Jacob Cats

Part 9

Chapter 91,754 wordsPublic domain

70 Maer siet, de visscher riep: "de visch is niet te koopen; Dit is soo schoonen vangh als ick mijn leven sagh, Die noyt gemeene man voor spijse nutten magh. Komt, leyt my by den Vorst, ick wil den koninck schencken, Daer by men langen tijt een zee-man magh gedencken. 75 Want als ick desen visch op gister avond vingh, Vernam ick naer gewoel, dat vry wat selsaem gingh: Mijn schip dat gaf een krack, en scheen te willen splijten, My docht, dat eenigh spoock daer op bestont te smijten De nimphen van de zee die sprongen uyt het diep, 80 Het scheen dat Thetis 1) selfs haer tot den handel riep. Ick sagh noch onder dies 2), te midden in de baren, Dat veel ontrent het werck niet eens gesint en waren: Een deel wou desen visch noch houden in de zee, Een ander scheyd' hem af van al 't beschubde vee. 85 Wat dit beduyden mach en weet ick niet te seggen, Die wijser sijn als ick, die mogen 't overleggen; Dit gaet ten minsten vast, dat hier wat anders is, Als bot, of kabelliau, of maer een slechter vis." Al wat de visscher sprack, dat schijnen losse grillen, 90 En veel die niet een woordt hier van gelooven willen; De visch was evenwel den koninck aengenaem: Dat nieuw of selsaem schijnt is voor het hof bequam. Waerom hier op gestaen? de visscher wert beschoncken, En straeks wordt om het gelt een bly gelach gedroncken; 95 Maer op de staendevoet soo wort den visch ontweyt 3), En voor het middagh-mael in aller ijl bereydt.

1) zeegodin, moeder van Achilles 2) onderwijl 3) van de ingewanden ontdaan

[p.116]

De koninck is belust het beest te sien ontleden, Omdat het selsaem was van boven tot beneden, Daer liep een yeder toe; maer siet, een wonder dingh! 100 Te midden in den rop 2) daer stack een gouden ringh! Daer riep al wie het sagh: ey! dit sijn vreemde saken! Maer stracks soo liet de vorst het kleynoot suyver maken, En als de vuyle slijm is van den ringh gedaen, Soo liet de jonghe prins 3) hier op sijn ooghen gaen. 105 Daer wordt de steen gekent, daer roepen al de luyden; Siet daer een wonder stuck! wat magh'et doch beduyden? De koninck sagh het aen, maer is geheel ontstelt, Om dat 'et (soo hy meynt) sijn lieven ridder gelt. En als hy langen tijt hier op had sitten malen 3), 110 Soo riep hy wacker volck, en liet den joncker halen; Hy seydt hem: "waerde man, ick ben geheel bedroeft, Om dat ick uwen staet ten vollen heb beproeft. Ick voel, als metter handt, dat u de Goden haten, Want u naeckt groot verlies, na soo veel groote baten; 115 Dit sulje niet ontgaen, dat houd' ick voor gewis, Want dit verstaet men selfs van desen stommen visch. Ick sie voor u bereydt soo ongemeene slagen, Dat ick 't gesicht alleen onmachtigh ben te dragen; En daerom is 'et best dat ghy mijn hof verlaet, 120 En, buyten mijn gebiedt, in vreemde landen gaet. Met ongeluckigh volck sijn staet te willen mengen, Plagh groote prinssen selfs in ongemack te brengen. 't Is seker, waerde vrient u naeckt een droeve tijt, En wat bouvalligh is behoort te zijn gemijt, 125 Het is een droeve smert, die niet en is te stelpen, Een vrient in noot te sien, en niet te konnen helpen.

1) krop 2) vorst 3) peinzen

[p.117]

