Jacob Cats

Part 2

Chapter 23,897 wordsPublic domain

In 1632 verscheen een nieuwe bundel zinnebeelden van Cats' hand met vele aardige plaatjes: "Spiegel van den Ouden ende Nieuwen Tijt," een geweldige verzameling van lessen en spreuken op _allerlei_ gebied, men kan het zoo vreemd of zoo gewoon niet bedenken. Hier stond nu letterlijk alles in: dit was huis en kerk, school en krant, schoolmeester en dokter, handleiding voor op reis en voor de jacht, voor etiquette, voor zaken, voor het beleggen van renten, voor sollicitanten naar alle mogelijke ambten; ook een gezondheidsleer en een volledige medicijnkast voor mensch en dier bevatte deze bundel; kortom, het was de _encyclopaedie voor het huisgezin_, de vraagbaak voor iedereen op elk gebied. Duizendvoudig weerkaatste zich hierin de wereld, en het is vooral hieruit, dat velen zich de korte en kernachtige gezegden te binnen roepen, die passen op de omstandigheden. Veel verhalen vindt men hierin niet, maar enkele aardige parabels treft men b.v. aan in het derde deel, zooals van den _ezel_, die hoort dat [p.17] hij naar het hof moet en denkt 't werk te mogen doen van een paard en ten slotte toch maar weer ... zakken te dragen en schoppen krijgt; verder die van den _schildpad_, zoo trotsch omdat een arend hem meeneemt hoog in de lucht, maar ... op de rots te pletter wordt gesmeten en opgegeten; dan van een _mug_, die hoe nietig ook, toch den fieren en geweldigen leeuw wel in het oog steekt en hem zoodoende groot ongemak bezorgt; ten slotte van _Krepel_, die met zijn kreupel been en paardenvoet notabene vooropgaat, als de jongelieden oprijzen voor den dans.

Toen in 1637 Cats' Trou-Ringh verscheen, die eigenlijk heette: "'s Weerelts begin, midden, eynde, besloten in den Trou-Ringh, met den proefsteen van denselven," was hij door zijn Houwelick en Spiegel al een zeer populair dichter. Maar zijn berijmde novellenbundel Trou-Ringh heeft die populariteit nog sterk vergroot. En dat kwam vooral, doordat Cats hiermee het _romantische hart_ van zijn landgenooten trof. Het boek is Cats' uitgebreidste werk: tellende een kleine dertigduizend verzen! Deze Hollandsche Decamerone is nochtans vele malen op de pers gelegd, en in tienduizendtallen exemplaren in de zeventiende eeuw verspreid. En dat voor zoo'n kleine natie als de onze was -- 't is ongelooflijk, maar waar! Cats heeft zich zelven in dit boek overtroffen: een schat van verhalen, groot en klein, ernstig of guitig, onschuldig of ondeugend, ja soms meer dan pikant, van de vroegste tijden, uit den Bijbel of de klassieke oudheid, uit eigen tijd ook niet te vergeten -- dat was juist het leukste voor die brave Hollanders: een Zeeuwsch huwelijk of een Hollandsche historie! -- en ten slotte het "Geestelick Houwelick." Zoo zien we het boek afgedeeld in vier [p.18] "Stucken", met vijftien groote novellen en nog een groot aantal kleinere. De dichter begint natuurlijk met het "Gront-Houwelick", nl. van Adam en Eva; dan volgt het "Houwelick van Drien", n.l. van Jacob met Leo en Rachel. Aardig is ook de Maagdenroof der Benjamieten. In het tweede deel denken we aan het "ongelyck houwelick van Crates en Hipparchia", anders gezegd een mésaillance; verder aan het huwelijk uit medelijden door een Italiaansche jonkvrouw, en het huwelijk tusschen Cyrus en Aspasia. Het derde deel vermeldt o.a. de verdichte liefdegeschiedenis van Keizer Karel de Groote 's dochter Emma met zijn secretaris Eginhard; verder die tusschen een Spaansche edelman en een heidinnetje; dan volgen nog de geschiedenissen van Marcus Antonius en Cleopatra, en van Rhodopis. In het vierde deel parafraseert Cats tamelijk wijdloopig het bekende Hooglied van Salomo. Wij noemden hier maar enkele van de vele. En wij kozen er vier uit, waarvan er drie nog niet genoemd zijn: het _Soet verdragh van Philetas en Psyche_, die huwden en, om krakeel te voorkomen, een uiterlijk kenteeken afspraken, indien de een of de ander niet al te best gemutst zou zijn; Psyche zou in dat geval haar schortje op zij hebben hangen, en Philetas de roos op zijn hoed scheef zetten. Dan kozen we: _Gebreck genesen, om een houwelick te vorderen_, waarin een hinkende vrijer zóóveel van een meisje houdt, dat hij zich door een chirurgijn het been laat breken, om het weer goed te krijgen en alzoo recht van lijf en leden voor zijn aangebedene te verschijnen. Het verhaal _Hollants Trou-bedrogh_ onlanghs voorgevallen, is van Leander, die Rosemont bezweert, hem te nemen, anders ... zal hij zich verdrinken. Zij weigert toch, en hij doet, alsof hij [p.19] zich verdrinkt! Nu is ze zoo beangst voor zijn leven, dat ze toestemt. En het _Selsaem trou-geval tusschen een Spaens edelman ende een Heydinne_, een verhaal geschreven door den beroemden Spanjaard Cervantes, is de geschiedenis van het dochtertje van een Spaanschen gouverneur, dat door een oude zigeunerin gestolen wordt en in haar troep opgroeit, daar natuurlijk allerlei geheime en geheimzinnige kunsten leert, waarmee ze den kost verdient. Jaren later wordt een Don verliefd op haar, en wel zóó, dat hij huis en hof en stand verlaat, om in den zigeunertroep te worden opgenomen. Hij moet nu een "proeftijd" doormaken, en welk een! Want ook dan is het mooie "zigeunermeisje" nog niet ten volle gunstig voor hem gestemd. Eerst als een Murciaansche dame verliefd wordt op hem en door een list hem in handen der justitie weet te spelen, nadat hij haar gunst smadelijk heeft afgewezen, ontwaakt de sluimerende genegenheid. En het eenige middel, om den edelman-zigeuner van den strop te verlossen, vindt de oude zigeunerin: zij reist naar de ouders van het eens-geroofde meisje en vertelt hun alles. Dezen, ontroerd en overtuigd door zekere bewijzen, brengen alles tot een goed einde, zoodat er heel wat gelukkige menschen opeens worden gemaakt.

