Part 9
"Ik lust ze ook wel!" zei een derde, die brutaalweg vlak voor den Czaar ging staan.
"Daar jij dan een hebt!" zei de Czaar, die boos begon te worden; en hij wierp den brutalen jongen een pit in het gelaat.
"Houd dat zelf!" schreeuwde de jongen nijdig, terwijl hij den pit opraapte en hem den Czaar naar het hoofd wierp.
't Was den vorst aan te zien, dat hij zeer toornig werd. Zijn rechter arm kreeg hevige trekkingen, en ook zijn gelaat was ten prooi aan onwillekeurige spierbewegingen. Hij zette den jongen onzacht op zijde, en om hem te plagen wierp hij aan een paar andere knapen, die niet zoo brutaal waren, een paar pruimen toe.
Nu werden de brutaalsten nog opdringender, tot opeens de Czaar tegen een van hen zeide:
"Jij ook een pruim wil?"
En hij nam een van de grootste vruchten uit zijn hoed, en hield hem die voor.
"Ja,--Ja!" riep de jongen.
"Ik ook!" zei de Czaar, de vrucht in zijn eigen mond stekende, tot groote pret van enkele jongens, die zich over hunne dorpsgenooten schaamden.
Czaar Peter wilde doorloopen, maar de brutale jongens waren nu zoo boos geworden, dat zij modder van de straat opraapten en den Czaar daarmede wierpen. En de oploop werd intusschen zoo groot, dat de Czaar geen kans zag, goedschiks den Zuiddijk te bereiken.
De jongens gingen voort slijk en allerlei vuil naar den vreemdeling te werpen, zoodat deze inderdaad in groote moeilijkheden begon te verkeeren. Hij was in hevige mate vertoornd. De aderen van zijn voorhoofd waren gezwollen en zijn oogen fonkelden.
"Terug! Terug! Gaat weg!" riep hij den jongens toe, maar dat hielp hem niet. Opeens voelde hij een hevige pijn in den nek. Een van de baldadige knapen had een steen genomen en hem daarmede zeer gevoelig getroffen.
En meerdere steenen vlogen hem om het hoofd.
Hij nam een kort besluit. Met groote schreden keerde hij terug en nam de wijk in de herberg "De drie Swaanen", waar hij ook des Zondags zich aan een oploop van het volk had onttrokken.
Hij zond onmiddellijk een bode naar de burgemeesteren, om zich over deze verregaande baldadigheid en ruwheid te beklagen, en liet verzoeken, hierin voor het vervolg te voorzien.
Deze heeren waren echter niet thuis. Zij waren voor zaken naar Amsterdam, maar zij vernamen het gebeurde dadelijk bij hun aankomst met de veerschuit, die om twee uur uit Amsterdam vertrokken was. Een schipper, daarbij tegenwoordig zijnde, en het gesprek mede aanhoorende, zeide:
"Ik ken den Czaar heel goed. Ik zal dadelijk naar de Drie Swaanen gaan, en zien, of hij het is."
En toen hij na enkele minuten terugkeerde, zeide hij met de volste overtuiging: "Zoo zeker als wij leven, het is de Czaar, ik ken hem zeer wel."
Nog in den loop van dienzelfden dag ging de omroeper door de plaats rond. Telkens stond hij stil, sloeg eenige malen op een bekken om de aandacht te trekken, en riep met luider stem:
"Burgemeesteren, tot hun leedwezen vernomen hebbende, dat de baldadige jeugd haar niet en hadden ontzien, sommige voorname personen, die vreemdelingen zijn en onbekend willen blijven, te gooien met steenen en velerlene vuiligheid, verbieden dat aan een iegelijk bij dezen zeer scherpelijk om weer te doen, op de hoogste boete en straffen daartoe staande, en dat de misdadigers aan den E. Heer Baljuw zullen worden overgegeven.
Hiermede zij een ieder gewaarschuwd en elk wachte zich voor schade en schande.
