Part 6
Ghy moest in volle daet, en niet in loosen schijn, Een spot, gelijck als wy, van al de werelt zijn; 585 En dit al, goede vrient! om wel te mogen letten, Of nut en dienstigh is u sin op my te setten; En med' aen d'ander zy, of my oock dienen sou Met u dit vry gemoet te binden aen de trou. Siet dit is ons gebruyck, ick spreke sonder veynsen 590 Ghy, soo het u belieft, gaet op de sake peynsen; Dit moet de proeve zijn van uwe liefde, vrient! Of anders stelt het vast, dat ghy my niet en dient." Soo haest de Ridder hoort het slot van dese reden, Hem rilt een koude schrick door al de gansche leden. 595 Dies seyt hy: "Dit ontwerp dat ghy hebt voortgebracht, Gaet verre soete maeght! en dient te zijn bedacht. Ick wil met rijp beraet het stuck gaen overleggen, En u in ronde tael mijn antwoort komen seggen, En dat te deser plaets, en in dit eygen dal, 600 Soo haest de gulde son hier weder schijnen sal." Daer mede breeckt hy af; vermits hy had vernomen, Dat boven van den bergh syn jagers neder komen; Die wenckt hy metter hant, soo dat het gansche rot Met hem komt af-gedaelt tot aen syn Vaders slot. 605 Hier treet de Ridder in en, schoon dat al de knechten Zijn besigh op een ry de schotels aen te rechten, Hy des al niet-te-min onthout hem van den dis, Vermits hy, soo het schijnt, geheel onlustigh is. Hy sluyt syn kamer toe, en gaet een wijle treden, 610 Hy spreeckt tot syn gemoet, en al in losse 1) reden, En dus, en weder soo, al sonder vast besluyt, En berst noch op het lest in dese woorden uyt:
1) onsamenhangend
[p.76]
"Eylaes! wat gaet my aen aldus te liggen mallen, En op soo lagen plaets mijn oogh te laten vallen, 615 Mijn oogh, mijn dertel oogh, mijn ongetoomde lust, Die niet aen dese kant en dient te zijn geblust? Sal ick mijn edel huys, mijn staet, en eere laten, En met soo vuylen hoop gaen loopen achter straten 1), Gaen loopen door het Rijck, en menigh ander lant, 620 Alleen maer uyt een tocht van geyle minne brant? Sal ick, een Christen mensch, tot Heydens my begeven, En leyden nevens haer een rou en beestigh leven? Sal ick een macker zijn van desen vuylen hoop, Een smaet van onsen God, en van den reynen doop? 625 Sal ick mijn naeste bloet tot mijnen haet verwecken, En door het gansche Rijck mijn voorstel 2) doen begecken? Sal ick de schande doen aen mijn vermaerde stam, Dat ick een Heydens wijf in mijn geselschap nam? Dat ick, als tot een spijt 3) van alle Christen-vrouwen, 630 Met soo een vuyl gebroet genegen ben te trouwen? Neen neen, ô hoogh gemoet, en doet'et nimmermeer, Let op uws vaders huys en op uw eygen eer. Ghy hoeft voor u geen wijf by dit gespuys te soecken, En maken dat het volck uw trouwen sal vervloecken. 635 Hier, in dees rijcke stadt, en in dit machtigh Hof, Daer is tot uw gerief al vry bequamer stof. Indien ghy zijt gepast met wel-gemaeckte leden, Komt, als het uw bevalt, maer uyt uw huys getreden, Daer woont de schoonheyt selfs, en dat in groot getal, 640 Daer u naeu-keurigh hert vernoegen vinden sal. Indien ghy zijt vermaeckt met wel en net te spreken, En dat oock evenselfs en sal u niet ontbreken. Indien ghy gelt begeert, of anders machtigh goet,
1) langs de wegen 2) aanzoek 3) smaad
