Jacob Cats

Part 5

Chapter 53,527 wordsPublic domain

Of door een harden val gebracht in bitter lijden? Of is uw bloet verhit door al te langen dans? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Een maeght magh aen een maeght wel seggen haren noot. 205 Spreeckt ront gelijck het dient van uw verholen wesen, Ghy sult door mijn behulp in korten zijn genesen; Ick weet wat aen de jeught by wijlen kan geschien, En schoon al ben ick jongh, ick hebbe veel gesien." Giralde seyde neen op al haer snege vragen, 210 Dies gaet Constance voort en opent nieuwe lagen 1); "Hoort," seytse, "kenje niet een hups en aerdigh quant, De schoonste van de stadt, jae van het gansche lant. Hebt ghy hem menighmael niet geestigh hooren praten, Of door een gunstigh oogh tot in het hert gelaten? 215 Waerom doch soo geveynst, dat ghy soo langen tijt Hem in bedencken hout en niet te wil en zijt? Ey lieve, zoo je meent den vryer oyt te trouwen, En wilt hem niet te langh in angst en twijffel houwen. Een die syn tanden breeckt als hy een note kraeckt, 220 Diens vreught is niet te groot schoon hy de keren 2) [smaeckt." Giralde kreegh een blos, en werf geheel ontsteken, Als sy dit geestigh dier van vryen hoorde spreken; En schoon sy veynsen wou, haer bloet is boven haer 3), Dat maeckt haer innigh hert ten vollen openbaer. 225 Haer geest is op den loop, haer pols begon te jagen, En al met vreemt gewoel van ongelijcke slagen. Constance wederom: "Nu sie ick wat'er schort; Ghy, wat ick bidden magh, en doet u niet te kort. Spreeckt soo de reden eyscht, en laet uw moeder weten,

1) hinderlaag 2) kern 3) machtiger dan zij

[p.63]

230 Wat voor een edel geest u sinnen heeft beseten 1): Want hoe ghy langer swijght, en meer u sieckte deckt, Hoe dat'et uwe jeught tot grooter hinder streckt." De siecke vrijster sucht, en al haer leden beven, Haer sinnen even-selfs die worden om-gedreven: 235 "Nu sie ick," sprack de maeght, "wat kunst en wijsheyt [doet; Ghy weet, gelijck het blijckt, den gront van mijn gemoet, Des wil ick nu voortaen in geenen deel verswijgen, Waer na te deser uyr mijn jonge sinnen hijgen. Wat dient'er meer geveynst? ick ben van liefde kranck, 240 En dat heeft nu geduert wel seven maenden lanck. Wilt dit nu met beleyt mijn ouders openbaren, En raet hun acht te slaen op mijn bedroefde jaren. Want soo ick dien ick min niet haest genieten magh, Soo is de gront geleyt van mijnen lesten dagh. 245 My sal geen spruyt of kruyt, geen sap of pap genesen; Ick sal begraven zijn, ick wil begraven wesen, Indien ick niet en krijgh hem die mijn hert bemint, En sonder wien mijn ziel geen rust op aerden vint." Terstont na dit gespreck soo stortse duysent tranen, 250 Die met een stage voor 2) haer teere wangen banen. Constance troost de maeght, en geeft haer goede moet, En stremt, door soet gespreck, haer gullen tranenvloet. Hier op is, des versocht, de moeder in-gekomen, Die had tot haer behulp een doctor met-genomen; 255 Constance gaet'er by, maer trat bezijden af, Daer sy haer met bescheyt 3) het stuck te kennen gaf. Het speet de medecijn, dat sy de rechte gronden Van dese maeghde-quael had kunstigh ondervonden;

1) in bezit genomen 2) groef 3) verstand

[p.64]

Te meer, vermits hy weet dat oock de kloeckste man 260 Die uyt geen herte-slagh of ader voelen kan. Maer als hy in gespreck met haer began te treden, Doen gingh Constance ront 1), en gaf hem dese reden: "Een maeght van achtien jaer, af-keerigh van genucht 2), Die veeltijts sonder slaep geheele nachten sucht, 265 Die, als men slechts begint van vrijers iet te spreken, Verandert in gebaer 3) en laet haer woorden steken, Die staegh wil eensaem zijn, en nimmer uyt en gaet, En, schoon al isse jongh, het soet geselschap haet, Die geel en deerlick 4) siet, en leeft als sonder eten, 270 Wat soo een vrijster schort dat heb ick wel te weten: Ick segge, dat geen salf haer oyt genesen kan, Maer dat haer stil gebreck vereyst een rustigh 5) man. Hier by koomt dat ick sie haer oogen in-gesoncken, Maer vierigh even-wel, gelijck als helle voncken, 275 Haer pols geweldigh ras, haer water bijster root; Hoe! kan dit anders zijn als enckel minne-noot? Voor my ick stel het vast. Ghy mooght het overleggen, Uw dochter even-selfs sal u de waerheyt seggen, Soo ghy haer recht bevraeght; want, na haer saken staen, 280 De noot die roept om hulp, daer is geen veynsen aen." De doctor laet de spijt, na dese woorden, varen, En prijst het rijp verstant in soo onrijpe jaren; Soo dat hij naderhant haer niet als eer bewees, En met een vollen mont 6) haer snege vonden prees. 285 Of nu het listigh dier iet van den handel wiste. Dan of het na de kunst en schijn van reden 7) giste, En stel ick niet te vast; doch hoe het immer was,

