Part 6
Op het plaatje hierbij zijn eenige van de mooiste vormen afgebeeld. Hier en daar ziet ge kop en pooten van de kokerlarve uit het huisje steken. Sommigen hebben blijkbaar uitsluitend slakken of mosselschelpen, anderen uitsluitend plantaardige bouwstoffen gebruikt, ik vond er een, die geheel van leege beukenootjes was gemaakt.
Hangen over de sloot takken van een elzeboom, dan worden de rijpe, zwarte proppen ervan ook gaarne als bouwstof gebezigd. De vormen in het midden van het groote plaatje, komen veel voor; die met levende slakken en die rechts daarnaast met zoetwatermosseltjes vaak bij elkaar in dezelfde sloot; de phryganiden links op de teekening komen niet zoo vaak voor en die het meest naar onder rechts zijn geteekend, zijn ook zeldzaam, althans in ons land: zij komen meest in snelvlietende beekjes voor, hun huisjes zijn geheel of ten deele uit zwaardere zandkorreltjes saamgelijmd; zij zouden dan ook zonder die ballast steeds met den stroom worden meegevoerd.
Eens werd mij een kokerlarvenhuisje gezonden, dat merkwaardig veel op een slakkenhuisje leek.
Een natuuronderzoeker uit Tennessee in Noord-Amerika, die het eerst die leege huisjes vond, heeft heel wat moeite gedaan, om ook de slak ervan te vinden, tot het hem eindelijk bleek, dat hij met een kunstgewrocht van een kokerjuffer te doen had; hij ontdekte, dat het huisje uit zandkorreltjes was gebouwd, en vond later ook huisjes met de larven er in.
Om een groot aantal kokerlarven machtig te worden, doet ge het best, in een heldere sloot het net plat op den bodem te houden en telkens op te halen, als er iets boven de opening komt, dat op een phryganide lijkt, of ook maar iets dat een beweging heeft, die niet met de strooming van het water overeenkomt, zoo er al stroom is. Al schijnt het u een dor blaadje, een stukje afgebeten riet—als het een eigen beweging heeft zit er leven in.
Tegen den avond van warme dagen kruipen de kokerlarven meestal aan waterplanten omhoog, om te eten of hun huisje wat op te knappen. Zoover als zij kunnen, reiken ze daarbij met het lichaam uit den koker; dat is dikwijls hun verderf, want tusschen die fijne blaadjes van hoorn-of duizendblad zit de vijand op de loer. Meestal is het een stekeltje, een kever- of libellenlarve, die hen van verdere zorgen voor het bestaan ontheft, maar..... hebt ge al wat geoefendheid verkregen in het turen door het slootwater, dan ontdekt ge tegelijk wellicht weer wat nieuws.
Kijk maar eens goed; dat witte, daar dicht bij de oppervlakte. Net een bol kwikzilver, niet? Daar nog een, en nog een wat verder op; wat een groote! Deze lijkt wel een zilveren hazelnoot, en die andere daar een tafelschel of een glazen klok.
Het is ook een klok, maar van een bijzonder soort: een echte duikerklok is het. En de duiker is een spin.
Ha, daar heb je hem al, hij heeft een vretende kokerlarve bemerkt. De spin met zijn zilveren achterlijf wacht eventjes of de phryganide naderkomt. Neen, die gaat den anderen kant uit. Dan maar er op los! Met een paar sprongen heeft de waterspin de larve bereikt, en eer deze onraad bemerkt, is hij aangegrepen en heeft hij een knauw beet; de spin zet al zijn acht pooten op den rand van de opening van het huisje, een paar flinke rukken met de kaken en.... de larve is er uit, het leege huisje stijgt snel naar boven.
De spin met zijn prooi ook: hij zal zijn lekker hapje daar aan de oppervlakte eens gauw oppeuzelen. Maar daar komt juist een gerande voorbij, die merkt wat en wendt den steven. „Dat is niet pluis,” denkt de spin, „zorg jij voor je zelf, als je honger hebt.” Hij duikt met zijn lekkerbeetje onder en zoekt zijn luchtkasteel in het water weer op; met zijn buit verdwijnt hij in zijn zilveren klok.
Haalt ge de plant met dien zilveren beker uit het water, dan vindt ge er niets van terug dan een bosje grijs spinsel; de groote spin, als hij niet onder de hand ontsnapt is, blijkt ook niet van zilver te zijn; zijn achterlijf is donzig behaard en muisgrauw. Het was een echt luchtkasteel.
