Japanse Verzen

Part 3

Chapter 33,706 wordsPublic domain

En als hij later ’t in ver land herleest, Schijnt de chrysanth, die den post-zegel siert Herinnerings-bloem in storm vandaar vervlaagd.

XXVII.

SATSOEMA-VAZEN. [121]

In rijk vertrek, waarbuiten vlokken dalen In wintergrijs, staan zwijgend bij ’t rom-rommen Van haardvuur, vazen met hun tuit als schalen, Di stilte heffen, van oud goud omglommen En ’t blank pors’lein, beöuweld met ovalen, Vleeskleurig, ’t zwart besnord gezicht van drommen, Di om een Shogoen, [122] breed in hofdracht, pralen En naar wier voorhoofd zich yebossi’s [123] krommen Van goud.— En wijken weer de kille stromen, Di eerst door reten van de vensters breedden, Dan schijnt van ’t goud, dat ruig hangt neergegleden En van hun randen hitte uit te stomen, Alsof z’er weer de zonnegloed verbreiden, Die hen bedroop in vroeger lente-tijden.

XXVIII.

BEGRAFENIS.

Twe vossenkoppen rijzen op gedein Van standaards, als giraffen voor de baar, Waarop een dode in huisje, blank pors’lein Als in een toro [124] zit; aan ’t staken-paar Blankt een lampion en een papier-blad; daar Gaan bonzen voor tot opening van den trein; Een man volgt met een lichtje’ of zo in fijn, Groen gaas de ziel ’t lijk nog verzelt; na het gestaar Der vossen, na de dragers gaat gebogen —De vrouwen blank door sluiers overtogen,— Een reeks verwanten. ’t Sterfhuis staat nu leeg. En als gevallen door één woesten veeg Van stormwind liggen schermen neer, dooreen, [125] Als oosterlingen, kruipend in geween.

XXIX.

DE BERG VAN NIKKO. [126]

Op berg, waar door rouwgroen der seder-kronen De vlinders als uit vrees zijn truggedrongen Waar bronzig stond na stond heen-dreunt van gongen, Daar sluim’ren Dzjimmoe-Tenno’s zonne-zonen In tempels huivend—als uit licht-regionen— Uit gouden muren, of di afglans vongen Van hen, di ’t Volk als steeds onzichtb’ren [127] dwongen Tot eerbied en ’t nu nog dien afschijn tonen.

De rosse stammen, velen honderd jaren Staan dicht bijeen als wachters en omringen Dien naglans van verdwenen Majesteit. Door ’t somber loof hoort men de winden varen En in dat zwijgen als de golven zingen Verdruisend in een Zee van Ewigheid.

XXX.

STATEN-GENERAAL.

Door forse zwaaj van d’Aard-Bol aangedragen Uit donkeren vormen-dompel rekt en richt Zich land na land nu naar het niwe Licht, Dat boven de Bastille uitgeslagen, Juist honderd jaar daarna door ’t wolk-geschicht, Van Dzji-Pon-Koewé’s kim roosde’ en welks stagen Triomftocht reeds Tschoeng-Koewé’s [128] Volkeren zagen, Welks kust nu in dien gloed gewenteld ligt.

En als tans in Nippon bij ’t openingsfeest Van ’t Parlement het Volk het troon-woord leest In rose krant [129] op straat, in tram of trein En menig hoofd gloejt in den wederschijn Van zulk een blad, dan lijkt het of het rood Dier morgen-pracht er elk gelaat bevloot.

XXXI.

WERELD-DRANG.

Ik voel den trek naar verre, verre landen Der zeelui, di met den kompas-naald vrij Alom vier Ewen reeds de zeilen spanden, Van den reporter, di in reiskleedij Te paard de troepen volgt naar alle stranden. Zo voer ’k mijn dichtros d’eskadrons terzij, Waarmee ’k—trots roof en moord, bij gloed van branden,— De wording schouw der niwe Maatschappij.

En waar zij andere volken overmanden: Op Cuba en in China, de Transvaal, Zi ’k toch, hoe na den Gier van ’t Kapitaal, Di breed-uit voor Japs, Yankees, Britten streeft, De Duif hoog over bajonetten zweeft.—

Ik voel den trek naar verre, verre landen....

