Part 7
De mannelijke bloemen van onze Waterpest bevatten negen meeldraden—een tamelijk ongewoon aantal ook. Tegen den tijd, dat die meeldraden „rijp” zijn—dus als zij gaan openbarsten en hun stuifmeel vrijlaten,—laat de geheele mannelijke bloem los van de plant, waarop zij zich ontwikkeld heeft, om vrij in het water rond te drijven. De helmknoppen, met klevend stuifmeel overdekt, steken dan buiten het bloembekleedsel uit—zij kijken overboord. Voort drijven de ranke bootjes over ’t spiegelend vlak—in Juli en Augustus waaien geen stormen. Waarheen drijven ze? Sommige stranden aan den waterkant en gaan verloren, andere blijven van de wal af en komen terecht bij de vrouwelijke bloemen, die gelijk met het water liggen en wier uitstekende stempels met de helmknoppen in aanraking komen. Eenige stuifmeelkorrels blijven op de stempelpapillen kleven, groeien door den stijl naar ’t eitje en het zaad kan rijpen.
In hoofdzaak is deze manier van bloeien dezelfde als bij de Vallisneria spiralis, de beroemde plant, waarvan ik zoo even sprak. Deze groeit in het wild in Zuid-Europa, maar ieder liefhebber van aquariums bezit er wel een paar plantjes van en zal u graag een stekje geven. Ze wortelen in den bodem en groeien geheel onder water, lange bandachtige groene bladeren, die rechtop staan—een weinig uit elkander gebogen. Als ze goed licht hebben, gaan ze in ’t aquarium wel bloeien ook en dat is de moeite waard.
Sommige planten ontwikkelen groene knopjes, onder water, op rechte steeltjes van 1 à 2 cM. lang, andere krijgen dergelijke knopjes, maar die zitten op een lang steeltje, dat net als een kurketrekker ineengedraaid is. Na eenigen tijd strekt die kurketrekker zich uit, totdat het knopje de oppervlakte van het water bereikt heeft. Daar opent het zich en nu blijkt het te bestaan uit 3 lichtgroene blaadjes, waarbinnen een vruchtbeginsel met drie stijlen, die buiten het bloempje over ’t water uitsteken. (Teekening blz. 121 rechts).
Intusschen is er met de knopjes, die op de rechte steeltjes zaten, ook iets gebeurd. Die steeltjes zijn erg broos: bij de minste aanraking breken ze af, als ’t hun tijd is. De knopjes, die lichter zijn dan ’t water, stijgen dan omhoog en drijven aan de oppervlakte rond. Nu zoudt ge denken, dat het met hen uit was—een losgerukt deel van een plant moet sterven. Maar onze Vallisneriaknopjes leven nog een poosje door. Ze gaan open, alsof ze nog deel van de plant uitmaakten, en de meeldraden, die binnen de drie blaadjes zitten, worden rijp en buigen naar buiten om.
Die blaadjes gelijken ieder op een bootje, drie bootjes met elkander vormen een bloem, die door wind en stroom wordt meegevoerd. Drijft nu zoo’n meeldradenbootje tegen een stamperbloem aan, dan raken de helmknopjes precies aan de stempels, waaraan dan het kleverig stuifmeel vast blijft zitten. Maar nu komt nog het mooiste. Ge zoudt nu denken: de stempels zijn voorzien van stuifmeel, dus nu kunnen de zaadjes rijpen. Dat is ook zoo, maar om te rijpen behoeven ze niet meer boven water te blijven—daar beneden is het veel veiliger—en wat gebeurt er nu? De steel krult weer in tot zijn vorigen kurketrekkervorm en trekt het rijpend vruchtje met zich mee in de groene diepte.
Nu weet men nog niet juist, of de Waterpest precies zoo doet. Dat meeldradenschuitjes naar de stamperbloemen varen, is wel waargenomen, maar of het vruchtje ook onder water rijpt, is nog niet met zekerheid te zeggen. Dat komt, doordat de waterpest in zijn eigen vaderland ook maar zelden bloeit; de mannelijke bloemen zijn er zeldzaam en vruchten en zaadjes onbekend.
Maar door de wonderlijke levenskracht en het ongelooflijke ontwikkelings-vermogen der losgerukte stengeldeelen is het voortbestaan van de plant toch voor lange jaren verzekerd, doch eens komt er een eind aan; volgens ’t beweren van sommige botanici vermindert de waterpest al weer in Engeland. Wanneer een ongewone beweging in ’t water haar broze stengeltjes knakt en vernielt op eene wijze, die iedere andere plant noodlottig zou worden, dan heeft dat voor haar slechts dit tengevolge, dat ieder brokstuk ergens anders een nieuw leven begint.
