Jacob Cats

Part 1

Chapter 13,617 wordsPublic domain

[Illustratie: MEULENHOFF's BIBLIOTHEEK VAN NEDERLANDSCHE SCHRIJVERS

Jacob Cats door Joh. Vorrink ]

[pag]

[Illustratie: logo: "J.M.M. Immer Met Moed"]

MEULENHOFF'S BIBLIOTHEEK VAN NEDERLANDSCHE SCHRIJVERS

BEOORDEELING:

Deze Bibliotheek wil onze groote schrijvers nader tot het Nederlandsche volk brengen. De boeken zijn bestemd voor het onderwijs, maar daarnaast willen zij tevens het groote publiek bereiken. Het Nederlandsche volk kent te weinig zijn groote schrijvers en kent zéker te weinig zijn groote klassieke schrijvers.

Mogen deze boeken, in hun eenvoudig uiterlijk, zich vele vrienden verwerven en daardoor de liefde tot de grooten in onze letterkunde bevorderen. Waar de boeken uittreksels geven, hopen zij de begeerte te wekken tot lezing van het geheel; waar zij een onverkorten tekst brengen, moge deze aanwakkeren ook ander werk van den schrijver te lezen.

Bij de studie op Gymnasium, H.B.S. en andere M.U.L.O. inrichtingen, vraagt de uitgever een plaatsje voor zijn "Bibliotheek van Nederlandsche schrijvers". Hij zal trachten door een aantrekkelijk kleed en onberispelijke aankleeding, ook illustratief, de boeken zoo uit te geven, dat de leerling later -- wanneer de studiejaren achter de rug zijn -- nog gaarne de deeltjes in zijn boekenkast zal zien staan en ter hand zal nemen. Zoo moeten de klassieken populair worden! _Alg. Maand. Bibliographie._

No. 1. POTGIETER. Bloemlezing uit zijn Gedichten en Prozawerk. Uitgezocht door en met een inleiding voorzien van Dr. J. B. SCHEPERS. I. Historie en Romantiek. f 1.15, geb. f 1.65.

No. 2. DE GENESTET. Uit de gedichten van P. A. DE GENESTET. Inleiding van Dr. J. PRINSEN J.LZN. f 1.15, geb. f 1.65.

[pag]

MEULENHOFF'S BIBLIOTHEEK VAN NEDERLANDSCHE SCHRIJVERS ----------------------------

No. 3. WOLLF EN DEKEN. Historie van Mejuffrouw SARA BURGERHART. Verkort. en met eene inleiding voorzien door J. B. MEERKERK. f 1.40, geb. f 1.90.

No. 4. VONDEL. De Leeuwendalers. Inleiding en aanteekeningen van Dr. J. PRINSEN J.LZN. f 1.15, geb. f 1.65.

No. 5. EEN BUNDEL ROMANTIEK. Nederlandsche Balladen en romantisch Proza. Uitgegeven en ingeleid door Drs. A. SAALBORN. f 1.40, geb. f 1.90.

No. 6. POTGIETER. Bloemlezing uit zijn Gedichten en Prozawerk. -- Uitgezocht door en met een inleiding voorzien van Dr. J. B. SCHEPERS. II. in bewerking.

BEOORDEELINGEN:

De uitgever Meulenhoff heeft een goed werk gedaan met deze uitgave te beginnen. Niet, dat we gebrek hebben aan bloemlezingen van onze schrijvers; geenszins, maar omdat deze nieuwe serie er zoo smakelijk uitziet, veel smakelijker dan vroegere van dergelijke boekjes. En aan het uiterlijk is het innerlijk niet opgeofferd; de boekjes zijn door zeer bekende personen ingeleid en toegelicht en voorzien van portretten, facsimile's, foto's enz. Ongetwijfeld zal deze uitgave zoowel in de school als daarbuiten hoog op prijs gesteld worden. _Het Vaderland._