1) sprak C. openhartig 2) genoegen 3) gebaar 4) betrokken 5) flink 6) volmondig 7) waarheid

[p.65]

De vrijster kreegh een man, en hare koorts genas. Soo haest de jonge maeght haer vont te zijn genesen, 290 Soo wou sy metter daet beleeft 1) en danckbaer wesen: Sy let hoe 't Heydens volck gansch sober is ge-kleet, En 't is haer teere jeught een innigh herten-leet. Sy sprack haer moeder aen: "Van iemant gunst ontfangen Doet stracx een billick 2) hert met alle vlijt verlangen, 295 Om weder-gunst te doen. Vrou moeder, 't is bekent In wat een droeven stant mijn ziele was belent; Nu ben ick (Gode lof!) gesont in al de leden, Ghy, toont een danckbaer hert, dat leert de wijse reden; Dit heir is wonder naeckt, ghy, kleet het schamel rot, 300 Dat sal haer dienstigh zijn, en lief aen onsen God. Voor al en dient by ons de vrijster niet vergeten, Die u van mijn verdriet de gronden leerde weten. Indien ick iet vermagh, soo weest toch hier beleeft; Al wie den naeckten kleet ontfanght meer als hy geeft." 305 De moeder wederom: "Dit zijn gansch rouwe menschen, Die om geen prachtigh kleet, en min om rijckdom wenschen; Sy dwalen even-staêgh 3), dat is haer oude wet, Het gelt dient haer tot last, een kleet maer tot belet. Dus schoon ick haer een kleet wou om de leden hangen, 310 Ick houd'et voor gewis men soud'et niet ontfangen." "Ké 4) moeder," seyt de maeght, "ghy zijt my wat te [taey 5), Ey lieve, schencktse wat, al waer'et enckel baey. Laet haer doch uwe gunst om mijnent wil verwerven, En laet my des te min, wanneer ghy komt te sterven."

1) innemend 2) rechtgeaard 3) voortdurend 4) ach 5) karig

[p.66]

315 De moeder loegh'er 1) om, en prees de goede ziel, Maer soo dat van de gift of niet of weynigh viel. Als iemant naer een quael bekoomt syn vorigh wesen, En dat een jonge wulp van krevel 2) is genesen, En dat een schippers gast sich op het drooge siet, 320 Dan smelt een danckbaer hert wel licht tot enckel niet. Giralde lijckewel, nu onder echte wetten 3), Beschonck het geestigh dier met hondert pistoletten, Een bruyt-stuck voor den dienst. Daer loegh het [gierigh 4) wijf, En vont in dit verhael een aerdigh tijt-verdrijf. 325 Dit maeckt de jonge maeght vermaert in alle steden, Mits sy de vrijsters kent tot in haer diepste leden, En 't bracht aen 't gansche rot geen kleyne baten in; Want daer Constance quam daer was'et al gewin. Majombe die sich liet haer beste-moeder 5) noemen, 330 En laet geen vremde mans ontrent haer nichte 6) koemen, Sy neemt haer even-staêgh met al de sinnen waer, En waer de bende reyst, sy slaept benevens haer. Daer was ontrent Madril een buyten-hof te vinden, Bevrijt met boom-gewas van alle sture winden, 335 Hier viel om desen tijt een openbare feest, En daer bewees de maeght haer uyt-gelesen geest. Daer is een prijs geset voor die met aerdigh 7) singen, Daer is een prijs geset voor die met luchtigh springen Sou sweven boven al; en 't is de snege maeght 340 Die aen het nieusgier volck in beyde meest behaeght. De knopjens van yvoir 8) die aen haer vingers waren, Gaen boven alle spel en boven alle snaren; Want als s' haer soete stem en rasse vingers roert,