[p.77]
Ghy vint het even daer, en dan oock edel bloet; 645 Ghy vint'et altemael, en wat'er is te wenschen, Treckt maer uw grilligh 1) oogh van dees ongure menschen, Gaet, kiest dat u betaemt, en trouwt met uws gelijck; Ghy vint tot uw gerief het gansche Koninghrijck. Maer wat magh ick, och arm! mijn jonge sinnen quellen, 650 En mijn ellendigh hert in dese prangen stellen? Ick sie het klaer genoegh wat dienstigh is gedaen, Maer wie kan in de jeught syn tochten wederstaen? Ick prijse reyne tucht en alle goede zeden, Maer ick en kan de lust niet buygen na de reden: 655 Al ben ick met de jeught gedurigh in geschil, Ick worde wech-geruckt oock daer ick niet en wil. Ick word', eylaes! vervoert, en schoon ick wil het weren, Ick rake buyten spoor oock tegen mijn begeren. Het vleesch is wonder sterck, en 't is een deftigh 2) man, 660 Die hier het velt behout en meester blijven kan. Ick gae dan wederom, ô schoone Preciose, Mijn hert vermagh het niet dat ick een ander kose; Ick ben in dat gepeys te verre wech geleyt, Ick hael 3) het weder in al wat ick heb geseyt. 665 Soo haest uw geestigh oogh, uw soet en aerdigh wesen Koomt als een helle son in mijnen geest geresen, En dat ick sie den glans van uw beleeft gelaet, Dan is'et sonder kracht al wat u tegen gaet. Geen mensch kan immermeer in desen my beschamen, 670 Als of soo slechten maeght my niet en sou betamen, En dat mijn grilligh hert hier sonder reden malt, Vermits mijn rouwe jeught hier in te lage valt. Ey, draeyt doch eens het oogh, en siet na d'oude jaren 4), Het stuck dat sal gewis sich anders openbaren;
1) dartel 2) ernstig 3) trek 4) de vroegere tijden
[p.78]
675 Wat is'er doen ter tijt, wat is'er al bedocht, Om by een geestigh dier te vinden dat men socht? Jupijn, wel eer geseyt de grootste van de Goden, Is uyt syn hoogen troon tot in het wout gevloden, En heeft daer aen-gedaen het wesen van een stier, 680 Of van een wilde swaen, of ander selsaem dier. Heeft niet Alcmenaes soon 1), die monsters had verwonnen, Den spin-rock aen-gevaert, en als een wijf gesponnen, En vry al meer gedaen dat noyt een deftigh man, Bezijden dit geval, ter eeren duyden kan? 685 Hoe menigh edel vorst, een kroon gewoon te dragen, Is inder haest verruckt 2) door heete minne-vlagen, Niet door een hoofsche maeght, of groote Koningin, Maer, ick en weet niet hoe, een sloir, een Harderin? Daer is, men weet niet wat, in onsen geest verholen, 690 En doet al menighmael de wijste lieden dolen, Het brenght hen in den geest een aengename pijn, En seyt: "Dat Gode voeght wien kan het schande zijn?" Soo haest het groote licht de sterren heeft verdreven, Soo gaet de Jongelingh sich op den wegh begeven, 695 Hy vint het oude wijf, hy vint de jonge meyt Ter plaetse daerse bleef en daer het was geseyt. Hy viel, terwijl hy gaat, in veelderley gedachten, Die hem syns vaders huys vry hooger deden achten, Die hem van nieuwen aen gaen brengen in den sin, 700 Syn vremde dwepery en noyt bekende 3) min. Dies valt hy in beraet: of hy sal weder keeren, Dan of hy syn gemoet sal laten overheeren En, siet, de reden wan, de vremde liefde weeck, En, soo het schijnen mocht, syn eerste lust besweeck.
