Japanse Verzen

Part 1

Chapter 13,222 wordsPublic domain

JAPANSE VERZEN.

ROTTERDAM.—JOHAN PIETERSE.—1903.

INHOUD.

I.

FOEDZJI-NO-HANA.

I. Proloog 1 II. Foedzji-No-Hana 2 III. Serenade 3 IV. Geisha’s 4 V. Port-Arthur 5 VI. De Rijzende Zon 6 VII. Saluutschot 7 VIII. De Draak van China 8 IX. Volkeren-Morgen 9 X. Pan-Mongolisme 10 XI. De Internaatsionale 11 XII. Flirt 12 XIII. Onheilsbode 13 XIV. Atlantis 14 XV. De Adelaar der Atlantiden 15 XVI. De Dochters van Atlantis 16 XVII. In oude tijden 17 XVIII. De Grote Vloed 18 XIX. ’t Verloren Eden 19 XX. De Atlantise Oceaan 20 XXI. Het Chrysanthen-Rijk 21 XXII. The flowers, that bloom in the spring 22 XXIII. Avondstond 23 XXIV. De Mi Kado 24 XXV. De Kogo 25 XXVI. Uit de Midden-Ewen 26 XXVII. Het Sintoïsme 27 XXVIII. Stervende Adel 28 XXIX. De Vuurvloed 29 XXX. De Val van Rome 30 XXXI. De Val van Mekka 31 XXXII. De Val van Peking 32 XXXIII. De Franse Republiek 33 XXXIV. Parijs 34 XXXV. Fin-de-Siècle 35 XXXVI. Fin-d’Eres 36 XXXVII. Nouvelle Ere 37

II.

KIKOE-NO-HANA.

I. Wimpels van wirook 49 II. Levenslust 50 III. Rust 51 IV. Kerstmis-Stemming 52 V. ’98–’99 53 VI. Mongoolse Stemming 54 VII. Japanse Weelde 55 VIII. Treurig, treurig 56 IX. In Vogelvlucht 57 X. Toekomstige Bouwstijl 58 XI. Japanse Munt 59 XII. Expanzi-Kunst 60 XIII. Zijdeteelt 61 XIV. Nacht 62 XV. Kamerscherm. Haroe (Lente) 63 XVI. Aki (Zomer) 64 XVII. Natsoe (Herfst) 65 XVIII. Hoeyoe (Winter) 66 XIX. Straat bij avond 67 XX. Strafplaats 68 XXI. Bruiloft 69 XXII. Watervogels 70 XXIII. In den Tempel van Kamé-Ido 71 XXIV. Voor den Strijd 72 XXV. Japans Toneel 73 XXVI. Naar de post 74 XXVII. Satsoema-Vazen 75 XXVIII. Begrafenis 76 XXIX. De Berg van Nikko 77 XXX. Staten-Generaal 78 XXXI. Wereld-Drang 79 XXXII. Scheidens-Uur 80 XXXIII. Licht 81 XXXIV. Rijk van de Zon 82 XXXV. Betere Tijden 83 XXXVI. Wedergeboorte 84 XXXVII. Nirwana 85 XXXVIII. Het Oude Lied 86 XXXIX. Sayonara! 87

FOEDZJI-NO-HANA. [1]

I.

PROLOOG VOOR ANNO 2558 (1898) DER JAPANSE TIJDREKENING, JAAR 30 [2] VAN MOETSOE-HITO’S [3] MEI-DZJI. [4]

In Dzji-Pon-Koeé, [5] waar een eew’ge brand Van heilig bloemvuur naar de Zon vervlied, Waar men in parasol en in chrysanth ’t Beeld van het Licht alom vervuldigd ziet, Kleurt alle maanden bloemtooj, daar dit land Haar trouw steeds niwe stuifmeel-wirook bied En de kalender word in kunstenaars hand Door kleur en dicht daar tot één bloemenlied. Nu zi ’k de Muze als een moesmé [6] mij Twaalf wajers als fana kojomi [7] reiken Met bloej van kunst, di naar den tijd er tiert, Moog z’allen zo’n omfleurde verzen-rij ’t Geplooj van wajers, twaalf in tal, ontstrijken, Die ’t Niwe Jaar met Niwe Kunst doorsiert.

II.

FOEDZJI-NO-HANA.