Uit Cats' "Ouderdom en Buytenleven" kozen wij nog twee verhalen, die van _Turani_ en van _De smaragd_. Turani was een Romeinsch staatsman, die zóó gehecht bleek aan zijn openbare ambten, dat, toen hem op hoogen ouderdom door den Keizer met veel plichtplegingen werd aangezegd nu zijn rust maar te nemen, hij zich hield alsof hij gestorven was, en ook zoo deed! Zoo bereikte hij zijn doel: de Keizer, die de grappen omtrent het levend-dood zijn van zijn trouwen dienaar [p.20] niet goed kan hebben, herstelt Turani in al zijn waardigheden. Wij zagen hierboven reeds, dat Cats wel iets van dien Turani had, al gaat hij ook te keer tegen menschen, die zoo vasthoudend zijn aan hun aardsche eer en goed!

De smaragd is het verhaal van een Egyptisch hoveling, die geplaagd werd door al te veel ... voorspoed en, hiertegen gewaarschuwd door zijn vorst, zijn prachtigen ring met een smaragd in zee werpt, tevens verzoekende aan de godin van het geluk, hem nu ook eens voorbij te gaan. Maar, een visch slokt den ring op, en die visch komt, heel toevallig, op 's vorsten tafel. Deze legt het uit ten ongunste van zijn vriend, en verbant hem van zijn hof. En nauwelijks buiten de grenzen van het rijk, wordt hij gevangen genomen door een wreeden vijand, die hem laat ophangen. Verlang dus nooit, is Cats' uitspraak, zoo zeer naar geluk en voordeel, want deze storten een mensch heel dikwijls "als in een vollen rouw."

Ook in Cats' "Tachtigh-jarige Bedenckingen", op hoogen ouderdom dus nog geschreven, vindt men een massa kortere en langere verhalen, die dienen moeten om aan te toonen, hoe men zijn driften en gebreken kan leeren beheerschen en genezen. Onze keuze zou dus nog aanzienlijk kunnen worden uitgebreid!