Brengt ge de spin in het aquarium, dan is hij oogenblikkelijk weer het mooie dier van te voren. Al heel gauw begint hij een ijl web in het water te spinnen, haalt wat luchtbellen van de oppervlakte en bouwt opnieuw zijn luchtige woning; met een paar draden belet hij de luchtmassa weer op te stijgen. Komt er in het aquarium niet veel in het net of in de luchtval zelf, dan gaat hij al spoedig op jacht.
Soms behelpt zich deze spin op vreemde wijze; bemerkt gij in uw aquarium een groot, schijnbaar leeg slakkenhuis, dat met de punt naar boven door het water zweeft, of op den bodem heen en weer wiegelt, dan kunt ge er zeker van zijn, dat onze waterspin daarin zijn domicilie heeft gekozen.
Nadert de winter, dan zoekt hij meestal zoo’n groote slak op, eet zich zat, eigent zich daarna ook het huis toe, verzekert zich tegen inbraak door een dicht web voor de opening te spinnen en verslaapt zoo den barren wintertijd.
In het voorjaar en soms weer in het najaar maakt hij aan zijn luchtwoning een zijvertrek, waarin hij zijn eieren onderdak brengt; misschien bemerkt ge, als gij bij toeval ook een mannetje in het aquarium hebt gekregen—die zijn veel grooter, net andersom als bij de landspinnen—dat twee, soms drie luchtklokken door overdekte luchtgangen met elkaar zijn verbonden.
Maar we zouden door dien ijdelen zilverschijn aangetrokken, geheel en al vergeten, dat we bezig waren, kokerjuffers te verzamelen.
In den zomer, of als het mooi voorjaar is geweest, al in het laatst van Mei of in het begin van Juni, vindt ge weinig phryganiden meer bij den bodem, dan hebben de larven zich al weer verpopt. De opening van hun huisje is met een luchtig geweven netje gesloten, (aan het bovenste der meeste kokertjes is deze sluiting duidelijk te zien) en nu hebt ge veel meer kans, de huisjes te verkrijgen, door de oppervlakte van de sloot aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen.
Ze drijven thans met den zwakken stroom mee, of hangen in stilstaand water tusschen drijvende waterplanten. Let op alles, wat ge ziet en niet dadelijk herkent.
Daar komt al wat aandrijven; haal binnen jongens! Net een plat stokje! En dat ding daar ginds? Wacht maar, het drijft hier heen; dat lijkt wel een miniatuur rat met een flinke staart. Zouden dat ook kokerlarven zijn?
Kijk eens, ze bewegen zich allebeide; al zijn er nu ook wel beweeglijke poppen onder de insecten, de huisjes van de kokerlarven leven toch zelf niet. Dit zijn dus geen phryganiden. Wat dan wel?
Ja, wat zal ik zeggen, de latijnsche namen klinken zoo geleerd; wij jongens noemen ze eenvoudig „rotjes en stokjes”; en die beide zonderlinge diertjes waren indertijd voor ons de geheimzinnigste wezens, die er bestonden. Wij hadden er wel eenig vermoeden van, dat het larven waren van een of ander waterdier, maar al onze zorgvuldige pogingen, om het volkomen dier uit de larven te verkrijgen, mislukten steeds; de rotjes, zoowel als de stokjes stierven, of verdwenen op raadselachtige wijze, zonder dat er ooit een kever in het water verscheen; ja, wat ons nog meer van de wijs bracht, zonder dat ooit ergens de pophuid te vinden was.
Menschen, die wij dachten, dat het weten moesten, en die wij er naar vroegen, noemden ons wel een Latijnschen naam; maar die was vijf minuten later alweer half vergeten en om den naam alleen was het ons toch ook niet te doen; wij begeeren er meer van te weten.
Bij dat begeeren is het gebleven, althans bij mij, tot ik al lang niet meer op de schoolbanken zat; tot ik nog maar een enkelen keer, bij toeval door het ontmoeten van een schoolkameraad uit dien tijd of bij het studeeren in dikke boeken, herinnerd werd aan de prettige jaren, toen wij ruilhandel dreven in allerlei naturaliën, waarbij een „rotje” de vaste waarde had van een geheel gave pikzwarte en het „stokje” nooit minder gold dan een zeldzame phryganide.
