Japanse Verzen

Part 2

Chapter 23,569 wordsPublic domain

Gelijk de wateren d’Atlantiden velden, Di fier nog tot verweer den vloed weerstonden, En trappen op, terrassen over helden Steeds elken top met enger kring omrondden, Zo, sinds stoom-monsters Oud-Japan doorsnelden, Was ’t, of het vuur opnieuw de meer-rotonde Des Foedzji-Yama uitbrak, geizers welden Uit idere plooj, alom de steden stonden In krater-regen en vergeefs hun daken De horens als om hulp ten hemel staken, Waaruit legioenen van gewiekte draken Gestaag verderf naar al hun glori braken, Zelfs sampans, di ter vlucht hun snebben richtten Met heel het Rijk in rook, vuurval doen zwichten. [63]

XXX.

DE VAL VAN ROME.

Ik ben geen dichter, di zich voelt versmeten Uit vreemde wereld, di hij rijzen ziet, Haar herfstig-somb’ren aanblik wil vergeten En in gedroom naar oude tijden vlied; Wien ’t lijkt, alsof geen schakel uit den keten Der Evoluutsi hem verbinding bied Met Hede’ en Toekomst en di toch verbeten Vloekt al wat d’Eew van ’t Eertijds leven liet. Ik treur niet meer, wanneer ik aan de luchten Den draf van adels-dronken ridderstoet Of ’t plechtig aangegleden praalvertoon Van Rome’s Kerk gestoord zi en vervluchten Door walm van ’t uit fabriken hevelend roet Als spuwde d’Aarde golpen somb’re hoon.

XXXI.

DE VAL VAN MEKKA.

Noch, als niet meer heetrood uit een der kommen Van Balkansneew—als yatagan gewet:— De Halve Maan opdreigt, noodklokken bommen Door ’t Donauland, de bergwacht, uitgezet, Den Sultan staand in ’t zadel voor zijn drommen Koráán en zwaard ziet heffen, hun trompet De heem’l en aarde’ alom door brandkolommen Eén hal—den Oorlogs-God van Mohammed Wijdt tot moskee;—noch, wen dra één: de Slaven, Nu scheuring Habsburgs, Osmans [64] Rijk bedreigt En dan Czaar Peters Wil [65] ze voorwaarts dringt Met woest Oera! den Bosforus [66] bedraven, Zijn Adelaar langs d’Aja Sofia [67] stijgt En Mekka’s heiligdom [68] tot puin verzinkt.

XXXII.

DE VAL VAN PEKING. [69]

Geen japans masker zi ’k meer grijnzend grimmen, Wit-borstelig wenkbrauw-boog en spitse baard, Om puilende’ oogen koperkleurig glimmen, Dat aan een hemel leeg van goden staart, Waar sinds de Dertiende’ Eew een stadig klimmen Van stemmen [70] ook door ’t Uiterst Oosten vaart Di na ’t asketies, middeneews verschimmen Verkonden, dat Nirwana blijft bewaard Voor hen, di om hun ziel hun vlees niet schonden. Want spoedig word daar hoger Schoon gevonden Dan in ’t Feudale Rijk, waar—rond getogen— De bonzen bedelden, waar daimiyo’s vlogen Ter valkenjacht, waarvan—den val nabij Als heel Oud-China—’k zonder treuren schei.

XXXIII.

DE FRANSE REPUBLIEK.

Mij drukt geen wee, nu ook de Half-Feudale Bourgeois-Respublica verdwijnen moet, Maar ’k eens haar Vlag als di der Federale En reiner, heil’ger dan te voor’ begroet. Zo Dreyfus tans voor bùrger-joden boet, Waar Rome’s Clerus niet op kan verhalen, Dat Isrel àlle Kerken waggelen doet: ’t Woord van Zola zal ’t Franse leger stalen, ’t Voert niet naar d’Elzas slechts de Tricolore, Doch ook den Muur [71] langs, waar Jehoeda wacht En klaagt en d’Ewen door naar vrijheid smacht, Maar dra zal Gea’t als één Staat behoren, Wen met bazuindrang, als herauten-stem Frankrijks trompet rijst in Jeruzalem.