De ondernemende uitgeversfirma Meulenhoff zendt ons de eerste drie deeltjes van haar nieuwe serie "Bibliotheek van Nederlandsche Schrijvers". Hoewel deze nieuwe serie meer speciaal ten gebruike bij het middelbaar onderwijs is bedoeld, zullen deze smaakvol uitgegeven en belangwekkend geïllustreerde deeltjes zeer zeker ook aftrek vinden bij het ontwikkelde publiek. _De Maasbode._

[pag]

MEULENHOFF'S BIBLIOTHEEK VAN NEDERLANDSCHE SCHRIJVERS ---------------------------- No. 7. DA COSTA. Bloemlezing uit zijn werken. Ingeleid en uitgekozen door M. A. P. C. POELHEKKE.

No. 8. MULTATULI. Bloemlezing uit zijn werken. Uitgegeven en met een inleiding voorzien door J. B. MEERKERK. Rijk geïllustreerd f 1.25, geb. f 1.75.

No. 9. J. A. ALBERDINGH THIJM. Bloemlezing uit zijn werken. Ingeleid door M. A. P. C. POELHEKKE.

No. 10. JACOB CATS. Een keur van verhalende gedichten. Uitgegeven en ingeleid door JOH. VORRINK.

BEOORDEELINGEN:

Een bloemlezing uit Potgieter's werk biedt het dubbele voordeel, dat zij Potgieter en de Romantiek beide kan doen kennen.

Allereerst is hiervoor noodig liefde en bewondering; en die bezit dr. Schepers blijkens de mooie inleiding. Die inleiding bewijst bovendien grondige bekendheid met Potgieter's leven en werk. _Museum._

Deze bloemlezing is van den hand van den uitstekenden Multatulikenner J. B. Meerkerk. Met zorg zijn de stukken gekozen en de bewering, dat het onmogelijk is een behoorlijke bloemlezing uit Multatuli's geschriften saam te stellen, daardoor gelogenstraft.

Met zorg is het boekje samengesteld en de uitgevers zorgden er weer voor, dat de uitgave van talrijke portretten werd voorzien. Een woord van lof daarvoor. _Dagblad van Zuid-Holland._

[pag]

MEULENHOFF'S BIBLIOTHEEK VAN NEDERLANDSCHE SCHRIJVERS

Prinsen geeft een pittige van groote kennis getuigende inleiding met vele reproducties.

Wat druk, formaat en papier betreft onderscheidt de Meulenhoff editie zich zeer gunstig. _Museum._

Het is een uitstekend denkbeeld van den uitgever Meulenhoff geweest zich de uitgave onzer klassieken voor schoolgebruik aan te trekken en hen in een uniforme uitgave op de markt te brengen. Het handige formaat en de goede illustratieve en typographische verzorging, die zich aan deze bedoeling aanpassen, maken de boekjes smakelijk en leesbaar. Men wacht dan ook met belangstelling de titelopgave der verdere deelen en het is te wenschen dat deze uitgave ons eindelijk zal brengen wat men zoo lang verwacht: een volledige keuze uit onze klassieken. _De Telegraaf._

De uitgever wil onze klassieken op meer aantrekkelijke wijze aan de studeerende jeugd eigen maken. Niet enkel door een handig en oogelijk boekje, zooals hier geschiedt, maar ook door fraaie portretten, facsimile's en foto's.

Wij juichen het uitkomen van deze bibliotheek van Meulenhoff ten zeerste toe. We mogen hopen, dat zij op Kweekscholen H. B. S. en Gymnasia worden aangeschaft. _N. Rotterd. Cour._

Hoe aardig zijn deze deeltjes, die ge dadelijk overziet, die smakelijk worden ingeleid en aardig zijn geïllustreerd. Wij twijfelen dan ook niet of de verwachting van den uitgever, dat de leerling straks van school af, de deeltjes nog gaarne in zijn boekenkast zal zien staan en af en toe ter hand nemen, zal in vervulling gaan.

Gerard van Echeren in "_de Gulden Winckel_".