1) Herakles 2) vervoerd 3) ongehoord
[p.79]
705 Maer juyst in dit gepeys doen sagh hy Preciose, En scheen in haer gelaet gelijck de versche rose, Oock 1) schoonder alsse plagh. Dies als hy nader quam, Soo wert van desen roock terstont een helle vlam. Juyst soo gelijck een keers te voren eens ontsteken, 710 Waer van dien eygen stont het leven is geweken, Indiense maer een reys genaeckt een hellen brant, Is op den staenden voet in haren eersten stant: Soo vaert de Jongelingh. Hy koomt tot haer getreden, Hy seyt haer: "Waerde maeght, ick schenck u dese leden, 715 Ick ben bereyt te doen wat ghy bevelen sult, En wat'er komen magh te dragen met gedult. Ick ben van nu bereyt u wijsen 2) aen te vangen, Laet my terstont een kleet van uw geselschap langen; Ick sal om uwent wil met blijdschap onderstaen 720 Dat nimmer Edelman of Ridder heeft gedaen." Dit seyt hy, en terstont began hy uyt te trecken Al wat syn edel lijf voor desen plagh te decken; Soo dat hy eer 3) een uyr daer op den velde staet In als 4) soo toe-gerust gelijck een Heyden gaet. 725 Stracx koomt het gansche rot den man bewellekomen, En hy wort onder hen als broeder aen-genomen; Daer wort syn hooft gewiet te midden in de schaer, Maer al met naer geheym en wonder vremt gebaer. De naem die hem wel eer was in den doop gegeven, 730 Om als een Christen-mensch voortaen te mogen leven, Wort by hem voor het volck ten vollen af-geleyt, Soo dat hy nu voortaen Andreas wort geseyt. Een met een grijsen kop die quam tot hem getreden, En biet hem veel gelucx, en seyd' hem dese reden:
1) nog 2) zeden 3) na 4) alles
[p.80]
735 "Ghy, die als nieuwelingh in ons geselschap treet, 't Is nut dat ghy den gront van onse rechten weet; Ick dan, een opper-hooft van onse med'gesellen, Wil voor uw kloeck verstant ons wetten open stellen. Voor eerst en heeft ons volck geen dingh voor hun alleen, 740 Wat yder wint of vint dat is voor ons gemeen. De vrouwen neem ick uyt; die mogen na de wetten Haer bedde nimmermeer in eenigh deel besmetten. Want als haer eenigh wijf hier in te buyten gaet, Dat wort van stonden aen gelevert aen den Raet, 745 En die laet overluyt terstont het vonnis lesen, Dat sy onwaerdigh is op aerden meer te wesen. Dies hoeft men beul, noch galgh, noch sweert, noch [engen strop, De jonghste van den hoop die breeckt haer flucx den kop. Men tijght ons dieften op 1), en wonder slimme streken, 750 Maer 't is niet wel geseyt, men moeste sachter spreken; Wy stellen overal gemeenschap in het goet, En nemen ons behoef van rijcken overvloet. Wy zijn gelijck een spoor 2) van haveloose menschen, En krijgen even soo al wat wy konnen wenschen. 755 Want die op syn bedrijf niet vlijtigh toe en siet, Wanneer hy weder komt, soo vint hy dickmael niet. Ons tuygh wort noyt gerooft, 't is qualick iet te stelen, Wanneer den huys-waert selfs die rolle weet te spelen; Al knaeght de grage slangh al vry een lange wijl, 760 Voor haer en is geen aes te krijgen van de vijl. Wy leeren alle daegh de gront om wel te leven, En wat men aen den buyck of rugh behoort te geven 3),
1) beschuldigt ... van 2) troep 3) d.i. kleeding
[p.81]
Wy hebben inder daet nu menighmael beproeft, Hoe weynigh dat het lijf tot noodigh voedsel hoeft. 765 Het is een groot gemack, bekent aen weinigh menschen, Niet 1) in dit aerdsche dal te vreesen of te wenschen: Wy vinden dat men eerst dan onbekommert leeft, Wanneer men niet en soeckt, oock als men niet en heeft. Dies zijn wy niet besorght 2) om goet by een te rapen, 770 Maer konnen onverlet en sonder vreese slapen. Wy spitten nimmermeer, wy kennen geenen ploegh, En des al niet-te-min wy vinden broots genoegh. Wy presen noyt een mensch die na den rijckdom snelde, Wy leven van den dau, als bloemen op den velde. 775 Ons ziel is niet beducht om gelt of machtigh goet, Wy rapen onsen kost gelijck een vogel doet. Wy plucken sonder gelt de vruchten van de boomen, Wy trecken sonder kost 3) de vissen uyt de stroomen, Wy krijgen wilts genoegh en vogels uyt het wout, 780 De keyen geven vier, en al de bossen hout. Ons huysraet meestendeel bestaet in snelle bogen. Wy koken daer het valt, wy slapen daer wy mogen; En schoon het niet en gaet gelijck het yder lust, Wy des al niet-te-min wy stellen ons gerust. 785 Wy konnen noorden wint, en alle sure vlagen, Wy konnen harden vorst oock sonder hinder dragen; Soo dat ons gansche lijf geen koud' of hit en kent. Soo veel vermagh de tijt en daer men toe gewent. Schoon dat het gansche Rijck wou krijgh en oorlogh voeren, 790 't En sal ons even-wel de sinnen niet beroeren. Want schoon of dese wint, en die verliest den slagh, Het gaet ons even-wel gelijck het eertijts plagh.