Schoon ick een kroone draegh, uw gantsch rampsaligh lot Is buyten mijn geweldt 1), en boven mijn gebot. Al sijn wy (soo het schijnt) als Goden bij de menschen, 130 't En gaet ons echter niet gelijck ons sinnen wenschen. Wat ons van boven af den hemel nedersent, En kan door onse macht niet werden afgewent. Ick heb u langh betrout oock al de grootste saken, Die my niet slechts alleen, maer oock de kroone raken. 135 Ghy waert my in het rijck gelijck een met-gesel, Maer dat is nu voorby, dus vaert voor eeuwigh wel! Maeckt, maeckt u vaerdigh wegh!" het woort is nau gesproken, De man is wan-gesien 2), sijn vrientschap afgebroken, Sijn gunst in haet verkeert, sijn vrydom opgeseydt, 140 En hy dien eygen stondt ter poorten uytgeleydt. De ridder, gantsch bedwelmt van soo een selsaem wesen, Nam dit gelijck een storm in haesten opgeresen, Hy meynt, dat hem de slagh ontstopt uyt sware nijt, Die veeltijts in het hof met felle tanden bijt. 145 Noch gaf hy lijckewel 3) sijn hoope niet verloren, Hem docht dat hy alleen tot voorspoet was geboren; Daer was een dingh gebeurt, waer door sijn dom gemoet In desen vreemden luym noch meer wert aengevoet 4): Sijn dochter had gedroomt (het dient hier oock geweten) 150 Oock doen hy in het hof vol weelde was geseten, Het scheen, in haren slaep, dat hem den hemel wies, En dat een koude wint hem om de leden blies; Noch scheen hy van de son oock dese gunst te krijgen, Dat hem een vette salf quam van de leden sijgen.

1) macht 2) niet meer geacht 3) evenwel 4) gestijfd

[p.118]

155 Dit wert van stonden aen den ridder aengeseyt, En hem tot groot geluck en voordeel uytgeleyt. Hem dunckt, dat lucht en windt, ja son en hare stralen, Hem eer of hulde doen, en op hem nederdalen. Dit was soo bijster vast den joncker ingebeelt, 160 Dat hem dit evenstaegh ontrent de sinnen speelt; Doch hoe het wesen magh, men heeft wel haest bevonden Dat in den hemel selfs sijn saken qualijck stonden; Want schoon hy sich vermat te schouwen 1) alle druck, Soo trof hem lijckewel een grousaem ongeluck; 165 Want seker machtigh prins, op hem van oudts gebeten, En die sijn wrangen haet niet kond' of wou vergeten, Die vingh hem met bedrogh 2), eer hy het recht bedacht, En heeft na groot verdriet hem schendigh 3) omgebracht. Maer wat mocht desen mensch soo bijster seer verlangen 170 Na d' uytkomst van den droom? hy wert eylaes! gehangen; Den droom werd waer gemaeckt en tot het licht gebracht, Maer op een ander wijs als by hem was gedacht. Ick hebbe dit verhael in mijne jeught gelesen, 175 En 't heeft my nu gedacht hier nut te sullen wesen, Op dat het blijcken mocht dat vreught en staegh geluck By-wijlen wert verkeert in ongemeenen druck.

1) schuwen 2) list 3) schandelijk

[Transcriber's notes

Deze digitale versie heeft als extra, ten opzichte van de papieren versie, een lijst met illustraties. Deze is direct na de inhoudsopgave toegevoegd.

Voor zover mogelijk is de originele opmaak van de papieren versie gehandhaafd in de digitale versie.

De nummering van enkele voetnoten bleek niet te kloppen. In HTML- en "platte tekst"-versie zijn ze, indien van toepassing, hernummerd.

In tegenstelling tot de "platte tekst"-versie, zijn in de HTML-versie de voetnoten verplaatst naar het einde van ieder hoofdstuk (en daarom ook hernummerd).

Bepaalde opmaak (cursief, vet, en gespatieerd) is weergegeven met extra tekens: _cursief_, +vetgedrukt+ en ~gespatieerd~.

De volgende zetfouten zijn gecorrigeerd:

[in hun eenvondig uiterlijk] -> [in hun eenvoudig uiterlijk]

[Rijk geïllustreerd f 1 25] -> [Rijk geïllustreerd f 1.25]

[Zieriksee Het onderwijs] -> [Zieriksee. Het onderwijs]

[Strax hier op naer] -> [Stracx hier op naer] [Dat strax het voetster] -> [Dat stracx het voetster] De meest voorkomende schrijfwijze, [stracx]: 10x, is aangehouden.

[Maer dit bewijs alleen een ware] -> [Maer dit bewijs alleen en ware]

[Hier word 'ick] -> [Hier word' ick]

[En wie dit niet niet en heeft] -> [En wie dit niet en heeft]

[) oord] -> [) oorden]

[Maiombe was verblijt] -> [Majombe was verblijt] Omdat [Majombe] 10 keer voor komt, en [Maiombe] slechts één keer, is laatstgenoemde gecorrigeerd.