Tot meerdere voorzorg werd den Baljuw van Blois en den Drossaard van Kennemerland kennis van dit alles gegeven. Dezen zonden daarop hunne dienaars naar Saardam, terwijl tevens, daar de Czaar zijn ongenoegen betuigd had over den toevloed van nieuwsgierigen bij zijn huis, de toegangen naar het Krimp met wachten bezet werden.
Daar nu elke gissing waarheid geworden was, begreep de Czaar zelf, dat het ongerijmd zou zijn, zich langer te verbergen. Hij besloot dus daartoe ook geen pogingen meer aan te wenden.
's Avonds zaten Sinjeur en juffrouw Calff in de huiskamer, benevens Nicolaas en Aagje, de dienstbode, welke laatste, volgens de gewoonte dier dagen, geheel als huisgenoote werd behandeld. Castor, de groote hond, zat bij den stoel van Nicolaas, met den kop op diens knieën.
De deur werd geopend, en eenigszins schuchter trad Jacob Willemsz binnen. Hij was, gedreven door zijn angst over het lot van zijn broer Jan, de laatste dagen daar reeds zoo dikwijls binnengekomen, dat hij er min of meer verlegen onder werd. Toch kon hij het niet laten. De gedachte aan zijn broer liet hem geen oogenblik met rust, en telkens weer begaf hij zich naar de woning van Sinjeur Calff, in de hoop, dat er een gunstiger bericht mocht gekomen zijn.
"Goedenavond samen," zei hij zacht.
"Dag Jacob!" klonk het antwoord van de aanwezigen, en juffrouw Calff, die de aarzeling van den knaap opmerkte, zeide vriendelijk:
"Kom maar gerust binnen, hoor. Je bent zeker verlangend naar tijding?"
"Ja juffrouw,--is er nader bericht?"
Jacob kwam binnen en ging bij Nicolaas staan.
De hond kende hem en kwispelde met den staart.
"Er is geen nadere tijding ontvangen, Jacob," sprak Sinjeur Calff. "Mocht ik iets met zekerheid te weten komen, dan beloof ik je, er onmiddellijk bericht van te zullen zenden. De vloot moet thans spoedig binnenvallen."
"Maar zonder het Bonte Calff!" zuchtte Jacob droevig.
"En hoe is het met je goede moeder?" vroeg Juffrouw Calff deelnemend. "Kan zij berusten in hetgeen de Heere God over haar heeft beschikt?"
"Moeder is tot in de ziel bedroefd, Juffrouw," zei Jacob. "O, hoe hoop ik, dat er nog redding moge komen! De onzekerheid is ook voor haar het ergste."
"We mogen niet wanhopen, Jacob," sprak Sinjeur Calff. "Het schip is vergaan, dat lijdt geen twijfel, maar zoolang ik niet met zekerheid weet, dat de bemanning verdronken is, blijf ik hopen."
Op dit oogenblik werd er eenig gerucht gehoord aan de deur, en de hond liet een waarschuwend gebrom hooren.
"Daar is volk!" zei Nicolaas opstaande, om de deur te openen. Wie beschrijft de verbazing der aanwezigen, toen daar, geheel onverwachts, de Czaar binnentrad.
"Goeden avond samen," klonk zijn groet, terwijl hij aan de deur bleef staan.
Sinjeur Calff stond van zijn stoel op en maakte een eerbiedige buiging, en Juffrouw Calff werd een beetje bleek van den schrik.
"Uwe Majesteit hier! Wat eene eer voor mijn nederig huis," sprak Sinjeur Calff, die zich haastte den Czaar tegemoet te gaan.
Deze stak hem de hand toe, en zeide eenvoudig:
"Sinjeur Calff, in Rusland ik de Czaar ben; hier ik Pieter Michaeloff heet of Pieter Timmerman. Noem mij gewoonweg Pieterbaas."
En zich tot de vrouw des huizes wendende, vervolgde hij met een handdruk:
"Gods zegen over U, Juffrouw Calff!"
"Hartelijk dank!" zei juffrouw Calff. "Maar neem toch plaats. En doe mij het genoegen, heden avond onze gast te zijn, als U het eenvoudige voor lief wil nemen."
