Jacob Cats

Part 3

Chapter 33,792 wordsPublic domain

1) toegerust 2) saamgejaagd 3) kleur 4) redelijke taal 5) opmerkten

[p.33]

Ten wil geen menschespijs, maer niet als bloedigh aes; Het schopt de pap-pot om, het bijt die hem genaecken, 30 En wat de keucken schaft en kan hem niet vermaecken; Sijn wesen is verwoet, en bijster onbevreest, Het beelt gelijck een mensch, de reste maer een beest; Met vasten niet te min, tot op gesette tijden, En weder, als het dient, hem eten voor te snijden, 35 Soo wert het selsaem kint ten lesten noch getemt, Sijn wilde sucht verjaeght, sijn harden. aert gedemt 1). Hier dient voor al bemerckt en waer te sijn genomen, Hoe dat een mensche-vrucht is in het bosch gekomen, En door wat ongeval een redelicke siel 40 Tot bloet en rauwe spijs, tot beeste lusten viel: Eens als de koude lucht haer rijm begon te worpen 2), Soo was er schamel volck uit veelderhande dorpen Getogen in het bosch, gevallen in het wout, En kapte daer het viel, sijn noodigh winter-hout; 45 De wachters, die de sorgh van alle groene dreven, Van boomen, van het wilt, van haegen is gegeven, Sijn dapper in de weer, om even dit gewelt Te weeren van het bosch, te drijven uyt 'et velt; Soo haest sy mette stem maer aen het wout genaecken, 50 Soo kraemt een ieder op 3) en pooght hem wegh te maecken; Een deel laet in het bosch al wat 'er is gekapt, Een deel laet bylen selfs, om niet te sijn betrapt. Een vrou, die met haer kint was tot den houw 4) gekomen, Door onverwachten schrick ten hoogsten ingenomen 5), 55 Geeft sich met al het volck soo jachtigh opte vlucht,

1) verzacht 2) werpen 3) breekt ... op 4) het houtkappen 5) bevangen

[p.34]

Dat sy door grooten haest daer laet een teere vrucht: Sy gaet in desen angst een ruyme wijle dwalen, Tot nae een lange wijl de son begon te dalen, Doen keertse wederom, maer sy (eylaes!) en vint 60 Noch haer vergeten tuygh, noch haer verlaten kint, Stracx hier op naer het dorp, om vrienden, boeren, magen, Om ieder diese kent naer dit verlies te vragen; Sy roept 'et door het bosch, sy klaeght 'et alle man, Sy spreeckt de wachters selfs, maer niemant weet 'er van: 65 Hier over is de vrouw in groot verdriet geslagen, Haer man is ongesint 1), de rechter laetse dagen 2), En doet een hoogen eysch, en maeckt het wijf verdacht Haer kint met eygen wil te hebben omgebracht: Sy, van een kleyn beleyt, en kleynder van vermogen, 70 Is met haer droeven man in stilte wegh-getogen, En sedert haer vertreck en heeft men noyt verstaen, Waer dit verdrietigh paer te samen is gegaen: Dan, wat het kint belanght, men hout, op vaste gronden, Dat, als het van den wolf was in het bosch gevonden, 75 Het, na dier beesten aert en aengeboren kracht, Is in het duyster hol syn jongen toegebracht. (Veel schrijven dat het beest syn vreeselycke tanden Kan voegen na den roof, gelijck als menschen-handen, En dat het schapen zelfs kan dragen in den mont, 80 En evenwel het vee kan laten ongewont), Sijn jongen, soo het schijnt, te voren sat gegeten, En hebben op het kint niet happigh aen gebeten, Maer, door het voorigh aes ontsteken van den dorst, Sijn met een grooter lust gevallen aen de borst;

1) buiten zich zelf 2) voor zich roepen

[p.34_illustratie]

[Illustratie: TITELBLAD VAN HET "HOUWELICK" (naar een oude gravure).]