1) lachte 2) minnevuur 3) ondertrouwd 4) begeerig 5) grootmoeder 6) kleindochter 7) bevallig 8) castagnetten

[p.67]

Soo wort al wie het hoort door lusten om-gevoert 1). 345 't En is door geen gespreck de menschen uyt te leggen, 't En is, na mijn begrijp, met woorden niet te seggen, Wat schoonheyt al vermagh. De kunst is lief-getal, Maer koomt'er schoonheyt by, soo gaetse boven al. Daer was om desen tijt een Ridder in den velde, 350 Die meest het kleyne wilt met snege bracken quelde 2): En t'wijl hy in de jacht sich al te besich hout, Soo raeckt hy buyten spoor te dolen in het wout. Hy weet geen jagers meer, hy weet geen snelle winden, Hy weet in al het bosch syn paegjen 3) niet te vinden: 355 Maer t'wijl hy eensaem dwaelt, verneemt hy nevens hem Een wonder soeten galm, een onbekende stem. Hy staet een weynigh stil tot by hem is vernomen Van waer het soet geluyt tot hem was afgekomen, En daer op trat hy voort, en met een stillen gangh 360 Soo quam hy in het dal van waer men hoort den sangh. En mits hy tot de plaets nu dichte quam genaken, Soo gaet hy door het loof een open ruymte maken, Ten eynd' hy mochte sien wie in het naeste gras Soo wonder aengenaem van sangh en stemme was. 365 Twee vrijsters aen den bergh die pluckten versche rosen, Die sy tot haer vermaeck uyt al de velden kosen, En wat ter zijden af, ontrent een groenen bocht, Daer sat een jonger maeght die rose-kransen vlocht. Een wijf van vreemt gelaet 4), geseten aen der heyden 5), 370 Dat quam, gelijck het scheen, het jonge rot 6) geleyden; En schoon sy mede pluckt, of rosen over-draeght, Soo heeftse staêgh het oogh ontrent de jonge maeght.

1) meegesleept 2) volgde 3) page 4) voorkomen 5) op het veld 6) gezelschap

[p.68]

En t'wijl men besich is ontrent de versche bloemen, Vernam 1) Don Jan het volck dat wy Heydinnen noemen, 375 En siet, de jonge spruyt die in het groene sat, Heeft op den staenden voet hem door het oir gevat 2), Hem door het oogh verruckt. Hy siet haer geestigh 3) wesen, En hoort haer soete stem, en heeft'et bey gepresen. En t'wijl hy staet en dut 4) en op de vrijster siet, 380 Soo hief sy weder aen, en songh een ander liet:

"Schoon bloem-gewas, en edel kruyt Van 's hemels dau gevoet, En al wat uyter aerden spruyt, Ghy wort van my gegroet! 385 Ick koom hier aen der heyden gaen, Daer soeck ick mijn vermaeck, Ick gae op u mijn oogen slaen, En 't schijnt dat ick ontwaeck.

Ick sie mijn beelt in uwe jeught, 390 Dat my eerst heden blijckt. Ick schep mijn lust uyt uwe vreught, Vermits ghy my gelijckt. Uw schoone verw en frissche glans Verciert het gansche velt. 395 En, naer het seggen van de mans, Ben ick oock soo gestelt.

Maer daer is noch een ander stuck, Dat med' ons beyde raeckt; Dat is dat ramp en ongeluck 400 Gansch licht tot ons genaeckt. Besiet hoe ras een bloemtje sterft, En plat ter aerden sijght: Besiet hoe licht sijn glans verderft, En dorre plecken krijght.

1) bemerkt 2) bekoord, gevangen 3) bevallig 4) soest

[p.69]

405 Besiet hoe dat een frissche roos, (Ick meyn een jonge maeght) Een die men onder duysent koos, En al de jeught behaeght; Besiet hoe licht een schoone blom 410 Verliest haer eersten glans; Schoon sy was lief en wellekom By alle jonge mans.

Wel roosjens, ciersels van het velt, Kan dit alsoo geschiën? 415 En ist met u alsoo gestelt, Soo dient'er in versien. Maer segh wat kan u beter zijn, Als datje wort gepluckt? Niet door een boek of gortigh 1) swijn, 420 Om soo te zijn verdruckt;

Maer om te zijn een hupsche kroon, Ter eeren van de jeught. Uw plucker tot een soete loon, En tot een stage vreught. 425 En of u tijt is wonder kort, Maeckt daerom geen getreur; Want schoon een frissche roos verdort, Sy hout een soeten geur.

