Part 11
"Jacob! kijk eens,--kijk eens. Bedrieg ik mij, of--is dat--o hemel, ik durf het haast niet zeggen,--kijk, daar in het vierde schip.--Wie klimt daar in den mast, en wuift ons toe met zijne muts? Ja--Ja, hemel, Jacob, zie je 't dan niet--dat is toch Jan,--dat is toch Jan,--dat is toch Jan!"
En Nicolaas beefde van vreugde, terwijl hij die woorden gejaagd uitsprak.
Alle jongens vestigden hun blik op het vierde schip. Daar klom inderdaad een jongen halverwege den mast in, en wuifde hun vandaar toe met zijne muts.
"'t Is hem!--'t Is hem!" riep Teeuwis Rogge.
"'t Is hem vast en zeker!" schreeuwde Ary Kist. "Jacob, zie je 't? 't Is Jan, zoowaar als ik leef!"
Hij nam zijne muts van het hoofd en zwaaide er lustig mede. "Hoezee! Hoezee! Hoezee!" riep hij Jan toe. En alle jongens volgden zijn voorbeeld.
"Hoezee! Hoezee! Hoezee!"
Alleen Jacob wuifde niet. Hij lachte en schreide tegelijk en strekte de beide armen naar Jan uit. O, hij wist het nu zeker: 't was Jan, zijn broer. Zonder nadenken stapte hij een paar schreden voorwaarts, alsof hij hem in de armen wilde drukken,--en nog voelde hij in de vreugde zijns harten niet, dat hij druipnatte voeten kreeg.
"Jan!--Jan!" riep hij dankbaar en verheugd uit.
"Hoezee! Hoezee! Hoezee!" klonk het achter hem. En zijne makkers trokken hem bij den arm terug, en zeiden lachend:
"Wou je naar hem toe zwemmen, Jacob? Kom mede, laten we naar Saardam terugkeeren, en het je Moeder vertellen."
"Ja, ja, en de andere menschen, die ook zoo in spanning hebben verkeerd over hunne mannen," zei Nicolaas. "Wat zullen zij blijde zijn!"
"Ja, ik ga meê," sprak Jacob. Maar eerst riep hij met inspanning van al zijn krachten:
"Dag Jan! Dag Jan!"
En hij wuifde hem toe met de hand.
Een huivering van geluk doorvoer hem, toen hij duidelijk de woorden hoorde:
"Dag Jacob! Tot straks!"
Nog eenmaal zwaaide hij met zijne muts, en toen ijlde hij met zijne makkers naar Saardam terug. De jongens konden hem bijna niet bijhouden, maar Castor sprong vroolijk blaffend voor hen uit.
Zij kwamen vele menschen tegen, want in Saardam was de komst van de walvischvaarders reeds opgemerkt, en men liep de schepen tegemoet, om te hooren, hoe het met de bemanning van het Bonte Calff was afgeloopen.
"De schepen komen!" riepen de jongens hun toe. "En de bemanning van het Bonte Calff is gered!"
Die blijde boodschap verkondigden zij wel honderdmaal, en tegen iedereen, die haar hooren wilde. En van mond tot mond ging de tijding:
"De bemanning van het Bonte Calff is gered." Groote vreugde heerschte in menig huis, waar enkele oogenblikken geleden nog heete tranen werden geschreid. Ja, heel Saardam verkeerde in feeststemming.
Jacob had spoedig den Lagen Horn bereikt. Hij wierp de deur van zijn huis open en stormde naar binnen.
"Moeder, Moeder!" riep hij hijgend, want hij was bijna geheel buiten adem van het harde loopen. "Moeder, de vloot keert terug!"
Maar opeens bedacht hij, dat hij voorzichtig moest wezen. De groote vreugde kon zijne moeder wel eens gevaarlijk worden.
Zij keek hem ontroerd in het roode gelaat, en zag, hoe zijne oogen glinsterden van vreugde.
"De vloot keert terug," mompelde zij zacht. Hare handen beefden en hare lippen trilden.
"Ja, Moeder,--en o, ik ben zoo blij!" zei Jacob, die in de vreugde zijns harten zijne Moeder omhelsde en haar innig kuste. Zacht fluisterde hij haar toe:
"O, Moedertje, wat een geluk. De bemanning van het Bonte Calff is gered!"