[pag]

[Illustratie: JACOB CATS]

[pag]

MEULENHOFF'S BIBLIOTHEEK VAN NEDERLANDSCHE SCHRIJVERS ---------------------------- JACOB CATS

KEUR UIT ZIJN VERHALENDE GEDICHTEN

UITGEGEVEN EN INGELEID

DOOR

JOH. VORRINK ¤ ¤ ¤

[Illustratie: monogram: "JMM"]

UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXX

[pag]

INHOUD

Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 Uit: Mengeldichten 1. Van den leeuw en muys . . . . . . . . . . . . 21 2. Van de muys en kickvors . . . . . . . . . . . 24 3. Van een pompoen en eycke . . . . . . . . . . . 26 4. Van het riet en eycken-boom . . . . . . . . . 28 Uit: Houwelick 5. Celadon en Galathee . . . . . . . . . . . . . 29 6. De wolfsjongen . . . . . . . . . . . . . . . . 32 Uit: Spiegel van den Ouden ende Nieuwen Tijt 7. Men noot geen esel . . . . . . . . . . . . . . 37 8. Die wel eer te hooge vlogen . . . . . . . . . 39 9. Wat is van groot, of trots, of hoogh? . . . . 40 10. Krepel wil altyt voordansen . . . . . . . . . 42 Uit: Trou-Ringh 11. Soet verdragh van Philetas en Psyche . . . . . 44 12. Gebreck genesen, om een houwelick te vorderen 47 13. Het Spaens Heydinnetje . . . . . . . . . . . . 54 14. Hollants Trou-bedrogh . . . . . . . . . . . 104 Uit: Ouderdom en Buytenleven 15. Turani . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 110 16. De smaragd . . . . . . . . . . . . . . . . . 112

[pag]

ILLUSTRATIES Jacob Cats bij pagina titelplaat Brief van Jacob Cats aan Huygens Uit: Van een pompoen en eycke . . . . . . . . . . . . 26 Titelblad van het "Houwelick" . . . . . . . . . . . . 34 Krepel wil altijd voordansen . . . . . . . . . . . . 42 Selsaem Traugeval tusschen een spaens Edelman en een heydinne . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54

[p.7]

INLEIDING.

Dit boekje wil vooral trachten, Jacob Cats als _dichterlijk verteller_ te doen kennen. Dit is een van de twee typische eigenschappen van dien zeventiende-eeuwer: hij kon zijn publiek een leuk, boeiend verhaal opdisschen en hij kon het ook gemoedelijk, begrijpelijk betuttelen. En dat was juist voor een Hollandsch publiek van die tijden, wat het verlangde. Het had geen kranten, het had geen salons, het hield geen vergaderingen; het had enkel zijn Bijbel en zijn dominees. En als de gedachten van het kerkelijk leven en het leven-hiernamaals eens wilden wegdwalen, dan lag daar Vader Cats, en die gaf een spreuk, of een les, of een middel tegen buikpijn, of een goeie-raad-voor-op-reis, of een waarschuwend woord voor een vrijster; maar .... jonge-jonge, hij gaf ook veel _verhalen_, uit ouwe tijden, van verre volken, over vreemde landen, onbekende oorden; of, de oolijkerd, die hij was, hij had iets gehoord, dat in Den Haag of Amsterdam was voorgevallen, nog niet zoo lang geleden ... en daar was al over gefluisterd. Maar 't ware wisten de goeie menschen niet. Was het pikant, was het om te lachen, of om te huilen? Nee maar, Cats zou 't ze wel 's eventjes aan den neus hangen! Och, ons land was toch zoo klein in die dagen: zoo'n echte, gezellige, huiselijke kring met 'n heeleboel kinderen. En daar waren stoute bengels en nesten van meiskens bij. [p.8] Ja, die durfden wel 's wat! Zoo'n bengel schaakte wel 's 'n meisken, of hij deed net, alsof ie zich ging verdrinken, omdat ze 'm had afgewezen, en dan nam ze 'm toch!