[p.35]

85 Hier meynt men dat het kint, als onder hen gelegen, De spenen van den wolf heeft in de mont gekregen, En dat hier uyt het beest, verweckt tot beter sucht, Het kint heeft aengeveert 1), gelijck een eygen vrucht. 't Is menighmael gesien, gelijck men kan betuygen, 90 Wanneer daer eenigh beest komt vreemde borsten suygen, Dat stracx het voetster-dier het suygelingh bemint, Niet als een vreemt gebroet, maer als een eygen kint; Siet, wat de borst vermagh! misschien om dese reden, Soo heeft de felle wolf het menschen-kint geleden 2); 95 Doch hoe het wesen magh, of wat 'er is geschiet, Men twijffelt aen de saeck en haere waerheyt niet; 't Is ja het eygen kint, dat, in het bosch gebleven, Had bij de seven jaer in 't wilde moeten leven, Dit blijckt eerst uytten tijt, die op den jongen past, 100 Maer dit bewijs alleen en ware niet te vast; Men weet op beter gront de saecke na te sporen, Om dat men aen het kint, juyst als het was geboren, Een selsaem overschot van kleyne leden vant, Ses teenen aen de voet, ses vingers aen der hant; 105 Dies als de gansche buert quam, met een groot verlangen, Het vreemde maecksel sien, wanneer het was gevangen; Soo wert er vast gestelt, dat hy de jongen was, Wel eer door ongeval verloren in het gras. Het kint, door goet beleyt van wreetheyt afgeweken, 110 Begon op d' achtste maent naer menschen aert te spreken, Ontdeckt 3) voor al het volck, hoe dat hy was gevoet, Met vlees van eenigh beest, of met geronnen bloet; Seyt mede, dat de wolf en alle wilde dieren Hem plegen over al te streelen en te vieren;

1) aanvaard 2) met rust gelaten 3) vertelt

[p.36]

115 En dat 'er nimmermeer een schaep en was gevat, Of dat hy met 'et beest oock van de bouten at. Ten lesten, als het kint vergat sijn vinnigh woeden, Soo woond'et in het dorp, en leerde schapen hoeden; 't Is neerstigh om de kost, en veerdigh over al, 120 En vlytigh in de weer, en yder lief-getal 1). Maer hoort een selsaem dingh: noyt schapen hem bevolen En worden aangeranst 2), of van het wilt gestolen, Geen beir, geen loose vos, geen dier van al het wout, En beet aen eenigh vee, den jongen toe-betrout; 125 Al wat hy metter hant maer eens en quam te raken, Dat sagh men nimmermeer by eenigh dier genaken; Men hout, dat om de kracht van sijnen wilden aert De kudde was bevrijt en voor het wilt bewaert: Dit bracht hem groote winst, want als de lieden sagen 130 Dat oock syn speecksel selfs was machtigh wegh te jagen De klaeuwen van den wolf, soo bracht hem ieder gelt, En kocht van sijner hant de vrydom van het velt; Dit bleef den jongen by geheele seve jaren, En doen is dese kracht allenxen 3) wegh gevaren, 135 Soo dat voortaen de wolf sijn ouden vrient vergat, En sonder onderscheyt van alle schapen at.

1) lieftallig 2) aangerand 3) allengs

[p.37]

UIT: SPIEGEL VAN DEN OUDEN ENDE NIEUWEN TIJT.

7. MEN NOOT GEEN ESEL OYT TE GAST, OF HY EN DRAEGHT'ER PACK OF LAST.

De esel spreeckt:

My seyd' een bode gister noen 1), Daer ick gingh treden in het groen, Dat ick te hov' ontboden was, En daer op scheyd' ick uyt het gras, 5 En gingh vast kneden in het stof, En gingh vast treden naer het Hof: Daer sagh ick eerst veel muylen 2) staen, Geciert en prachtigh op-ghedaen, Met veêren om den kop geset, 10 En al haer 3) tuygh geweldigh net: Hier by soo stont een moedigh peert, My docht, wel hondert kronen weert, Dat hadt een sadel op het lijf, Die stont van gout en peerels stijf: 15 Maer noch vernam ick even daer Ses peerden al van eenen haer 4), Die pronckten al gelijck een bruyt, En munten wonder aerdigh uyt, Een koets te trecken, sonder meer, 20 't Zy met een juffer of een heer; Daer in bestont geheel haer werck. Ick nam hier op mijn oogh-gemerck, En dacht: hier ben ick wel geraeckt, Hier word' ick mede groot gemaeckt, 25 Dewijl dat oock van mijn geslacht

