Part 4
Ghy weet van myn bedrijf, van alle mijne Saken, Ghy weet, soo God ons voeght, hoe wy het sullen maken, 55 Ghy weet wie dat ick ben, en kent my vander jeught, Soo dat ghy nu voortaen geen uyt stel nemen meught. Uw moeder vint 'et goet, uw vader is te vreden, Ghy, doet wat u betaemt, en voeght u na de reden: Want dat een vader prijst, een moeder dienstigh vint, 60 Wort sonder eenigh recht geweygert by het kint." "Mijn ouders," sprack de Maeght, "ick moet 'et u bekennen, Die souden, soo het schijnt haer light aen u gewennen: Ick sie dat uw bedrijf, daer meê ghy omme-gaet, Ick sie dat uw beleyt haer wel te sinne staet. 65 Ick vond oock in uw doen al eenigh goet vernoegen, En sou tot u misschien myn sinnen konnen voegen: Maer siet, daer hapert wat, dat my niet aen en staet, Dies is het sonder vrucht al wat hier iemant raet. Ich hoord' een deftigh man eens dese reden zeggen, 70 En sijn bestendigh woort is niet te weder-leggen: Wanneerder iemant trout een openbaer gebreck, Noemt dien een gierigh mensch, of wel een rechten geck. Dit heeft nu langen tijt in mijnen geest gelegen, En wat gebreckigh is dat is my byster tegen: 75 Word' ick mijn leven oyt tot iemants echte wijf, Ick wil een fris, een gaef, een rap, een wacker lijf; Ick wil voor al een man, die met geswinde schreden Kan vaerdigh op den dam, op beurs en straten treden, En wie dit niet en heeft, hy zy dan wie hy magh, 80 Dien wensch ick nu ter tijt voor eeuwigh goeden dagh. Hy sal noyt mijne zijn, en dat op vaste reden, Daer sal noyt krepel been op mijnen leger treden:
[p.50]
Want soo dat oyt geviel, ick waer een droeve vrou, En kreegh gewis een kint dat krepel wesen sou. 85 Soo maelt 1) my dit gebreck tot in de diepste sinnen, En daerom, vrient, vertreckt, op my is niet te winnen. Gaet heen: want uw bedrijf heeft my nu lang verveelt. 't Is beter korte pijn als lange tijt gequeelt 2)." De vryer die besterft van soo een harden donder, 90 Sijn brein en gansche kracht, sijn hart beswijckt 'er onder; Het schijnt als of de man sijn leste vonnis kreegh, Of, door een swijm geraeckt, ter aerden neder seegh. Ten lesten gingh hy wegh met wanckelbare gangen, Het schijnt de bleecke doot die sit hem op de wangen; 95 Hy wist in dit geval niet wat te sullen doen, Hy laet de vrijster daer, en biet haer niet een soen. En mits hy nu den moet ten vollen heeft verloren, Soo hinckt sijn krepel been noch slimmer als te voren; Sijn oogh is sonder glans, sijn tonge sonder tael, 100 Het waggelt al gelijck, en 't hapert altemael. Hy geeft hem na het bed, daer gaet hy leggen duchten, Daer gaet hy met verdriet veel uren leggen suchten; Daer peyst hy al den nacht, tot aen den dageraet, Of hem in dit geval geen uyt-komst open staet. 105 Ten lesten roept hy uyt: "ick gevet 3) niet verloren, My dunckt ick weet een dingh my dienstigh na te sporen; Te Gisp is nu ter tijt een wonder handigh man, Die oock het slimste been te rechte brengen kan. Ick moet het nu ter tijt, ick moet het heden weten 110 Of hy sich over my geen kracht en sou vermeten." Daer mede scheyt de man uyt syn bedroeft gepeys, En, sonder langh verblijf, soo tijt 4) hy op de reys.