XXXIV.

PARIJS.

Ik treur niet bij de grote Wereld-Wejen, Daar ’k vreugd in ’t zelf—mits schoon—te sterven stel, Om een Atlantis, overzwalpt van zejen, Daar ik van levenskracht me zelf niet tel En vol van hoop, dat weer niew land zal brejen, Dat langsaam steilend uit het golvenspel Met groen zich overhuift, ook nu moskejen, Pagoden, katedralen samen donderen, Als bliksem het elektries licht de wondere Verrijzenis velt der oude heil’ge Steden, Waar vrome pelgrims Ewen henen sreden, Want uit Parijs—niew Sentrum—rijst als Baken Reeds d’Eiffel, di héél d’Aard-Bol zal om waken.

XXXV.

FIN-DE-SIÈCLE.

De wind des Tijds verwaajt de litaniën Van hen, di half deez’ Maatschappij begrepen, Maar voor een Wereld van Demokraatsiën —En half voor di der Bourgeoizi benepen— Weer staarden naar de vroegere Hierarchiën En met hun oude glori bleven dwepen, Zo, soms door valse Wetenschap geslepen Of dwaas, de wrakke Kerken, Monarchiën Steun schonken.— Tans gelijk in een der oren Van een reusachtig, eenzaam Boeddha-Beeld Een vogel, als om dit te wekken, kweelt, Wil ik dit wereldschuw geslacht, verloren, Verdroomd in monnikschap mijn stem toedringen En ’t van de Aarde en zoete Zonne zingen.

XXXVI.

FIN-D’ERES. [72]

Ook ik wil d’oude Metropolen prijzen Maar meer de jong’ren, waar het velo-zwiren Den weerschijn overijlt der licht-paleizen: Hotels, café’s, waarin dwerg-palmen tiren Als van stads-zwoelte, waar de treinen grijzen Van stof langs stage zwaaj van hun kwartiren Als ewig jagend rad, of di ze’ ontgiren, Terwijl de telegraaf met dalen, rijzen Hijgt, zwoegend door hun stoom.— Doch niet met schempen Zal ik de stem van mijn gevoelens dempen, Di klagend luid of fluisterend toch verkonden, Wat in di Sentra niet werd weergevonden Van feodale praal uit vroeger Leven, Di hun de Niwe Era wéér zal geven.

XXXVII.

Nouvelle Ere.

Heil, wen behuifd door rozig pruimbloem-dak [73] ’t Mensdom den blik naar Nippons zeekring richt, Als Isrels Adelaar zegenend van zijn strak Gespannen zwingen licht afvlaagt, ’t gezicht Doet dekken voor den brand, dien hij ontstak, Een vuurstroom als een Jacobsladder ligt— De Zon uit—koolrood over ’t golvenvlak, Hij, klimmend goudwit hitte-schittering schicht. Heil, als hij op Parijs daalt, ’t overhàngt En als de Adelaar van Atlantida, Maar van Nippón dan tot Amerika Met wiekgewelf de Wereld-Bol omvangt, De Rassen—om ’t Latijnse’ één Bond—bestrekt En d’Aard-Ster als één Stad: Niew-Zion dekt.

Amsterdam. 1897–1898.

II.

KIKOE-NO-HANA. [74]

I.

WIMPELS VAN WIROOK.

Ook ginds eindt thans ’t metalen, strenge tingen Van Spoorweg-Tijd de wild vervloden stonden, Waar eens uit porseleinen pul de slingen Van ’t wirook-stokje [75] hun azuur heenwonden Naar ’t effen lucht-turkoojs. Maar ’t koortsig dringen Van niwer Leven word nu weergevonden, Waar statig rijzend, licht in wimpelingen De ruime Uren van Oud-Nippon zwonden.

Nu... ik, di al het Tijds-Wee mee moest dragen, Maar ook zijn Vreugd als enk’len slechts genoot, Schenk elk tot heil, tot rust na ’t moordend jagen, Dat harde Plicht of bange Zorg gebood, Deez’ kalme ritmen, di in kringels steilen Als d’Uren, daar heengeurend eens in ’t IJle.