"Dat kan ik niet doen, Juffrouw. Ik wensch weer bijtijds thuis te wezen. Mijn bedoeling alleen is, kennis met U te komen maken. Zijn die beide jongens van U?"
"De eene wel. Kom nader, Nicolaas, en breng Pieter Michaeloff uw groet. De ander is een zoon van eene weduwe uit uwe buurtschap. Hij heet Jacob Willemsz."
Jacob trad nu ook naderbij en kreeg ook, evenals Nicolaas, eene hand van den Czaar. Deze lachte hem vriendelijk toe en sprak:
"O, jou ik wel ken. Ben jij niet bij mij geweest, tegelijk met Ary Kist? Ik mij dat zeer goed herinner..."
"Jawel, Pieterbaas," zei Jacob. "Wij brachten U bier."
"Juist,--juist! En jou broer vaart ook op het Bonte Calff? Is er reeds iets naders omtrent dat schip bekend?"
Deze laatste woorden golden Sinjeur Calff.
"Neen, helaas," antwoordde deze. "Wij zien dagelijks naar tijding uit. De berichten, die wij reeds ontvingen, doen het ergste vreezen. Wij vernamen zelfs, dat het vaartuig met alle opvarenden is vergaan. Doch zoolang dit bericht niet ten stelligste bevestigd wordt, blijf ik moed houden, dat de bemanning zich heeft kunnen redden."
"Wat ik van ganscher harte hoop!" zei de Czaar opstaande, om te vertrekken. Doch dat wilde Juffrouw Calff niet hebben. Eerst moest haar gast iets gebruiken, en zij noodde hem zoo dringend, dat de Czaar weder ging zitten. Er werden nu fijne likeuren en confituren voorgezet, die Pieterbaas zich lekker liet smaken.
Jacob Willemsz was intusschen vertrokken.
En Sinjeur Calff, die het eene groote eer achtte, den Czaar als gast in zijne woning te hebben, en die tevens een te goed koopman was, om zich daarvan in de toekomst geen groote voordeelen te voorspellen, noodigde den Czaar uit, tijdens diens verdere verblijf te Saardam, voortaan liever bij hem zijn intrek te nemen.
"Uwe tegenwoordige woning is klein en ongerieflijk, tevens gelegen in eene zeer onaanzienlijke buurt," zoo sprak hij. "Met den besten wil ter wereld kunnen de eenvoudige menschen, bij wie U inwoont, u niet geven, wat U naar rang en stand toekomt. Beschik dus geheel over dit huis naar Uw welbehagen."
Maar de Czaar bedankte zeer beslist voor dat aanbod, en gaf zijn verlangen te kennen, te blijven, waar hij was.
Om ongeveer negen uur begaf hij zich naar huis. Hij was recht goed geluimd door de vriendelijke ontvangst, welke hem te beurt gevallen was, en het glaasje likeur, dat hij had gebruikt, had hem recht aangenaam gestemd.
Hij trad zijn eenvoudig huisje binnen en maakte licht, weinig vermoedende, dat iemand hem van uit de verte in al zijn doen en laten bespiedde.
't Was Heyn Pomp, die aan zijn plan gevolg gegeven had, en 's avonds naar Ary Kist was gegaan met de bedoeling, om thans den Czaar te zien, 't ging dan, zoo het ging. Het was hem onmogelijk, zijne nieuwsgierigheid langer te bedwingen.
"Jongen, Heyn," zei Ary, toen hij van het plan hoorde, "wees voorzichtig, want het is een driftig heerschap, en als hij in een booze luim is, zou het je kunnen berouwen. Hoe ben je hier gekomen? 't Krimp is toch afgezet door dienaren van den Baljuw?"
"Ja,--dat is ook zoo, en ik mocht er eerst niet door. Maar toen ik zei, dat ik eene boodschap moest doen voor Vader, hebben zij mij laten passeeren. En nu ga ik niet weg, voordat ik hem gezien heb. Is hij niet thuis? Alles is donker in zijn huisje."