Cats was ontzettend belezen, en hij had, voor een zeventiende-eeuwer, nog al aardig wat van de wereld gezien. Geen wonder, dat hij volstrekt niet met den mond vol tanden stond, als hij iets ging vertellen; o neen! Hij maakte het zelfs wel eens wat lang van nat. Hij kon zijn onderwerp wel 's uitputten, wel 's drie keer doorzagen en dan inzouten!

Maar dat komt ons allemaal zoo voor. Geloof toch niet, dat Cats' tijdgenooten dat ook vonden! Die menschen leefden in lang zoo'n razende snelheid niet als wij tegenwoordig. Wij stappen in Amsterdam of den Haag op den trein en reizen naar Groningen of Arnhem of Breda, doen daar de zaken af en keeren nog op denzelfden dag naar huis terug. En onderwijl is ons halve vaderland onder onze voeten weggerold, en hebben we boomen en huizen, en wegen en dorpen en steden aan onze kijkglazen zien voorbij rennen; Ja, 't duurt niet lang, of je _vliegt_ letterlijk eventjes van Amsterdam naar Londen heen en weer op één dag. En als we willen, _schrijven_ we in drie uur tijds naar de uithoeken van de wereld en _spreken_ we met onze Fransche of Duitsche of Engelsche naburen. Wij menschen van de twintigste eeuw beleven in één maand evenveel als die van de zeventiende eeuw in tien jaren! Op een dergelijke wijze ongeveer moeten we redeneeren, als we een figuur als Cats en andere mannen van zijn tijd willen begrijpen. Dat hebben _Potgieter_ en _Busken Huet_ niet gedaan en daarom kon hun oordeel over hem zoo hardvochtig wezen. Werkelijk, zij zagen en [p.9] voelden de zeventiende eeuw anders: Potgieter vooral -- zie maar zijn Rijks-Museum -- zag ons volk als het hard-werkende, hoog-strevende, ver-reikende koopmansvolk, dat zijn eigen land-en-zand had gemaakt tot een republiek van steen en staal, met kerels als Frederik Hendrik en Johan de Witt en Michiel de Ruyter ... En Busken Huet vond, dat Cats al te zeer een doodgewone praatvaâr was, die pret had in gesmoezel en platte jok ....

Cats, die zoo ontzaglijk knap en geleerd was, die zoo vele talen kende, die zoo'n duivelsch-handige advocaat was, die zoo goed de fortuin bij haar slippen kon grijpen -- hij verdiende veel geld met inpolderen -- Cats wist, dat hij het oor van zijn volk alleen zou hebben, indien hij in de taal van dat volk zou spreken; hij kon net zoo goed wel als Vondel of Hooft of Huygens of wie dan ook draven op den Latijnsch-klassieken trant, maar hij verkoos de eenvoudige manier van zeggen, "deselve meest overal ghelyck makende met onse dagelickse manier van spreken."

Wij kennen Cats' leven vooral uit zijn autobiografie, die hij schreef op hoogen leeftijd: het gedicht "_Twee en tachtigh-jarigh leven_, van zijn geboorte af tot zijn dood toe, aen desselfs veertien kints-kinderen, dienende tot naricht van dezelve," een goeie drie duizend alexandrijnen. Na een moraliseerenden aanhef volgen dan mededeelingen over zijn geboorteplaats:

Daer is een Zeeusche stadt, men noemtse Brouwershaven, Daer heeft een vrouwen borst my eerst bestaen te laven.

Een standbeeld heeft men er te zijner eer opgericht. Maar lang is Cats er niet gebleven, want zijn moeder stierf weinig jaren na zijn geboorte -- 10 November 1577 [p.10] -- en zoo kwamen de kinderen in huis bij een oom te Zieriksee. Het onderwijs beteekende niet veel:

Ons meester was een man gantsch kluchtigh in manieren.

Maar door eigen vlijt en met hulp van zijn flinke tante kwam hij er toch wel; ja zelfs hield hij nog wat tijd over voor poëzie:

Ick was oock even toen tot dichter seer genegen.