1) hindert 2) gezongen, gepraat 3) geef het 4) trekt
[p.51]
Hy komt naeu in het dorp, hy laet den meester halen, Hy seyt: "hier is een man die sal u wel betalen; 115 Hier is een krepel been, indien ghy dat geneest, Geen meester is 'er oyt soo wel betaelt geweest." De meester doet de man sijn hosen 1) strack ontbinden, Om, watter schuylen magh, te beter uyt te vinden; En naer hy heeft betast het voeghsel van het been, 120 Soo vint hy stracx de pijp gewassen over een. Hy voelt noch andermael, hy raeckt aen alle zijden, Hy grijpt wel happigh toe, oock sonder iet te mijden. Ten lesten quam 'er uyt: "Ick sie het wat 'er schort: Alleen door quaet beleyt soo is het been te kort. 125 En om dit wederom in goeden stant te brengen, Soo moestje vry de slagh van dese vuyst gehengen 2); Ghy moest niet sijn beschroomt voor ongewone pijn, En mocht al beter koop den beul gelevert zijn. Maer al dat meepsche 3) volck, geboren in de steden, 130 En is geen praem 4) gewent ontrent haer teere leden, 't En soeckt maer sijn vermaeck, al wat het hertje lust, Ghy daerom, keert te rugh, en hout uw hooft gerust." "Bey 5), holla! seyt de vrient, ick bid u niet te vragen Of oock mijn tanger lijf sal pijne konnen dragen; 135 Stelt dat tot mijnen last, en seght my slechts alleen Of ghy geen uytkomst weet voor dit myn krepel been: Soo ghy u dat vermeet, en gaet op vaste reden, Daer sal geen mangel 6) zijn aen mijn geheele leden: Begint ghy slechts het werck, en doet 'et na den eysch, 140 En acht dit gansche lijf niet meer als paerde-vleysch." De meester stont verbaest van soo gestrenge woorden; "Tsa," seyt hy, "wacker knecht! loop, hael ons nieuwe koorden,
1) kousen 2) toelaten 3) zachtzeerig 4) druk 5) wacht 6) gebrek
[p.52]
Loop hael ons watter 1) dient, en bint my dese gast; Maer bint hem, soo het hoort, aen alle kanten vast." 145 Jefron seyt wederom: "'k en wil niet zijn gebonden, Ick kan oock sonder schrick besien mijn eygen wonden. Waertoe soo veel geruchts? doet watter dient gedaen, En tast my soo ghy wilt met rauwe 2) duymen aen; Ick ben des wel getroost." De meester is verwondert, 150 Hy kent niet eenen boer soo hertigh 3) onder hondert; Hy siet den vryer aen, hy siet het swacke lit, Maer weet niet watter schuylt, of watter achter sit. Hy weet niet dat een maeght, een maeght van teere zeden, Een vryer stijven kan met krachten in de leden; 155 En schoon hy wonder diep in alle kruyden siet, Soo kent hy lijckewel 4) de kracht der minne niet. Hy tijt dan aen het werck, en sonder iet te binden, Soo gaet hy eerst het been in groene kruyden winden; Hy stooft 'et voor een wijl, en des al niet-te-min, 160 Hy breeckt-et metter hant, hy set het weder in. Hy doet den Jongelingh gelijck de rauwe gasten, En als hy voortijts plagh de boeren aen te tasten. Hoe seer dat iemant kermt, ja schoon al riep hy moort, Hy gaet noch even-wel met sijnen handel 5) voort. 165 't En lijt 6), na mijn onthout, naeu ses of seven weken, De man komt uyt het dorp gelijck een pauw gestreken, Bly-geestigh, fris, gesont, het been wel in-geset, En recht gelijck een kaers, en met een vasten tret; Stracx naer de vrijster toe, en dat met rappe voeten, 170 Hy gaet de soete Maeght met vrolick wesen groeten; Hy treet vrymoedigh toe, en met een soeten lagh, Soo geeft hy haer een kus, en biedse goeden dagh.