Als een Japans poëet, di, ruim omwaad, Gebukt voor slank, blank vel van rijst-velijn, In helrood inkt-meer een penseelspits baad, Waarlangs in zeegroene en wolkrose schijn De zoom, een parelmoeren schelprand gaat, En waaraan stenen hondje, kneuterig-klein, Tot stoornis met een sprong te dreigen staat Om woest te spatten op ’t papier-satijn. [8]

Zo wil ik stil Japanse Verzen rijen Als zulk een dichter, di met zacht gestreel Woord-tekens, helrood, uitzwiert van ’t penseel, Zodat het blad vol trossen beelden hangt Gelijk lichtblauwe foedzji neder rankt[1] En met zo’n fleur van lente U vermeien.

III.

SERENADE.

Als zanger, di voor liefste’s woning beid, Het rechterbeen spitst vóór, de linkerhand Omslankt den samisen, [9] de rechter spant Toontonkeling van een lied, dat hem geleid, En schouwt wat wajertaal ze’m tegenspreid: Of zij d’afhoegi [10] achter ’t kapsel plant Als aureool en vleiziek naar één kant, ’t Gelaat en ’t zwart getoet der haren glijd, Of dat de zangstroom, die zijn monde-wel Als wirook uitstijgt, welke opwaarts duft, Als wolk van geur verjaagd word, weggepuft. Zoo lees ik, Muze, uit uw wajerspel Of ge’ u afkeurend heenwend van mijn kunst, Dan wel di toewuift met gebaar van gunst.

IV.

GEISHA’S.

Nu trippen één voor één mijn Verzen aan, Beheerst door samisen- en koto-klank, [11] Een drom van geisha’s, [12] met een wuft gewank Der haarvracht, waarheen sporten spelden staan En als tot steunsel schuins de oogen gaan. Ze schuifelen zoetjes: er vlied goudgesprank Van reigers om ’t blauw zij gewaad, wijl rank Ze’ aan één hand over ’t kapsel wajers slaan, Dan weer wijd-arms in d’enge obi [13] hangen Aan rijen of d’afhoegi voor ’t gezicht Als uit een mom met donkere iris lonken. Zo zi ’k mijn Verzen in figuren slangen, Wier zwaaj en dans juist naar de maat verzwicht En zwirig in gespitsten kleedval flonken.

V.

PORT-ARTHUR.

Een fort op steil gebergt’ aan zee. Daar laajt Van vele standaards in drihoekig veld Het heilig geel van ’t Hemels Rijk: er zwelt Gekronk in van zijn Draak der Nacht. Daar zwaajt Wreedogig krijgsvolk ’t kromzwaard, zelf gepaajd Door dolle hoogmoed; zelf slechts is ’t gekweld Door vrees voor ’t Monster op den muur gesteld, Dat sepia-zwart de keizerskleur begraajt.

Maar in het Oosten start in front aan front ’t Japanse leger; duizendvoudig schicht Zijn wapenglans—tot plots de stormtrom roert, Als in versnelde doods-mars, ’t Zonne-Rond [14] In blanke Vaan de bataljons van ’t Licht Met woesten oorlogs-galm ten aanval voert.

VI.

DE RIJZENDE ZON.

En opgesrikt uit ewen-ouden waan Door ’t vuur, dat altijd nader, wisser vlaagt, Zien de Chinezen ladders heffen, slaan Met haken in de muren, ider draagt Gebukte krijgers, di zich wild ruim baan Met kolven, sabels zwajen; waar men ’t waagt Hen nog met houwen, steken te weerstaan, Tot over ’t fort hun Zon steeds hoger daagt. En wi hen smekend geen erbarmen vind, Word neergebeukt of met een knal geveld En ’t lood haalt in wi nog te vluchten tracht, Tot over de gevall’nen ’t Monster wind, Alsof het di nog in zijn klauwen knelt Tot prooj voor ’t overwonnen Rijk der Nacht.

VII.

SALUUTSCHOT.

Langs nachtblauw als met kruitgewolk bezwaard Spicht mast en ra op kruiserforten aan, Wier rompen in lichtgrijze pantsers staan Dik van de kiel, tot waar de wacht rond staart In ’t hoogst balkon. En van hun bruggen klaart— Wijl uit de pijpen dreigend vlammen slaan En roetrook poeft—aan elke flank een spaan Van booglicht, dat hel-ernstig hunne vaart Ombreed.—Een knal!... En drimaal zinkt en stijgt ’t Blank dundoek, waar de Zonbal scherp in bloed, Als vreemde vlaggenvlucht het want doorrijd Van d’Europese vloot, di hen omtijgt En met geboenk, ver donderend, wedergroet: ’t Modern Japan als Grote Mogendheid.