"Neen, hij is niet thuis, maar hij zal wel spoedig terugkomen, denk ik. We zullen dus maar wat op het erf achter het huis wachten."
"Goed," zei Heyn.
Even over negenen hoorden zij iemand naderen, en zij hielden zich doodstil, om hunne tegenwoordigheid niet te verraden.
't Was de Czaar. Een oogenblik later zagen zij hem het licht ontsteken, en thans kon Heyn hem uit de verte bespieden, want nu het Krimp met wachten was afgezet, scheen de Czaar het niet noodig te vinden, de luiken voor zijn raam te sluiten.
Eerst hield Heyn zich op een eerbiedigen afstand, want een held was hij niet, zooals in dit verhaal reeds meermalen gebleken is. Maar nu kon hij ook niet veel zien van hetgeen binnen in de kamer voorviel. De ruitjes waren maar klein en van slechte qualiteit. Hij zag dus alleen, dat iemand als een zwarte schim zich door de kamer bewoog. Hoe de man er uitzag, kon hij onmogelijk onderscheiden, en wat hij deed, nog veel minder.
Hij kwam dus langzamerhand iets naderbij, eerst een klein stapje, daarna een grooter, eindelijk wel een paar, en ten slotte was hij het raam genaderd.
"Ha, nu kon hij den machtigen Czaar goed zien. 't Was een nog jonge man van vijf en twintig jaar, met een forsch uiterlijk en eene fiere, krachtige gestalte. Heyn zag, dat de man opstond en een stapel papieren haalde, in de beschouwing waarvan hij zich verdiepte. 't Schenen teekeningen te zijn van schepen en molens. De Czaar maakte met een potlood aanteekeningen op den kant van de papieren.
Heyn verwijderde zich van het raam en voegde zich bij Ary.
Hoe zacht hij dat ook deed, toch scheen de Czaar eenig geritsel te vernemen, want hij keek van zijn werk op en richtte zijn blik op het raam. Zijn gelaat nam eene ontevreden uitdrukking aan. 't Beviel hem blijkbaar niets, dat hij zelfs thans nog niet onbespied kon arbeiden.
Hij stond op en begaf zich naar het andere vertrekje. Hier bevond zich eene kast, waaruit hij een kistje met verschillende instrumenten nam. Daarmede keerde hij naar zijne plaats terug, en bekeek de werktuigen met groote belangstelling. Hij nam er een magneet uit, en liet de kompasnaalden daarmede ronddraaien, wat hem verbazend interesseerde, hij beschouwde de passers, die hij gekocht had in den winkel van Louwen met de grootste belangstelling, en nam eindelijk een instrument ter hand, dat in die dagen gebruikt werd om kiezen te trekken. Eene dergelijke operatie had hij door een bekwaam professor zien doen, en dit had dermate zijne belangstelling gewekt, dat hij zich ook zulk een haak had aangeschaft, en zich zelfs niet ontzien had daarmede proeven te nemen op de kiezen van de heeren van zijn gevolg, die dit natuurlijk alles behalve prettig vonden. Zij durfden zich evenwel niet verzetten tegen den wil van hun gebieder, en waren wel genoodzaakt, hun mond op zijn bevel te openen, teneinde er een of meer kiezen uit te laten trekken. Ten slotte nam de Czaar een passer, en begon de détails te meten van een schip, dat op dat oogenblik te Saardam gebouwd werd en nog diezelfde week van stapel zou loopen. 't Was een schip van Sinjeur Calff, en de Czaar had daarvan het bestek en de teekening in zijn bezit gekregen.
Op dit oogenblik kwam Heyn weer voor 't raam, en drukte er zijn neus tegen, om beter te kunnen zien. Maar de Czaar bemerkte hem en werd zeer toornig. Zijne oogen fonkelden dreigend en hij mompelde:
"Kan ik dan nooit met rust doorwerken? Moet ik dan altijd gestoord worden? 't Bevalt mij hier niet!"
