, dat hij geen gevolg had gegeven aan zijn plan, om er den geheelen winter door te brengen. Maar zij waren toch zeer vereerd met zijn bezoek en stelden het op hoogen prijs.
HOOFDSTUK X.
OP HET HEMVELD.
Een paar weken waren voorbijgegaan sinds het vertrek van den Czaar, en reeds twee malen was hij in Saardam terug geweest. Den eersten keer in het hartje van den nacht, op den 30en Augustus, dus slechts enkele dagen na zijn vertrek. Hij kwam om zijne gereedschappen te halen, want hij had te Amsterdam verlof gekregen om zich verder op de Admiraliteitswerf in de praktijk van den scheepsbouw te oefenen. Aldaar was hem ook een gebouw ten gebruike afgestaan. En den tweeden keer was hij gekomen, om het overwinden van een schip te zien over den Dam, waartoe hij door Sinjeur Calff uitgenoodigd was. Om te maken, dat er bij die gelegenheid niet al te veel volk zou samenstroomen, had men het gerucht uitgestrooid, dat de Czaar voor de uitnoodiging had bedankt. De Vorst bekeek alles met de grootste belangstelling, en hij deed dien dag ook nog een grooten inslag van gereedschappen, welke hij zelf naar zijn boeier droeg. Twee dagen later kwam zijn gevolg terug. Menzikoff kwam bij Gerrit Jansz. op het masten maken, en Golofkin leerde bij Paulus Teeuwissen het bootenmaken. Eerst beklaagden zij zich sterk over den ruwen arbeid, waartoe zij door hun gebieder gedwongen waren, maar langzamerhand gewenden zij er aan. De Czaar kwam hen dikwijls bezoeken in hun gebouw aan de Oostzijde, de Steenenkamer genaamd, en dan bracht hij den avond meestal bij Sinjeur Calff door, met wien hij zeer bevriend was.
Zoo gingen de dagen voorbij, en nog altoos waren de Groenlandvaarders niet teruggekeerd.
Er heerschte groote droefheid in menig gezin, en ook in het eenvoudige huisje van de weduwe Willemsz werden bange dagen doorgebracht.
Dag-in en dag-uit klonk de vraag van de moeder, als Jacob binnenkwam: "Nog geen tijding, Jacob!"
"Niets, Moeder, totaal niets!" was dan het antwoord, en dan druppelden groote tranen uit de oogen der moeder, en had Jacob moeite, om de zijne te bedwingen. Soms stond hij op, en sloeg haar de armen teeder om den hals, en dan kuste hij haar, zeggende:
"Moederlief, houd toch goeden moed! Nòg hebben we geen zekerheid, en alles kan nog ten beste keeren."
Maar dan schudde zijne moeder ongeloovig het hoofd, en zuchtte:
"Neen, kind, neen, 't is alles voorbij. Ik heb mijn lieveling verloren en zal hem nooit wederzien. O, had ik hem toch niet laten gaan..."
Zij werd stil en in zichzelf gekeerd, zoodat Jacob het zijn plicht achtte, haar zooveel mogelijk gezelschap te houden. En dan spraken zij samen altoos over Jan, en als zij dat niet deden, waren toch hunne gedachten bij hem.
Eens op een Zaterdag, een paar weken na het vertrek van den Czaar, kwamen de jongens hem afhalen, om te gaan spelen. 't Waren zijne gewone kameraden, met wie hij meestal omging: Nicolaas Calff, met Castor natuurlijk, want die was altoos in zijn gezelschap, Dirk en Teeuwis Rogge, Jan Gekeer, Aart Bloem, Cornelis Noomen en Ary Kist.
"Jacob, ga je meê?" vroeg Nicolaas Calff. "We gaan naar het Hemveld."
"Och," zei Jacob, "ik moest maar thuis blijven. Ik heb toch den rechten lust niet in spelen."
"Kom, ga meê!" zeide Ary Kist. "Toe maar. Je kunt toch altoos niet in huis zitten?"
Vrouw Willemsz keek haar zoon aan, en zeide:
"Wel ja, kind, waarom zou je niet meêgaan? Ga gerust, als je maar zorgt, op etenstijd thuis te zijn."
Maar Jacob scheen niet veel lust te hebben, en zijn kleine zusje, met wie hij aan het spelen was, toen de jongens hem kwamen halen, riep hem toe:
"Boer hier blijven. Ikke paadje jijden!"
"Neen jongens," zei Jacob, "ik blijf maar liever thuis."
Doch Ary Kist nam hem bij den arm, en trok hem naar buiten.