Wel nu wy staen in eenen graet 2), 430 O ciersel van het wout! Koom geef my doch van uwen raet Die ghy voor sekerst' hout. Moet oock mijn bloemtje t'syner tijt Van yemant zijn gepluckt? 435 _Pan:_ Iae, vryster, sooj'et waerdigh zijt, En soo het u geluckt 3).

1) schurftig 2) omstandigheden 3) het geluk met u is

[p.70]

Daer zijnder niet dan al te veel Die staêgh ten toone staen, Sy bieden ons een groene steel, 440 Maer niemant wilder aen. Daer sweeft haer blat dan met den wint, Als stof gemeenlick doet: Ach 't bloempje dat geen plucker vint, Dat treet men met den voet.

445 _Prec:_ Wel hoe! wat koomt hier voor geluyt Geresen uit het Wout? My dunckt hier sit een slimme 1) guyt Gedoken in het hout. Het mocht wel zijn de bocx-voet Pan, 450 Die woont hier in het groen. Dat is van outs de rechte man Om vrijsters leet te doen.

Wel lincker 2), wie ghy wesen meught, Ick bid u weest gerust! 455 Mijn bloem, mijn roem, mijn teere jeught Is niet voor uwen lust. Ick wachte voor mijn beste pant, Tot troost van mijn verdriet, Ick wachte vry een waerder hant; 460 Maer u en wacht ick niet."

Terwijl hem 3) dit gebeurt met wonder groot vernoegen, Soo komt de Nachtegael sich by de vrijster voegen, En queelt daer uyt de borst met soo een bly geschal, Dat haer 1) vermenghde stem verheught het gansche dal. 465 De Ridder onder dies gevoelt syn geest beroeren, Terwijl hy op de maeght alleen heeft sitten loeren. "Wel, of dit Heydens kint (seyt hy met vollen mont) Eens op syn hoofs gekleet voor ons ten toone stont,

1) boos 2) vleier 3) den ridder 4) hun

[p.71]

Waer 1) sou haer schoonheyt gaen? van soo een aerdigh wesen 470 En is, gelijck ick meyn, in geenen tijt gelesen." Hier op soo treet hy toe en geeft hem by de maeght, Die hy na syn gevolgh en na de jagers vraeght. Sy, met een heus gelaet, seyt geensins iet te weten Waer syn geselschap is; maer daer te zijn geseten, 475 Ten eynde sy een krans van groene kruyden vlocht, Die haer dan op het feest tot ciersel dienen mocht. Majombe die alreeds den Ridder had vernomen, Begon van stonden aen voor hare nicht te schromen, En maeckt haer 2) daer ontrent, op datse mocht verstaen 480 Wat haer de Ridder seyt, en hoe de saken gaen. Constance was begaeft met soo een aerdigh wesen Dat niemant haer gelaet genoegh en heeft gepresen; Daer vloeyt uyt haren mont soo aengenamen lach Dat sy de gunste won van die haer maer en sagh: 485 Haer zeden zijn beleeft, haer reden 3) wel gebonden 4), Haer spraeck is enckel geest en niet als soete vonden; In 't korte, watse doet en watse neemt ter hant, Dat toont een goeden aert en ongemeen verstant. De Ridder onder dies ontstelt door heete voncken, 490 Heeft op dien eygen stont het soet vergif gedroncken; En daerom als hy wist wie dat Majombe was, Soo is hy nevens haer gesegen in het gras: Soo is hy met het wijf in veelderhande reden, En met Constance selfs in langh gespreck getreden; 495 Ten lesten berst hy uyt: "Uw schoonheyt, geestigh dier, Verweckt in mijn gemoet een wonder selsaem vier. Ick wou, indien ick mocht, u trouwen dienaer wesen,

1) hoever 2) begeeft zich 3) taal 4) duidelijk en geregeld

[p.72]

En soo u dat beviel, soo waer ick haest genesen, Soo waer ick metter daet een gansch geluckigh mensch, 500 En had door uwe gunst mijn vollen herten-wensch." Het woort is nau geseyt, de soete Preciose Die kreegh hier op een blos gelijck een versche rose; Haer gramschap en met een haer schaemte zijn vermenght, Als haer beroert 1) gemoet hem dus syn antwoort brenght: 505 "Heer Ridder, naer ick hoor, ghy zijt vol hoofsche treken, En hebt, naer ick vermoe, meer vrijsters uyt-gestreken 2); Ick weet, als ghy een maeght om hare schoonheyt vleyt Ick weet'et, lieve vrient, al wat'er is geseyt. Ick weet dat eens de vos bedroogh den slechten raven 3) 510 Als hy na spijse socht om hem te mogen laven; De raef had lecker aes en droegh het in den beck, Dit sagh de lose vos, en speeld' hem desen treck: Hy seyt hem, aerdigh dier dat geestigh weet te singen, En zijt van outs geleert in alle soete dingen, 515 Ey, schenckt ons nu een reys een deuntjen na de kunst. Dat sal ons heden zijn een teycken uwer gunst. De raef, eylaes! verlockt met dese troetel-reden, Die voeght sich om te doen gelijck hy was gebeden En mits dat hy den beck tot singen open stelt, 520 Soo viel het lecker aes te midden op het velt. Dat greep de slimme vos, en sonder langh te beyden Begaf hy metten roof sich midden op der heyden, Daer at en loegh het dier, en al met vollen mont, Terwijl de malle raef bedroeft en eensaem stont.