1) wat er 2) ruwe 3) moedig 4) evenwel 5) werk, handeling 6) duurt
[p.53]
De vryster siet hem aen, en is geheel verwondert Van waer hy komen mocht, soo schielick op-gedondert 1), 175 Daer midden in de zael. Want sy en wiste niet Wat dat hy had gedaen, na dat hy van haer schiet 2), Sy seyt hem: "Lieve vrient, ghy zijt hier al vergeten, Geen mensch en is bekent waer dat ghy hebt geseten; Wat jaeght u weder hier? dat wil ick eens verstaen, 180 Het is u wel bekent, uw saken zijn gedaen." "Ick kome," seyt de vrient, "om noch een mael te vragen, Of ghy nu eens de kans met my sout willen wagen? Ick hebbe dit geluck my heden toegeleyt, Dat ghy sult beter doen als eertijts was geseyt." 185 Sy antwoort met een lach: "Ja, 't sal eens beter wesen, Wanneer uw krepel been van hincken is genesen; Dan wil ick eens met troost versetten uw verdriet; Maer dat is, na ick acht, uw levedagen niet." De vryer nam het aen, en seyt: "Ick ben te vreden 190 Te doen, in dit geval, na uw gestrenge reden; Ick sal versteken 3) zijn, indien ick krepel blijf; Maer word' ick eens gesont, soo wort mijn echte wijf." De vrijster stont het toe, en winckte metten hoofde, Dan 't was maer enckel spot, gelijckse doen geloofde; 195 Maer Jefron, op het woort, die maeckt een capriool, En toont sijn rappen voet tot onder aen de sool. Hy sprongh noch andermael, en ging met rappe leden, En om en wederom voorby de vrijster treden; En naer een korte wijl, soo springht hij noch een mael, 200 En laet sijn blijde stem dus hooren op de zael: "Wat schort nu, zoete maeght, wat schort my aen de beenen? 'k En ben soo krepel niet, gelijck de lieden meenen."
1) te voorschijn gekomen 2) scheidde 3) verborgen, weg
[p.54]
De vrijster stont en keeck, sy wist niet watse sagh, En oft' haer eygen oogh geloove geven magh. 205 Sy vraeght den Jongelingh, hoe dit soo konde wesen, En waer hy was gereyst, en wie hem had genesen, En wat hy had gedaen? Hy segt: "Door groote pijn Soo zijt ghy, waerde Maeght, ten langen lesten mijn." Daer gaet hy met bescheyt de vrijster openbaren: 210 En waer hy is geweest, èn hoe hy is gevaren; En wat hy voor verdriet te Gisp had uyt-gestaen, En wat de rauwe gast hem pijn heeft aen-gedaen; En hoe hy menighmael in flaeute had gelegen; En hoe hy wederom den adem had gekregen; 215 Niet door een vreemde salf of dingen van de kunst, Maer door een soet gepeis van haer gewenschte gunst. En t'wijl hij dit verhaelt, soo geeft hij ondertussen, Soo geeft hy aen de Maeght niet weinigh soete kussen; En schoon sy dat verbiet en weert hem dickmael af, 220 Haer woort is niet te fel, haer wesen niet te straf. En hier uyt heeft de vrient ten vollen ondervonden, Dat even 1) by de Maeght sijn dingen beter stonden. Hy past dan op het stuck, en dringht de sake voort, En kreegh dien eygen dagh van haer het gunstigh woort.
13. SELSAEM TROUGEVAL TUSSCHEN EEN SPAENS EDELMAN EN EEN HEYDINNE;
SOO ALS DE SELVE EDELMAN EN AL DE WERELT DOEN GELOOFDE.
Daer is een selsaem volck genegen om te dwalen, Gedurigh om-gevoert in alle vreemde palen 2),
1) juist 2) oorden
[p.54_illustratie]
[Illustratie: Uit: Selsaem Traugeval tusschen een spaens Edelman en een heydinne (bladz. 54) (naar een oude kopergravure).]