"Gekheid," zei hij beslist, "jij gaat met ons meê. Dag buurvrouw!"
Jacobs aarzeling was thans overwonnen, en nu hij eenmaal besloten was, vond hij het toch wel prettig ook, om bij zijn makkers te zijn. In het vuur van het spel vergat hij gewoonlijk zijn verdriet en werd hij even vroolijk als altoos.
"Waar zullen we heengaan? Naar het Hemveld, of naar Westzaan?" vroeg Ary Kist.
"Naar het Hemveld; dat is eenmaal afgesproken!" antwoordde Arent Bloem, en zonder tegenspraak legden de andere jongens zich bij zijne beslissing neer. Zij liepen den Hoogendijk af en bereikten weldra het veld, waar zij dikwijls gingen spelen. Zij waren er zoo vrij als de vogeltjes in de lucht, en konden er om zoo te zeggen doen, wat zij verkozen. Het was een klein schiereiland, dat aan drie kanten begrensd werd door het water van het IJ. Hoog riet groeide aan den oever, en de jongens vonden er wel het een of ander, dat hun belang inboezemde.
"Wat zullen we doen?" vroeg Ary Kist. "Verstoppertje?"
Dat spelletje deden zij er dikwijls, omdat zij zich in het riet zoo mooi konden verschuilen.
Het voorstel vond algemeenen bijval. Cornelis Noomen plukte een handvol grassprietjes en liet er ieder een trekken. Wie het langste sprietje trok, moest zoeken. Jan Gekeer was de gelukkige. Hij moest zich in een droge sloot afzonderen, om den anderen gelegenheid te geven, zich te verschuilen. En ieder zocht een goed plaatsje op aan den oever of in het hooge gras.
Toen Jan meende, dat hij lang genoeg in zijn sloot had doorgebracht, liet hij een langgerekt oe-oe-oe-oe! hooren, om de jongens te waarschuwen, dat hij in aantocht was, en van verschillende kanten werd zijn geroep op dezelfde wijze beantwoord. Een paal, op het midden van het veld, was honk. Zoodra Jan iemand ontdekt had, moest hij zijn naam roepen en eerder dan deze den paal trachten te bereiken, want was de andere jongen hem voor, dan kon deze hem tikken, en moest hij opnieuw zoeken.
De jongens hielden zich doodstil, om hunne schuilplaats niet te verraden.
Jan Gekeer begaf zich eerst naar den paal, om van daar uit zijn verkenningstochten te beginnen. Hij moest dat uiterst behoedzaam doen, want liep hij een van de jongens voorbij, zonder diens schuilplaats te ontdekken, dan kon deze opspringen en naar den paal snellen. In dat geval had Jan het verloren.
Hij bewoog zich stapje voor stapje, en speurde links en rechts. Het minste geritsel kon hem eene schuilplaats van een der jongens verraden.
Ha, daar bewoog zich iets in het lange gras. Jan stond stil en keek uit, of hij geen hoofd boven de grashalmen zou zien verschijnen. Hij wachtte geduldig, wetende, dat de jongen zich oprichten zou om te zien, of Jan al ver genoeg van den paal verwijderd was, teneinde met hoop op succes den wedloop te kunnen beginnen.
Daar verscheen een hoofd behoedzaam boven de graspluimen, en nauwelijks had Jan het gezien, of hij riep:
"Ary Kist!"
En tegelijkertijd snelde hij naar den paal terug.
Zoodra Ary zich ontdekt zag, sprong ook hij op, om te trachten eerder dan Jan den paal te bereiken, maar hij moest het verliezen. Ary werd gevangen. Jan Gekeer kon veel harder loopen dan hij.
't Werd nu voor Jan gevaarlijker, want Ary Kist had er natuurlijk belang bij, dat een van zijne makkers het won. In dat geval mocht hij zich ook weer verschuilen. Hij trachtte dus zijn makkers te waarschuwen, indien er gevaar dreigde. Was Jan nog dicht bij den paal, dan riep hij: "Blijf! Blijf!" Maar waagde Jan zich iets verder, dan klonk zijn raad: "Kom uit! Kom uit!"
Jan was echter voorzichtig en vlug. Teeuwis Rogge, die op het geroep van "Kom uit! Kom uit!" den wedloop gewaagd had, moest ook het onderspit delven. Evenzoo ging het met Dirk Rogge, die het bijna van Jan gewonnen had, toen hij plotseling struikelde en met zijn neus in het lange gras terecht kwam. Jan kreeg gelegenheid het pleit te winnen.