II.

LEVENSLUST.

Gelijk een moesmé, rood en goud gesmukt, Een hoorbuis, zwart als lak, in ’t handekijn, Kortving’rig, mollig-dik, de kintuil drukt Naar ’t telefoon-mondstuk, wen als van klein, Klein Jappy [76] haar een poppestem toe tjukt En luistert, wijl heur voetjes plots weg zijn In ’t kleed, bij ’t wachten voor haar strik gebukt, Di reuzenvlinder schijnt, bij ’t spreken fijn Dan schatert, dat het ver Japan doorklaart En haar omkaatst op blanken kamerwand En daalt in ’s hoorders hart als witte brand, Als bloesemsneew, die uit het lover vaart, Zo moge ’n lach uit deze Verzen dringen Als deed zo’n mondje dien om d’Aard-Bol kringen.

III.

RUST.

O dwaas geslacht, dat zich verderft met wanen, Dat ge’ eindloos voort in arbeids-koorts kunt spoeden, Met trein en stoomboot, over oceanen Door tunnels steeds maar ’t tringelen kunt doen woeden Van telegrafen, dat door pers-vulkanen ’t Hoofd steeds in zwoele’ idejen-walm laat broeden Als in tropies klimaat, uw kracht voelt tanen En ’t met nevroze, zwakte moet vergoeden.

Wil van het werkzaam ras der Yankees leren, Dat ze’ uren soms met niets te doen verdromen, Voor overmoeheid hen er toe zou doemen, Tracht soms tot kalmte, stilte weer te keeren, Zoals de ibis roerloos peinst aan stromen, Waar flauw slechts vlotting vaart van lotusbloemen.

IV.

KERSTMIS-STEMMING.

Tans bij uw nadering: hoge, heil’ge Nacht, Verdroom ik voor het vuur naar vaag Voorheen, Toen met den hogen hoed, in Quaker-dracht [77] Franklin voor ’t eerst aan ’t Franse Hof verscheen, Di sinds zo heer als knecht te tojen placht; Op rust- en feestdag kreeg elk di gemeen En ider Volk—door stoom- en bliksemkracht— In dat kostuum word met héél ’t Mensdom Eén.

Plots buigt voor mij een Jap,—een kikoe [78] siert Wit, keurig ’t zwart, kosmopolities kleed— En wuift mij heil met den silinder-hoed Of hìj ook Kerstmis in den dos meeviert, Waarin ook hèm elk Mens een broeder heet. [79] En van zijn blanke borst wæ̂mt vredegloed.

V.

’98–’99.

Twaalf Uur!... En twaalf maal voor heel ’t Jaar verron Bong-bangt m’een gong, nu ’t met een groetgebaar Een sabel strekt, voor ’t wijkt: met goud galon Om rode kepi [80] op zwart vrachtend haar, Op ’t heilig-witte kleed straalloos de Zon, Lakrood, bezweefd door gouden Adelaar, En blank chrysanthen, des Mi Kado’s Mon, [81] In violette sjerp. Na lang gestaar Tot ’t laatst gedreun, verzwind het, Geest van Strijd, Maar di in Schoonheid, als nog noojt mij blonk, Van heel een niwe wereld rust m’ook schonk.

Niew Jaar, dat óók japans mij nader glijd, Zacht blauw omsleept in gulden kikoe-gloed, Wees gij tans maar als vredebô gegroet.

VI.

MONGOOLSE STEMMING.

De bonkels, schakels gasgoud kim-ver zwichten Langs straat-, aan straatbaan saam, lantarens kijken Eenzaam uit groen, waarin ze weer verwijken, Nu ’k Amsterdam doordool. De lichten, lichten Staan als in kappen, spits-mongools; er richten Zich draken-paren langs hun brons op, lijken De koppen van elkaar gedraajd te prijken Om strijd met wreden muil. De standaards spichten Als kaarsen vroom bij honderden ontstoken In blauwe tempelhal, waaraan ontloken De sterren goud heenspetten, vuur-chrizanten, Di Kami’s kunstig in figuren plantten [82] Om Boeddha’s hoofd, reus, hoog de Stad ontgrauwend, Blind voor d’omflonkering slechts zich zelf doorschouwend.