VIII.

DE DRAAK VAN CHINA.

Om China’s Muur, bergwallen, einder-luchten Waarvan naar ’t zenit starre Stilte ging, Plang-plangt de trom en doet zijn dwingren duchten Voor d’aandreun, klank van grootse’ Omwenteling.

Alom voor stoomwalm, koolspits-flitsen vluchten Zeilwagens [15], sampans, [16] waar langs stroomgesling En reels Europa’s ijzeren monsters zuchten, Waar gong-gebong voor klok-getang verging.

O Rijk van Licht in gruwelnacht verloren, Uw vaan zonk als Gehenna’s zinnebeeld, Doch laat nu vreemde’ u ’t Tao [17] zullen wijzen, Uw monster als een niew simbool hergloren, Door hete gloed van bloemenmeel omgeeld, Weer als de Vuur-Draak van Vooruitgang rijzen.

IX.

VOLKEREN-MORGEN.

Gegroet, cobors [18] met groene koepelronden, Di tempels soms van ’t Toekomst-Land mij leken En dan m’een plechtig Zondags-bong’len zonden, Met drang van koorgezang mijn ziel doorstreken. ’k Wil met den stouten waan der Slaven breken, Di Ruslands wereldheerschappij verkondden, Want reeds zi ’k in mijn vlucht naar verder streken Ook den Mongool een mateloos Rijk zich gronden. ’t Is me of daar troostend de pagoden-torens Hun luifels voor geknechte volken breiden, Moed schenken door ’t opspitsen hunner horens Al wi ook dáár een niwen dag verbeiden En reeds hun schellen met de randen schouwen Naar d’Aarde in aller Volkeren morgen-blauwen.

X.

PAN-MONGOLISME.

In China, Birma, Tonkin, al di landen, Wier vlaggen eerst verlamd in luchtrust hingen, Maar di sinds kort vooruitgangsvlagen spanden, Zal snel nu vrij hun kleur en beeld uitslingen: Heet Cochin-China’s geel, omzwart van tanden, Blank Siams Olifant uit wemelingen Van rood en uit di tint met blauwe randen, Cambodja’s Tempel en uit geel aan zwingen, Korea’s Tijger. [19]—Zo voor Frankrijks kleuren, De Duitse en Moscovitise Adelaren, De Union Jack [20] nog ’t Gele Ras moet zwichten, ’t Zal Dai-Nippón [21] zich tot modelstaat keuren, Zijn volken om de blanke Zonvaan scharen, En ze’ als hun aller Oriflamme lichten.

XI.

DE INTERNAATSIONALE.

Uw jacht op winst om d’aardbol, plutokraten, Zal zelf tot bouw van beter orde’ U dwingen, Di wellicht dacht straks ’t Volk slechts loon te laten Als koelies in Uw goeden tijd ontvingen.

Geen vrees, dat spoedig gele Sindikaten De blanken met chinese list verdringen, Of van de werklui de Mongoolse maten Nog steeds de aartsvaderlike liedjes zingen.

Want zoals draken kraterbrand opstuwen, Vaak van Nippón den gansen bouw bedreigen, Zoo trilt di tans tot wissen val bereid, Waar muilen van de Pers hel lichtvloed spuwen En Marx’ parool een leger saam doet tijgen, Dat ginds ook onder ’t Rode Vaandel strijd. [22]

XII.

FLIRT.

Als dame, di met kni-knik voorwaarts treed, Deemoedig nijgt tot minnedienst bereid, Plat den afhoegi onder d’ogen breid, Zo zich hem toereikt uit eng dalend kleed, Di—daimiyo [23]—machtig uit zijn mantel breed, Eén hand aan ’t kromzwaard, plots den wajer rijt Uit vasten gordeldruk, beschermend spreid Als meester en zo trots haar welkom heet,

Zo zi ’k Nippón mij hare schoonheid biden, Di schelms een reuzen-wajer tot mij richt, Maar fluks behaagziek niet alleen ’t gezicht, Doch heel haar nauw omstrikten, blauwen tooj, Om mij te meer te’ ontbranden op haar mooj, Steeds weer in zijn omstraling doet vervlieden.