Eindelijk waren er nog maar twee jongens overgebleven, en het kon Jan maar niet gelukken, hunne schuilplaats op te sporen. 't Waren Nicolaas Calff en Jacob Willemsz. Zij hadden zich aan het uiterste puntje van het Hemveld achter het hooge riet verborgen, en hielden zich doodstil. Zij waren zoo diep mogelijk neergehurkt, en Castor lag onbeweeglijk aan de voeten van zijn jongen meester. Hij gaf geen kik en bewoog nauwelijks den kop, om Nicolaas even aan te kijken.
't Riet was op de plaats, waar zij zaten, verbazend hoog en dicht, en 't zou Jan Gekeer moeilijk vallen, om hen op te sporen. Zij hadden het plaatsje langs een kleinen omweg achter het riet om bereikt, zoodat er geen spoor was, dat den verkenner den weg kon wijzen.
Achter hen, bijna tegen hunne hielen, klotsten de golven van het IJ, op welk breed water de beide knapen thans een prachtig gezicht hadden. Er was eene drukke scheepvaart. Mooie boeiers passeerden van en naar Amsterdam, bootjes, soms met zingende roeiers, voeren op eenigen afstand voorbij, en fraaie tentjachten met voorname juffers gleden statig langs hen heen. De jongens werden niet moede, er naar te kijken. 't Riet vóór hen was zoo dicht, dat zij Jan Gekeer niet konden zien aankomen. Zij wisten dan ook vooraf, dat zij verloren waren, zoodra zij ontdekt werden, want dan had Jan wel zooveel op hen voor, dat hij gemakkelijk het eerst den paal bereiken kon.
Maar het geroep van hunne makkers: "Blijf! Blijf!" of "Kom uit! Kom uit!" drong zeer duidelijk tot hen door. Zij stoorden zich echter aan het een noch het ander, en bleven stil zitten.
"Hij vindt ons hier nooit, denk ik," zei Nicolaas Calff. "'t Is onmogelijk voor hem, om door het riet heen te kijken."
"Neen, gemakkelijk zal hij ons niet vinden," meende Jacob. "Maar hij is een slimmerd, en je bent hem niet gauw te vlug af. Hoort de jongens eens roepen: "Kom uit! Kom uit!" Ik wed, dat ze allen al gesnapt zijn, en dat het nog alleen om ons te doen is."
"Best mogelijk," zei Nicolaas. "Hoor eens!"
"Kom uit! Kom uit!" werd er thans weer met alle kracht geroepen, zeker omdat Jan Gekeer zich zeer ver van den paal gewaagd had.
"Toch blijven we zitten," zei Nicolaas. "We zitten hier best!"
"Ja, dat is wel waar, maar zou ik niet eens gaan kijken, waar Jan ongeveer is? Als hij den verkeerden kant uitgeloopen is, zouden wij het kunnen wagen, om van wal te steken."
"Niet doen, Jacob, niet doen! Laat hem maar zoeken. Hij vindt ons nooit."
De jongens hielden zich stil, en lieten weer hun blik over het IJ glijden. Opeens sprong Jacob overeind, en driftig zijn makker bij den arm grijpende, riep hij hem met hokkende stem toe:
"Kijk daar eens, Nicolaas, kijk daar eens! Ginds komen de Walvischvaarders terug!"
Nicolaas was ook opgesprongen en keek naar een aantal schepen, dat met volle zeilen naderde.
"Ja," zei hij, "daar komen de Walvischvaarders terug."
Hij vestigde vol medelijden zijn blik op zijn makker, die bijna met zijn voeten in het water stond. De arme jongen wilde zoo dicht mogelijk bij de schepen zijn, om dadelijk bericht te kunnen inwinnen omtrent het Bonte Calff. Het ontging Nicolaas niet, dat Jacob doodsbleek zag. Deze nam elk schip met de grootste nauwkeurigheid op, en mompelde eindelijk:
"Het Bonte Calff is er niet bij." En hardop liet hij erop volgen:
"Het gerucht heeft ons niet bedrogen, Nicolaas. Het Bonte Calff keert niet terug."
Groote tranen druppelden hem van het gelaat, en ook Nicolaas was zeer ontroerd.
De beide jongens hoorden niet eens, hoe hunne makkers luidkeels riepen, om hen te waarschuwen:
"Kom uit! Nicolaas en Jacob, kom uit!"
Zwijgend stonden zij aan den oever, en tuurden naar de schepen, die vlug naderbij kwamen. Zij konden de mannen op het dek reeds zien.
"Kom uit! Jacob en Nicolaas, kom uit!" klonk het nogmaals achter hen. Maar de jongens bleven als standbeelden staan, de oogen scherp op de schepen gericht.