We hopen evenwel, dat wat hier gegeven wordt voor velen een aanleiding moge wezen, zich eens in den gemoedelijk-romantischen Cats te verdiepen, zich eens vriendelijk door dien belezen grootvader te laten betuttelen, omdat hij zoo precies weet, wat en wie de mensch is, en omdat hij zoo ronduit en zonder er doekjes om te winden, dit alles zijn lezers onder den neus wrijft!

KAMPEN, Februari 1920. V.

1) n.l. te Zieriksee.

[p.21]

UIT: MENGELDICHTEN.

Leersame Fabulen.

1. VAN DEN LEEUW EN MUYS.

't Is onlanx dat een kleine muys, Gekropen uyt haer duyster huys, Quam loopen in een lustig dal, En daer ontmoet haer dit geval: 5 Sy, en haer mackers wel gevoedt, Die sprongen met een bly gemoedt, Die sprongen hier dan weder daer, En maeckten wonder groot gebaer. Een spronck'er op een moedigh beest, 10 Dat oock by menschen is gevreest, Een dier dat dieren koninck hiet, En over al het wilt gebiet; Een leeuw, al lagh hy vast en sliep, En in de rust vermaken schiep, 15 Wert door het dertel spel geweckt, En schoon al lagh hy 1) uytgestreckt, Soo was hy echter byster gau, Hy greep het muysjen met de klau, Hy neep het met syn felle poot; 20 Siet daer het beesjen in den noot, En t'wyl het beesjen leyt en sucht, Zyn al syn mackers wech gevlucht; Het dier dat niet en kan ontgaen, Dat leyt' et op een bidden aen

1) ofschoon hij lag

[p.22]

25 O Prince 1) van het gantsche wout! Al waer sich eenigh wildt verhout 2), Ick heb misdaen, en ick beken, Dat ick de doot u schuldigh ben: Maer 't is geen eere voor een vorst, 30 Dat hy naer bloet en wrake dorst; Dies bid ick: laet my weder gaen, Ick sal tot uwen dienste staen, Ick sal u prysen over al, Waer dat ick immer komen sal; 35 Oock is het somtijts wel gesien, Dat even maer geringe liên, Dat somtijts oock een slechten bloet 3) Aen groote Princen voordeel doet. De leeuw, die sagh het beesjen aen, 40 En dat sijn oogen treurigh staen, En dat het droeve tranen schreyt, En dat het soete dingen seyt; Dies, schoon al is hy wonder fier, Bewogen door het kleyne dier, 45 Ontsluyt sijn poot, en laet'et uyt; Daer loopt het muysjen in het kruyt, En huppelt door het jeughdigh gras, Vermidts het soo ontkomen was. 't Geviel als geenen tijdt hier naer, 50 De leeuw die quam in groot gevaer: Hij werdt verstrickt in seker net, By snege 4) jagers uytgeset; Dies is het beest geheel bedruckt, En schier als in het graf geruckt: 55 Maer hoe de leeuw te feller woelt,

1) vorst 2) ophoudt 3) eenvoudig schepsel 4) handig

[p.23]

Hoe dat hy meer de stricken voelt, Daer hyght, en tiert, en sucht de leeuw, En maeckt een bijster vreemt geschreeuw, En huylt byna een ure lanck, 60 Tot Echo gaf een wederklanck; Maer niemant quam het dier te baet, En daerom weet hy geenen raet. De muys, die door de bossen liep, En in het groen haer vreughde schiep, 65 Verneemt ten lesten dit getier. En na het scheen, sy kent het dier; Sy quam daer sy den handel 1) sagh, En hoe de leeuw gevangen lagh, Ja, over al soo vast geset, 70 Gelyck een mugh in 't spinne-net; De muys des echter niet-te-min, Die komt 'er by en springht 'er in, En knaeght met soo een stage vlijt, Dat sy de leeuw, in korten tijt, 75 Maeckt van de strenge banden vry; Dies was het beest geweldig bly, En seyde: muysje, grooten danck! Ick sal, mijn leve dagen lanck, U houden voor mijn beste vrient, 80 Want ghy hebt gunst aen my verdient. De muys die seydt hem weder dit: O vorst! die al het Wout besit, Leert nu van my op desen dagh, Dat oock een muys u baten magh; 85 En mits ghy desen handel siet, Veracht de kleyne dieren niet!