XXXII.

SCHEIDENS-UUR.

Nog eens wil ’k als de luchte vlinder zwiren Om rode klokken der kamelia-bomen, [130] Wier kelken met een blos van vlammen tiren Of al de zefir-zwoelten di ontstromen,

Nog eens den dans van ranke geisha’s dromen, Wien wajers als ontploojde sterren siren, Waaraan zij, d’aard bestengelend, neergekomen, Plots weer druk flapperend het azuur in giren,

Nog eens naar Boeddha’s flonkend aanschijn staren, Kalm schouwend tegen d’eigen oogen-schermen Gelijk de Zon ze luikt bij ’t nedervaren, Als d’avondvonken reeds om ’t zenit zwermen,

En aan Nippon nog enkele strofen wijden, Hoe ook het uur reeds dreigt van ’t eind’lik scheiden.

XXXIII.

LICHT.

Hier—toen in ’t Westen nog de dichters zegen Voor ’t Kruis, hun heir in wolken wirook zonk, Hun in de Katedraal weer ’t hoofd genegen, Van het Geloof slechts arm’lik kaarsgloed blonk,— Sloeg uit mijn borst een brand het Oosten tegen Als bloem van vuur, di open door den dronk Van zon met oog-, en hand-kelk—in een regen Van goud geheven—al zijn vlammen schonk Aan ’t Licht der Wetenschap, dat uitgewajerd, Geweldig als in Japans oorlogsvlag, Weer joeg door den eind-eewsen nevel-bajerd, Waar ’k de Chrysanth, [131] wit in den niwen dag, Door ’t wapperend, vorstelik Violet omlajerd, Als ’t Rad van den Vooruitgang stralen zag. [132]

XXXIV.

RIJK VAN DE ZON....

Rijk van de Zon met huizen als waranden,— Waarheen de kroon der palmen luisterend zinkt, Als van ’t balkon getonk der semsin [133] dringt Door gloejend-blauw gesnoerde foedzji-wanden,

Waar om de parasols in moesmé’s handen, De vlinder als om aardse zonnen zwingt, Waar ’t schijnt of de vulkaan slechts wirook slingt Om in d’azuren hemel-zaal te branden,

En waar de geisha luwten, bloem-aroom Wuift naar den zwier van liefde’s wajertale,— ’t Is of licht heel Uw leven zwind, een droom, Langs luchtweg, dien kapellen spoorloos dwalen...

Wi naar Uw kust van Altijd-Lente vaart, Vind in Japan het Paradijs op aard!

XXXV.

BETERE TIJDEN.

’k Wist, toen ’k derwaarts de dichterwiken strekte Om op te gaan in zoete zonnegloed Als vogels, di hij op de torii’s wekte, Als vissen, zilverend in bevonkten vloed,

Hoe ginds ook de fabrieks-walm ’t zwerk bedekte, De Bourgeoizi van koorts om goud doorwoed, Den arbeid—ook van vrouwen, kinderen—rekte, Di ze’ in masjine-holen kwijnen doet.

Maar niet voor hen slechts, di van jachten ’t schouwen, Deed mij de Muze’ een beter wereld blauwen Nog schoner dan van Oud-Japan ons heugt, Doch waar ook ’t Volk na politike rechten Zich financiële vrijheid zal bevechten, De wajers schud hoog-uit van levensvreugd.

XXXVI.

WEDERGEBOORTE.

Hier ben ’k Europa’s schiereiland [134] ontweken, Den woesten strijd op uitgeputten grond, In Jong-Japan, in nauw ontgonnen streken, Toen ’k ginds nog vals-modern reaksi vond, Hier lang reeds Babel’s Cyclen-Reeks [135] bleef steken, En ’t Iroha [136] voor ’t telegraaf-srift zwond, Waar ’t Gele Ras zo toonde plots te breken Met alles, wat het aan ’t Voorheen nog bond.