Maar ... het liefst schreef Cats Latijnsche poëzie, totdat "een eerbaer jongelingh", uit Brabant afkomstig, hem er op wees, liever zijn eigen taal te gebruiken, welken raad Cats trouw ter harte heeft genomen. Op zijn vijftiende of zestiende jaar trekt hij nu als student naar Leiden, waar hij in de rechten ging. En nadat hij daar van zijn "doen veel preuven had gegeven" ging hij op reis en promoveerde te Orleans:

Ick ginck tot Orliëns my eerst ter neder setten, Daer ick meest besigh was ontrent de Roomsche wetten, Tot dat ick brieven kreegh daer meed' ick wierd vereert, Als die in 't Keyser recht nu scheen te zijn volleert.

Daar in Frankrijk heeft Cats zijn vloeiend Fransch spreken geleerd, dat hem later zoo te pas zou komen als diplomaat.

Drie groote perioden zijn er nu in zijn leven te noemen: die van practiseerend advocaat, van gelukkig inpolderaar-en-landbouwer en van plooibaar staatsman. Zijn meesten roem heeft hij zeker geoogst als advocaat: in den Haag wist hij o. a. een vrouw uit Goes vrij te pleiten van hekserij. Afmattende koortsen dwongen hem herstel te zoeken in andere lucht en een reis naar Engeland volgde nu. Daar leerde hij kennis maken met de piëtisten. Maar zijn kwaal was nog niet genezen [p.11] toen hij weer den vaderlandschen grond onder de voeten had. En ten einde raad begeeft hij zich nu naar een alchimist, die

... ginck met Rynssen wijn een seltsaem poeyer mengen.

Dit "rosse poeyer" zal waarschijnlijk kinine geweest zijn:

De koortse was van my te poste wegh gereden.

Op raad van een vriend, den Middelburgschen pensionaris, vestigde Cats zich nu te Middelburg, waar tengevolge van de kaapvaart talrijke processen gevoerd werden. Hier gaat hij ernstig over trouwen denken. Een aardig meisje, in de Fransche kerk ontdekt, wordt zijn verloofde, maar haar vader sloeg bankroet, en toen zij naar Amsterdam vertrok, vergat hij haar maar! Weldra valt nu zijn oog op Elisabeth van Valckenburg en met haar heeft hij een gelukkigen, ofschoon geen langen echt. Veel verdriet berokkende hem ook de vroegtijdige dood van eenige kinderen, maar vooral:

Als Godt myn outste soon liet uyt het leven rucken, Toen voeld' ick aldermeest mijn droeve ziel verdrucken.

Met het sluiten van het Bestand was Cats' grootste werkzaamheid als advocaat gedaan en ging hij geld verdienen als inpolderaar en landbouwer. Dit heeft zeer zoete winstjes opgebracht. De bedijkingen in Staats-Vlaanderen veroorloofden hem tenminste den Munnikenhof onder Grijpskerke te koopen; daar heeft hij zijn gelukkigste zomersche dagen gesleten. Evenwel, toen de oorlog voortgezet werd, moesten vele van de drooggelegde gronden weer onder water gezet, en zoo hielden deze inkomsten op. Een professoraat in de rechten te Leiden Cats aangeboden -- zijn roem als rechtsgeleerde was nog niet vervlogen! -- lachte hem [p.12] zeer toe; doch zijn vrouw drong er ten sterkste op aan, dat hij een ander aanbod, kort daarna gedaan, zou aanvaarden: het ambt van pensionaris in de stad zijner inwoning.

Hiermede brak Cats' derde periode aan, die van staatsman, waarmede hij zich het best kon verzoenen, maar die hem den minsten roem heeft bezorgd. Reeds twee jaar later gewerd hem het schitterende aanbod van Dordrecht: Hollands eerste en oudste stad. Hoe ongaarne Cats en zijn vrouw ook Zeeland verlieten, dit konden ze niet afslaan, want Dordt was _de_ stap naar 's Lands Vergaderzaal!