1) zaak, toestand

[p.24]

2. VAN DE MUYS EN KICKVORS.

Hier voortijts rees 'er groot verschil, Ter saecke van een groenen hil 1), Die in het water was gegront: Maer dichte by den oever stont. 5 De velt-muys seyde menighwerf, Dit was syn goedt, syn eygen erf De kickvors gingh 'er tegen aen, En dreyght den muys daer uyt te slaen Hier daeght de muys den kicker uyt, 10 Te vechten in het groene kruyt. De kicker pluckt een lange bies, Die by of aen den oever wies, De veltmuys is oock geensins bloô, Sy maeckt een lans van roggestroo, 15 En nam een meer-bladt tot een schilt, Een teycken dat se vechten wilt, Daer gingh de krygh geweldigh aen, Daer gingh het wacker op een slaen: Nu, scheen het, hiel de muys het velt, 20 Dan was de kicker meerder helt; Men twijfelt door het gantsche dal, Wie dat verwinner blijven sal. Maer in het heetste van de strijt, Als yeder toont syn meeste vlijt, 25 Ey siet, een wouw, met snelle vlucht, Gevallen uyt de blauwe lucht, Die greep de vechters by den kop, En viel 'er met de klauwen op, Ja, bracht se, sonder langh gedrael,

1) hoogte

[p.25]

30 Haer jongens 1) tot een middagh-mael. Wel let, o Princen al gelijck! Een yeder op syn eygen rijck Ey, neemt uyt onbedachte waen, Geen hart verschil of oorlogh aen; 35 Krijght oock met uw gebueren niet, Want dat baert veeltijts groot verdriet; Want yemant grooter daer ontrent, Aen wien uw onmacht is bekent, Kan hem 2) licht voegen in den strijt, 40 Als ghy verswackt en moede zijt, En vallen u dan op het lijf, En nemen, al tot tijt-verdrijf, Ja nemen 't uwe bey gelijck, En voegen 't by sijn machtigh rijck, 45 Soo datje niet alleen en mist Al dat, waerom ghy hebt getwist, Maer oock uw eygen boven dien; En dat is meer dan eens gesien. Nu, vorsten van het Christen-rijck! 50 Ghy wordt gebeden al gelijck, Niet meer te krijgen onder een, Maer pays te maecken in 't gemeen; Op dat het jock 3) van Mahomet Niet breeder uyt en wert geset, 55 Gelijck, door enckel onverstant, Soo menigh rijck en machtigh lant. Het Christendom is afgeruckt; Want 't heeft den Alcoran 4) geluckt, Om dat men hier gedurigh vocht, 60 En hem geen afbreuk doen en mocht.

1) jongen 2) zich 3) juk 4) de Koran (voor: de Islam)

[p.26]

Nu Godt, de rechte vrede-vorst, Die na geen bloet oyt heeft gedorst, Die gev' u een eendrechtigh hert, Op dat het namaels beter wert!

3. VAN EEN POMPOEN EN EYCKE.

Een boer, in seker tuyn gegaen, Vont daer een deel pompoenen staen; Hy sagh, hoe dat het bol gewas Gantsch dick en opgeswollen was, 5 En dat het loof, en yeder tack, Was teer en voos en bijster swack; Hy sagh tot 1) syner rechterhant, Daer stont een eycken boom geplant, Die geen soo sware vruchten droegh, 10 Maer kleyn gewas dat niet en woegh 2). Hier vaert de man geweldigh uyt: Siet daer een dinck dat niet en sluyt! Een vast, een dick, een machtigh hout, Wel 't hardtste van het gantsche wout, 15 Dat stijght tot boven in de lucht, Draeght maer alleen een kleyne vrucht; En siet, een kruyt van geender macht, Dat brenght ons voort soo swaren dracht! Terwijl hy dit in gramschap seyt, 20 En met den hemel staet en pleyt, Een eyckel, boven uyt den top, Die valt den kinckel op den kop, En maeckt een put in synen hoet;

1) aan 2) woog, gewicht bezat

[p.26_illustratie]

[Illustratie: Uit: Van een pompoen en eycke (bladz. 6) (naar een oude kopergravure).]