1) ontroerd 2) bedrogen 3) raaf

[p.73]

Ick ken, al ben ick jongh, den aert van 't listigh prijsen, En weet wat ongemack hier uyt sou mogen rijsen, Ick weet 'et watje soeckt, als ghy my gunste biet; Maer schoon ghy zijt de vos, ick ben de rave niet. Ick ben een Heydens kint veracht van alle menschen, 530 Hoe kan uw hoogh gemoet om mijn geselschap wenschen, Als slechts op desen gront, ten eynd' u geyle lust Tot oneer mijner jeught eens mochte zijn geblust? Maer neen, gelooft'et vry, geen man sal my belesen, Dat ick in geyle lust hem sal ten dienste wezen. 535 Acht my voor die ghy wilt, en dat ick wesen magh, Ick ben een vyandin van alle vuyl bejagh. Dat sal ick eeuwigh zijn. Wel, gaet dan elders jagen, Voor u en is geen kans mijn eere wech te dragen; Weet, dat'er onder 't volck dat ghy voor Heydens groet 1) 540 Noch is een reyne ziel en onbevleckt gemoet. Ghy dan, nadien ghy zijt genegen om te jocken 2), Gaet naer het dertel Hof, en streelt de sijde rocken 3) Soeckt daer bequame stof voor uw ongure vreught, En laat my 't edel pant van mijne reyne jeught." 545 Als 't wijf op desen toon de vrijster hoorde spreken, Heeft sy haer peck-swart hair een weynigh op-gestreken, Als bly van dit gespreck: "Ey," seytse, "lieve vrient, Hier is geen lichte-koy die hoofsche linckers dient" De Joncker als verbaest van soo gestrenge woorden, 550 Die hem als door het oir tot in het herte boorden, Sagh op het fier gelaet van soo een jeughdigh dier, En voelt te meer de kracht van syn inwendigh vier. En na hy sonder spraeck een weynigh heeft geseten, Soo laet hij syn besluyt de strenge vrijster weten,

1) houdt 2) schertsen 3) vleit de dames van 't hof

[p.74]

555 En dat op desen voet: hy treckt van sijner hant Een ringh, een rijck juweel, een hellen diamant. En seyt haer: "Schoone maeght, ick sweere by mijn leven, En by het Ridderschap my van den Prins gegeven, Ick sweere by het pant dat ghy voor oogen siet, 560 Dat u mijn trouwe ziel oprechte liefde biet, 'k En wil u, schoone bloem, niet als een by-sit houwen, Ick wil u na den aert van onse wetten trouwen, En, tot een vast gemerck 1), siet daer een eeuwigh pant, Draeght dat tot mijnder eer aen uwe rechterhant." 565 Te midden in het woort soo biet hy Preciose Een schoonen diamant. Sy, na een lange pose Het stuck in haer gemoet te hebben overdacht, Heeft dus, met heus gelaet 2), haer antwoort ingebracht: "Wel Joncker, na my dunckt, ghy schijnt het stuck te meenen, 570 Maer ghy sult uwen staet in my te seer verkleenen; Ghy daerom, let'er op, eer dat ghy vorder gaet, Hier dient niet in gegaen als met besetten 3) raet. Maer noch al boven dat, soo magh ick niet vergeten Dat u in dit geval is dienstigh om te weten, 575 En dat ick noodigh acht voor al te zijn gedaen, Eer dat wy tot besluyt in desen handel gaen. Ghy moest twee jaren langh in ons geselschap leven, En u aen onse wet ten vollen over-geven: Ghy moest benevens ons gaen dolen achter 4) lant, 580 By wijlen sonder gelt en sonder eenigh pant; Ghy moest uw machtigh goet en uwe groote staten, Ghy moest uw prachtigh kleet geheelick achter laten,

1) teeken 2) houding 3) goed overlegd 4) door

[p.75]