1) niets 2) bevreesd 3) onkosten
[p.82]
Wy staen noyt vroeger op om eenigh Heer te groeten, Of dat 1) wy door de stadt een Prins geleyden moeten, 795 Wy streelen niet een mensch, oock niet den grootsten [Vorst. Dat is maer voor het volck dat na den eer-sucht dorst. Ons geest is nimmermeer gequelt met hooge saken, Om ons door al het lant een grooten naem te maken, Of ons de werelt prijst, of ons de werelt laeckt, 800 Wy zijn als buyten schoots en werden niet geraeckt. Al is de gansche kunst van roovers in-genomen, Noch zijn wy niet beschroomt om daer ontrent te komen; Wy singen menighmael oock in het dichste Wout, Daer sich een vinnigh 2) heir van felle moorders hout. 805 Wy zijn niet eens beducht, schoon al de winden blasen, Wy leven onbeschroomt hoe seer de baren rasen; Wy vreesen geenen brant of hoogen water-vloet. Die niet verliesen kan wat schaet hem tegenspoet? Schoon dat het gansche rijck moet tol of schattingh geven, 810 Wy leyden even-wel een onbekommert leven; Geen hooft-gelt op het volck, geen lasten op het lant En worden oyt geverght aen onsen vrijen stant. Wat dient'er meer geseyt? wy zijn geduchte 3) lieden, Die geen verheven Vorst, geen Prins en kan gebieden. 815 Al waer de gulde son de werelt opendoet 4) Daer gaen wy sonder schroom, als op ons eygen goet. Wy leven over-al als Prinsen van den lande; Niet hebben even-wel en is hier niemant schande. Wy trecken t' onsen dienst geheel het aertsche dal, 820 Wy hebben niet een sier, en wy besitten 't al. Ick heb u, edel Helt, ons wijse nu beschreven,
1) omdat 2) dreigend 3) gevreesd 4) verlicht
[p.83]
Ghy let, of ghy begeert met ons daer in te leven, Dan of ons strengh gebruyck is tegen uwen aert; Want siet het staetje vry te blijven dat je waert." 825 De grijse kop die sweegh. Andreas gaet beginnen: "Spitsbroeders," seyt de man, "met al de gansche sinnen Word' ick uw bont-genoot, en tot een vaste peyl 1), Hier is een volle beurs die ick u mede deyl. Siet, als ick uyt de stadt tot u ben af-gekomen. 830 Soo heb ick desen bucht 2) in voorraet met-genomen: Ontfanght dit kleyn geschenck, en weest'er vrolick van, En hout my voor u vrient en voor een rustigh man. Een dingh wil ick alleen hier in bedencken brengen, En bidden, wat ick magh, dat ghy het wilt gehengen: 835 Ick treed' in dit eerbont alleen om dese maeght, Laet die voor my alleen indien het u behaeght. Ick sal tot aller tijt, waer dat wy henen trecken, Haer voor een trouwen vrient, en voor een hoeder strecken; Ick sal haer leyder zijn en hier en over-al, 840 Soo dat haer teere jeught geen hinder lijden sal." Een van den swarten hoop begon hier op te wrocken, En seyde: "Lieve vrient, soo ghy begeert te jocken In eere, sonder hoon 3) het wert u toe-gestaen; Maer, wat ick bidden magh, en wilt niet hooger gaen. 845 Weest heus in u gebaer 4), en wilt'er in volherden; Of anders, hout'et vast, het sal uw beurte werden; Wy leyden onder ons by wijlen soet gelagh, Maer ontucht nimmermeer, en geensins vuyl bejach. Dies soo de jonge maeght van u wert uyt-gestreken 5), 850 Wy sullen u gewis den kop aen stucken breken;
1) kenteeken 2) beurs 3) bedrog 4) gedragingen 5) bedrogen.