Op een warmen zomerdag moet ge eens opletten, hoe vele en hoe verschillende insecten zich laven aan de open tafel, die de groote schermbloemen voor hun welkomen gasten klaar zetten.
De viervleugelige hommels en bijen komen er zelden, die kunnen met hun lange slurf gemakkelijker honing putten uit diepe beker- of klokvormige bloemen; voor tweevleugelige insecten, met hun korten snuit echter, is de open schermbloem een luilekkerland.
Ziet ge daar op die bloem die groote, mooie bij in zijn zwart en geel pakje?
Pak hem eens! mis, hè? Neen, zoo gemakkelijk laat een zweefvlieg zich niet vangen. Kijk, daar staat hij stil in de lucht, zijn vleugels zijn in zoo’n snelle beweging, dat ze haast niet meer te zien zijn; ’t is of het diertje met de pooten naar beneden in de lucht hangt aan een onzichtbare draad—daar schiet hij als een pijl uit den boog, regelrecht op de bloem af, waarvan ge hem zooeven hebt verjaagd. Hij zit in het vlindernet, neem hem gerust met de vingers er uit; het lijkt wel een gevaarlijke bij, en hij maakt wel van die gelijkenis gebruik, maar het is er geen; zie maar, het mooie diertje heeft maar twee vleugels, en zulke insecten hebben geen angel.
Daar zit nog zoo’n zweefvlieg, die is weer anders geteekend en niet zoo harig; zijn borst is overlangs goud geel gestreept, ook zijn achterlijf is, maar overdwars, van zulke streepen voorzien. Ook een mooi diertje, niet?
Nu, die twee mooie zweefvliegen en nog andere soorten, die soms ver van de sloot tusschen groen en bloemen leven, waren verleden week nog grauwe rotjes met langen staart.
Dat rotje is met kleine pootjes, die ge misschien nog niet eens hebt opgemerkt, tegen den slootkant op gekropen,—een heel eind ver het weiland in, of de dijkhelling op. Daar verschrompelde de lange staart, waarmede hij in ’t water lucht van de oppervlakte haalde; en in de plaats daarvan kwamen een paar oortjes te voorschijn, die denzelfden dienst in de lucht deden. Zoo bleef het weeke, vieze rotje een dag of wat liggen, grauwbruin als de aarde tusschen het gras, ongezien en ongedeerd. Toen brak opeens het topje af, en een sierlijke, wondervlugge zweefvlieg zag het levenslicht. Over een dag of veertien keert hij, „si Dieu lui prête vie” van de bloemen naar de sloot terug, om op een of andere waterplant eieren te gaan leggen.
En dat stokje? Als ge de teekening op blz. 107 goed bekijkt, kent ge al een groot deel van zijn levensgeschiedenis. Het is ook al de larve van een vlieg, (maar nu geen zweefvlieg) die ons in gedachten van de sloot naar de bloemrijke weide of dijkberm voert.
Die vlieg heeft een bijzonder plat, staalblauw of bronskleurig achterlijf, waarop een gele of roodachtige teekening voorkomt, die bij een paar soorten, wel wat op een wapenschild met ruiten of dwarsbalken lijkt. Ze worden dan ook wel wapenvliegen genaamd. Midden op de teekening ziet ge de larve, voordat hij een stokje werd; hij is net bezig met zijn staartpluimpje lucht op te doen voor de reis naar den bodem; als hij straks onderduikt, neemt hij een flinke bel mee tusschen de naar binnen hol gebogen franjes.
Als hij volwassen is, gebruikt hij die twee hoornige haakjes aan zijn kop, om tegen den kant op, en verder het weiland in te kruipen; soms verpoppen deze larven zich ook wel in het water, zoo’n pop is dan net een grijs stukje hout. Maar hoe stijf zoo’n ding ook lijkt, het kan zich toch met S-vormige slingeringen vrij snel over het water bewegen, tot het den kant heeft bereikt, om daar uit te rusten. Wat er in zoo’n stokje zit, ziet ge links op de teekening, onder de vlieg.
Ja, nu hebben we wel kennis gemaakt met rotjes en met stokjes, maar geen verpopte kokerjuffers gevonden. Dat gebeurt wel meer, op het zoeken volgt voor den natuurvriend wel altijd het vinden, maar wat hij vindt, is lang niet altijd, wat hij zocht.
Hier was daarvoor een goede reden: de phryganiden komen maar zelden voor in de slooten, waarin rotjes drijven; deze dieren houden meer van modderige slooten zonder veel waterplanten, dicht bij woonhuizen gelegen, net als hun naamgenooten, de echte waterrotten.