VII.

JAPANSE WEELDE.

Ik wuif m’in droom als vorst, zwart-goud door zalen, Diep als een zich weerspigelende warande, Waar gulden reigers op geel tochtscherm pralen En kleurig jacht en oorlog op de wanden Van louter goud, waarin portiken stralen Stervormig of rond staan, lakzwart van randen, Waar ’t fries langs eiber-, drakendriften dwalen Van hoek tot hoek. Plots aan roodzijden banden Rijst bamboe, dun, een transparant gordijn: Wesp-eng de leest uit haar gehurk oprankend Zi ’k mijn Kissaki [83] van brokaat beflinterd En zij rijst mede als een godin in schijn Van ’t naaldgeknop als sterren ’t haar omsprankend, Wien ’t goud de wade als ontschilft, omsplintert.

VIII.

TREURIG, TREURIG.

Regen, regen klettert strak Op dri moesmé’s, klein van voetjes Trippend vlug op hoge klak. [84] Wind heft van de arme bloedjes De kimono, di nu strak Langs hun benen spant, behoedjes Huiv’ren zij bijeen in ’t dak Van hun parasols. Hun snoetjes Nijgen saam. Ach, d’ogenlichtjes Staan zo droef in de gezichtjes, Nu ze’ als vlinders, di verschuilen Voor een stortvloed, druilen, pruilen. Dribb’lend schuw langs stratenvlak Schud het drital: klak, klak, klak.

IX.

IN VOGELVLUCHT.

De heil’ge, witte Reiger spicht Van hogen tak en klemt nog even Aan ’t nest, wijl hij de wiken licht En flappert, stuwt dan heen, gedreven— Weer roerloos—door het wind-gewicht, Nog onder d’oksels hem gebleven, Waarmee hij wateren overschicht.

Zo wil ’k op ritmen ’t Rijk bezweven, Waar in den dans de moesmé’s wuiven Als tombo’s, [86] di op meervlak staan, Waar daken, torens d’aarde ontstuiven, Gewiekt door wolken bloesems slaan Om—wen de Zon rijst in de lucht,— Di als te volgen in zijn vlucht.

X.

TOEKOMSTIGE BOUWSTIJL.

Reeds rijzen smal, strak uit gereik van draden, Roetwalmen, die droef ’t volks-gemier bezweven, Sky-skrapers [87] vóórvorm van een lichter Leven, Dat uit hen stijlt tot plein-brede’ esplanaden Om Piramiden, star in kolonnaden, Waarlangs mongoolse luifels, spits geheven Excelsior wijzen, als simbool van ’t streven Der Mensheid, die ’t massaal gezwoeg zal smaden Als ’t log trein-slepen der lokomotiven En in lucht-jonken vrij daar héén zal kliven. En tot hun toppen zal de muil van draken, Di tans slechts op pagoden, dai-ba’s [88] waken, ’t Kristal-gehuif van lichtende fonteinen Met kleur-brand van Háár levensvreugd doorschijnen.

XI.

JAPANSE MUNT.

Gelijk de Kikoe op het vierkant geld In zestien bladerspichten stralend ligt En er de Draak, di in de keerzij knelt Met wijd geklauw, onttrekt aan het gezicht, Dekt dit land met zijn perzik-bloej, di dicht In wolken opbolt ’t onderaards geweld Dat plots een vuurzuil soms ten hemel richt, Met lava-vloeden daar de flora velt.

Maar deze Munt van Dai-Kok [89] ginds een Teken Schijnt tans ’t embleem van heel deez’ niwen Tijd, Nu ider Volk expanzi zoekt in streken, Waar d’Aarde breed ligt of ze’ ontginning beid, Wat haar slechts tot een korte schijnbloej voert, Waaronder vals een Draak van Oorlog loert.