[dat 'et] / [dat'et] zijn varianten van de samentrekking van [dat] en [het]. Ook met andere woorden dan [dat] komen samentrekkingen voor. Er is niet gekozen voor een correctie naar één variant. Eén samentrekking, waar een enkelvoudige aanhalingsteken ontbrak, is wel gecorrigeerd:

[Sy doetet aen den dagh] -> [Sy doet 'et aen den dagh]

[maer een een eenigh kint] -> [maer een eenigh kint]

In [13. SELSAEM TROUGEVAL] blijkt de regelnummering na regel [195 Of is u swacke maegh] niet te kloppen. Vermoedelijk heeft Joh. Vorrink ontbrekende regels geconstateerd en deze weergegeven door een regel met alleen maar punten. Dit kon niet gecorrigeerd worden.

[4) groef] -> [2) groef]

[Al wied en naeckten] -> [Al wie den naeckten]

[Vw plucker tot] -> [Uw plucker tot]

[en watt'er is te wenschen] -> [en wat'er is te wenschen]

[Word 'ick uw bont-genoot] -> [Word' ick uw bont-genoot]

[geen ongemack. geen] -> [geen ongemack, geen]

[in rasssen spoet,] -> [in rassen spoet,]

[12 0 Zijn, als een] -> [1280 Zijn, als een]

[in al's met] -> [in all's met]

[soet gelaet. maer] -> [soet gelaet, maer]

[op had sitten malen 4),] -> [op had sitten malen 3),]

In de teksten van Jacob Cats ontbreken regelmatig dubbele aanhalingstekens, soms aan het eind van een citaat, maar vooral daar waar een citaat wordt onderbroken om aan te geven wie er spreekt. Een voorbeeld uit de tekst:

["Hoort, seytse, kenje] -> ["Hoort," seytse, "kenje]

Die gevallen zijn zoveel mogelijk hersteld. De lijst hieronder stelt de lezer in staat vast te stellen waar dit is gebeurd:

["Tsa, seyt hy, wacker knecht!] -> ["Tsa," seyt hy, "wacker knecht!] [uw droeve klachten staen.] -> [uw droeve klachten staen."] ["Mijn ouders, sprack de Maeght, ick] -> ["Mijn ouders," sprack de Maeght, "ick] ["Ick kome, seyt de vrient, om noch] -> ["Ick kome," seyt de vrient, "om noch] [eertijts was geseyt.] -> [eertijts was geseyt."] [de lieden meenen,] -> [de lieden meenen."] ["Nu sie ick, sprack de maeght, wat kunst] -> ["Nu sie ick," sprack de maeght, "wat kunst] ["Me-Juffrou, seyt de man, ick] -> ["Me-Juffrou," seyt de man, "ick] [van al het ongemack.] -> [van al het ongemack."] ["O Heere, seyt hy voorts, wie] -> ["O Heere," seyt hy voorts, "wie] ["Met oorlof, seit de maeght, hoort] -> ["Met oorlof," seit de maeght, "hoort] ["Of anders, seyt de quant, soo moet] -> ["Of anders," seyt de quant, "soo moet] ["Hoe, seyt de jongelingh, sout ghy] -> ["Hoe," seyt de jongelingh, "sout ghy] [Wel, sal ick uwe zijn] -> ["Wel, sal ick uwe zijn] [Wat seghje?] -> [Wat seghje?"] ["Dat ick plagh,] -> ["Dat ick plagh,"] [Geen list, geen slim] -> ["Geen list, geen slim] [soud'et niet ontfangen.] -> [soud'et niet ontfangen."] [Ké] -> ["Ké] ["Ey, seytse, lieve] -> ["Ey," seytse, "lieve] [En seyt: Dat] -> [En seyt: "Dat] ["Spitsbroeders, seyt de man, met] -> ["Spitsbroeders," seyt de man, "met] ["Wegh, seyt hij, met] -> ["Wegh," seyt hij, "met] ["Vergeeft my, seyt het wijf, dat] -> ["Vergeeft my," seyt het wijf, "dat] [ick weet terstont den dooden op te wecken;] -> ["ick weet terstont den dooden op te wecken;"]

]