"Gered?" stamelde de weduwe. Zij vouwde de handen samen, en keek haar zoon ongeloovig aan. "Gered? Jacob,--weet je dat zeker?"
"Ja, Moeder, ik weet het zeker. Ik heb Jan gezien, Moeder, hij heeft mij gegroet. O, wat heb ik hard geloopen, om het u spoedig te komen zeggen..."
Zijne Moeder was buiten zichzelve van vreugde, en zij moest op een stoel plaats nemen, om niet te vallen. Ook zij lachte en weende tegelijk, en zij dankte den Heer des Hemels voor de redding van haar kind.
Jacob nam intusschen dol van blijdschap zijn zusje bij de twee handjes, en sprong met haar de kamer rond.
"Zus,--straks komt broer Jan! Straks komt broer Jan!" riep hij haar telkens toe.
En zus vond dat dansen en springen wat aardig, nog veel aardiger dan het bericht, dat Jan spoedig thuis zou komen. Het kleine ding was haar broer Jan al bijna vergeten.
Opeens stond de weduwe op. Zij nam kleine zus in de armen en sprak:
"Kom zus, wij gaan broer Jan halen. Kom, ik moet hem zien, ik moet hem zien. Hier houd ik het niet uit."
Moeder, zoon en dochter verlieten het huisje, en begaven zich naar den Zuiddijk, waar de walvischvaarders spoedig zouden aankomen. Wat stond het daar al vol menschen, allen in druk gesprek over de heugelijke tijding, dat de bemanning van het Bonte Calff gered en behouden binnengekomen was. Vreugde stond op ieders gelaat te lezen.
Toen de weduwe Willemsz met haar beide kinderen naderde, weken de menschen voor haar op zijde, om haar door te laten, en iedereen had een vriendelijk woord en een gelukwensch voor haar over. Hoe verheugde men zich ook over het geluk van deze arme vrouw.
Daar kwamen de schepen aan. De zeilen werden gestreken. De bemanning werd door honderden armen het welkom toegewuifd.
Mannen en vrouwen verdrongen elkander, om het dichtst bij den wal te komen.
De booten werden uitgezet, en de walvischvaarders stapten weldra aan land.
Ook Jan betrad weer den vaderlandschen grond, en hij wierp zich in de uitgebreide armen zijner moeder. 't Was eene omhelzing, waaraan bijna geen einde kwam. Telkens en telkens weer kuste zij den doodgewaanden zoon, telkens en telkens weer drukte zij hem vurig aan haar hart. Toen kwam Jacob aan de beurt, en kleine zus, en even later ontmoetten zij de jongens, die met Jacob op het Hemveld waren geweest.
Wat werden er handen gedrukt! Wat klonk er een luid en hartelijk gemeend: "Hoezee, Hoezee!" ter eere van Jan. In optocht brachten zij hem naar het welbekende huisje op den Lagen Horn.
's Avonds kwamen daar nog Sinjeur en Juffrouw Calff om Jan te begroeten en de weduwe geluk te wenschen met de behouden terugkomst van haar kind. En Castor, die met zijn meester medegekomen was, herkende Jan, en likte hem kwispelstaartend de handen.
Wat had Jan dien avond veel te vertellen! En hoe luisterden allen naar zijn verhaal van het vergaan van het Bonte Calff.
"Wij hadden juist een buitengewoon grooten walvisch geflenst," zoo vertelde hij, "toen er een zeer harde wind uit het Oosten opstak, die het schip geheel met ijs bezette, en toen de schotsen braken door de holle zee, kregen wij het kwaad te verantwoorden. De ijsschotsen schuurden langs het schip met een verbazend geweld, en soms werd het dek er haast onder begraven. Dat gebeurde telkens als er een stortzee kwam. De Commandeur gelastte om de voorzeilen los te maken, met het doel om dieper in het ijs te zeilen, waar de zee altoos kalmer is. Maar door het kruien van het ijs was het roer uit zijne vingerlingen gerukt en hing dwars boven het water. 't Was dus onbruikbaar, en de Commandeur trachtte thans het schip in den rechten koers te houden door met de schooten en brassen te sturen. Het schip werd met den ondergang bedreigd, want het ging juist den verkeerden kant op, met den kop naar de open zee. De ijsschotsen, de groote wel te verstaan, werden zoo heftig op en neer bewogen, dat zij soms tot aan de rusten van het schip reikten. Toen maakte de schrik zich van een deel der bemanning meester en zij sprongen over boord, op de schotsen, met het doel een groote schots te zoeken, waarop zij eenigen tijd drijvende konden blijven. Wel een vijf en twintig man verliet ons..."
