Part 8
Een heyden (wat een schand'!) een rouwen heyden minnen, Een heyden sonder Doop, die niet en heeft geleert, Hoe dat men God den Soon met reyne sinnen eert!" "Met oorlof," seit de maeght, "hoort my een weynigh spreken; 1350 Ick weet van stonden aen uw droef heyt af te breken: De vrient, aen my vertrout 1), en is geen heydens man, Maer die in volle daet de Christenleere kan. Hy is noch boven dat van edel bloet geboren, En heeft my, soo ick was, uyt enckel min gekoren. 1355 En wat na dit geval noch vorder is geschiet, En seyd' ick, na den eysch, den ganschen avont niet 2)." Majombe nam het woort, en gaet de man vertellen, Hoe dat de jongelingh quam onder haer gesellen, Hoe dat hy synen staet en vaders huys verliet, 1360 Vermits hem syn gemoet tot Preciose riet. Hoe dat hy nevens haer alreede lange dagen Had vorst, en heete son, en alle leef gedragen; En dat dit al gelijck 3) maer was een kleyn begin, Een proef en ondersoeck van syn getrouwe min; 1365 Dat hy geen dertel spel de vrijster mochte vergen, Noch met ongure jock haer teere sinnen tergen, En dat hy door de lust noyt op en was gevat 4), Maer dat hy sich in all's met eer gequeten had. In 't korte, dese vrou verhaelt in lange reden 1370 Al wat de jongh gesel voor desen heeft geleden; Soo datse voor het lest ten vollen openbaert, Hoe dat syn Ridders kleet bij haer noch is bewaert. Dit vat de Lant-vooght op 5), en, sonder langh te dralen
1) verloofd 2) kan ik van avond niet allemaal behoorlijk vertellen 3) evenzeer 4) beheerscht 5) slaat ... acht op
[p.102]
Laet stracx 1) het rijck gewaet daer in de kamer halen: 1375 Het wijf dat gaet'er om soo vaerdigh alsse magh; Siet, dus komt op het lest de waerheyt aen den dagh, De Lant-vooght onderdies gaet Preciose vragen Op al den omme-gangh van hare jonge dagen, Op al des werelts loop, en hoe haer dit beviel, 1380 En wat sy des gevoelt ontrent haer jonge ziel. Sy antwoort overal met soo besette 2) reden, Met soo een goet bescheyt en in soo volle leden 3), Dat (soo de jonge maeght syn dochter niet en waer) Hy streckte voor gewis de sinnen over haer 4). 1385 Hy vont sich in den geest van hare min bevangen, En bleef aen haer verstant en hare schoonheyt hangen; Maer nu het geestigh dier als dochter hem bestont, Soo is hy gansch verheught tot in syns hertens gront; En t'wijl de man aldus in blijdschap is geseten, 1390 Soo komt het oude wijf en brenght een gouden keten, En brenght het hant-cieraet, en wat den jongelingh Te voren om den hals of aen de leden hingh. Als dit de Lant-vooght siet, en hoort den Ridder noemen, En weet van wat geslacht dat hy is af-gekoemen 5), 1395 Gevoelt hy ander-mael, dat syn beswaerden druck Is, door des Heeren gunst, verandert in geluck. Hy danckt God ander-mael met al de gansche sinnen, Dat soo een Edelman syn dochter gingh beminnen, En dat syn trouwe gunst noyt eens in hem verdween, 1400 Schoon dat de jonge maeght een heydens dochter scheen. Dit heeft terstont de Faem ten luytsten uyt-gekreten, Sy liet het vreemt geval aen alle menschen weten;
1) dadelijk 2) overlegd 3) volledig 4) hij zijn keus op haar zou vestigen 5) afgekomen
[p.103]
Oock aen de vrijster selfs 1), die aen den jongelingh Voor desen hare ziel en gansche sinnen hingh. 1405 Die gaet daer aen de Wet 2) ten vollen openbaren, Dat sy, eylaes! vervoert van hare groene jaren; Vermits de jongh gesel haer quale niet genas, Hem hadde na-geseyt dat hy een roover was. En schoon het selsaem luyt dat by 3) haer is bedreven, 1410 Het wort haer evenwel in volle daet vergeven; Andreas sprack'er voor, de Lant-vooght nam het aen, Dies mochtse sonder straf en vreedsaem henen gaen. 't Was al te blijden dagh, geen mensch en mochte treuren, Daer magh niet als vermaeck en soete vreught gebeuren. 