Zoo reist Cats in 1627 als buitengewoon gezant naar Engeland en wordt in 1629 en in 1634 tijdelijk geroepen tot den hoogsten post in de Republiek: _Raadpensionaris van Holland_. Voorgoed is hij het van af 1636 gebleven tot 1651, na Oldenbarneveldt en vóór de Witt, zoo week als was in de handen van Frederik Hendrik en diens zoon Willem. Na zijn aftreden heeft Cats nogmaals een gezantschap in Engeland geleid vóór Cromwell, zonder veel resultaat. En zóó was hij op eer en aanzien gesteld, dat hij in 1655 nog als 78-jarig grijsaard probeerde tot Raadsheer in het Hof van Holland benoemd te worden. De rest van zijn leven, tot 12 September 1660, heeft Cats nu gesleten op zijn land goed Sorghvliet, dat hij sinds 1642 in de duinen tusschen den Haag en Scheveningen had laten aanleggen. De autobiografie eindigt met een gebed, dat men hem moest voorlezen aan zijn sterf bed ...

In de Kloosterkerk aan 't Voorhout wijst een opschrift op een der pilaren 's dichters laatste rustplaats aan.

Van den dichter .... we hebben zijn leven geschetst, en over zijn poëtische verpoozingen nog weinig gezegd, [p.13] en toch is zijn leven van advocaat, van landbouwer, van staatsman er zoo heelemaal van doorsponnen. Hoewel hij eerst na zijn veertigste jaar met zijn verzen voor den dag kwam, n.l. met zijn beide bundels emblemata: _Maechden-plicht_ en _Sinne- en Minne-Beelden_, lag zijn eerste oefeningstijd in de edele rijmkunst reeds ver achter hem; hij schrijft tenminste:

Ick was oock even toen tot dichten seer genegen, En door een buyte-kans heb ick de lust gekregen.

Wij zeiden reeds, dat een vriend hem terechtwees:

Een eerbaer jongelingh, uyt Brabant daer 1) gekomen, Had in een ander school de dichtkunst aangenomen, Die heeft de gront geleyt van waer ick vorder quam, En op Parnassus Bergh allencxen hooger klam.

Cats had eerst "menigh vers in Roomsche tael geschreven," maar gelukkig bracht die Brabander hem er toe, het nu in zijn moedertaal te doen.

En in de Zeeusche tael kreegh ick een nieu vermaeck.

Nu, zijn Sinne- en Minne-Beelden waren dadelijk raak: ze troffen -- met de platen van _Adriaan van de Venne_ en anderen -- het publiek niet alleen door hun kortheid, hun ernstigen levenskijk, maar ook door hun geestige toepasselijkheid in het minnelijke -- dat is de liefde betreffende --, in het zedelijke en in het godsdienstige. Één plaat op drie wijzen uitgelegd, hoe vond Cats het! Ik wijs even op het plaatje van den Seylsteen -- den magneet -- waarvan de kracht op ijzer zelfs niet vermindert door een tusschenschot en zoo dus vergeleken kan worden met de liefde: zij doet [p.14] den geest "ontrent de liefste dwalen," al is men door "zee, rotsen ende dalen" ook gescheiden van elkander. De magnetische kracht wordt in het tweede gedichtje vergeleken bij die van God, die een "schuldich hert oock uyt het duyster trecken" kan, al bedekt men zijn kwaad gemoed. En in het derde gedichtje wordt de aantrekkingskracht tusschen de ziel en haar God geschetst, de hemel-zelf komt door "bedeckte wegen" over den mensch.