XII.

EXPANZI-KUNST.

Weg uit de metropolen, in wier straten Vergeefs reklame kleur laajt om profijt, Naar land, waar achter d’aanmars van soldaten De vracht-trein zelf steeds verder rails aanrijd, Waar d’Ariërs en Mongolen nakroost laten, Dat weldra ginds tot hoger ras gedijt En d’oerkracht van nog maagd’lik-jonge Staten Ook frisse stromen van gezondheid breid Door ’t duf, klein West-Europa. Moe van ’t teren, Op zijn kultuur, zag ’k mijn verlangens rekken, Ook mij in droom-jonk als een reiger-span Voortspichtend naar het Uiterst Oosten trekken, Want ’k zocht als dichter niwe schoonheids-sferen: Tot heil der toekomst-kunst vloog ’k naar Japan.

XIII.

ZIJDETEELT.

Zich rekkend, krimpend als van lampion ’t Papiergerimp kruipt in den heten noen De zijrups over ’t donzig, zon-nat groen Van moerbeiblaren, waar hij stof uit won Voor dradenweefsel om daar zijn kokon Dan in te hangen, di fel geel tot kloen Of vlos word afgewield, nadat hij koen —Uit bruine huls ontpopt—de lucht begon Te’ omvamen, dien in vlinder-staat verliet. Zo rijk gevoed door aarde-groen, met kracht Der Werkelikheid, gedrenkt door gouden zon Der Fantazi, schept dichters ziel en spon Zich in zijn werk gans weg, tot hij ’t volbracht En ’t als gewiekt voor hoger staat ontvlied.

XIV.

NACHT.

Gelijk een moesmé in blauw nachtgewaad [90] In haar makoera [91] ligt, zodat ze ’t git Der haren zelfs in slaap nog pralen laat In speldenkrans, naast een lantaarn, glad-wit, Welks schijn door boze geesten word gehaat, Insluimert onder ’t kaya-gaas [92]—gevit, Luid brommen van muskiten, muggen gaat Rondom, tot als een god de vuur’ge pit [93] Ze trekt, tot offers schroejt—zo over stromen, Rotswanden glijd en glanst een kleed van blauw Wanneer Nippón zelf weer ter rust wil gaan Het Rijk slankt heen, verwaasd in web van dauw. En, opdat geen vuurdraak het wekt uit dromen, Spant trouw aan d’einder vol en blank: de Maan.

XV.

KAMERSCHERM.

I. HAROE. [94]

Nu ’k eindelijk vrij na zwaren strijd mag pozen Wil ’k door de simbolike tuinen [95] zweven Een vlinder,—waar in zalig liefdeleven Pijnen [96] saamwuiven, bladloos bloesems blozen Van moeme’ [97] en momo [98] of er d’uchtend-rozen Van wolken in het voorjaar aardwaarts dreven, Waar bamboe-palmen uit hun ringen streven Al hoger, daarom tot zinbeeld gekozen Van hogen leeftijd, waar kapellen deinen Op bloemdons in den wind, zaad-appels puren Uit vlammenklokken, diepten, fulp van muren En moesmé’s over brugjes, enge paden Door bloemenmist van ’t dwerghout wankend waden Dat zij godinne’ omzwermd van sterren-schijnen.

XVI.

II. NATSOE. [99]

Rondom de zon-trofee, ’t azuur af, hangen Lichtblauwe foedzji’s wijder steeds ten hogen, Of ze als een vloed geluk ter aarde langen. Van hitte als van krekel-gons bewogen Zoemt d’atmosfeer en moe van ’t zwoele prangen Zucht zij uit donker-rode’ azalea-bogen Met hete monden. Door den gloed bevangen Zijn de schildpadden—roerloos nu—getogen In ’t lommer.— Licht met biwa-tonk’ling glijden Vioolslank door goudvloed en lotusweiden De gondels achter gaap van drakenmuilen, Di geisha’s sluimerend in hun tent omtuilen.