1415 De man-slagh wort versoent, de ridder vry gestelt, En alle die het raeckt ontfangen machtigh gelt. De banden, die den helt benaeuden aen de leden, Die worden los gemaeckt of vaerdigh af-gesneden; En voor het duyster hol, dat hem gevangen hout, 1420 Soo komt hy voor den dagh geciert met enckel gout. Syn vader wiert terstont daer in de stadt beschreven 4), En die heeft metter daet sich op de reys begeven, Die komt in haesten aen, verheught en wel gesint, Vermits hy synen soon soo wel verselschapt vint. 1425 Daer is geen edel geest die oyt heeft leeren dichten *), Of hy valt aen het werck met alle syn gewrichten: Al wat of spits vernuf, of kunste geven magh, Dat koomt om desen tijt ten vollen aen den dagh. Men hoort door al de stadt, door alle groene velden, 1430 En door het gansche Rijck van desen handel melden, De snelle weder-klanck die roept'et in het Wout, En al de werelt juyght, dat Preciose trout.
1) zelf 2) overheid 3) door 4) geroepen *) ~Noot van Cats~: Den vermaerden schrijver doctor _Pozzo_, wort gesey in 't Spaens dese historie beschreven te hebben. (Zie evenwel de inleiding.)
[p.104]
14. HOLLANTS 1) TROU-BEDROGH,
onlanghs voor-gevallen.
Of liefde list gedooght, en of een wettigh minnen Mach worden uytgevoert door afgerechte 2) sinnen, Door lagen, door bedrogh, of ander slim beleyt, Dient heden ondersocht, en hier te zijn geseyt. 5 Maer om met beter gront hier van te mogen spreken, En recht te mogen gaen in dese slimme treken, Soo leest, voor alle werck, en weeght my dit geval, Dat ick hier door de pen aen Hollant schencken sal: Leander, uyt-genoot by soete 3) jonge lieden, 10 Gingh daer de jeught 4) hem leyt, en na de sinnen rieden. Syn oogh viel op een maeght, die ick in dit geval Den naem van Rosemont op heden geven sal: Hy was een rustigh 5) quant, en sy van schoone leden, Sy eerbaer van gelaet, hy geestigh in de reden; 15 Haer ouders zijn gelijck en van gemeene stof, Leander lijckewel die slingert naer het hof 6). Hy had een wijl gereyst, en in de vreemde landen In alderley vermaeck verspilt sijn beste panden; De boecken die hy kocht en by hem had vergaert, 20 Die had hy wonder lief, maer al te veel gespaert. De soete Rosemont was, boven eyge baten 7), Van seker pete-meuy een rijeken boel gelaten; Dit gaf haer schoonheyt glans, en by haer roden mont Soo was 't, dat even hier Leander smake vont.
1) Hollandsch 2) uitgeslapen 3) aardig 4) zijn jonge jaren 5) flink 6) deed alsof hij van den hoogsten stand was 7) behalve eigen inkomsten
[p.105]
25 Hy wort daer toe geneyght, als met geheele sinnen, Om sijne Rosemont voor hem te mogen winnen; Hy dede wat hy kond', oock met sijn gansche kracht, Maer kreegh het voordeel niet, dat by hem was gewacht. By wijlen schijnt de maeght tot hem te zijn genegen, 30 En op een ander tijt is sy hem bijster tegen; Want als hy om het stuck 1) en om het jawoort quam, Dan was 't dat sy terstont een ander wesen 2) nam. Hy quam eens op een tijt en woude troost verwerven: "Of anders," seyt de quant, "soo moet ick heden sterven; 35 Ick wil van stonden aen gaen springen in de gracht, Vermits ghy mijn verdriet en trouwen dienst veracht; En als mijn droeve ziel dit lichaem sal verlaten, Dan sal u voor gewis de gansche werelt haten, En spreken over u dit hart en vinnigh woort: 40 Dat ghy uyt wreeden aert een vryer heb vermoort. Dan sal de soete jeught u met de vingers wijsen, En laken uw bedrijf, en mijn getrouheyt prijsen: Oock salder op mijn graf een vaers gehouwen staen, Dat sal u, maer te laet, tot in de ziele gaen: 45 Hy die hier binnen rust, schoon hem de vrijsters minden, Wist daer 3) hy ruste socht sijn ruste niet te vinden; Sijn liefd' is trou geweest, en uyter maten groot, Maer die sijn leven was, die gaf hem aen de doof. Nu segh my, Rosemont, hoe sal u dat gelijcken, 50 Dat ghy door al het lant, door alle Koninghrijcken, Door al wat werelt hiet, sult eeuwigh zijn vermaert, Niet om uw soet gelaet, maer om uw fellen aert?