"Het is zoo, Jacob," zei Nicolaas zacht, terwijl hij hem den arm op den schouder legde, als om hem te troosten, "er is er een minder, dan bij de uitvaart. Het Bonte Calff is vergaan, helaas!"
"Jacob Willemsz en Nicolaas Calff!" klonk plotseling de stem van Jan Gekeer, die hen eindelijk had gevonden. En vlug als de wind maakte hij rechtsomkeer, om het eerst aan den paal te komen. Hij was overwinnaar, en thans was de beurt om te zoeken aan een ander.
Tot groote verwondering van de andere jongens bleven Jacob en Nicolaas echter onzichtbaar. Jan Gekeer was al lang bij den paal terug, en nog kwamen zij niet.
"Ik heb ze toch eerlijk gesnapt!" zei hij. "Komt, ga jelui mede? Dan gaan we kijken, waar zij blijven." Even later werd het lange riet op zijde geduwd, en kwamen al de jongens op de punt van het schiereiland bij elkander.
"Waarom kom je niet?" vroeg Jan Gekeer. "Ik heb je eerlijk geroepen."
Nicolaas antwoordde niet. Hij wees alleen op de naderende schepen. En de jongens zagen, dat Jacob Willemsz doodsbleek zag, en dat hij schreide.
Zij hadden innig met hem te doen. Zwijgend telden ook zij de schepen, en met deernis ontwaarden zij, dat er een minder was dan bij de uitvaart.
't Was duidelijk: het Bonte Calff ontbrak.
Er werd geen woord onder de jongens gesproken. Castor alleen maakte wat leven, doordat hij eene rat had gezien, die hij gaarne vangen wilde. Het beestje was hem echter te vlug af.
De schepen kwamen al nader. De zeilen stonden bol, en de wind speelde lustig met de wimpels.
Opeens zei Ary Kist:
"Luister eens, jongens! 't Is net, of ik op het voorste schip hoor zingen."
"Het voorste is de "Groenlander," zei Dirk Rogge. Hij herkende het schip, omdat zijn vader het gebouwd had.
"Stil,--laten we luisteren," zei Ary Kist.
De jongens stonden onbeweeglijk. Inderdaad, er werd op de "Groenland" een matrozendeuntje gezongen. Zij herkenden aan de wijs het lied, hoewel zij de woorden niet konden verstaan.
't Luidde:
Matroosje, die de Zee bemint, En kleine schatten overwint, Die vaart naar 't Oosten en naar 't West, En houd de warmte voor het best, Daar moet men waters drinken, Die wel stinken. Zijt gij het warme land nu moe, Zoo peurt eens meê naar Groenland toe, Daar zult gij over vuilen stank, Van 't stinkend water tot uw drank, Noch over heete dagen Niet veel klagen enz.
"Dat is gemeen, om te zingen, nu er zooveel menschen niet terugkeeren," zei Ary Kist met verontwaardiging.
"Dat is het ook," beaamde Arent Bloem, en de andere jongens waren dat ook met Ary eens. Zij hadden thans dubbel met Jacob te doen, wien dat zingen wel allerakeligst in de ooren moest klinken.
Deze sprak geen woord. Hij staarde maar onophoudelijk naar het voorste schip, gereed om dadelijk inlichtingen te vragen, zoodra het dicht genoeg genaderd zou zijn.
"Jongens, 't kan wel een goed teeken zijn," sprak Nicolaas Calff. "Ik kan niet gelooven, dat zij zingen zouden, als daartoe geen reden bestond."
"'t Is mogelijk," zei Ary Kist. "Maar ik geloof er niet veel van. Hoor eens aan, 't schijnt wel een algemeen gezang. De heele bemanning zingt, geloof ik, meê."
Jacob stond te trappelen van ongeduld. Hij voelde niet eens, dat het water hem af en toe over de voeten stroomde. Ha, eindelijk was het voorste schip dicht genoeg genaderd, om het te kunnen beschreeuwen.
Hij hield zijn handen bij wijze van trompet om den mond, en riep uit alle macht:
"Hallo! Hallo!"
De mannen op het dek merkten de jongens op, en wuifden hun toe. Maar zij gingen voort met zingen, en hoorden niet, wat Jacob hun toeriep.
Het schip voer voorbij, en het tweede naderde. Maar ook daar klonk een lustig lied. De mannen gaven uiting aan hun vreugde, nu zij de groote reis achter zich hadden en het geliefde Saardam voor zich zagen oprijzen.
Opeens greep Nicolaas driftig zijn vriend Jacob bij den schouder en schudde hem krachtig heen en weer.