"En jij?" vroeg Sinjeur Calff, "was jij ook onder die vluchtelingen?"
"Neen Sinjeur," sprak Jan, "ik bleef bij den Commandeur, die alles deed, om het schip te redden."
"Die lafaards!" zei Jacob verontwaardigd. "'t Was hun plicht, den Commandeur getrouw te blijven."
"Juist, dat was het zeker," sprak Sinjeur Calff. "En Jan heeft goed gehandeld. Vertel verder, Jan."
"Wij zagen de mannen kruipen van de eene schots op de andere, die heftig op de golven werden bewogen. 't Is een wonder, dat geen van hen er afgegleden en verdronken is. Vier- en twintig uur hebben zij eindelijk op een groot ijsveld doorgebracht, niet wetende, waarheen het lot hen voeren zou.
Intusschen zetten wij het marszeil op, hopende door krachtig zeilen de schotsen te doen wijken. Maar op eene voorbijdrijvende schots brak de loefmarsschoot aan stukken, waarop het schip tegen de buitenste schots aandraaide zoodanig, dat de geheele zijde inweek. Het Bonte Calff dreef zeewaarts, geheel overzijde hangende, en de Commandeur begreep, dat het spoedig zou omslaan, en op de ijsbergen te pletter loopen. Hij gebood ons daarom in de sloepen te stappen, die gereed hingen om dadelijk over boord gezet te worden.
Dat bevel werd uitgevoerd. Wij verlieten het schoone vaartuig met een gevoel, of wij onzen besten vriend hadden verloren, en we hebben het niet weer terug gezien. Later zagen we er het wrakhout van drijven.
Toen wij in de sloepen hadden plaats genomen, kwam er eene geduchte sneeuwjacht, zoodat we geen handbreed voor ons konden uitzien. Elk oogenblik liepen we gevaar om te slaan, en we zagen niets anders dan den dood voor oogen.
Gelukkig,--eindelijk bedaarde de sneeuwstorm, de lucht klaarde op, en wonder boven wonder, dicht bij ons dreven op eene groote ijsschots de mannen, die van ons weggevlucht waren. Wij voegden ons bij hen en trokken de sloepen op de schots. Nog anderhalf etmaal dreven wij toen op Gods genade voort, uitziende naar redding.
Eindelijk waagde de Commandeur het niet langer. Hij gebood de sloepen weer in zee te brengen, en stapte aan boord.
"Mannen!" sprak hij ernstig, "die mij en zijn leven lief heeft volge mij!"
Allen gehoorzaamden, en wij staken af met een beklemd hart. Maar na twaalf uur omzwervens ontdekten wij een schip. 't Was de "Vrede," onder Commandeur Parshout, waar we met de grootste vriendelijkheid werden opgenomen. Maar ik durf zeggen, dat we bange uren en dagen hadden doorleefd."
"Goddank, dat alles nog zoo goed afgeloopen is!" zei Juffrouw Calff, terwijl zij de weduwe Willemsz de hand drukte. "Er is geen enkel menschenleven bij verloren gegaan. Wij hebben zeer groote reden tot dankbaarheid."
"En wat is nu je plan voor de toekomst, Jan?" vroeg Sinjeur Calff. "Zit de schrik er in voor eene volgende reis?"
"Allerminst, Sinjeur," was het antwoord, "ik wensch niets liever dan mij bij een volgende vaart opnieuw te laten aanmonsteren. Dat deze reis ongelukkig geweest is, behoeft nog geen reden te zijn, om een goed vak vaarwel te zeggen. Ik ga weer meê, Sinjeur."
"Goed gesproken, Jan," zei de koopman, "doch niet meer als kajuitsjongen, maar als stuurmansleerling. De Commandeur heeft mij gezegd, dat je den stuurman nu reeds van veel dienst zijt geweest, en dat je je een ijverig leerling hebt betoond. Over een jaar of drie hoop ik je stuurman Jan Willemsz te noemen, en binnen een niet te groot tijdsverloop Commandeur. Hier heb je mijn hand er op!"
Jan drukte die met groote dankbaarheid. Hij was er van overtuigd, dat een gulden toekomst hem wachtte.