1) tot de zaak 2) houding 3) waar
[p.106]
Ey, gaet een sachter wegh, en laet u noch bewegen, Of ick ben tot het graf van heden aen genegen; 55 Niet soeter als de doot voor een, die vierigh mint, En die voor sijnen loon geen troost met al en vint." De vrijster stont en loegh 1) om al dit vinnigh spreken, En seyde: "Lieve vrient, dit zijn maer vryers treken, Maer rancken 2) van de jeught; die ben ick al gewent, 60 En hebbe dat bedrogh al over lang gekent. Soo haest een jonge wulp 3) maer eens bestaet te minnen, En dat'et niet en gaet na sijn verwaende sinnen, Soo roept hy, naer het schijnt, als uyt sijn diepste noot, En wil van stonden aen sich geven aen de doot. 65 Hy wil door enckel leet, of uyt een diep verlangen, Sich by de vrijsters deur of voor haer venster hangen: Maer 't is maer schrale wint, en niet als loos beleyt; Komt segh: wie doet 'er eens wat dickmael is geseyt? 'k En acht geen vrijster wijs, die om de malle grillen 70 Haer voeght in dit geval gelijck de linckers 4) willen: 'k En ben soo schotigh 5) niet, noch van so lossen aert, Want van een kleyn gerucht en was ick noyt vervaert. Leander, zijt ghy wijs, verlaet uw slimme lagen; Het wilt dat ghy vervolght, en is niet soo te jagen. 75 Ick segh in tegendeel: al wie met dreygen vrijt, Die is van stonden aen mijn gunst en liefde quijt." "Hoe," seyt de jongelingh, "sout ghy voor linckers schelden, Die uyt een trou gemoet haer liefde komen melden?
1) stond te lachen 2) grillen 3) jonge man 4) schalken 5) toeschietelijk
[p.107]
Meynt ghy, dat ick met list en veynsen omme-ga?" 80 De vrijster wederom: "Voor my, ick segge ja." "Dat sul je metter daet wel anders ondervinden, Als my de bleecke doot de leden sal ontbinden;" Beet haer de vryer toe en, met een kort besluyt, Seyt haer: "vaert eeuwigh wel!" en flucx ten huysen uyt. 85 Hy gaf hem aen de gracht, en sey noch anderwerven, "Wel, sal ick uwe zijn of sal ick heden sterven? Spreeckt nu het beste woort, ick sta hier, schoone maeght, En sal op heden zijn gelijck het u behaeght; Wat seghje?" "Dat ick plagh," roept hier de vrijster tegen, 90 "Geen list, geen slim bedrogh en sal mijn hert bewegen." Hy weder met een sucht: "Als 't immers 1) wesen moet, Daer mede 2) ben ick doot; vriendinne, weest gegroet, En dat voor alle tijt. O God! wilt my vergeven, Dat ick een eynde maeck aen dit ellendigh leven." 95 Het woort is nau geseyt, hy stort met alle macht Een steen daer toe bereyt te midden in de gracht, En, om met beter schijn syn list te mogen drijven, Hy laet daer op de brugh sijn hoet en mantel blijven, En dichte by de wal daer swour sijn ommeslagh 3), 100 En hy flucx uyt de weegh, soo vaerdigh als hy magh. Met dat de vrijster hoort de quis-quas in de stroomen, Sy kan haer teer gemoet, haer sinnen niet betoomen; Sy liep in grooten anghst tot aen de water-kant, Daer sy alleen den hoet en synen mantel vant.