[p.84]
Maer sooje trouwe meent, en niet als eerbaer zijt, De maeght sal uwe zijn, en dat te rechter tijt." Dit nam Andreas aen ten vollen na te komen, En heeft op dit bespreck 1) de vrijster aen-genomen; 855 En yder riep: geluck! en maeckte groot gebaer 2), En wederom: geluck, geluck, geluckigh paer! Maer hy versoeckt terstont, dat haer de gansche bende Vertreckt uyt dat gewest en elders henen wende, Uit vreese soo hy bleef of woonde daer ontrent, 860 Dat hy van eenigh mensch eens mochte zijn bekent. Daer gaet hy metten hoop in vreemde landen dwalen, En hy en mist niet eens sijns vaders hooge zalen; Hy acht geen ongemack, geen schande, geen verdriet, Wanneer hy maer een reys sijn Preciose siet. 865 Hy voelt syn ingewant, hy voelt sijn herte springen, Al sy maer uyt de borst een deuntjen plagh te singen, Het bitter even-selfs dat is hem suycker soet. Ey, siet eens wat de jeught, en wat de liefde doet! Don Jan noch even-wel, oock in dit woeste leven, 870 En wil hem tot bedrogh of diefte niet begeven; Maer wat dit selsaem volck of hier of elders haelt, Dat wort al menighmael by hem alleen betaelt. Hy wil geen vuylen jock in haren praet gehengen, Maer pooghtse met beleyt op beter weg te brengen; 875 Soo dat hy metter tijt haer rouwe sinnen wint, En sich by al den hoop in grooten aensien vint. Maer t'wijl dit selsaem volck op hare wijse leefde, En sonder vaste plaets in alle landen sweefde, Een maeght van Murcia die sagh den Edelman, 880 En hoe hy al de jeught in schoonheyt overwan. En hoe sijn heus gelaet en sijn beleefde zeden,
1) overeenkomst 2) getier
[p.85]
Sijn oogh, sijn hoofsche tael, sijn wel-gemaeckte leden Zijn anders in gestel 1) als oyt een Heyden plagh, Of alsse daer ontrent een Heer of Ridder sagh. 885 Haer geest die wort beroert, haer sinnen om-getogen, De loop van haer gepeys is buyten haer vermogen, Sy voelt 'k en weet niet wat ontrent haer grilligh hert, Sy voelt hoe dit gewoel allencxen grooter wert. Wat sal de Juffer doen? Sy weet niet wat te maken, 890 Sy voelt een selsaem vier door al de leden blaken; Dies als sy op een tijt den Ridder eensaem vont, Soo opent sy aldus tot hem een heuschen mont: "Bevallick Jongelingh, wat magh u doch bewegen, Dat ghy tot desen hoop soo bijster zijt genegen? 895 Dat ghy by dit gespuys uw soete jeught verslijt? Ey, geeft eens beter vreught aen uwen jongen tijt. Gebruyckt uw geestigh lijf en dese schoone leden, Daer ghy, tot uwer eer, die nutter sult besteden, En soo ghy zijt geneyght te gaen met goet beleyt, 900 Ick weet een beter staet voor u alleen bereyt. Hier zijn veel Edel-liên die my tot trouwen vergen, Want ick heb over-al veel wijngaerts aen de bergen, En bossen in het wout, en boomgaerts in het dal, En ossen op het velt, en peerden in den stal, 905 En schapen op het schor 2), en geyten aender heyden, En hinden in het perck, en koeyen in de weyden, En knechten tot de jacht, en honden in het kot, En voor mijn eygen huys een schoon en lustigh slot In 't korte: machtigh goet. Magh ick u maer genieten 3), 910 Ick sal in uwen schoot geheele schatten gieten, Dit wout, dit vruchtbaer lant, soo ver uw oogen sien, Dat sal u eygen zijn, en ick noch boven dien.