Laten we liever die andere sloot eens afzoeken: die is veel helderder. Daar drijven er al eenige; neem ze mee naar huis en kijk elken dag, of ge ook vlinderachtige, bruin, en wit gevlekte diertjes op den steen in uw glazen bak of op het rotsje in het aquarium ziet zitten; dat zijn de uitgekomen kokerjuffers. Zulke vlindertjes, waar- of schietmotten heeten ze ook wel, vliegen tegen den avond soms bij duizenden door het hooge gras in de buurt van het water.
Als ge het wilt, kost het u niet veel moeite, van den slootkant af zoo’n kokerjuffertje, dat pas is uitgekomen op zijn drijvend huisje te zien zitten; het wacht zoo het ontplooien en het drogen van de vleugels af; waagt het diertje het, te vroeg te gaan vliegen, dan valt het in het water en spartelt, angstig fladderend, rond.
En voor dien angst is reden genoeg; die groote kikker zal er op los gaan; zijn groote domme, uitpuilende oogen staren ouder gewoonte eerst een poosje het vreemde ding aan, eer hij besluiten kan, toe te happen,—daar zal het komen:—te laat, een draaikevertje en een schaatsenlooper hebben, ieder aan een kant, het ongelukkige juffertje beet gepakt, en snellen er mee heen; de schaatsenlooper wil niet los laten, hij sleept het torretje mee; daar scheert een zwaluw over het watervlak: kokerjuffer en schaatsenlooper verdwijnen samen in één wijden bek. Het draaitorretje is nog net bij tijds snel ondergedoken, het heeft ook niet voor niets vier oogen, waarvan er twee naar boven in de lucht, en twee naar onder in het water kijken.
Ge moet wat schaatsenloopers en draaitorren in uw aquarium houden, dat geeft heel wat leven aan de oppervlakte. De schaatsenloopers moet ge niet in een flesch met water, maar in een doosje meenemen, anders zijn ze verdronken, vóór ge thuis komt.
Door het schudden van de flesch raken ze onder water, en daar kunnen ze niet tegen; ze zijn er op ingericht snel over het water te loopen, maar er in geraken is hun dood. Op blz. 41 is er eentje te zien.
De draaitorretjes kunnen het onder water wel uithouden; net zoo goed als aan de oppervlakte; onder de loupe kunt ge een van de oorzaken van hun verbazende vlugheid vinden: hun middel- en achterpooten zijn bijna geheel en al vinnen.
Voor het geval, dat ge eens een verzameling waterkevers wilt aanleggen of wanneer ge den juisten naam van een gevangene wenscht te kennen, hebt ge veel uitgebreider werk noodig dan dit boekje; dan moet ge determineeren; daarbij is nauwkeurig kijken en vergelijken de boodschap; vooral het aantal klauwtjes aan de laatste tarsen geeft verschil in soort aan.
Nu zal het u wel eens, even als mij, overkomen, dat men u heel welwillend waarschuwt, toch vooral niet met den mond boven de sloot te komen, omdat de gassen, die daaruit opstijgen, uw gezondheid kunnen benadeelen. ’t Is wel mogelijk, dat dit even als koffie een vergif is, maar dan toch een heel langzaam.
Waarschijnlijk heeft niemand ooit meer met zijn neus boven slootwater gezeten dan onze oude bekende Antony van Leeuwenhoek, en die is een-en-negentig jaar geworden.
E. Hs.
II.
Nog nooit heb ik een wandeling buiten gedaan, of ik heb iets gezien, dat mij nieuw was: een plant of dier, nog niet te voren ontmoet, of wel de een of andere gebeurtenis uit het planten- of dierenleven. Nu eens was het een koekkoek, die rustig zat te roepen, alsof er geen nieuwsgierige op vijf pas afstand hem stond te begluren, dan een zeldzame varen op een ouden kerkhofmuur, dan weer rietkevertjes, die pas hun pophulsel verlieten of wielewalen, bezig hun kunstig nest vast te naaien. Velden met orchideeën in allerlei variëteiten, een vlucht lepelaars op een weiland onder den rook van de hoofdstad, brandnetels stuivend op klaarlichten dag en boschviooltjes met kleurlooze bloempjes zoo groot als een speldeknop—te veel om te noemen, in eindelooze verscheidenheid.