[p.55]
Dat (soo het schijnen magh) als in het wilde leeft, Maer des al niet-te min syn vaste wetten heeft. 5 Het laet sich over-al den naem van Heydens geven, En leyt, al waer het koomt, een wonder selsaem leven; Het roemt sich dattet weet uyt yders hant te sien, Wat iemant voor geluck of onheyl sal geschien. Majombe was het hooft van dese rouwe gasten, 10 Die staêgh op haer bevel en op haer diensten pasten 1), Sy was loos, vals, doortrapt, en slim in haer bejagh, Soo veel als eenigh wijf op aerden wesen magh; Sy quam veel tot Madril 2) of in de naeste steden, Want mitse 3) kluchtigh was, soo wertse daer geleden 4). 15 Sy had in haer gevolgh al menigte gau verstant, Soo datse gunst en hulp by al de jonckheyt vant. Sy stal eens seker kint te midden opter straten, Dat uyt een edel huys daer eensaem was gelaten, Het was een aerdigh dier 5), maer jongh en wonder teer, 20 En 't is maer twee jaer out, of slechts een weynigh meer. De meyt, wiens ampt het was hier op den dienst te passen, Die gaf de buert een praat, en liet het wicht verrassen: Majombe was verblijt, niet om het geestigh 6) kint, Maer datse rijck gewaet ontrent sijn leden vint. 25 Sy geeft haer metten buyt in onbekende vlecken, En waer het onguer 7) heir genegen is te trecken: Doch wat de moeder socht, en waer de vader schreef, Men hoort niet hoe 't haer gingh, of waer het [meisje bleef.
1) letten 2) Madrid 3) omdat ze 4) geduld 5) meisje 6) bevallig 7) gemeen
[p.56]
Hoe nau daer wort gevraeght, hoe nau daer wort vernomen, 30 Men weet niet wat geval het kint is over-komen: Waer dat men immer sont, of waer men vragen kan, 'T is al om niet gepooght, geen mensch en weet'er van. Majombe liet het kint verscheyde dingen leeren, Waer mede dat het mocht syn teere jeught vereeren 1), 35 Eerst singen na de kunst, oock springen op de maet, En wat na 's lants gebruyck een vrijster 2) [geestigh staet. Het kint wast onderwijl, en leerde vreemde saken, En grepen na de kunst, en veelderhande spraken, En selsaem hant-gespel 3) en ick en weet niet wat 40 Waer van schier niet een mensch de rechte gronden vat. Het was van schoone verw, en vrolick in het wesen 4), Daer is een diep vernuf in sijn gelaet te lesen: Het had een wacker oogh, en swart gelijck een git, Syn aensicht even-wel is uyter-maten wit. 45 Het kon sijn frissche jeught, syn wel-gemaeckte leden Tot alderley gedans en alle spel besteden 5); In voegen dat het volck, en wie het maer en sagh, Sich van het aerdigh dier als niet versaden magh. Noch 6) kan de jonge maeght geen kleyne lust verwecken, 50 Als sy met haer gesangh de sinnen weet te trecken: Men vint dat hare stem een yders herte steelt, Wanneerse maer een reys een aerdigh deuntjen queelt Maer des al niet-te-min sy wil geen vuyle dingen, Sy wil geen dertel jock, geen slimme rancken 7) singen; 55 Haer mort is wonder heus, haer oir en sinnen teer, Al wat oneerlick 8) luyt en singhtse nimmermeer.
1) versieren 2) meisje 3) castagnetten 4) uiterlijk 5) gebruiken 6) ook 7) leelijke dingen 8) oneerbaar
[p.57]
Des heeftse by haer volck soo veel ontsagh gekregen, Dat sy het menighmael geleyt in beter wegen: En schoon dat hun de mont tot vuylheyt is gewent, 60 Men hoort geen dertel woort als sy'er is ontrent. En of oock al het rot 1) tot stelen is genegen, Sy straft het vuyl bejagh en isser heftigh tegen: En mits sy wonder veel met sangh en spelen wint, Soo is Majombe selfs tot stelen niet gesint. 65 Doch sood'er eenigh dingh by wijlen is genomen, Sy doet 'et aen den dagh en voor de lieden komen; Maer al door sneegh 2) beleyt en met een loosen vont, Soo datter niet een mensch en weet den rechten gront. Sy riep een van den hoop, en liet hem vaerdigh draven, 70 En liet, wat iemant stal, in eenigh velt begraven, En dat of by een boom, een hooght of kromme bocht, Ten eynde men het pant by teyckens vinden mocht. En wertse dan gevraeght op 't gunt'er 3) is gestolen, En wie het heeft ontvremt, en waer het is verholen, 75 Soo maecktse voor het volck een wonder vreemt verhael, In woorden sonder slot in onbekende tael Maer seyt dan op het lest, dat onder gene linden, Of aen den naesten bergh het goet is uyt te vinden: En als men dan het kraem 4) daer uyter aerden track, 80 Soo wast dat al het lant van hare wonders sprack. Doch sy wist boven al haer saken aen te leggen, Om aen de losse jeught geluck te konnen seggen; Het schijnt dat sy den gront van alle zielen kent, En schier wat yder mensch in syn gedachten prent.