Opeens stond hij driftig op en vloog naar buiten. Hij deed dat zoo snel en beslist, dat Heyn er beteuterd van was en geen tegenwoordigheid van geest genoeg bezat, om de vlucht te nemen. De schrik had hem als het ware verlamd.
De deur werd opengeworpen, en op hetzelfde oogenblik voelde Heyn zich bij den kraag grijpen, wat geschiedde met eene zoo krachtige hand, dat Heyn er eerbied voor kreeg. Hij voelde zich van den grond oplichten, en stond midden in de kamer eer hij nog goed wist, dat hij betrapt was.
"Wat jij hier doen moet?" bulderde de Czaar hem toe, die van drift zoo hard met zijn vuist op de tafel sloeg, dat deze er van kraakte.
Heyn beefde over al zijne leden, en kon geen woord uitbrengen.
"Wat jij hier doen moet?" herhaalde de Czaar met een nieuwen vuistslag, en zijn gelaat werd door hevige spiertrekkingen misvormd.
"Ik----ik--w--wou eens kijk--kijken!" stamelde Heyn, die tot zijn grooten angst de ongetemde woede van den Czaar opmerkte en wenschte, dat hij daar nooit gekomen was.
De Czaar liep met groote schreden door het vertrek rond, zoekende naar een stok of iets anders, om den jongen een geduchte afstraffing te geven.
"Jij eens kijken wou!" bulderde de Czaar, die nergens een stok vond. "Jij eens kijken wou!"
Opeens viel hem de haak in het oog, die gebruikt werd om kiezen te trekken. Hij greep dat voorwerp, en vervolgde:
"Jij eens kijken wou! Ha, zoo, ik ook eens kijken wil, wacht maar, kleine spion, ik ook eens kijken wil! Doe open je mond!"
Heyn beefde als een schoothondje, dat door het ijs gezakt is. En hij begreep de bedoeling van den vertoornden man allerminst. Wel zag hij, dat deze een vreemd instrument in de hand had, en hij hield er wantrouwig den angstigen blik op gericht.
De Czaar maakte weinig complimenten met hem.
Hij greep zijne kaken met krachtige hand aan, zoodat Heyn wel gapen moest, of hij wilde of niet, en op hetzelfde oogenblik voelde Heyn een kil voorwerp op een van zijn kiezen. Weldra begon er iets te snerpen in zijne onderkaak, toen kraakte en knetterde het daarbinnen en Heyn voelde eene hevige, snerpende pijn. 't Was hem, of zijne kaak gebroken werd. Hij sperde de oogen wijd open en staarde den vreemdeling ontzet aan.
Ary, die buiten behoedzaam het raam naderde om te zien, wat er binnen voorviel, hoorde een hevigen gil, alsof iemand vermoord werd, en onmiddellijk daarop werd Heyn onzacht de deur uitgeschopt.
Flap! de deur smakte dicht...
Ary greep den verwarden en ontstelden Heyn Pomp zonder spreken bij den arm en trok hem mede, achter op het erf. Daar bleven zij staan, en Ary vroeg lachend:
"Heb je nu den Czaar van Rusland gezien?"
"Au, o, o!" kermde Heyn, die stampvoetend van pijn heen en weer liep. "O,--o,--wat is er met me gebeurd?"
"Ik vraag, of je nu den Czaar hebt gezien," herhaalde Ary Kist, die onbedaarlijk moest lachen.
"Ja, o, au, nu heb ik hem gezien, au, au, o, wat een pijn,--tot mijn spijt heb ik hem gezien. O, wat is er toch met me gebeurd? O, Ary, als je het eens gevoeld had--".
"Zijne Majesteit heeft je een kies getrokken!" zeide Ary, bulderend van 't lachen. "Voel maar, je bent er een kwijt!"
Heyn stak den vinger in den mond, en ontwaarde tot zijn grooten schrik een diepe holte in zijne kaak.
't Was waar, de Czaar had hem een kies uitgetrokken, en nog wel eene gezonde, terwijl Heyn er vlak naast eene holle had zitten, die hij in elk geval veel liever zou hebben gemist, want daar had hij dikwijls pijn in.