1) dan toch 2) zoo dadelijk 3) halsdoek
[p.108]
105 Daer berst de vrijster uyt in wonder hooge klachten, Sy melt 1) haer stille gunst 2), en opent haer gedachten; En t'wijl sy staet en sucht en droeve tranen stort, Soo roeptse: "Lieve vrient, en doet u niet te kort! En wilt niet lyf en ziel op eenen tijt bederven, 110 Ghy sult oock heden selfs mijn echte trou 3) verwerven; Keert weder daer ghy waert, komt op het drooge zant, Siet daer tot uwen troost mijn trouwe rechterhant." Daer waren doen ter tijt een deel geslepe gasten Die op dien loosen vont en al den handel pasten 4), 115 Die hadden tot het werck een schuytjen toe-bereyt, En onder aen de brugh in 't duyster wegh-geleyt; Daer in was onse quant in grooten haest geweken Door gunste van de nacht, en lagh aldaer versteken 5) Terwijl de vrijster klaeght; en een van desen hoop 120 Die gaf hem by de maeght als met een snellen loop, En vraeght haer wat'er schort, en wat'er is gesoncken, En of de vryer leeft, dan of hy is verdroncken. Sy seyt hem in der haest hoe al de sake staet, "Maer o, och vrienden helpt! eer dat 'et is te laet." 125 Sijn mackers onder dies 6) die komen aen-gevaren, En sweven met de boot te midden op de baren, En tasten in het diep, en met een slimme vont, En trecken, soo het scheen, een lichaem uyt den gront 7). Maer die wil even-wel sich geensins laten helpen, 130 Ten zy de jonge maeght sijn vyer 8) begeert te stelpen. Dit roept hy uyt de gracht, als met een flauwe stem, En die ontrent hem zijn, die roepen nevens hem.
1) verraadt 2) genegenheid 3) trouwbelofte 4) letten 5) verborgen 6) ondertusschen 7) uit de diepte 8) vuur
[p.109]
Daer komt hy op de brugh ten lesten aen-gedropen, Hy blaest, en zijght, en sucht, al waer hy schier versopen: 135 Syn hair was enckel kroos, als quam hy uyt'et lis, In allen 1) soo gestelt als Jonas uyt den vis. Maer sy, met deerenis tot aen de ziel bevangen, Die valt hem om den hals, en kust sijn natte wangen; Sy bid hem nevens haer in huys te willen gaen 140 Om daer niet in de kou en nat te blijven staen. Hy seyt: "De strenge kou en kan my geenszins deren; 't Is vyer dat my ontstelt 2), en 't sal myn hert verteren, Soo ghy het niet en helpt. Ick ben noch heden doot, Soo ghy geen troost en brenght in desen hoogsten noot." 145 Hy staet en suyssebolt, sijn woorden blijven steken, Het scheen dat even doen 3) sijn hert begon te breken, Soo vreemt gaet hy te werck, soo stelt hy sijn gelaet 4): Sy meynt dat hem de ziel als op de lippen staet. Sy grijpt hem metter hant, sy kust hem ander werven: 150 Maer hy -- geen ander 5) praet, als van te willen sterven, Als van te willen gaen tot in het duyster graf, Soo sy hem niet op trou de rechter-hant en gaf. En waerom langh verhael? hy kan soo listigh quelen, En weet aen alle kant sijn rolle soo te spelen, 155 Dat sy dien eygen stont hem boot de rechterhant, En stracx daer op ontfingh een schoonen diamant 6).
1) geheel en al 2) buiten mij zelf brengt 3) juist toen 4) zoo geeft hij zich een houding 5) niets anders 6) (tot onderpand n.l.)
[p.110]
UIT: OUDERDOM EN BUYTEN-LEVEN.