1) middag 2) muildieren 3) hun 4) van dezelfde kleur

[p.38]

Hier iemant is in 't spel gebracht. Maer siet, ten 1) leed als geenen tijt, Daer quam 'er een, 't scheen my te spijt, Die leyde my vier sacken op: 30 En gaf my doe een harde schop, En riep, eylaes! 'k en weet niet hoe: Flucx, esel, nae den meulen toe. En kijck, daer was mijn hoop gedaen; Want ick moest flucx daer henen gaen, 35 Ick moest gaen torsen met verdriet, En 't Hof en gaf my anders niet, Ach, seyd' ick, dom en karigh dier! Wat maeck ick doch? wat doe ick hier? Men roept geen esel in het Hof, 40 Of iemant van gelijcke stof, Om eer, om vreught, of om gemack, Maer om te dragen eenigh pack. Dus ghy, die zijt van mijn geslacht, Schoon datj' in 't Hof eens wort gebracht, 45 Denckt niet om eer of om gewin, Beelt u geen hooge staten 2) in, Uw hoop is waen en enckel schijn: Een esel moet een esel zijn.

Men roept den esel niet te hove, dan als hy wat dragen moet.

1) het en (= ontkenning) 2) stand, waardigheid

[p.39]

8. DIE WEL EER TE HOOGE VLOGEN, VONDEN SICH WEL LICHT BEDROGEN.

Een arent als hy honger krijght, En uyter hooghten neder-sijght, En vint een schilt-padt of een sleck, Die grijpt hy veerdigh metten beck, 5 En voert hem, door een snelle vlucht, Tot boven in de blaeuwe lucht, Soo steyl en uytter-maten hoogh Als immer draeght een menschen oogh. Een die het spel van onder siet, 10 En weet de rechte gronden niet, Die hout 1) gewis in sijn gemoet Dat hy de schilt-padd' eere doet; Doch staet hy maer een weynigh stil, Dan siet hy waer het henen wil: 15 Want siet, die, mits sijn hoogen stant, Sach onder hem het gansche lant, En was daerom geweldigh trots, Die komt daer vallen op een rots, En breeckt dan op den harden steen 20 En huys, en huyt, en hals, en been: Soo dat hy weder over-geeft Al wat hy oyt gesopen heeft, En wort dan, in het openbaer, Tot spijse van den adelaer. 25 Hoe menigh wort 'er by het Hof Genomen uyt het laege stof, En hoogh getogen in de locht, Op dat hy laeger vallen mocht: Die hooger klimt als hem betaemt,

1) denkt, houdt het er voor

[p.40]

30 Valt laeger als hy heeft geraemt.

Van hoogh te gaen, en veel te mallen, Plagh menigh mensch in 't slick te vallen. Als 't geluck u lacht, Staet dan op de wacht. 35 Hoe hooger boom, hoe lager dal. Nae hooge vloeden, diepe ebben. Wie hooger klimt als 't hem betaemt, Die valt wel laeger als hy raemt.

9. WAT IS VAN GROOT OF TROTS, OF HOOGH? EEN MUGH STEECKT WEL EEN LEEUW IN 'T OOGH.

Koomt hier eens, vrienden al-te-mael, Koomt hier en hoort een vreemt verhael, Koomt, hoort een wonderbare daet, Daer op voor u te letten staet: 5 Al is de leeuw een moedigh dier, Al brant sijn oogh gelijck een vier, Al is sijn wesen wonder fel, Al is sijn sprongh geweldigh snel, Als is hy, jae, een machtigh beest, 10 Daer voor de gansche werelt vreest, Noch is een mugge wel soo stout, Hoewel de minste van het wout, Noch is een mugge wel soo koen Dat sy het beest komt hinder doen. 15 En dat niet met een slimmen greep, Of met een onverwachte neep 1);

1) kneep

[p.41]