"Ik ga naar huis," mompelde Heyn ontsteld bij die treurige ontdekking, en Ary bracht hem een eindje weg, maar telkens schoot deze in den lach, en dan kon hij bijna niet tot bedaren komen, zoo grappig vond hij het voorgevallene.
"In elk geval heb jij nu toch het genoegen gehad, den Czaar te zien," plaagde hij den armen Heyn, die voortdurend met zijn vinger in den mond liep.
Dicht bij de wachters gekomen, keerde Ary terug.
"Zeg Heyn," zei hij, "als je morgen avond den Czaar nog eens zien wilt, kom dan maar gerust, hoor!"
"Ik wou, dat jij en je Czaar alle twee in de lucht vlogen," bromde Heyn boos.
Toen hij het smalle bruggetje wilde passeeren, waar de wachten stonden, vroegen dezen:
"Wel jongen, heb je je boodschap gedaan?"
"Ja," bromde Heyn, "ik--ik ben er mee klaargekomen."
Heyn spoedde zich naar huis, waar hij het voorgevallene aan zijn vader vertelde, rood van schaamte. En deze lachte hem nog uit op den koop toe, want hij vond het curieus, dat de Czaar van Rusland als kiezentrekker had gefungeerd.
"Spoel je mond maar eens goed uit," zeide hij, "en ga dan naar bed. Morgen ochtend zal de pijn wel over wezen."
Heyn volgde dezen raad direct op, maar in het vervolg was hij in het geheel niet nieuwsgierig meer naar den Czaar. Als hij hem hier of daar zag, ging hij op een eerbiedigen afstand staan, en hij vond hem in het geheel geen aangenaam mensch. Hij heeft zelfs levenslang een grooten hekel aan hem gehouden.
HOOFDSTUK IX.
"TE VEEL VOLKS".
Terwijl Heyn Pomp de voor hem zoo onaangename operatie onderging, bevond Sinjeur Bloem de vader van Arent, zich ten huize van de Russische heeren, die het gevolg van den Czaar uitmaakten. Hij had vernomen, dat de vorst een bezoek had gebracht bij Sinjeur Calff, en vreezende, dat deze voorname koopman in het vervolg alleen de vriendschap van den Czaar zou genieten, waaruit vele voordeelen konden voortspruiten, besloot hij dadelijk den vreemden heeren een gebouw aan te bieden, waarin zij meer volgens hun hoogen rang konden verblijven. Dat huis was gelegen aan de Oostzijde, en in de toekomst werd van het aanbod gaarne gebruik gemaakt.
"Was het Bloem [2] door deze aanbieding te doen geweest, om de aandacht van den Czaar tot zich te trekken, dan gelukte hem dit bovenmatig; want hij en Calff waren het, aan wie hij vervolgens het meeste vertrouwen schonk.
"Des Donderdags gaf Peter gehoor aan eene uitnoodiging van Sinjeur Bloem, om met den boeier van dezen een zeiltochtje op de Zaan te maken.
"De vele molens aan de Oostzijde van dien stroom gelegen, wekten terstond zijn aandacht, en maakten de zucht levendig, om weder dit of dat te gaan zien. Zoo werd eene stijfselmakerij en een pelmolen bezichtigd. Het is waarschijnlijk dat het op dit tochtje was, dat hij bemerkte, dat men aan den Kalverdijk, tegenover Zaandijk, bezig was een molen te bouwen. Terstond kwam de begeerte bij hem op, om dit werk van nabij te bezien; hieraan werd voldaan, en Peter kon de lust niet bedwingen om mede de hand aan het werk te slaan. Deze molen, een pelmolen, werd door den eigenaar ter herinnering aan deze gebeurtenis "de Czaar van Moscoviën" genoemd. Hij is onder den naam van "de Grootvorst" nog aanwezig.