[p.27]

Des soo verschiet syn innigh bloet 1), 25 En hy seyd': Godt, vergeeft 'et my! Ick spreke los en al te vry, Ick spreke tegen uw beleyt, En dat ick segh heeft geen bescheyt; Want had'et na myn sin gegaen, 30 Het ware nu met my gedaen; Eylaes! myn onbesuyste hooft, Dat ware van syn breyn berooft; Ich lage met de neus in 't zant, Alleen door enckel onverstant. 35 De mensch is dickmael soo gestelt, Soo wel, in stadt als op het velt, Dat hy verscheyde dingen siet, En 't meerendeel en prijst hy niet; Het schijnt, indien hy scheppen mocht 40 De hemel met de gantsche locht, En 't aertrijck en het jeughdigh groen, Hy zoud 'et vry al beter doen. Ghy, stof en asch! ghy, aerden pot! Ghy, oordeel vellen over Godt! 45 Die noyt ter deegh heeft ondertast, Een hayr dat aen uw leden wast. Ghy, segh ick, die noyt kleine mier, Noyt hebt doorgront het minste dier, Soudt ghy berispen Godes werck? 50 Het minste dinck is u te sterck. Ey lieve, 't is een quade slagh, Die noyt een mensche plegen magh.

1) zijn bloed van binnen

[p.28]

4. VAN HET RIET EN EYCKEN-BOOM.

Een omgewayden eycke-boom, Quam drijven met een snellen stroom, Quam drijven in het groene riet, Gewassen aen de gulle 1) vliet, 5 En siende, dat het dun gewas Niet van den wint beschadight was, Soo sprack terstont dit eycken hout: Ik ben geslingert uyt het Wout, Ick ben getrocken uyt den gront, 10 Hoe vast dat ick gewortelt stont, Ick ben met krachten neêr gedruckt, En in der haest daer heen geruckt En ghy, een swack een tanger 2) kruyt, Dat hier ontrent den oever spruyt, 15 Staet fris en weet van geen verdriet; Ey! segh my doch hoe dit geschiet. De riet-bos loegh 3) om dit gespreck, En seyd': ick weet een beter treck 4), Als hooge boomen uws gelijcks, 20 En dat alleen vermits ick wijck, Vermits ick buygh, en duyck, en nijgh, Tot dat ick beter weder krijgh; Maer ghy zijt hart en bijster trots, En staet gelijck een stege 5) rots. 25 En of al schoon 6) een Noorden wint Op eerden sijn gewelt begint, En dat hy fel en vinnigh blaest, En door de groene bossen raest,

1) snelstroomende 2) tenger 3) lachte 4) praat, verhaal 5) onbeweeglijk 6) ofschoon al.

[p.29]

Ghy past 1) niet op sijn groote macht, 30 En toont dat ghy hem niet en acht; En daerom wordt hy bijster gram, En valt dan op uw dicken stam, En schudt uw tacken met gewelt, Tot hy u plat ter aerden velt: 35 Daer light dan uw verheven boom, En wordt een speeltje voor de stroom, En krijght daer op een schamper jou 2), Vermits hy niet eens bucken wou. Ghy, vrienden, wie je wesen meught, 40 Weest buyghsaem, 't is een nutte deught, Soo dat schier al de werelt sucht, En als het dondert in de lucht, Dan buyght u, buyght gelijck een riet, Soo valt op u het onweêr niet.

UIT: HOUWELICK.

5. CELADON EN GALATHEE.

Geen noot moet eenigh man van sijn geselschap scheyden, Geen druck en moet het wijf van haren hoeder leyden, Geen harde slavernij, geen onverwachten rou En magh een vroom gemoet verswacken in de trou. 5 Dit hebben soo betracht veel welgevoegde paren, Die, met een rechte sucht, ten vollen eenigh waren; Veel kan op dit geval hier worden by gebracht, Maer één beleefde 3) daet is weert te sijn bedacht

1) let 2) schimp 3) prijzenswaardig

[p.30]