HOOFDSTUK XI.
BESLUIT.
Sinjeur Calff heeft in alle opzichten woord gehouden. Toen Jan drie en twintig jaar oud was, betrad hij voor de eerste maal het dek van een nieuw schip als Commandeur, en hij heeft altoos gelukkig gevaren. Zijne verdiensten waren toen zoo groot, dat hij zich een flink huis kon doen bouwen aan de Westzijde, waar hij met zijne moeder en zuster zijn intrek nam. Toch kon hij van het hem lief geworden huisje op den Lagen Horn niet geheel afstand doen. Hij kocht het voor eene kleine som van den eigenaar, en heeft het tot aan zijn dood in eere gehouden. Voor zijn goede moeder waren de bange dagen voorbij. Jan heeft haar leven lang voor haar gezorgd, en haar met de bewijzen zijner teederste liefde omringd.
Daarbij stond zijn broeder Jacob hem naarstig ter zijde. Nadat deze geruimen tijd op het kantoor van Sinjeur Calff had gewerkt, maakte hij eenige reizen over de groote zee mede, en werd eindelijk kapitein op een koopvaarder. Hij dreef handel in alle zeeën, en kwam later nog dikwijls in Rusland, waar hij de eer had, den Czaar meermalen te zien en te spreken.
De Czaar bleef den geheelen winter te Amsterdam arbeiden op de Admiraliteitswerf, waar de toegang voor het publiek verboden was. De regeering der stad bewees hem veel eer en richtte zelfs groote feesten aan. Onder anderen werd te zijner eer een groot spiegelgevecht gehouden op het IJ.
Toen hij vernam, dat de Walvischvaarders uit de Noordelijke IJszee waren teruggekeerd, spoedde hij zich dadelijk naar Saardam, om de schepen te gaan bezichtigen. De Commandeurs lieten alles gereed maken, om den Czaar te laten zien, hoe het bij de Walvischvangst toeging. Op een gegeven oogenblik hield men zich of er een visch te zien was, en de Commandeurs bevalen: "Val! Val!"
Op deze woorden sprongen de matrozen in de sloepen, de harpoeniers plaatsten zich op de plecht met den harpoen in de hand, en met forsche slagen verwijderde men zich van boord.
Dit alles ging zoo snel en geregeld in zijn werk, en elk man wist zoo precies de plaats, waar hij wezen moest, dat de Czaar er luide zijne bewondering over te kennen gaf.
Toen hij vernam, dat het Bonte Calff inderdaad vergaan, maar de bemanning gered was, begaf hij zich naar Jan Willemsz en drukte hem de hand.
"Ik jou broer ook wel ken," zei de Czaar lachend. "Jij niet verdronken!"
"Gelukkig niet, Majesteit," zei Jan flink, terwijl hij den Czaar open en zonder verlegenheid aankeek.
"Jij een flinke knaap bent," sprak de Czaar. "En ik heet niet majesteit, maar Pieterbaas."
De Czaar verwijderde zich en keerde weldra met zijn boeier naar Amsterdam terug. Doch nog heel dikwijls bezocht hij zijne vrienden te Saardam, bij wie hij zeer gaarne vertoefde. Vooral bij Sinjeur Calff kwam hij graag.
Toen het galjoot, waaraan de Czaar te Amsterdam arbeidde, klaar was, werd dit met groote plechtigheid door het Stadsbestuur aan den Czaar ten geschenke aangeboden, waarmede de Vorst bijzonder vereerd was. Hij benoemde zijn boeierknecht Musch tot kapitein en liet het naar Rusland voeren, waar hij het levenslang in groote eere gehouden heeft. Zelfs nog lang na zijn dood werd het daar bewaard.
Eindelijk verliet de Czaar ons land en begaf zich naar Engeland. Dat gebeurde op 18 Januari 1698. Maar op den 21en Mei van dat jaar kwam hij te Saardam terug, thans om afscheid te nemen van zijne vrienden. Hij bracht den avond feestelijk door ten huize van Sinjeur Calff, en gaf zijne groote tevredenheid te kennen over alles, wat hij daar gezien en geleerd had.