Neen, neen, sy eyst haer vyant uyt, En maeckt daer toe een hel geluyt; En eer sy haer tot vechten set, 20 Soo steeckt het beesje sijn trompet; Het doet gelijck een dapper helt, Het geeft hem open in het velt Het steeckt den leeuw niet in de steert, Dat is niet eens de pijne 1) weert; 25 Het steeckt hem daer hy 't klaerste siet, Daer is 't dat het hem d' oorlogh biet; Het komt hem onder sijn gesicht, En vlieght hem in dat vyerigh 2) licht; En schoon hy dan geweldigh tiert, 30 En al de leden omme-swiert, En schoon hij dan gansch byster raest, En dampen uyt syn keele blaest, En schoon hy springht dan wonder hoogh, Het steeckt hem in dat vinnigh oogh; 35 Soo dat hy in het gansche dal Niet weet, waer hy hem keeren sal. Ick wou, dat alle trotsche liên Hier op met oordeel wouden sien, En leeren uyt der leeuwen pijn 40 Niet al te fier en moedigh sijn; Want siet, niet een soo grooten beest, Dat oock sijn minder 3) niet en vreest!

1) moeite 2) vurig 3) die minder is

[p.42]

10. KREPEL WIL ALTIJT VOORDANSEN.

Lestmael quam ick in een velt, Daer een yder was gestelt Tot een uytgelate vreught, Nae de wijse van de jeught; 5 Jonge lieden van het landt Songen, sprongen handt aen handt: Yder maeckte groot geschal, Yder was 'er even mal; Doch van allen was 'er een 10 Met een krom, een krepel been, Met een plompen, stompen voet, Die hadt veeren op den hoet, Die was voren aen den dans, Die was by den rosen-krans 1), 15 Die was om en aen de mey 2), Die was leyder van den rey; Wat men peep 3), of wat men songh, Krepel hadt den eersten sprongh: Al is Fop een rap gesel, 20 Al doet Heyn sijn dingen wel, Al leyt Jorden mooye Trijn, Krepel wil de voorste sijn. Maer al was dit in het velt, 't Is oock elders soo gestelt; 25 Want oock by de steedtsche liên Wort dit menighmael gesien: Veeltijts, wat 'er wort gedaen, Krepel maeckt hem voren aen; Krepel is een dapper man,

1) welke voor den besten danser bestemd is 2) meiboom 3) floot

[p.42_illustratie]

[Illustratie: Uit: Krepel wil altijd voordansen (bladz. 42) (naar een oude kopergravure)]

[p.43]

30 Schoon hy niet, als hincken, kan. Is 'et niet een selsaem dingh, Dat een losse jongelingh, Dat een onbedreven gast, Die het immers niet en past, 35 Veeltijts eerst syn oordeel uyt (Schoon het dickmael niet en sluyt), Eerst van alle dingh gewaeght, Al en is hy niet gevraeght; Eerst sal brengen aen den dagh, 40 Wat hem op de tonghe lagh! Vraeght 'er iemant, hoe dit koomt? Wyse lieden sijn beschroomt, Dat 'er iet mocht sijn geseyt Dat niet recht en is beleyt 1); 45 Daerom gaense traegh te werck, En al met een diep gemerck 2); Maer een geck vol losse waen Haest sich, en wil voren gaen; Daerom seyt men noch althans 3): 50 Krepel wil eerst aen den dans.

God beware my van iemant die maer één boecxken gelesen heeft.

Wie maer een boecxken heeft gelesen, Dat plach een wijsneus mensch te wesen. Hoe slimmer 4) timmer-man, hoe meerder spaenders. 55 Veel roemen met een dommen geest: Een ydel 5) vat bomt aldermeest. Hoe slimmer wiel, hoe meer het raest. Een penningh in den spaer-pot maeckt meer geraes [dan als hy vol is.

1) overdacht 2) nadenken 3) nu nog 4) slechter 5) leeg

[p.44]

Hy is een geck, | Dat, om zijn mal 60 Die zijnen beck | En los geral 1), Soo klappen laet, | Hem yder haet.

UIT: TROU-RINGH.