Hier zag ’k den hemel d’eerste stralen schoren Der Zon van een Beschaving zonder weerga, Hoe, wáár men ook in ’t puin der ouderen woelt. ’k Werd in dit Eden, di Natuur herboren En ’k heb bij ’t naderen ener niwe Era Me’ er weer een oermens èn een god gevoeld.

XXXVII.

NIRWANA.

Eens—naar de mythen van dit Rijk gewagen— Ontlook een Lotus in de hemelkringen, Waarvan de reuzenbladen, uitgeslagen, De Aarde—daarin sluimerend nog—omvingen Als luchtboog. [137] ’t Is of nu reeds bij het dagen Zo’n Bloem weer vaamt vaneen, welks kartelingen Een jonger Globe—in haar schoot voldragen— Langs hare kim met rozengloed omringen En dra Zij zelf in de Voleinding troont, Waarin eens Boeddha’s Werelds Kelk bezweefde, [138] ’t Nirwana spoedig ook mijn strijd bekroont, Waarin ik haar herschepping medeleefde. Dan wil ’k in Rust, waar ’k star nu heen blijf stijgen, Hoog Gea’s Uni-Adelaar kampwaars tijgen.

XXXVIII.

HET OUDE LIED.

’k Word in droom door harmonika-orgeling gestoord, Waar »Wilhelma« in spreekt »van Nassouwe.« Zo klein-vroom—en toch groot—psalmt het zeevolk van boord Tot den Heer als: »schilt ende betrouwen.« Weer wenkt westwaarts de Drikleur, ’t Oranje mij voort, Waar langs Amsterdam d’IJ-wateren stouwen, Waar door wolkwit en grijs toch het zonnetje gloort Over Hollands wijd groenende gouwen.

Neen, in ’t Rijk van de Rijzende Zon, de Chrysanth Zal mij langer geen geisha meer pajen, O, ik wou nu wel schouwen van ver uit het want Naar het land, waar de tulpvlammen lajen, In de velden bij ’t blond starend duin, aan het strand... Naar het land, waar de molentjes drajen!

XXXIX.

SAYONARA. [139]

De laatste rozige’ eiland-toppen stuiven Reeds weg in witte wazen, di aantijgen Van ’t Oosten, waar straalloos de Zon golf-kuiven Voor zilveren kim koolrood berimpt.—Nog nijgen —’t Kleed eng saamvattend—geisha’s tot mij, schuiven De lucht betrippend nader: lachend stijgen Zij achter ’t zeil van ’t witte schip en wuiven Er wind in met hun wajers. Maar plots zijgen Zij in ’t azuur bijeen met droef geöog, Waar ’t zog—hun loop te snel—de kiel navloog. Tans: arme moesmé’s, hoe met lonken, wenden Gij m’ook wilt houden in Uw tooverban, Kan ’k slechts van ver U nog wat kussen zenden Als laatst: »Vaarwel!«—»Tot weerziens!«—aan... Japan!

Amsterdam. 1898–1902.

TOELICHTINGEN.

Verschillende verklaringen zijn onnodig voor de meer beschaafden, doch daar ik dit werk ook toegankelijk wilde maken voor di arbeiders, welke reeds onze literatuur beginnen te kennen, is daardoor het aantal noten groter dan voor de ontwikkelden uit de burgerklasse nodig was.

Voor mijn spelling, radikaler dan de Kollewijnse, verzoek ik de welwillendheid der lezeressen en lezers, daar ik zo doortastend mogelik di wens te verniwen tot behoud en verbreiding van onze taal in Zuid-Afrika en elders. De internaatsionale woorden srijf ik zoveel mogelik leesbaar voor vreemdelingen, daar deze o.m. de materi vormen van de Esperanto, een wereldtaal-stelsel, dat veel goeds bevat, al beschouw ik dit niet als de Wereldtaal van de toekomst. Soms heb ik opzettelik ter wille van de staatsi een woord ouderwets gespeld, b.v. in XXI: de Bloem »Chrysanth.«

[1] Foedzji-No-Hana, de wistaria chinensis een blauwe, ook donkerblauw bloejende klimplant, di de Japanners langs latten en luifels neer laten hangen.