1) aard 2) buitendijksch land 3) bekomen
[p.86]
Ick die een dochter ben van edel bloet geboren, Heb u, door enckel gunst, voor alle mans verkoren. 915 Siet, dat de beste jeught voor desen heeft gesocht, Wort u alleen gejont 1), en in den schoot gebrocht. Ontfanght mijn rechter-hant, ontfanght mijn frissche leden, Die ick in uw vermaeck na desen wil besteden, Ontfanght mijn herte selfs, en stelt my buyten pijn, 920 En spreeckt een eenigh woort, en ick sal uwe zijn." Andreas hoord'et aen, maer kon het geensins prijsen, Dat uyt haer teeren mont soo vrije woorden rijsen. O vrijsters, watje doet, siet datj'et niet en vraeght; Want als een vrijster vrijt dat is te veel gewaeght. 925 "Me-Juffrou," seyt de man, "ick danck u duysent werven, Mijn liefd' is eens geset, en daer in wil ick sterven; Weet oock dat onder ons geen mensch en wert gepaert, Als met ons eygen volck of een van onsen aert. Uw gunste, niet te-min, die ghy my komt betoonen, 930 Die wensch ick dat u God ten vollen wil beloonen; Doch, wat my raken magh 2), set elders uwen sin, Mijn hert is u ontseyt, daer woont een ander in." Gohanna met den slagh van soo een droeve reden, Gevoelt een koude schrick haer trillen door de leden, 935 Gevoelt een diep verdriet; sy gaet ter zijden af, Daer sy haer droef gemoet in dese klachten gaf: "Wat ben ick voor een sloir? wat heb ick gaen beginnen? Kan ick geen Heyden selfs bewegen om te minnen? Och! God, wat hangt my uyt 3), dat ick geen schamel man 940 Met al dat ick besit tot mywaerts trecken kan? Ben ick dan soo mismaeckt, soo leelick aen te schouwen,
1) gegund 2) wat mij betreft 3) hoe zie ik er uit
[p.87]
Dat my een slecht gesel ontseyt een wettigh trouwen? Ben ick soo vuylen slons, of wel een oude queen 1), Dat ick verstooten word' en loop een blauwe scheen? 945 Neen seker; 'k heb terstont 2) mijn lijf en gansche wesen, Mijn oogh en rooden mont, mijn geestigh 3) hair gepresen, Als ick ontrent den noen en midden op den dagh Mijn leden oversloegh 4), en in den spiegel sagh. Voorwaer een eerlick man 5) die sou hem des vernoegen, 950 Indien ick maer en wou tot hem mijn leden voegen: Ick ben wel kussens waert, en soo ick maer en wou, Ick waer oock heden selfs versegelt in de trou 6). Daer zijnder vry genoegh die my des komen vragen, En die noch boven dat mijn vrienden wel behagen: 955 Ick ben voor rijck, en schoon, en eerbaer hier bekent, En heb soo veel versoecx 7) als iemant hier ontrent. Maer dat is niet genoegh. Men kan geen liefde setten, Ter plaetsen daer men wil; want die is buyten wetten, En gaet daer 't haer bevalt. De sin die is'et al; 960 En gansch de werelt dwaelt in dit ellendigh mal 8). Ick ben soo dwaes geweest dat ick heb uyt-verkoren Een die my niet en acht. Ach! waer ick noyt geboren. O! 't is een hart gelagh, wanneer een jonge maeght Haer wil niet hebben magh, schoon sy 't haer [minder vraeght. 965 Ach! dat 's een wrange spijt! Ach mocht ick heden sterven! Want ick en sal geen troost mijn leven oyt verwerven. Hy is een selsaem hooft, hy is een rouwe gast,
1) leelijk wijf 2) zooeven 3) bevallig 4) overzag 5) een man van eer 6) gehuwd 7) aanzoek 8) dwaasheid
[p.88]