11. SOET VERDRAGH VAN PHILETAS EN PSYCHE.

Een jongh en aerdigh paer, een weynigh tijts geleden, Was, na een langh gevry, in echten staet getreden. De tijt doet haren gangh, de bruyloft is gedaen, De vrienden zijn verreyst en hares weeghs gegaen. 5 De nieu-gepluckte bloem, niet lange na de dagen Dat sy den maeghde-krans niet meer vermocht te dragen, Die nam haer nieuwen vrient soo wat ter zijden af, Daer sy hem ondergingh 2) en dese lesse gaf: "Phileta (sooje weet) wy zijn nu echte lieden, 10 En moeten by gevolgh verschil en onlust vlieden; De vreed' is voor de vrou, en even voor de man, Het beste dat men oyt ten echte brengen kan. Ick wil in dit beleyt mijn kracht en jonge leden, Ick wil tot ons gemack mijn gansch vernuft besteden; 15 Ghy, tracht, gelijck als ik, tot ons gemeene rust, Soo wert ons 't huysgesin tot enckel herten-lust. Wel aen nu, tot een gront van dit geluckig leven, Wil ick, tot uw bericht een nutten regel geven, Ick bidde let 'er op. Want sooje dat betracht, 20 Soo wort ons gansch bedrijf in goeden stant gebracht: Ick heb een selsaem hooft, en dickwils losse vlagen, Die somtijts verre gaen, en niet en sijn te dragen;

1) geraaskal 2) aanklampte

[p.45]

Maer wie slechts voor een wijl mijn luymen vieren kan, En kryght 'er nimmermeer verdriet of hinder van: 25 Siet als mijn schorte-kleet is uyt sijn plaets geweken, Of dat het metter hant ter zijden is gestreken; Soo weet dat my de schroef dan niet te vast en staet 1), En let dat ghy voor al mijn luymen gade slaet. Weet ghy dan mijn gebreck een weynigh toe te geven, 30 Wy sullen met vermaeck en in gerustheyt leven; Wy sullen buyten twist verslyten onse jeught, En leven onder een als in gestage vreught." Philetas hoort 'et aen al wat hem Psyche seyde, Het schynt dat hy haer woort als aen syn herte leyde; 35 En naer hy sich hier op een weynigh had bedacht, Soo heeft hy met bescheyt 2) sijn antwoort in-gebracht: "Het is my, waarde lief, een wonder groot behagen, Dat ghy de gronden leght voor onse goede dagen; Ick wil u weder zijn een soet en rustigh man, 40 En brengen tot het werck al wat ick immer kan. Ick heb van u verstaen en wil het over-wegen, Hoe dat in uw gemoet de saken zijn gelegen, Ick wil u van gelijck ontdecken mijnen aert, En 't is de rechte wegh om wel te zijn gepaert. 45 Ick heb een vijsen 3) kop en wonder vreemde kueren, Soo dat 'er niet een mensch by my en kan gedueren 4); Maer wie mijn grillen viert 5), of handelt met bescheyt, Die siet den wrock versoent, en haestigh af-geleyt. Maer, op dat ghy verstaet wanneer ick ben te mijden, 50 En hoe dat met gedult mijn rancken 6) zijn te lijden,

1) dat ik niet te best gehumeurd ben 2) verstand 3) eigenzinnig 4) uithouden 5) toegeeft 6) grillen

[p.46]

Soo let op dese peyl 1): De roos van mijnen hoet Sal u een teycken zijn, wanneer ghy swichten moet. Als die niet recht en staet, dan heb ick vremde grillen; Siet dan mijn hevigh 2) breyn met alle macht te stillen: 75 En soo ghy dat besorght en hier op vlijtig acht; Soo word' ick metter daet in beter stant gebracht." Hier op wert onder hen een soet verbont gesloten, Bevestight door een kus, en met den wijn begoten; Een yder die belooft te passen op het stuck, 60 Op dat haer stil gesin mocht wesen buyten druck. Maer let, hoe dat het volck den wegh hier toe bereiden, En hoe sy nader-hant haer saken over-leyden. Soo haest het vrouwen-kleet is scheef en buyten stant, Soo haest was oock de roos verdraeyt en over kant. 65 Want als Philetas sagh, dat Psyche sou beginnen Te stellen in het werck haer ongetoomde sinnen, Sijn geest was in de weer, sijn bant die wert verset, En soo wert alle twist van stonden aen belet. De vrou in tegendeel had staegh het oogh geslagen 70 Op sijn verdraeyden hoet en sijn verkeerde vlagen Sy viert hem watse magh, en hy verschoont het wijf, En soo blijft yder een gerust in sijn bedrijf. Wel aen dan, wieder is in echten staet getreden, Die prent in sijn gemoet den gront van dese reden: 75 Ghy vrouwen eert den hoet, ghy mans het vrouwe-kleet, Soo blijft het huys gerust en buyten alle leet.