Door een noodlottig toeval kwam ik zeer lang in den waan, dat deze rose bloemen had en heb dit eerst kunnen wijzigen na de verschijning der verzen, waarin de foedzji voorkomt, in N. Gids, XXe Eew, enz.

[2] Naast een tijdrekening in cyclen van 60 jaar, tans reeds de 76e, tellen de Japanners ook vanaf de stichting van hun Rijk door Dzjimmoe-Tenno en naar de regerings-tijdperken van elken Mi Kado afzonderlik.

[3] Moetsoe-Hito, spreek uit Moets-Chto (met ch als in het duitse Knecht, Recht), naam van den tegenwoordigen Keizer, welke betekent Man des Vredes. Hij werd Mi Kado in 1867, maar kreeg eerst in 1868 werkelik de macht in handen.

[4] Mei-Dzji spreek uit Meej-Dzji, naam van zijn bestuurs-periode, di betekent Verlichte Regering.

[5] Dzji-Pon-Koewé: Rijk waar de Dag begint, Rijk van de Rijzende Zon, Cipango, Japan. Ch spreek uit als in het Duitse Licht.

[6] Moessoemé spreek uit moesmé, meisje.

[7] Fana kojomi: bloemenkalender.

[8] Een inktkoker als hier besreven, ziet men veel als weelde-artikel.

[9] Samisen of semsin, citer met lange hals en vierkant klankbord.

[10] Afhoegi, wajer. Afhoengi in Tokio-dialekt.

[11] Koto, een soort liggende harp.

[12] Geisha, spreek uit geej-sja, zangeres en danseres.

[13] Obi, zijden gordel met breden strik op den rug.

[14] De oorlogsvlag van Japan is wit, tot in de hoeken bestraald door een hoogrode, zestien-stralige Zon en bezet met een rand van violet, de kleur der dynasti.

[15] Zeilwagen, chinees vervoermiddel.

[16] Sampan, chinees vaartuig.

[17] Tao, het rechte Pad der Deugd volgens de leer van Lao-Tszé.

[18] Cobor, spreek uit: sabór, russise katedraal.

[19] De Tijger, gevleugeld op geel veld is de vlag van den vorst van Korea.

[20] Union Jack, bijnaam van de Engelse vlag.

[21] Dai-Nippón, Groot-Japan.

[22] Sinds 1897 heeft ook Japan zijn sociaal-demokratise partij onder leiding van Sen Josef Katayama.

[23] Daimiyo, edelman, eigenlik: grote naam.

[24] Volgens Plato, Buffon en niwere onderzoekers, di dit steeds meer bevestigen (Zi Nouv. Revue van 15 Dec. ’95 en 15 Dec. ’97) lag er vroeger een vasteland tussen Amerika en Europa. Zelfs doen taalkundige navorsingen vermoeden, dat de Algonquinezen in Canada en de Inca’s in Peru verwant waren evenals de Franse en Spaanse Basken met de bewoners van Atlantis. Het schijnt ook, dat de vroegere Sahara-Zee, gedeeltelik afgeleid door de Egyptenaren door den Bahr-el-Ghazal naar hun rijk, door een vreselike katastrofe, den zogenaamden Zondvloed, genoteerd door de Chinezen in 2297 v. Chr., zich uitstorte over Atlantis.

[25] Yucatan, schiereiland van Mechico.

[26] Etrurië, Tuscia, Toscane.

[27] On, bijbelse naam voor Egypte.

[28] Tomahawk, indiaans skalpeermes.

[29] Wat ik hier meld van de Romeinse wetgeving, stond jaren geleden—meen ik—in de Fortnightly Review.

[30] Dante werd geboren in Florence, Michel Angelo Buonarotti op Florentijns grondgebied en de Corsicaanse Buonaparte’s zijn misschien—gerechtelik werd het altans erkend—verwant met de Toscaanse.

[31] Wigwam, indiaanse hut.

[32] Zilverland, Amerika.

[33] Dolmen of hunnebedden, gallise begraafplaatsen.