1) bende 2) behendig 3) naar hetgeen er 4) voorwerp
[p.58]
85 Sy wist al wat'er loopt op 1) in de hant te kijcken, En hoe dat iemants aert kan uyt het wesen blijcken, En wat een kleyn, een groot, een puntigh hooft beduyt, En wat men uyt een oogh of ander lit besluyt. Oock uyt den neus alleen soo kanse gronden 2) trecken, 90 Waer heen dat yemants lust of gulle 3) sinnen strecken Want isse plomp, of scherp of hoogh, of bijster plat, Sy heeft van stonden aen syn aert daer uyt gevat. Sy wist, als op een draet, na mate van de jaren, Wat yder over-koomt en plagh te wedervaren, 95 En wat een teere maeght in haer gewrichte voelt, En wat een jonge wulp 4) ontrent den boesem woelt. Sy weet, gelijck het schijnt, de gangen van de sterren, Waer in het kloeckste breyn by wijlen kan verwerren: Sy weet en wat de Son en wat de Mane dreyght 5), 100 En waer toe sich het jaer en al den Hemel neyght. Een wie haer openbaert wanneer hy is geboren, Dien weetse by gevolgh syn leven na te sporen: Nu spreecktse wonder breet van druck en ongeval, En of'er yemant arm of machtigh werden sal. 105 Sy weet den levens-streep in yders hant te wijsen, Daer uyt een vremt gevolgh en groote dingen rijsen; Want is de liny recht en sonder krommen tack, Soo roemtse stage vreught en nimmer ongemack. Maer valtse dickmael scheef en in verscheyde bochten, 110 Soo wort hy dien het raeckt met droefheyt aengevochten. Indiense somtijts rijst, en dan eens neder koomt, Soo dient'er voor gewis een swaren val geschroomt.
1) betreft 2) zin, beteekenis 3) weelderig 4) jongeman 5) voorspelt
[p.59]
Sy gaet hier bijster hoogh, sy kent een yders wesen, Sy kan oock rijcken selfs uyt hant of vingers lesen: 115 En somtijts groot verlies, en somtijts grooten schat, En somtijts wel een galgh, of oock een schendig 1) rat. Sy wijst een vrijer aan, wanneer hem staet te paren, Een vrijster ofse veel of luttel heeft te baren. En ofse by den man sal wesen liefgetal 2), 120 Dan of hy buyten haer syn lust gebruycken sal. Dit meynt schier al het volck alsoo te moeten wesen; Soo dat haer laegen naem gansch hooge was geresen, En al vermits sy breet in desen handel weyt 3), En van het naer 4) geheym soo klare reden seyt: 125 Genaeckt men eenigh dorp daer weetse flucx te vragen, Hoe sich in haer bedrijf de meeste lieden dragen, En wie sigh daer ontgaet 5) in lust of dertel bloet, Doch meest wat over al de losse jonckheyt doet. En als sy gasten vint daer iet op valt te seggen, 130 Soo weetse na de kunst haer saken aen te leggen; Sy maeckt aen yder mensch syn feylen openbaer, Als of uyt syn gesicht het quaet te vinden waer. Wat sy van iemant weet dat veynst sy als te lesen Of uyt het oogh alleen, of uyt het ander wesen: 135 En dit noch al-te-mael met soo een gauwen streeck, Dat oock de sneeghste 6) man verwondert stont en keeck. Als haer een Juffer vraeght, wat man haar staet te trouwen, Sy kan het nieusgier volck gansch aerdigh onderhouwen; Sy spreeckt als door een wolck en noyt met open mont 7), 140 En al haer gansch beleyt dat heeft een loosen gront.