1) kenteeken 2) opgewonden

[p.47]

12. GEBRECK GENESEN, OM EEN HOUWELICK TE VORDEREN 1).

Ontfanght oock dit verhael, ô soete jonge lieden, Dat u mijn swacke pen hier aen bestaet te bieden: 't En koomt niet uyt een lant dat naeu geen menschen kent, Het is een nieu geval, dat Hollant over-sent. 5 Ghy mooght 'et als geschiet en voor waerachtigh lesen, Het machtigh Amsterdam sal des 2) getuyge wesen: Want binnen haer begrijp 3) daer is het stuck geschiet, Dat ghy hier in de plaet of in de vaersen 4) siet. Jefron, een hups gesel, die gingh, met rijpe sinnen 10 En naer 5) een langh beraet, de soete Rachel minnen. Het stuck is wel gevat, sy waren beyde rijck, Heus, eerbaer, wel befaemt, en schier in all's gelijck. Daer is maer één verschil: sy komt met vaste schreden En recht gelijk een kaars en vaerdigh, aengetreden; 15 Maer siet, de vryer hinckt, wanneer hy pooght te gaen, En 't stont van eersten af de vrijster qualick aen. Jefron was over langh 6) en in sijn jonge dagen, In 't hollen van een dijck, gevallen metten wagen; Soo dat hier uyt ontstont een droevigh ongemack, 20 Vermits dat hem het been ontrent den schenkel brack. De meester 7) (soo het bleeck) aen wien het wert bevolen, Was vry al wat te vroegh gekomen uyter scholen; Hy bracht niet soo het dient de stucken over een, En daerom hielt de vrient een slim en krepel been.

1) bevorderen 2) daarvan 3) gebied 4) verzen 5) na 6) lang geleden 7) heelmeester

[p.48]

25 Jefron noch even-wel en gaf het niet verloren, Maer hout geduerigh aen de Vrijster na te sporen 1); En, schoon hy krepel gaet, des echter niet-te-min, Hy krijght haer vaders gunst, en wint des moeders sin. De vrijster is voortaen voor hem alleen te winnen; 30 En daerom hout hy aen als met de gansche sinnen: Doch schoon hy aen dit werck syn gansche krachten hingh, Hy blijft gelijck hy was, en vordert niet een dingh. Hy doet al wat hy kan, en wat de vryers plegen: Doch sy noch even-wel en liet haer niet bewegen. 35 Hy bid, hy smeeckt, hy vleyt, hy gaet haer deftigh 2) aen; Maer wat hy nam ter hant, hy wies den Moriaen. Ten lesten stelt hy vast en wil haer naerder proeven, Of sy tot scheydens toe syn herte sal bedroeven; Dan of hy voor het lest, na menigh ongeval, 40 Op haer vervrosen 3) hert nog iet gewinnen sal. Hy gaet haer weder aen, en seyt, met lange reden, Al wat hy heeft gedaen, en wat hy heeft geleden, Na soo een lange wijl en soo geruymen tijt, Als hyse met verdriet ter eeren heeft gevrijt: 45 "'t Is eenmael langh genoegh van dese saeck gesproken, En mijn bedroefde ziel met langh verdriet gebroken; Vergunt my nu een reys, dat ick eens weten magh, Mijn hoogste ziel-verdriet, of mijn gewenschten dagh. Waerom sal ick voortaen in twijfel blijven hangen? 50 Ghy weet mijn innigh leet en mijn bedroeft verlangen; Ghy weet, hoe mijn gemoet na weder-liefde dorst; Maeckt hier een einde van, en spreeckt eens uit de borst.

1) loopen 2) ernstig 3) bevroren

[p.49]