Tientallen jaren van natuurgenot zijn al achter den rug en nog brengt ieder nieuw voorjaar nieuwe vreugde, nieuwe verrassingen; steeds kleiner wordt het aantal van planten, vogels of insecten, die in de handboeken gemerkt staan met „zeer zeldzaam” of „slechts eenmaal aangetroffen” en waar mijn blikken zich niet aan verlustigd hebben. Maar wat kunnen sommige natuur-voorwerpen zich schuil houden! Wat heeft ’t lang geduurd, eer ik mijn eerste klapekster te zien kreeg—die naam klinkt nog al zoo dood gewoon alledaags—en hoe goed herinner ik mij tot in de kleinste bijzonderheden mijn eerste ontmoeting met het muskuskruid en de baardmeesjes!
Ook hoop ik nog eens een waterspreeuw te zien en ’t nest van een ijsvogeltje en... de waternoot.
Vooral die waternoot! In wat rietpoelen en veenplassen heb ik er al om rondgezworven, in hoeken en gaten die er uit zagen, alsof nog nooit een mensch daar geweest was, echte schuilhoeken, juist geschikt voor een laatste toevluchtsoord van een arme vervolgde waterplant. Hoe heerlijk zou ze daar kunnen liggen droomen van den tijd, toen ze allerwege slooten en poelen bedekte, toen haar bloempjes, gesteund door de ruitvormige bladeren, drijvend op hun opgeblazen holle bladstelen op elk stilstaand water hun wit tapijt vormden.
En dat is nog zoo heel lang niet geleden, nog geen veertig, geen dertig jaar! In 1860 begon de tegenspoed en dat was, naar men zegt, de schuld van een Nederlandsch professor, van een man, die het beter had moeten weten, een man, die niet besefte, wat hij deed. En dan een hooggeleerde! O tempora!
Hoogstwaarschijnlijk wist hij wel, wat hij deed, maar dan heeft hij ongetwijfeld het gevoel gehad van iemand, die voor een open zolderraam staat, en die, wetende dat het hem nek, armen en beenen zal kosten, naar beneden springt, alleen beheerscht door de gedachte: „als ik er eens uit sprong!”
Maar de professor is er niet uit gesprongen; misschien wel later figuurlijk „uit zijn vel”, toen hij van welmeenende vrienden en kennissen moest hooren, dat al spoedig de gevolgen van zijne lichtzinnigheid aan de gemeente Utrecht jaarlijks op eenige honderden guldens te staan kwamen.
En toch had hij niets anders gedaan, dan een halfverwelkt takje in een gracht gegooid—dat was alles.
Maar dat takje was afkomstig van een plantje, dat gekweekt en onderhouden werd in den botanischen tuin—in Leiden verheugde men zich ook in ’t bezit van een bakjevol—want het was een waterplant. En een merkwaardige plant ook, afkomstig uit het land van de gele koorts en de colorado-kever en alom bekend onder den minder schoonen naam van Waterpest. Nu stel ik mij voor, dat zijn hooggeleerde gelezen had van de wonderbaarlijke groeikracht van dit plantje en hoe het in de laatste twintig jaren—dus na 1840—in ’t Noorden van Engeland zoo voortgewoekerd had, dat het de scheepvaart op de kanalen zeer ernstig belemmerde.. en daar stond hij nu voor ’t zoldervenster. Zou ’t hier ook zoo snel groeien? Als ik dit takje eens in het water wierp? De grachten zijn juist schoongemaakt; dus ’t kan een poosje rustig liggen. Maar die verstopte kanalen bij Berwick!
’t Takje lag in ’t water. Was de man ’t maar nagesprongen—om ’t er weer uit te halen. Want het ding is gaan groeien, groeien, en onze binnenscheepvaart ondervindt er den last van, evengoed als de Engelsche 50 jaar geleden—nu ook nog, natuurlijk—, onze slooten zijn er vol van. Niet alleen onze, maar die van heel Noord Duitschland, verleden jaar al tot Polen toe!