XIII.

ONHEILSBODE.

Gelijk uit dennen, dreigend opgericht Aan roerloos meer in Nippons stille lucht, Als reeds de maanboog, zich bepeinzend, licht, Een zwarte vlinder vliddert,—geen gerucht Ontwuift zijn rouw—en op een bloemkroon zwicht, Helwit en smoorstil haar den dood toezucht, —Dra welkt ze, sleept langs d’oever als ontwricht, Wen d’onheilsbode spoorloos is gevlucht— Zo stort, wanneer de zon zijn wajering stralen Saamsmalt, een Stoomkoorts, rosse, bleke vrouw, Zwartwikig uit de donkere bossen aan En doemt pagoden, burchten, di nog pralen Als roem van feodale wereldbouw Met dreiggebaar ook ginder te vergaan.

XIV.

ATLANTIS.

In Glori-Ewen voor den Groten Vloed, Rees steil het kokos-wuivend vasteland: [24] Atlantis, waar zich nu de kabel spoed Door zee en slechts wat scheeps-stoom langs den rand Van d’Oceaan-Bol wimpt. Als aan zijn strand De keizer stond, dan stormde een schimmelstoet Van golven aan, gemend door meermans hand En boog de halzen willig hem te voet. Naar Yucatan, [25] naar de Sahara-Zee, Naar zijn Etrurise koloniën, [26] On’s [27] westkust Ruisten zijn draken en stijf wikend week ’t Spaan-zwajen van zijn barken, di gedwee De waterbisons trokken naar zijn lust, Al naar zijn septer hun een baan voor streek.

XV.

DE ADELAAR DER ATLANTIDEN.

En voor der piramiden, tempelen macht Van rots hield als d’Azteken—fier geveerd Het adelaars-profiel—het krijgsvolk wacht Met lans en tomahawk [28], getatoeëerd Met ’s keizers Arend, totem, di, vereerd, Gulde op een voorslip en met franje-pracht Hun van de heupen viel en d’afkomst leert Van dit stil-ernstig, heroïek geslacht.

’t Is of di Vogel, daar van deze stam De Tiberstad Etrurië’s Wet [29] ontnam Als telg den Adelaar van Rome won, En later nog uit verre’ Atlanten-loot Een als de arend starend Ziner sproot: Een Dante’, een Angelo, een Napoleon. [30]

XVI.

DE DOCHTERS VAN ATLANTIS.

En zo in ’s vorsten vuist de irisbrand Des Adelaars tal van volken overschóót, Zijn vlucht van wigwams [31] in het Zilverland [32] Tot over Gallië’s dolmen [33] schaduw goot, Stil boog voor zachte keizerinne-hand Kameel, rendier en hond, ’s mans lotgenoot, En duif en pauw, der bloemen vlammen-stand, Magnolia-legioen en leliën-vloot.

Zo star in wapenpraal de lijfwacht stond Aan poorten van de lotoszuilen-zaal, Waar gasten lagen aan het vorstelijk maal, Ranonkelrank langs gulden gordels wond Een keur van danseressen sluiering Of hun gewank aan zichtb’re ritme hing.

XVII.

IN OUDE TIJDEN....

En op der Hoofdstad hoogste tempeldak, Waar men den Zonne-Adelaar hulde bracht, Als hij des morgens zegenend van zijn strak Gespannen zwingen licht afvlaagde, placht Men vuur tot sein te branden. Dan ontstak ’t Van fort tot fort een weer-sein, dat bij nacht Zo orders schoot door ’t Rijk en op dat vlak Een toorts van wijsheid scheen der sterrenwacht. En wi tot lering van een vreemden stam Atlantis’ priesters opzocht, scheen di vlam Als bliksem flitsend over d’Oceaan Alom zo’n licht van weten op te slaan, Waar ’t wichelaars-oog verrukt der sterrental Omkringde als dorre prairiën regenval. [34]

XVIII.

DE GROTE VLOED.

Wee!—Schemering, zwoelte zonk.—De lucht werd gal Van wolkgedreig—Voor plotse stormjacht boog Der palmen hals als beulsprooj voor den val Van ’t zwaard, aan hozen op spiralend toog Bezweept van bliksems, steigerend tot den hal Des hemels de Sahara-Zee en vloog Zijn kom uit, water stapelend, wal op wal, ’t Ontzet Atlantis overwelvend, hoog En honderd-muilig.—Wee! De Zee verslond Op heuvels ’t laatste mensen-kluwen, ’t zwond In wiling, elke angstkreet werd gesmoord Door donders. ’t Was der goden val. Wee!—Voort Joeg bliksem en sikloon en golfgedrang.— Plasregen raasde veertig etmaal lang.