Een herder uyt het wout, terwijl hy aen der heyde 10 Sijn jonge geyten dreef, sijn oude schapen weyde, Sagh van een hoogen berg, sagh in het lage dal, Sagh onder aen de strant een droevigh ongeval: Daer was een seker schip met roovers aengekomen, Die hadden Galathee sijn vrouwe weggenomen, 15 Oock eenigh ander volck, dat onder aen de zee Was vlijtigh aen het werck, en wies het jonge vee De droeve Celadon, die sijn geselschap kende, En sagh hoe al het volck sich van den oever wende Sloegh op sijn droeve borst, en sagh den hemel aen 20 En seyde: "lieve God, wat dient 'er nu gedaen?" Hy geeft hem 1) naer de zee, de tranen op de wangen En riep: "hou vrienden, hou! hier is al meer te vangen En scheyt niet van de wal, tot dat 'er volle vracht Is op het lant gerooft, en aen het boort gebracht. 25 Ghy hebt myn echte deel 2), van Gode my gesonden, En scheyt, dat reyne sucht te samen heeft gebonden. Ghy scheyt het beste paer dat oyt het echte bet, Dat oyt den hemel selfs te samen heeft geset. Ey lieve, waerom dat? ey, laet ons weder paren 3), 30 Soo magh uw snelle barck geluckigh henen varen; Niet, dat ick weder eysch mijn lieve Galathee, Maer wensch benevens haer te varen over zee. Neemt my oock in den boot, al moet ick dapper roeyen Of harder dienst begaen, ten sal my niet vermoeyen: 35 Neemt my oock in den boot, een kloeck, een rustigh man Die met een vollen wil een slave wesen kan; Neemt my oock in den boot, al moet ick sijn geslagen En dienen evenwel, ick sal het willigh dragen,

1) begeeft zich 2) huwelijkspand 3) samenzijn

[p.31]

Ick sal het willigh doen: neemt my oock in den boot, 40 Of sooje niet en meught, soo schenckt my dan een loot 1)!" Dit seyde Celadon, en gaf hem in de baren, En bad al even-staegh om meê te mogen varen; De roovers sijn verbaest dat iemant tranen schreyt, Om vast te sijn geboeyt, en wegh te sijn geleyt. 45 Na langh en droef gepragh 2), men laet hem naerder komen, Men wijst hem na den boot, daer wort hy in genomen, En, als de rouwe jeught sijn handen binden wou: "O, bint my, sprack de man, aen mijn geminde vrou! Een knoop van soete min heeft my en haer omvangen, 50 Laet hier oock éénen bant op onse leden prangen!" Hy bid noch andermael, en biedt sijn rechter-handt, En geeft hem mette vrou gewilligh aen den bant. Het schip doet sijnen loop, en snijt de soute baren, En komt in korten tijt te Thunis aengevaren; 55 Daer wort het lieve paer den koninck voorgestelt, Den koninck alle dingh van eersten aen gemelt. De vorst die prijst de daet, besiet de jonge lieden, En toont met sijn gelaet haer gunst te willen bieden; Hy laetse metter daet verlossen uyt den bant, 60 En maeckt van Celadon sijn eygen lijf-trouwant 3). De trouwe wort geloont 4), en hy, die aen der heyden Een bock, een schaep, een kalf, een geyte plagh te weyden, Is hoeder van den prins, niet sonder grooten lof, En, voor een vuylen stal, geniet het lustigh hof.

1) schiet mij dan maar dood 2) gesmeek 3) trawant 4) beloond

[p.32]

6. DE WOLFSJONGEN.

Veel adels uyt het hof, veel ridderlicke mannen, Veel herders uyt het wout, te samen aengespannen 1), Gaen jagen opten wolf, die met een fellen tant Verscheurde wat hy vont in al het platte lant; 5 De tocht gaet dapper aen: een deel verwoede dieren, Gedreven uyt het bosch, door roepen en door tieren, Vervallen 2) op een hoeck, daer menigh warre-net Staet listigh uytgebreydt, en na de kunst geset: Hier staen de jagers vast om dit gebroet te quellen, 10 Hier siet men menigh beest ter aerden neder vellen, Een wreede wollevin, wel van de grootste slagh, Vocht daer een lange tijt, tot datse neder lagh; Hy, die het monster treft, vint sich in haest besprongen Niet van een ander beest, maer van een naeckten jongen, 15 Out, soo het schijnen mocht, ontrent de seven jaer, Die huylde door het bosch, en maeckte vreemt gebaer; Hy was van bruyne verw 3), en toond' een selsaem wesen, Syn haer door al het lijf als borstels op-geresen, Syn nagels, wonder lanck, syn stemme bijster wreet, 20 Men hoord een luide galm, maer echter geen bescheet 4). De jagers, die het kint in dit gewoel vernamen 5), Syn dapper in de weer, en voegen hen te samen, Daer staet de jongen vast, daer wort hy opgevat, En van de rouwe jeught gedragen in de stadt; 25 Maer siet, het mensche kint wil geene menschen kennen, Noch by de menschen sijn, noch by de menschen wennen; Ten spreeckt geen menschen tael, maer eenigh dom geraes;