Meteen was het vonnis van de waternoot geteekend. Evenals de meeste waterplanten zoekt deze ’s winters een schuilplaats op den bodem van slooten en plassen, in de modder—net als soms de kikvorschen. En ’t zoele voorjaar, dat de vroolijke kwakertjes tot nieuw leven roept, doet ook de sluimerende plantenknoppen ontwaken. Er zijn er, die vroeg wakker worden, doch ook de langslapers ontbreken niet; onze waternoot is er zoo een, en ’t is hem duur te staan gekomen. Want als de trage Europeaan ontwakend licht en lucht zoekt, dan is de slimme Canadees met echt Amerikaansche vlugheid en voortvarendheid hem reeds voor geweest en heeft alle plaatsen bezet. De jonge waternootspruitjes kunnen niet aan de oppervlakte komen, ze kwijnen weg door gebrek aan lucht en licht en brengen het niet eens zoover, dat ze bloesem of nieuwe knoppen kunnen vormen. Zoo is hun geslacht verdrongen en uitgestorven, gelijk in ’t verre Westen de roode man en de bison verdwijnen, als het bleekgezicht zich eenmaal vertoond heeft.
Nu is de vraag: heeft de Nederlandsche flora bij den ruil gewonnen? Wij zagen reeds, dat Elodea lastig kan worden voor de scheepvaart en dat is mij van de waternoot nooit ter oore gekomen.
Aan den anderen kant is de waterpest een heel aardige aanwinst voor het aquarium, waar hij gemakkelijk gekweekt kan worden. Doe maar als de professor; neem een stukje bebladerde stengel en gooi dat in ’t water. In weinige dagen ontwikkelen zich witte draadachtige wortels, die den zandbodem van uw bekken opzoeken; al heel spoedig vertakt zich ’t stengelbrokje, en de smaragdgroene stelen met de eenigszins donkerder bladeren slingeren zich bevallig door ’t water en schijnen het met een groenen glans te verlichten. Werkelijk wordt het water door de plant verhelderd. Gij kunt de proef er van nemen, door vóór het planten van waterpest het water van uw aquarium opzettelijk troebel te maken, d.w.z. er vuil water in te gooien, want uw bodemzand zal wel zoo schoon zijn, dat het omroeren er van geen „troebelen” veroorzaakt. Gij hebt dan—natuurlijk met een zelfmoordenaarsgevoel—vuil water in uw aquarium gedaan, en daarna Waterpest—erger kan het haast niet, zult ge denken,—maar binnen vierentwintig uren is het water zoo helder als kristal en de plant glanst als een edelsteen. Waar het vuil gebleven is? Dat blijft voorloopig een raadsel.
Het spreekt van zelf, dat de waterpest dit zuiverend vermogen in de vrije natuur evenzeer of in nog hoogere mate bezit; en wanneer ge op frissche, zonnige Aprildagen naar buiten trekt, om ’t ontwakend leven der natuur gade te slaan en gij in ’t kristalheldere water de kleinste diertjes op den bodem kunt zien, dan hebt ge dat voor een groot deel aan den vreemden indringer te danken.
In Juli en Augustus bloeit de Waterpest met kleine lila of purperroode bloempjes op steeltjes, die zoo lang zijn, dat de bloemen juist aan de oppervlakte van ’t water drijven. Als ge er niet opzettelijk naar zoekt, zult gij ze niet licht vinden; doch ’t loont de moeite wel, en ge kunt tegelijk uitzien naar larven en eitjes van water-insecten.
Het bloemomhulsel bestaat uit zes puntjes, waarbinnen zich een driedeelige stempel bevindt. Bij nader onderzoek blijkt het, dat die stempel het einde is van een lange draadvormige stijl, die heelemaal onder in ’t steeltje uit het vruchtbeginsel ontspringt. Meteen zien wij nu, dat de bloemen ongesteeld zijn en dat, wat wij voor een steel hielden, eigenlijk kroonbuis of kelkbuis of zoo iets behoort genoemd te worden.
Meeldraden zitten in deze bloem niet.
Nu ja, zegt ge, dan is de bloem vrouwelijk, laat ons maar eens zien, of er geen mannelijke aan dezelfde plant zitten.
Neen, geen mannelijke bloemen te vinden; dus de plant is tweehuizig, misschien vinden we in deze sloot nog wel een mannelijk exemplaar, of een eindje verder.
Zoek maar niet; in heel Nederland is geen mannelijke Waterpest te vinden en in heel Europa ook niet.
En dat is erg jammer. Want de Waterpest heeft een manier van bloeien, die tot de allermerkwaardigste behoort en waarvan de wonderlijkheid nog maar door één plant overtroffen wordt; die heeft daardoor in de wereld der plantenkenners, plantenliefhebbers en aquariumvrienden (om met de Duitschers te spreken) een groote reputatie verworven.