XIX.

’T VERLOREN EDEN.

’t Was om di Zee, [35] dat Edens vier-stroom stuwde, Waar rozig lotus en flamingo gloejden, Uit bladerheuvelen palmen-vederen sproejden, Oranje-waduwen zwoele wind doorvluwden, In d’overkapte nest-kring wevers [36] tjuwden, De olifant door ’t woud een weg zich snoejde, Schaapskudden blanke’ amandelen ondervloejden, En heller Zon den Mens door ’t loof toe gluwde, Sinds hem de Slang, (het Water), wijsheid leerde Tot landbouw, met den tand (der spâ) liet snijden In d’Appel, [37] di d’Almoeder, (d’Aarde), ’m bood Doch sinds dien Vloed was ’t Teb, [38] di hier regeerde, Er dorheid, hitte, stank en stilte spreide ’t Met een rond wentelend zwaard [39] van vlammen sloot.

XX.

DE ATLANTISE OCEAAN.

En als een vloot, di in een mist verschimt, Waast groen, door roerloos kristallijn omglampt, Atlantis’ Hoofdstad. Op haar pleinen glimt ’t Zeesterren-firmament en flauw-blauw lampt Er boog aan boog van kwallen. Spichtig klimt De kreeft er trappen op; veelarmig klampt Zich d’inktvis om een zuil en dreigend grimt De muil van haje’ uit hoeken, waar bekamd Met stelen, bruin, olijfgroen, knol aan knol Op algenstengels zwelt. Door ’t golfgegrol, In noodweer rekt soms uit een wigelkuil Van baren als van spooksels angstgehuil, Maar zont het zeeveld, dan wit wikend spreid En zaajt de meew er slechts: Vergetelheid.

XXI.

HET CHRYSANTHEN-RIJK.

Als Rijk van Mythe in ’t breed, uitwajerend Licht, Waarvan de goudvis de hoogrode gloed Tot in het diepst van donkere wateren schicht, Zoo prachtte Oud-Japan:—’t Golft van den voet Des blanken Foedzji-Yama [40] overspicht Van ewig pijnboom-groen zijn heuvelvloed Naar zee. Gelijk een vloot bloem-jonken ligt Het pralend door den Oceaan omspoed. ’t Is of elk dakscherm, dat ten hemel langt Er vloed van zon-stofgoud en bloesems vangt, Geen god of boeddha, die in tempels woont, Di niet op heil’ge kelk: de Lotus troont En ’t impeerjaal blazoen van ’t Zonne-Land Siert, heraldiek verstijfd, de Bloem Chrysanth.

XXII.

THE FLOWERS, THAT BLOOM IN THE SPRING.... [41]

O Land, dat, zo gewolk uw Zon betrekt Beschaduwd als in siësta slingt, gedekt Door halo-bleke stralen, wijd en zijd Als uit een hemel-parasol gespreid, Ge lijkt, als uwe foedzji franje’s breid Eén bloemgrot, waarvan teer-blauw druipsteen glijd, En als de sneew nog langs de takken rekt Dan wit en roodt pruimbloesem, di er gekt Bij ’s Winters aftocht. Hier spicht zonder groen, Het tulpgeboomte’ [42] om menig pavieljoen, Waar ’t rose als bruigoms stoet, blank voor de bruid In tchaya’s [43] menig minnend paar omsluit, Dat vlinderlicht in bloemen-sferen leeft, Op wajer-zwier chrysant-gezon doorzweeft.

XXIII.

AVONDSTOND.

En ’s avonds tussen meen’ge kamerwand Kilwit gelijk de parelblanke Maan, Als hij vol, ouwelplat, in ’t blauw zijn rand Scherpt, vlamt om ’t doodstil zwart of hoogrood staan Van ’t teeblad-meer, om den chibatsi-brand [44] Gekelk van lotuskoele, lichte blaân Van teer porselein, waar kleiner meer in spant, Van tcha [45] en waaruit prikkelend geuren gaan Naar moesmé’s in ’t spits uitgesneden kleed, Dat kartelend als gebloemt de vloer bebreed, Dan rozebloost deurlat-geruit en muur Van lampions, bemorsd met rood, als vloejt In huis aan huis weerschijn van ’t lotus-vuur, Dat zacht en vroom voor ’t beeld van Boeddha gloejt.