En tot in ’t donkerst diep der huizen lomen Van Boeddha’s d’ogen tot dof, Indies dromen.

XVII.

III. AKI. [100]

Geen weemoed hier als wijnrood bladeren dalen Van den ahorn, waar in één jaargetij De foeyo’s [101] eerst in ’t blank der lente pralen Dan hoogrood zomers, dan in herfst-kleedij Van ernstig purper, want één Bloem blijft dralen En fleurt steeds rozig uit haar vaas van zij, Eén Vlinder blijft met wijds gewuif hier dwalen, Eén Vogel juicht, al dolt de sneew voorbij, Di breed-klassiek om ’t haar-gewicht te dragen —Trots door een zon van speldentooj omrand— ’t Hoofd in een zuilenpaar van kikoe’s [102] lijst, Di vleiend en met speelse wajerslagen In elk seizoen zang, dans en liefde prijst: De Geisha[12] van het Ewig-Lente-Land.

XVIII.

IV. HOEYOE. [103]

Het pijnhout stompt bevacht na ’t eindloos vlokken-stoejen ’t Getak uit, stil, in ’s Winters witte Oceaan, Waarin hoogrood alleen gelijk het Zonbal-gloeien Voor lage lucht—weekgrijs—brugjes en torii’s staan. Zelfs uit plantages, waar de tee-struik dan gaat bloejen Ziet men slechts fleur van sneew, van witte vlammen slaan; Een blank-papier gehucht, welks daken wit bewoejen, Blokt er als in krijtbleke bergkom op de Maan.

Maar fabuleuzer nog dan, als de bloemen pronken, Bij ’t zinken van de Zon, wanneer als zilver zand Sneeuwkorrels tintelen, haar rosé hun wit doet kwijnen. Gaat tot nirwana [104] ook di gloed verkristallijnen; Nippón glinst, schittert in mieljoenen wintervonken, Start, sterrelt tot één Rijk van rozig diamant.

XIX.

STRAAT BIJ AVOND.

Nauw slaat de Zon zijn stralen-wajer dicht En snelt omhoog nog slechts één bundel licht Of reeds langs dubbele vuurgierlanden-lijn Der winkels schommelen bamboe-stengels schijn Van lampions om menig geel gezicht, Maar di langs d’ingekeepten haardos zwicht. In kraft-, peer-, bolvorm hangt als gouden wijn Hun brand, waarvan ze’ als kleurig matglas zijn Doorgloejd, en waarom lakzwart randen staan. Dan in de huizen langs papierwand gaan Mens-schaduwen: een buigt, een ander wuift, Een—eerst slechts romp—stijgt, wijkt, strijkt nader, schuift Plots weg. En klimmend ziet het elpen manemom Chinese schimmen-mimen, druk en stom.

XX.

STRAFPLAATS.

Op stenig veld [105] waar vroeger moordenaars rilden In blauwe schandekiel [106] voor hun geleide Met vreselik masker, aan den helm ter zijde Horens als duivels, die hen grijpen wilden Tot prooj nog voor een houw hun lijf verkilde Door ’t zwaard en op den mutserd ’t kruis zich spreide, Waaraan brandstichters eens den vuurdood beidden Vergeefs om Boeddha, di daar zetelt, gilden, Daar ijlen tans kaal met dri dotten haren Aan ’t voorhoofd moesko’s [107] met een zorgeloos kijken Naar vligers [108] di met srik-profiel neerstaren En hier, nu vroegere moordlust er moest wijken Voor beter Recht, speelt kind van niwer Tijd Nog met een beeld van d’oude Gruwzaamheid.

XXI.

BRUILOFT.

Begroet met koto, samisen en fluit, Met biwa [109] slanke, rood omkoorde trom, [110] Door den vergeefs waaj’renden bruidegom, Wiens schouders blauw uitspitsen [111] treed de bruid Gesluierd, wit, bebloemd haar kago [112] uit, Nijgt, spreid d’afhoegi achter ’t kapsel om Als dinares. Uit pot met dubbele tuit [113] Schenkt ’t vlinderpaar saké in lotuskom. Van de gezichten aller vrienden gaan Hel glansen als van blanken wand. Daar staan Geschenken, reigers [114] en in bloemen ’t beeld Der echtgenote’. En menig moesmé streelt Daar ’t loenzend vragen van een jonkmans-oog En giert en schuilt plots achter wajerboog.