15. TURANI.
Een die langh heeft geleeft, en dat in groote staten, Dient vóór sijn lesten stont van eersucht af te laten; 't Is nut 1) het oogh te slaen ontrent sijn lesten dagh, Op dat men wel gerust van hier verhuysen magh. 5 Maer daer is seker volck genegen om te woelen, Dat is in dit geval gansch anders van gevoelen, 't En leyt met vryen wil noyt groote staten af, Maer wou haer gansch bedrijf wel dragen in het graf. Hier schiet my in den sin, dat ick eens heb gelesen, 10 En 't is niet onbequaem om hier verhaelt te wesen: Een man van hoogh gesagh bekleed' een grooten staet, En sat te Romen selfs te midden in den raet; En schoon hy was verswackt en van seer hooge jaren, Noch was hy niet gesint het ampt te laten varen: 15 Al was 't van groot beslagh 2), en van geen kleynen last, Noch bleef hy aen het jock met al de leden vast. De Keyser droegh hem gunst 3) en wou de man verlichten, Hy steld' hem daerom vry van alle sware plichten, En gaf hem dus verlof: "Turani, lieve vrient! 20 Ghy hebt den Roomschen staet en my genoegh gedient, Ontslaet u van het pack. 't En kan niet zijn mispresen, Vermits soo bijster hoogh uw jaren zijn geresen. Gaet, leeft op uw gemaek, nadien ghy rusten meught, En laet van nu voortaen het woelen 4) aen de jeught.
1) nuttig 2) drukte 3) was hem zeer genegen 4) inspanning
[p.111]
25 Al wie tot sestigh jaer op aerden is gelaten, Stelt ons de Roomsche wet ontlast van alle staten; En in een ander rijck, na tienmael seven jaer, Is yeder, of hy doot en al begraven waer. Ick wil u nu voortaen met geenen staet belasten, 30 Eet, drinckt, leeft voor u self, en noot geduerigh gasten. Ontfronst uw aengesicht en toont een bly gelaet, Dat sal u beter zijn, als sitten in den raet; Een ampt en is maer ramp voor hoogh geklommen jaren, 't Is voor u meer als tijt het pack te laten varen. 35 Ick wensch u veel gelucx, vermits uw ouden dagh Nu, buyten alle sorgh, in stilte leven magh." Soo haest als dese stem was in de lucht geresen, Het scheen een donderslagh aen desen man te wesen. Hy stont gelijck verbaest, sijn gansche lichaem beeft, 40 Soo dat syn koude tongh hem aen de lippen kleeft. Wat doet hy? flucx naer huys, hy laet een baer bereyden, En krijght' er huylers by die om de doot kist schreyden. Hy leyt sich in de kist ten vollen uytgestreckt, En met een swarte sprey geheelijck overdeckt. 45 Hy laet hem menighmael door sael en kamers dragen, En doet sijn rasse doot van yder een beklagen. Hier quam een taelman 1) by, die, met een droeve stem, Een deftigh lijck-geschrey quam maken over hem. Hy kon oock met een glimp het selsaem schouspel drijven, 50 Want hy liet op de baer met swarte letters schrijven: Wie aen den Roomschen staet geen dienst meer doen en kan,
1) redenaar
[p.112]
Die is een doode romp, en overleden man. Dit wert van stonden aen van yeder een geweten, En van de snelle faem te Romen uytgekreten; 55 Een yeder lacht 'er om, en d'een en d'ander vraeght, Waerom een man die leeft, als doode wert beklaeght? De Keyser, mits hy hoort met desen handel gecken, Sey stracx 1): "ick weet terstont den dooden op te wecken;" Hy laet een grooten brief, gesegelt als het dient, 60 Flucx dragen naer het huys van sijn geminde vrient. Het was een parcquement met gulden inckt geschreven, Daerin een nieuwen staet den dooden wert gegeven: Oock wert sijn vorigh ampt hem weder toegebrocht, En 't scheen dat op een nieuw de Keyser hem versocht. 65 De dood', op dit verhael, die is terstont verresen, Hy liet den gulden brief wel driemael overlesen; En daer op naer het Hof; hy gaf den Keyser danck, En hielt hem aen het ampt sijn levendagen lanck.