Eindelijk keerde hij naar zijn land terug, en hij legde daar den grondslag voor de latere macht van het groote Russische rijk. Hij was de leermeester van zijn volk en trachtte met alle kracht, waarover hij beschikken kon, zijne onderdanen de beschaving der andere Europeesche volkeren deelachtig te doen worden. Wel stuitte hij op veel tegenwerking en onwil, want zijn volk begreep hem niet, maar hij rustte niet en gaf den moed nooit verloren. Zijn land breidde hij uit tot aan de Oostzee, hij stichtte eene oorlogsvloot, verbeterde de rechtspraak, bevorderde het onderwijs, vernietigde de macht van den adel en beloonde den adel van den arbeid. Eindelijk begon hij aan den bouw van eene nieuwe stad, eene stad, die aan zee gelegen, voorbestemd was om de hoofdstad van zijn rijk te worden. 't Was Sint-Petersburg.
Met groote vreugde begroette hij het eerste koopvaardijschip, dat deze nieuwe plaats aandeed. Hij voer het schip tegemoet en vroeg, of er een loods noodig was. Toen hierop toestemmend geantwoord werd, klom hijzelf aan boord en loodste het schip behouden binnen. Wie beschrijft de verbazing der mannen, toen zij 's avonds bij den Czaar op een feest genoodigd, bemerkten dat de loods en de Czaar dezelfde waren.
Hij gaf de bemanning groote geschenken: de kapitein kreeg 500 dukaten, ieder bootsgezel 300 daalders. Bovendien werd den kapitein nog bij elk volgend bezoek 100 roebels beloofd. Het schip zelf kreeg den naam St.-Petersburg, en er werden verschillende voorrechten aan toegekend. Men heeft er dientengevolge meer dan vijftig jaar mede gevaren. Nicolaas Calff heeft er verscheidene reizen mede gemaakt, en werd telkens door den Czaar als een vriend ontvangen. Zelfs Castor ging soms mede.
Eenige jaren later, op den vijfden Maart 1717, heerschte er wederom eene groote drukte te Saardam.
Geen wonder waarlijk. De Russische Czaar bezocht toen voor de tweede maal de hem zoo lief geworden plaats; thans niet meer als de Keizer van een ruw volk, dat geen plaats verdiende in de rij der Europeesche staten, maar als de Czaar van een machtig rijk, dat met reuzenschreden op den weg der beschaving was vooruitgegaan en zich onder de machtigste rijken van Europa eene plaats veroverd had.
Czaar Peter had zijn verlangen te kennen gegeven, op zijn koopmans ontvangen te worden. Hij wenschte ook nu geen Majesteit te heeten. Zijne gemalin vergezelde hem op dezen tocht. Ook zij moest het land zien, dat hij als de wieg zijner grootheid erkende. Hij begaf zich dadelijk naar het huis van Sinjeur Calff, waar hij gewoon als Pieterbaas begroet werd, en hij gaf zijn verlangen te kennen, ook nu weder verschillende molens en fabrieken te bezichtigen. Dat er zooveel volks te zamen gestroomd was, om hem te zien, scheen hem dezen keer in het geheel niet te hinderen. Ja, hij draaide zich zelfs lachend om en om, ten einde gelegenheid te geven, hem aan alle zijden te bekijken.
Toen zij van hun tocht weer ten huize van de familie Calff waren teruggekeerd, vroeg hij:
"Hoe gaat het met Gerrit Kist?"
"Heel goed, Pieterbaas," was het antwoord van Sinjeur Calff. "Hij werkt hier dichtbij in eene smederij."
"Laat hem halen," sprak de Czaar. "Ik wensch hem nog eens te zien."
Er werd dadelijk een bode afgezonden, om Kist het verlangen van den Czaar te berichten, maar Kist antwoordde, terwijl hij nijdig met zijn voorhamer op het gloeiende ijzer sloeg:
"Ik geef den brui van den Czaar; hij is mij nog huur schuldig."
De Czaar lachte er smakelijk om, toen hij dit vernam, en vergezeld van een der Edelen uit zijn gevolg, begaf hij zich naar de smederij. Hij drukte Kist de hand, en verzocht hem mede te gaan naar het huisje op het Krimp, dat hij nog gaarne eens wilde zien. Kist deed het, en de Czaar betrad weldra het eenvoudige gebouwtje, waarin hij als timmermansknecht had vertoefd. Hij liep het geheele huisje door, en bezag de oude slaapstede, alsmede het kamertje, waar hij gewoon was te bidden. Hij nam zelfs een kijkje op den zolder, en vertoefde in het gebouw wel een half uur lang, tot groote vreugde van Ary, die zijn werk op de scheepstimmerwerf van Lijnstbaas Rogge in den steek gelaten had, om den Czaar nog eens te ontmoeten.