[34] De optise telegraaf is zoover de weinige gegevens van Atlantis veroorloven te beweren met zekerheid, slechts fantazi, evenals meer in deze groep verzen over dit rijk of di rijken (?)

[35] In de Nouv. Revue van April ’93 kwam een artikel voor: Le Secret de Pyramides de Memphis van L. Mayou, waarin word aangetoond, dat zonder twijfel het verhaal in Genezis van het Paradijs voor een groot deel tenminste van Egyptise afkomst is en dat Eden was de landstreek om de vroegere Sahara-Zee. De vier stromen in dien lusthof zijn niet de in den Bijbel genoemden, althans niet van het Paradijs bedoeld door de Egyptenaren, maar de Niger, de Triton, de Oued-Noun en de Oued-Draa.

[36] In Midden-Afrika bouwen de wevervogels nest-koloniën onder een strojen afdak of parasol om de bomen.

[37] De welbekende Appel van Eva, de Almoeder, was de Aard-Bol (zi bovengenoemd artikel) waarin de Mens met den »tand« der spade »beet« tot het graven van kanalen, »bevruchting.« De Egyptise priesters wisten reeds, dat de aarde een bol was. Het grondvlak van de grote Piramide van Cheops, di een bepaald aantal malen in haar oppervlakte was begrepen, diende tot meetkundige uitdrukking van haar uitgestrektheid. En gelijk de Grote Sfinx met het menselik hoofd en lewenlijf het simbool was van den Nijl, wiens hoofd (de menselike geest) den stroom beheerste en aan wiens einde de leew huisde, terwijl zes merken van steen op de borst de zes Nijl-watervallen voorstellen, zo was di Piramide meteen een beeld van Egypte zelf. De bovenste drihoekige kamer daarin duide de Nijl-Delta aan, de middenste galerij den Nijl, di zich in twee lagere gangen, den Blauwen en den Witten Nijl, splitste.

[38] Teb of Typhon is de Egyptise god der alles verzengende hitte.

[39] Het wentelend zwaard is de Zon. Zi Genezis III, 24.

[40] De Foedzji-Yama, de bekende krater van Japan, even vaak afgebeeld op japanse schilderijen als de Vesuvius op italiaanse.

[41] The flowers that bloom in the spring: De bloemen, di bloejen in de lente.

[42] De tulpboom krijgt eerst bloemen, later pas groen, de hier bedoelde is de magnolia obovata.

[43] Tchaya: teehuis.

[44] Chibatsi, (spreek ch. uit als in het duitse Hecht,) komfoor uit messing, een schotel met kolen om pijpen aan te steken.

[45] Tcha, tee.

[46] Volgens een chinese opvatting, door de Japanners overgenomen, was de aarde vierkant.

[47] De violette vlag van het Keizerlik Huis heeft in het midden een witte, zestienbladige Chrysanthemum, gestileerd in den vorm van een rad.

[48] Mi Kado, titel des keizers, betekent Verheven Poort.

[49] Hara-kiri, zelf-exekuutsi door het openrijten van den buik. Spreek r uit tegen het verhemelte.

[50] Astraal licht, stralende eterise bol, di helderzienden kunnen waarnemen.

[51] Kogo, de eerste vrouw uit den keizerliken harem, keizerin. Spreek g uit als in: Gabe.

[52] Er staat »omringd,« daar dit kapsel in vorm van het algemene japanse afwijkt en slechts door de Keizerin en de hofdames word gedragen.

[53] Een kenmerk van den japansen adel is het arendsprofiel.

[54] De lotusbloem, waarop de Boeddha (Wijze) zetelt is het hoofdsimbool van den boeddhistisen godsdienst.

[55] Boetsoe in het japans: Boeddha.

[56] Nirwana: Voleinding, Zilerust door de vernitiging der ijdele begeerten.

[57] Torii, japanse poort bestaande uit twee masten met een dwarsbalk en daarboven een chinees gestileerd juk. Ze staan vooral voor tempels.

[58] Bonze, boeddhisties priester.

[59] Karma, de gerechtigheid, di onverbiddelik loont en straft tot in de volgende geslachten. Het Rad der Karma wentelt de gevolgen van idere daad terug op den dader en zijn nakomelingen.