1) schandelijk 2) lieftallig, bemind 3) veel doet aan 4) duister 5) te buiten gaat 6) behendigste 7) duidelijk
[p.60]
Hoe oyt de sake valt sy kan het al verdrayen, Sy kan de gauste selfs met schijn van reden payen; En alsse dan een reys de rechte gronden treft, Dan isset dat men haer tot in de lucht verheft. 145 Men hielt dat sy gestaegh een geest met haer geleyde, Die haer als in het oir verholen dingen seyde: En mits dit al geschiet door soo een jonge maeght, Soo isset dat het spel hun des te meer behaeght. 't Geviel om desen tijt dat in dien eygen lande 150 Een jongh een aerdigh dier door jeught en liefde brande, En hy die haer het breyn en oock den geest besat 1), Was even als de maeght met hare min gevat, Maer daer en was geen raet om oyt te mogen paren, Vermits sy niet gelijck in goet of staet en waren; 155 De Juffer is te rijck, als maer een eenigh kint, Soo dat haer droeve vrient voor hem geen troost en vint. Giralde lijckewel die bleef tot hem genegen, En is om synent wil als sieck te bed gelegen; Maer seyt het niet een mensch wat haer van binnen schort, 160 Soo datse menighmael veel droeve tranen stort, Of schoon een ander lacht, sy kan geen vreughde rapen, Sy kan haer in den nacht niet geven om te slapen, Sy klaeght, en, zoo het schijnt, sy voelt gestage pijn, En desen onverlet 2) sy wil geen medecijn 3). 165 Haer vader niet-te-min die liet een doctor halen, Maer die gingh even-staeg 4) als in het wilde dwalen; Hy weet niet wat'er schort, hy weet niet wat te doen, Hy weet voor hare quael geen sap of heylsaem groen;
1) met wien zich al haar gedachten bezig hielden 2) desondanks 3) dokter 4) voortdurend
[p.61]
Hy staet als buyten spoor, en is geheel verlegen, 170 En al wat hy begint dat zijn bekaeyde wegen: Dies seyt hy, dat het quaet een langer tijt behoeft, En siet, hier is het huys ten hooghsten in bedroeft. Iuyst op dien eygen tijt soo quam'er Preciose, Op datse daer ontrent een goede plaets verkose 175 Voor haer en haar gevolgh, en voor het gansche rot; Dies wortse veel gesien ontrent het naeste slot. De vrouwe van het huys, bewust van hare saken, Wou door het aerdigh dier 1) haer dochter wat vermaken; En daerom sents'er om, en leytse voor het bedt, 180 En seyde: "Niemant weet wat dese vrijster let. Ghy, siet eens wat haer schort, en soo ghy weet te seggen Hoe wy dit selsaem stuck behooren aen te leggen, Mijn gunste, soete maeght, die sal u zijn getoont, En ghy van mijner hant ten hooghsten zijn geloont." 185 Daer vingh het geestigh dier de vrijster aen te spreken Met wonder soet beleyt en ongewoons streken; Het queelt een geestigh dicht, het speelt een [aerdigh liet; Maer wat het immer doet ten 2) baet de siecke niet. Als dit Constance merckt, sy gaet sich naerder setten, 190 Sy gaet in meerder ernst op alle dingen letten, Sy bid, dat al het volck wil uyt de kamer gaen, En sprack de siecke maeght in dese woorden aen: "Ey lieve, segh een reys (ick dien het toch te weten) Hebt ghy ontijdigh 3) fruyt of harden kost gegeten, 195 Of is u swacke maegh met suycker overlast, Of hebje by geval te langen tijt gevast? Of is u 't lijf verdraeyt van op de jacht te rijden,
1) meisje 2) het en 3) onrijp
[p.62]