Toen de Vorst vertrok, betaalde hij Kist rijkelijk, wat deze van hem moest hebben, en gaf hem zelfs een zilveren beker ten geschenke als een gedachtenis aan zijn verblijf.
Hiermede is dit verhaal ten einde.
Dat het huisje van Kist nog te Saardam aanwezig is en jaarlijks door duizenden vreemdelingen wordt bezocht, is algemeen bekend. 't Is met zware balken gestut, om het voor instorten te behoeden, en men houdt het zorgvuldig in denzelfden staat van tweehonderd jaren geleden. Zelfs de meubels zijn dezelfde gebleven.
Het behoort thans aan den Czaar van Rusland, die het in hooge eere houdt, ongetwijfeld omdat het een onwedersprekelijk getuigenis aflegt van de waarheid dezer woorden:
"Niets was den grooten man te klein."
NASCHRIFT.
Bij de verschijning van dit boek is het mij een aangename plicht, mijn hartelijken dank te betuigen aan den Heer G. J. HONIG, den op het gebied der Zaanlandsche Historie bekenden Bibliothecaris van de Zaanlandsche Oudheidkamer te Zaandijk. Deze toch heeft mij niet alleen met de grootste welwillendheid uit zijne boekerij de noodige bronnen verschaft, om mij voor het schrijven van dit boek te kunnen voorbereiden, maar mij tevens na de lezing van het handschrift opmerkzaam gemaakt op een tal van kleinigheden, die toch voor de juiste behandeling van mijn onderwerp van het grootste belang waren, en waarvan ik een dankbaar gebruik heb gemaakt. Hij heeft mij daardoor in de gelegenheid gesteld, werkelijk historische personen ten tooneele te voeren en hunne lotgevallen naar waarheid te vermelden. Ook de jongens, die in dit verhaal voorkomen, hebben voor het meerendeel geleefd, doch hunne lotgevallen berusten op fantasie. Echter niet geheel, want ook daarbij heb ik het gebeurlijke niet uit het oog verloren. De wonderbare redding b.v. van Nicolaas Calff is geput uit Het Boek der Opschriften van Mr. J. van Lennep en J. ter Gouw, zie het tweede deel, bldz. 163. Ook wat Jacob Willemsz. den Commandeur Jonge Kees navertelt, is historisch, terwijl bij de beschrijving van het vergaan van het Bonte Calff het verzinken van het schip de Bleeker in 1670 tot exempel heeft gediend.
De volgende werken zijn door mij geraadpleegd:
J. Honig Jsz. Jr. Studiën. J. Honig Jsz. Geschiedenis der Zaanlanden. A. Loosjes. Zaanlandsche dorpen. F. Martens. Vojagie naar Groenland en Spitsbergen. C. G. Zorgdrager. Bloeyende opkomst der Groenlandsche Visscherij. G. J. Honig, Pieter Michaeloff, een tooneelstuk, dat opgevoerd is te Zaandam bij gelegenheid van de Czaar-Peter-feesten in 1897.
C. JOH. KIEVIET.
INHOUD.
Blz. In het huisje aan den Lagen Horn. 9 Een hevig gevecht en een groot ongeluk. 31 Een vergeefsche tocht en eene wonderbare redding. 56 Het Bezoek van Sinjeur Calff, en de gevolgen daarvan. 78 Een vreeselijk gerucht, eene spookhistorie en een vreemd bezoek. 97 Hoe nieuwsgierig de Saardammers waren. 123 Allerlei geruchten.--Heyn Pomp wordt nog nieuwsgieriger. 144 In den barbierswinkel, bij den Dam, en ten huize van Sinjeur Calff.--Heyn Pomp krijgt den Czaar te zien. 164 "Te veel Volks." 192 Op het Hemveld. 205 Besluit. 229 Naschrift. 237
AANTEEKENINGEN
[1] Diezak = dijzak.
[2] Aldus schrijft de Heer Jacob Honig Jzn. Junior, in zijn bekend werk: Geschiedenis der Zaanlanden, 2e deel.
End of Project Gutenberg's Jongens van Oudt-Holland, by C. Joh. Kieviet