[60] Het Sintoïsme, de oorspronkelike godsdienst van Japan, welke ook in China bestaat, is de verering van goden, heröen en voorvaderen. De hoofdsimbolen er van zijn de Spigel als beeld van de Schoonheid, wellicht ook van de Zon, een edelsteen of meestal een kogel van bergkristal, een zwaard en de gohei, witte repen papier samenhangend en dikwijls aan de randen verguld en uit één stuk gesneden van twijfelachtige betekenis zover ik weet. Men onderstelde, dat de Kami of geest van een god zich er op neerzette; verder een banier van brokaat.

[61] Miya: sintoïstise tempel.

[62] Kami, geest van een voorvader of god.

[63] Tegenwoordig is de krater van de Foedzji-Yama een meer.

[64] Osman, naam van de Turkse dynasti.

[65] Bedoeld is het Testament van Peter den Groten, dat de russise politiek beheerst.

[66] Een brug over den Bosforus verbind Constantinopel met Skoetari.

[67] Aja Sofia, thans moskee aldaar, vroeger een christelike kerk.

[68] De Kaäba, tempel te Mekka met den heiligen Steen der Muzelmannen.

[69] Daar de Keizer van China de beschermer is van alle godsdiensten in zijn Rijk, kan Peking, waar hij zetelt, als men wil, hun middenpunt genoemd worden.

[70] In Japan bestaat sinds de XIIIe Eew de z.g. Shin-sekte, een soort protestante Boeddhisten.

[71] De Muur is di van Salomo’s Tempel, waar de Hebrejen nog altijd treuren.

[72] Onder de literatuur en den tijd Fin-d’ères versta ik de tegenwoordige, van het einde der islamitise, joodse, chinese, christelike jaartellingen enz. di plaats moeten maken voor één pannaatsionale, di der Niwe Era, Nouvelle Ere.

[73] Pruimenboom, sakoera word ook wel japanse kersenboom genoemd, doch heeft geen eetbare vruchten. Met rose, ook witte bloemen: de Yamasakoera.

[74] Kikoe-no-Hana: Chryzantemums.

[75] De Japanners brandden vroeger tot het meten van den tijd wirookstokjes.

[76] Jappy, verkleinwoord van de Engelse afkorting Jap voor Japanners.

[77] Het kostuum der Quakers werd de revoluutsionaire dracht van den Tiers-Etat, nadat Franklin in di kleding, de hoge hoed, zwarte frak en lange broek het Hof bezocht van Lodewijk XVI.

[78] Kikoe: chryzant.

[79] Volgens de leer van Confucius.

[80] De Japanse kavaleri draagt rode kepi’s.

[81] Mon: blazoen.

[82] De Japanners planten chryzanten in allerlei fantastise vormen.

[83] Kissaki of Kogo: Keizerin.

[84] Bij regenweer lopen de japanse vrouwen op houten sandalen met twe blokjes er onder, een soort klakken.

[86] Tombo’s: waterjuffers.

[87] Sky-skrapers, de amerikaanse huizen van twintig en meer verdiepingen.

[88] Dai-ba, japanse burcht.

[89] Dai-Koku (spreek uit Dai-Kok) de god van den rijkdom.

[90] De gewone kleur van het nachtgewaad der japanse vrouwen is blauw.

[91] De makoera vervangt het hoofdkussen; het is een kleine sraag, in het midden hol, zó dat het hoofd er in rust.

[92] Kaya, een soort van gaas, waaronder men daar sluimert, dinend tot beveiliging tegen de muskiten.

[93] Naast het rustbed brand een witte lamp om de boze geesten te verjagen in den vorm van een overlangs geopenden silinder op een voetstuk.

[94] Haroe: lente.

[95] Vele planten in de japanse tuinen hebben een simbolise betekenis.

[96] De pijnboom, matsoe, di het mannelik en vrouwelik geslacht verbeeld.

[97] Moeme: pruimenboom.

[98] Momo: perzikboom.

[99] Natsoe: zomer.

[100] Aki: herfst.