XXIV.

DE MI KADO.

Daar leefde’ in een paleis staande’ uit een gracht Vol lotusbloemen—braak rondom de rand— Met witten toren, violet bevlagd, D’aloudste Dynasti van heel ’t Vierkant [46] Der Aarde: Dzjimmoe-Tenno’s trots geslacht En blank straalde in de wimpeling de Chrysanth [47] Van den Mi Kado, [48] di in fabelpracht Van zaal aan zaal, hel-rijk met wand aan wand Van goudlak, leefde’, onzichtbaar als een god. Eén wajerflap van toorn en ’t was gebod Tot hara-kiri, [49] maar heil wi het hoofd Ter aard boog als er gunst mee werd beloofd, Van hem als van astraal-licht [50] afglans ving, Slechts zelde’ aanschouwd in heil’gen hemelkring.

XXV.

DE KOGO.

Zoals na d’eerste donder plots de lucht Stof, mensen, bladeren van de wegen vaagt— Nu plutteren druppels tot, versneld, gerucht, Razen van regen aanvaart—zo, gejaagd, Nam ’t volk voor naderend hoefgeglop de vlucht, Als van den mantelzwier der wacht omvlaagd De Kogo [51] aantoog, elk voor ’t hoofd beducht. Want sterven moest de onderdaan, di ’t waagd’ Eén blik te heffen naar den palankijn Van goud, waar achter violet gordijn Ze’ in ’t wit—met zwarte draken overkringd,— Door ebben aureool van ’t haar omringd, [52] School, mysties gloejend ’t adelaarsgezicht [53] Als door den gloed der keizersvlag omlicht.

XXVI.

UIT DE MIDDEN-EWEN.

Nog staat als ster, di—langsaam neergedaald— Voor voetstuk zich tot lotusbloem vergrote [54] In tempels, waar zijn stengel neerspiraalt En heft—de blote borst van ’t kleed omvloten— De Boetsoe, [55] wiens gelaat Nirwana [56] straalt. ’t Schijnt, zo zijn oogen zalig staan gesloten— Of ’t wimperpaar van Licht toch word doorschoten, Hij als in droom zijn goddelik Woord herhaalt Met breed gebaar. Nog steeds bij ’t gongen-gonzen Stroomt ’t volk door torii’s [57] in de tempels, knielt Het hoofd ter aard’ door handgebrei geschoord Of smeekt de handen stijf op met de bonzen [58] En mompelt beden als door srik bezield Of ’t donderen van het Rad der Karma [59] hoort.

XXVII.

HET SINTOÏSME. [60]

Nog blijft in Miya’s [61] steeds de Spigel stralen En flonkt er Bergkristal, Banier en Zwaard, Waar witte priesterstoet in tempelzalen D’erinnering aan de Kami’s [62] vroom bewaart, Di er op handgeklap van ’t Volk neerdalen En door gebed de heldenkracht weergaart Der Vaderen, wier geschim er om blijft dwalen En door hun macht zijn ziel van licht doorklaart, Zo ’t veel verwierp van wat de ouden dachten, ’t Wil de’ ogen toch in effen spanning richten Op de simbolen, di den voorzaat lichtten Om schoner, reiner dan de voorgeslachten Van wat als zonde, duister drukte ontdaan, Een niwe wereld-orde in te gaan.

XXVIII.

STERVENDE ADEL.

Maar zoals eens de Waterdraken kwamen En met hun muil de ruiters overbogen, Die onder hunnen Adelaar-standaard samen Met wilden oorlogskreet hun tegen vlogen, Doch met hun klauw ze wisten te omvamen En met hun rossen, steigerend opgetogen, Ter aarde draajde’, Atlantis stormend namen Ondanks ’t vergeefs, maar toch heldhaftig pogen Van ’t adelaars-ras, zo wi nog mocht geloven Van ’t arendskroost den draken-stroom te dammen Di in Cipango streek na streek doorstoven Brand zajend met hun kam, gewiek van vlammen, Word duizelend met één pantserboenk versmeten Of in hun gruwb’ren greep vaneen gereten.

XXIX.

DE VUURVLOED.