Maar het wordt tijd, dat we ons uitsluitend bezighouden met +Cats' Verhalen+. Het aardigst zijn dan een zestal fabels in den bundel _Mengeldichten_, waarin de poëzie, verschenen na de Sinne- en Minnebeelden en vóór het Houwelick, is bijeengegaard. Van die "Leersame Fabulen" kozen wij er vier: 1°. die _Van den leeuw en muys_, het overbekende verhaal, waarin de muis uit dankbaarheid, dat ze werd losgelaten door den leeuw, later dezen bevrijdt, door het net stuk te knagen, waarin hij gevangen was; 2°, die _Van de muys en kickvors_, het koddig gevecht tusschen die twee, hoe ze door een wouw opgepakt worden en tot voedsel aan zijn jongen gegeven; 3°. die _Van een pompoen en eycke_, het verhaal van een dommen boer, die maar niet begrijpen kan, hoe geweldige vruchten als pompoenen aan zulke zwakke stengels groeien en hoe geweldige boomen als de eik zulke nietige vruchtjes voortbrengen. Maar juist valt zoo'n eikel van een heele hoogte en maakt een put in zijn hoed, en nu begrijpt de kinkel, dat hij zonder hoed wel eens leelijk getroffen had kunnen zijn; 4°. _Van het riet en eycke-boom_, waarin de eik om opheldering vraagt, wijl hij door den stormwind is neergesmakt en ontworteld en, met den stroom meedrijvende, het zwak en tenger riet ziet, dat ongedeerd aan den oever staat.

[p.14_illustratie]

[Illustratie: BRIEF VAN JACOB CATS AAN HUYGENS. (Naar een photographie.)]

[p.15]

De wijsheid van het riet: buigt u, dan wordt ge niet gedeerd door het onweer, is natuurlijk iets ongehoords voor den eik. Voor Cats was het dat evenwel volstrekt niet!

Dan verschijnt in 1625 dat reusachtige gedicht van meer dan tienduizend verzen, het "Houwelick, dat is: het gantsche beleyt des echten-staets; afgedeelt in ses hooft-stucken, te weten: Maeght, Vryster, Bruyt, Vrouwe, Moeder, Weduwe, behelsende mede de mannelicke tegenplichten." Daar hebben de meisjes en vrouwen uit zijn tijd heel wat uit kunnen leeren: vol van practische levenswijsheid, en een schat van spreuken, en dat alles toegelicht en opgeluisterd met toepasselijke verhalen, van vroeger en later dagen bijeengegaard. Wij hebben er hier twee gekozen, en wel _Celadon en Galathee_ uit het vierde deel: Vrouwe, en _De wolfsjongen_ uit het vijfde deel: Moeder. Galathee is door Tunische zeeroovers aan het strand van een arkadisch landschap opgelicht en aan boord gebracht. En haar man, de herder Celadon, die dit met grooten schrik van uit de verte bemerkt, terwijl hij zijn vee hoedt, begint te jammeren; hij smeekt, dat ze hem óók mee zullen nemen. De roovers voldoen ten slotte aan zijn verlangen, als hij zich in de golven heeft geworpen en naar de boot zwemt, waarmee ze Galathee wegbrengen. Hij biedt aan, samen met haar te worden gebonden, en als het schip de haven van Tunis binnenvalt, wordt de koning zoo geroerd door dit voorbeeld van huwelijkstrouw en echtelijke gehechtheid, dat hij ze de vrijheid hergeeft, en Celadon benoemt tot zijn hoftrawant, in welken staat hij 't heel wat beter heeft dan als herder.

Den wolfsjongen ontdekt men op een jacht: een [p.16] wolvin wordt verdedigd door een wild-opgegroeiden harigen jongen en, als men hem goed beschouwt, is hij het kind, dat jaren geleden verloren was door een arm vrouwtje. Gezoogd door de wolvin, kent hij natuurlijk geen taal, eet niet anders dan bloederig, rauw vleesch, en het duurt heel lang, tot men weer wat menschelijks van hem maken kan. Alsdan is hij geschikt voor veehoeder, want geen enkel wild dier zal de kudde aanvallen, die hij bewaakt: invloed van zijn wolvenopvoeding!

Dit verhaal diende vooral, om jonge moeders aan te sporen, toch vooral zelf haar kinderen te zoogen, want van anderen kunnen ze zoo gemakkelijk leelijke eigenschappen met de moedermelk in zich opnemen.