16. DE SMARAGD.
Een prinsse die het rijck, dat Nylus 2) overstroomde, Met konincklijcke macht voor desen eens betoomde 3), Hadt in sijn hofgesin een aengenamen vrient, Door wien hy in den raedt en elders was gedient; 5 Men kende niet een mensch, die in sijn gantsche leven Door soo een staegh geluck geduerigh wert verheven; Geduerigh over-al in voorspoet hooger klam, Soo dat het segen scheen al wat hy ondernam:
1) dadelijk 2) de Nijl 3) bestuurde
[p.113]
Sondt hy een schip ter zee, het keerde wel geladen, 10 Ja, kond' op eene reys een gierigh 1) hert versaden; Hoewel hy buyten tijts in dorre gronden zaeyt, Men vint dat hy gestaegh gewenschte vruchten maeyt; Wil hy een harder sijn van schapen, geyten, koeyen, Men siet een kleynen hoop tot groote kudden groeyen; 15 Indien hy met een kaert of met een teerlingh 2) speelt, Het schynt dat sijn geluck een yeders beurse steelt; En, waerom langh verhael? al wat hy magh beginnen, Dat heeft als vollen macht om gelt en goet te winnen. Het scheen dat al het luck 3) naer hem te poste liep: 20 Sijn net (gelijck men seyt) dat vingh oock als hy sliep. Als dit de vorst vernam, hy stont geheel verslagen Van soo een staegh geluck, en soo veel schoone dagen; Hy sprack de joncker aen, en seyde! "lieve vrient, 't Geluck heeft u te langh en al te veel gedient; 25 Ick hebbe dit geleert uyt wyt beroemde boecken, Dat yemant, dus gestelt, het onheyl dient te soecken; Want soo dit lange duert, daer is geen twijffel aen, Het wispelturigh radt sal anders ommeslaen." De ridder was met sorgh 4) hier over gantsch beladen, 30 En stelde flucx te werck al wat hem was geraden; Hy droegh een rijcken steen, smaragdus is de naem, Verheven over-al door vleugels van de faem. Het was een selsaem stuck: by lichte was het duyster, En in de swarte nacht soo gaf hy schoone luyster. 35 De joncker voer in zee, daer 't water 't hooghste liep, En gooyd' het schoon juweel te midden in het diep. "Godinne (sey de man) die al de menschen streelen, Siet daer het schoonste stuck van alle mijn juweelen, Uw gunst is my te groot, uw zegen al te sterck,
1) begeerig 2) dobbelsteen 3) geluk 4) vrees
[p.114]
40 Neemt dit van mijner handt als tot een offer-werck; Ick ben wel onderricht dat ghy hebt vreemde rancken 1), Daer uwe vrienden selfs haer weynigh af bedancken. Ick bidde, keert u om, en soo het mach geschien, Laet my uw kalen neck, en niet uw voor-hooft sien. 45 Uw schoon gekrinckelt hayr, daer by ghy sijt te vatten, Waer in de volheyt is van alle rijcke schatten, Geeft my dat voortaen niet, maer aen een kalen bloet, Die u door sijn gebedt een stagen offer doet. Een yeder roept u aen tot hem te willen komen, 50 Maer ick, opdat uw gunst van my mocht sijn genomen: Ghy, treet mijn huys voorby, of houdt uw beurse toe, Want ick en wil u niet, maer ben uw segen moê. Ick weet dat mijn versoeck u selsaem schijnt te wesen, Mits ghy om 't tegendeel van yeder sijt gepresen: 55 Ick weet dat ghy my schat òf dul òf bijster geck, Om dat ick u verbelch 2), en hoop op uw vertreck; Ick ben hier, toe gebracht door uwe vreemde kuren, Die ick als 't wesen mocht, wel niet en wou besuren. Ick ben wel onderricht dat ghy vol grillen sijt, 60 En schoon ghy somtijts kust, dat ghy oock dapper bijt." Daer sweegh de joncker stil, maer sijnde t' huys gekomen, Soo heeft men dit bedrijf door al het hof vernomen; Het doet al wie het hoort, doch meest de juffers wee, Dat soo een puyck-juweel is eygen aen 3) de zee. 65 Siet, naer 4) een korten tijt, soo heeft men daer vernomen Dat even 5) in de stadt een zee-man was gekomen; Een zee-man die 'er bracht een ongemeenen visch, Die niet en scheen te sijn als voor eens koninx disch. Hier quamen metter daet veel menschen toegeloopen,
1) grillen 2) boos maak 3) eigendom van 4) na 5) juist
[p.115]