XXII.

WATERVOGELS.

Aan meerbocht als in riten zaal Van stengelbogen rusten scharen Van reigers, die in schouderhaal Den snavel trug den vloed bestaren. Maar waar het licht flonkt, trekt gedwaal Van kranen en van ojevaren Als keizers, wien ’t in godenpraal Slechts blieft door een paleis te waren. En soms dan klept na luid gesnater Hun vlucht fier heersend over ’t water. Als willen zij de vissers tonen, Wier sampan-kiel het meer doorruist, Dat van Amaterazoe’s [115] zonen De geest in hun gestalten huist. [116]

XXIII.

IN DEN TEMPEL VAN KAMÉ-IDO. [117]

Zo ik bekoord door rose bloesemweelde Noojt blank velijn met verzen-val, hoogrood, Met lentegloed van poëzi bedeelde, Dan hing als liefde-vlag aan kersenloot, Als daimiyo nooit ten dicht-wedstrijd genoot Op blanke’ afhoengi minnezang penseelde En deze als bestroojd met bloemen bood Aan haar, wier spelden-zon di zielsbloej teelde, Toch offer ik, zo ik mij niet mag meten Met velen, di hun dicht-penseel U wijdden O Ten-Man, [118] U mijn stift van niwer tijden, Wil ook mij, vreemde duivel, niet vergeten En ’k zal met ritmen wuivend wajer-zwiren Nog steeds, o dichtgod, Nippons glori viren.

XXIV.

VOOR DEN STRIJD.

’k Ben niet van ’t weerloos soort bourgeois-poëten, Dat leeft voor kunst slechts, niet naar welstand taalt, In week, onmanlijk droomen niet wil weten, Hoezeer het Geld des dichters heil bepaalt. Neen, ’k voel mij nu een daimiyo, di—vergeten Den kamp en ’t koel beleid—door rust zich staalt, ’t Zwaardkoppel, ’t hoornen pantser afgesmeten In losser dracht en loom met rijzen draalt.

O zalig slingt de wirook van deez’ Uren— De knieën van mijn geisha’s rond—zijn lint, Dichtbeelden, of hun dansen ewig duren, Wijl zoete nevel hun gewank omwind En ze’, als door wimpels van den ritme’ omvangen, Schelms smeken om hun vrijheid weer te’ erlangen,

XXV.

JAPANS TONEEL.

Heil wi omvlaagd eerst door de warrel-stromen Van ’t Eind der Eew, zich zelf word, dan—z’ontvlucht— In vaster koers van niwer Tijd gekomen, Maar voor hun aandrang langer niet beducht, Als in een hoger wereld opgenomen, Ze schouwt als wolken jagend door de lucht Om Gea’s [119] Kogel of met stadig stomen Van kraters hij zijn eter-vaart doorzucht.

Zo—rustig als in een japans teater, Waar men ’t toneel naar ’t aantal akten deelt In sektors en doet drajen op een schijf, Zi ’k als van Mars tablo’s te land, te water Om d’Aard-Bol wentelen bij elk niew bedrijf, Waarin de Mensheid haar Histori speelt.

XXVI.

NAAR DE POST.

Een moesmé tript, één arm uit paarse mouw Als stengel rijzend van een lotusblad, Waarop de hand, die ’t zonnescherm omvat, Uitvlagt als bloem, naar ’t postkantoor en nauw Perst zij het mondje saam in spanning: wat Wel ’t antwoord is, nu z’als verliefde vrouw Een brief penseelde en met vouw op vouw Dien maakte tot heel klein-mystike schat. [120]

Dan droomt ze, hoe fluks een vuurspuwend beest, Dat trouw steeds trugkeert, ’t Zonneland doorgiert, ’t Epistel naar haar blanken minnaar draagt.