[101] Foeyo: de hibiscus mutabilis, een plant, welks bloemenkroon kleur-wisselt, eerst wit, dan rood en eindelijk purper. Deze bloejt in Japan in den herfst.

[102] De Kikoe: chryzantemum is de naatsionale bloem en dáár de herfst-tooj bij uitnemendheid.

[103] Hoeyoe: winter.

[104] Nirwana, toestand van zalige reinheid, betekent letterlik het verwajen tot niets d.w.z. der boze hartstochten, hier echter gebruikt in den zin van overgang uit dofheid tot doorschijnendheid.

[105] Dit veld bevind zich in Yeddo (Tokio). Onder een banaanboom staat er een Boeddhabeeld.

[106] De misdadigers droegen en dragen misschien nog alleen een kiel van blauwe boomwol en loshangende haren.

[107] Moesko: knaap, moesmé: meisje.

[108] De japanse kinderen spelen met vligers van allerlei fantastise vormen met maskers er op, in de gedaanten van boeddha’s met dikke buik, vampirs, enz.

[109] Biwa: een soort mandoline.

[110] De Japanners hebben een smalle, lange trom, di met één hand word beslagen.

[111] Het huweliksgewaad bestaat o. m. uit een blauwe, wijd uitstaande plastron.

[112] Kago: een open draagstoel, di op de schouders van twe man gedragen word.

[113] Bij bruiloften word door de z.g. vlinders, twe bruidsmeisjes met kolossale strikken uitgedost, in den vorm van kapellen, aan het jonge paar saké, een drank uit rijst gestookt, geschonken uit een metalen pot met dubbele tuit als een simbool van trouw.

[114] Reigers zijn als bruidsgeschenk en in het algemeen in Japan een zinnebeeld van geluk.

[115] Volgens de overlevering stammen de Mi-Kado’s af van Amaterazoe, de godin der Zon. Zij leefden in fabelachtige weelde zeer afgezonderd.

[116] De Japanners geloven aan zielsverhuizing.

[117] De tempel van Kamé-Ido is gewijd aan Ten-Man, de Apollo der japanse dichters, aan wien ze als ex-voto hun penselen wijdden.

[118] Ten-Man zelf, een dichter uit de IXe Eew, werd later als zodanig geëerd.

[119] Gea: de Aarde.

[120] De Japanners vouwden vroeger—misschien nog—hun briven heel klein op in de enveloppen.

[121] Satsoema, dit soort porselein is wit, met goud voornamelijk gekleurd.

[122] Shogoen: stadhouder, plaatsvervanger van den keizer. Deze hadden sinds de XVIIe Eew, sinds het optreden van den stadhouder Hiéyazoe, de macht in handen, totdat de adel, di van hen hoe langer hoe meer afhankelik werd, aan den tegenwoordigen Mi-Kado zijn oorspronkelike macht teruggaf en met deze en de japanse bourgeoizi het Rijk in alle opzichten modernizeerde.

[123] Yebossi’s: zwart verlakte, smalle silinderhoeden, naar voren omgebogen en met banden gedragen om de kin, blijkbaar gemaakt om den haardos, op het midden van den schedel naar voren vallend, te omvatten. Men ziet dit hoofddeksel zeer vaak verguld afgebeeld op satsoema-porselein.

[124] Toro: stenen of bronzen lantaren.

[125] Het door elkaar werpen van de kamerschermen is een japans teken van rouw.

[126] De berg van Nikko is de begraafplaats der japanse keizers.

[127] Voor keizer Moetsoe-Hito zijn rijk hervormde, waren de vorsten steeds onzichtbaar, slechts de adel mocht soms hun geheiligde persoon aanschouwen.

[128] Tschoeng-Koewé: Rijk van het Midden, China.

[129] Zulk een krant is daar de demokratise Yorodzoe, gedrukt op rose papier.

[130] De kamelia’s groejen in Japan niet aan struiken, maar als rode klokken aan bomen, zelfs van tien meter hoog.

[131] De vlag van het keizerlik Huis van Japan is violet met een witte Chryzant, heraldiek gestileerd met zestien bladen.