"Denzelfden dag kocht de Czaar een boerenjacht met al zijn toebehooren van Dirk Stoffels voor f 450 gereed geld. Terstond ging hij aan het optuigen, en vervaardigde met eigene handen een nieuwen boegspriet, die volgens het oordeel van deskundigen zeer wèl gemaakt was, zoo zelfs dat men zich verwonderen moest, dat zulk een hooge personaadje zoo ijverig in het zweet zijns aanschijns en zoo curieus konde werken.--Gerrit Musch werd door hem als boeierknecht aangenomen. De Czaar was met dezen man zoo ingenomen, dat hij, zoowel als zijne vrouw en de weduwe van zijn broeder, ten allen tijde, ook te Amsterdam, den vrijen toegang tot zijn persoon hadden, dikwijls door hem werden onthaald en met geschenken vereerd, waarvan bij zijn nageslacht te Oldeboorn, in Friesland nog 2 gladde gouden ringen bewaard zijn gebleven.
"De door het tochtje met Bloem opgewekte lust, om een boeier te bezitten, was nu voldaan, en reeds des Vrijdags morgen om vier uren zeilde hij op de Binnenzaan, en stond steeds zelf aan het roer; later werd hij door Sinjeur Calff vergezeld, ten wiens huize hij het middagmaal gebruikte. Des namiddags werd er wederom gezeild, maar nu op de Voorzaan en het IJ. Vele Saardammer jachten en boeiers wilden partij met hem maken, maar dit was niet naar den zin van den Vorst, zoodat hij het naar Halfweg Haarlem wendde, en daar aan wal legde. Hier gaf Peter eene proeve van zijne bijzondere vlugheid in het loopen, springen en klauteren over de schepen, maar ook dat blijk van zijne geaardheid, waarvoor men was gewaarschuwd, dat hij namelijk niet verdragen kon, dat men hem te nabij kwam en strak in het aangezicht zag; want toen Cornelis Albertsz. Blok, ook Martsen geheeten, dit beproefde, ontving hij van den Czaar een geweldigen slag op het hoofd. Een spotboef zeide: "Zie zoo, Marsje, daar zijt ge tot ridder geslagen!" hetgeen hem den bijnaam van Ridder deed houden.
"Daar het getal boeiers gestadig toenam, en de Vorst als het ware van nieuwsgierigen omringd was, werd hij daarover verstoord, en bleef tot aan den avond in een der herbergen, zoodat het reeds donker was, eer hij met zijn boeier te Saardam terugkeerde."
Den volgenden dag, het was toen Zaterdag, zou er iets belangwekkends te zien zijn in Saardam, iets, wat altijd zeer veel volks op den Dam samen deed stroomen. Het schip namelijk van Sinjeur Calff, dat op een van de scheepstimmerwerven aan de Achterzaan werd gebouwd, was thans voltooid, en zou naar de Voorzaan worden overgebracht. Daar slechts twee kleine sluisjes de gemeenschap tusschen Voor- en Achterzaan onderhielden, veel te klein om aan het pas gebouwde schip doortocht te verleenen, moest het door middel van den overtoom over den Dam worden gesleept, wat wel de moeite waard was, om te zien.
Dat de Czaar naar het schouwspel zou komen kijken, spreekt wel van zelf, en de magistraat verwachtte dientengevolgde een grooten toeloop van volk, want het was thans uren ver in den omtrek bekend geworden, dat de Czaar van Rusland in Saardam vertoefde, en iedereen wilde hem zien.
Sinjeur Calff had den Czaar uitgenoodigd bij het overhalen van het schip tegenwoordig te zijn, en de magistraat berichtte Zijne Majesteit, dat men de meeste zorg genomen had, om door het plaatsen van schuttingen en wachten de noodige ruimte voor hem en zijn gevolg open te houden, ten einde hij alles, zonder overlast van het volk te lijden, naar genoegen kon opnemen. Tevens zond zij hem de uitnoodiging haar de eer aan te doen, bij haar op zijn Saardamsch een vischje te komen eten.
De Czaar wilde gaarne naar het overhalen van het schip komen zien, maar op de laatste uitnoodiging antwoordde hij: "Waarhaftig in deze week niet, in de volgende week."