Zie in den zomer een zwerm eenden bezig in de ondiepe plas, geheel begroeid met waterplanten! Dat is een rukken en trekken en snuffelen en snavelen zonder oponthoud; kroos en waterpest worden verscheurd en verzwolgen terwille van ’t klein gedierte, dat zich erin en er tusschen ophoudt, terwijl van tijd tot tijd een of meer naar den bodem duiken, om zwaarder kost te bemachtigen. ’t Zijn allemaal woerden—de wijfjeseenden zitten allen te broeden. Laat ons wat dichterbij sluipen, om te zien, welke soorten er vertegenwoordigd zijn, want er zijn eenden en eenden.
Voorzichtig! Wel is de jacht nog niet geopend, en zit de hagelschrik hun nog niet in de leden, maar er is geen wantrouwiger gevogelte dan eenden en misschien zijn de stroopers al bezig geweest. Er zijn van die lui, die altijd moeten schieten!
Kwêk—daar heeft er ons al een gezien en maakt zich uit de voeten. Die het dichtst bij hem waren, bemerkten ook onraad en volgen hem. Hun heengaan baart opzien bij de overigen en zoo is in korten tijd geleidelijk de geheele zwerm verdwenen, verspreid naar alle kanten.
Waarheen? Naar een andere plas, of naar de slooten in de weilanden, waar de purperen orchideeën en de roode koekoeksbloem den tijd van ’t jaar vermelden. Daar strijken ze neer, en, zindelijke beestjes als ze zijn, hun eerste werk is zich te reinigen van wat bij hun overhaaste vlucht uit de poel in hun veeren is blijven steken. Een voor een worden de slagpennen en staartveeren afgeschuurd, een dolle dompelpartij besluit het toilet maken, en het gevolg: in de sloot zweven kroosplantjes en... stukken waterpest.
Binnen eenige maanden is de sloot volgegroeid—tot groot verdriet van den boer—die nu al opziet tegen het tochtmaaien en den polderschouw en alvast het mogelijk voordeel aan meststof en kantverhooging opweegt tegen het te betalen arbeidsloon voor slootreiniging.
Als die jaarlijksche slootreiniging niet gebeurde, dan zouden er al heel gauw geen slooten meer zijn. De waterpest en zijn confraters zouden binnenkort alle beschikbare ruimte innemen—zeer tot hun eigen nadeel natuurlijk; want zij zouden, als ze ’t water eenmaal in veenmodder veranderd hadden, zelve niet meer kunnen groeien en moeten onderdoen voor de modderplanten. Zoodat bij slot van zaken de jaarlijksche groote slachting onder de waterplanten weer op hun eigen voordeel uitloopt.
Wie zijn de confraters van de waterpest? Welke Hollanders kunnen nog naast den gevaarlijken Amerikaan een rustig leven leiden? Natuurlijk die planten, die ’t meest op hem gelijken en in levenswijze nagenoeg met hem overeenkomen,—in de eerste plaats het hoornblad en het vederkruid. Dit zijn beide planten, die evenals de waterpest met hun lange stengels, met blaadjes omkranst, de geheele watermassa doordringen. Hun bladeren spreiden zich niet zooals die der plompen en zooals het kroos, aan de oppervlakte van het water uit—maar ook in de dieper gelegen waterlagen vinden zij nog, wat zij voor hun bestaan noodig hebben. Deze eigenschap maakt ze bijzonder geschikt voor aquariumplanten, niet alleen, omdat hun smaragdgroene guirlanden en festoenen de kleurlooze watermassa opvroolijken en een dubbelen glans geven aan de roode vinnen van baars of rietvorentje—maar ook om den heilzamen invloed, dien ze op ’t water zelve uitoefenen en die bijna geheel zou uitblijven, wanneer ze alleen aan de oppervlakte leefden.
Welke die heilzame invloed is, gist ge reeds. Evenals waterpest, bezitten hoornblad en vederkruid het vermogen, om het water te zuiveren van de slijkdeeltjes, die er in zweven—echter op andere wijze. Blijft het bij de waterpest een raadsel, waar de slijkdeeltjes heengegaan zijn, daar noch de plant, noch de bodem eenig spoor ervan vertoonen—bij ’t hoornblad zetten ze zich op de buitenhuid der sprietige, taaie, buigzame blaadjes vast, totdat de geheele plant met een slijklaag overdekt is.
Men kan zoodoende gemakkelijk een troebel geworden aquarium schoonmaken, door telkens schoon hoornblad erin te plaatsen. Slaat ’t eindelijk in ’t geheel niet aan, dan is het een voldongen feit, het water is zuiver. Onzuiverheid, veroorzaakt door planten- of dierenlijken, kan op deze wijze echter niet verholpen worden,—daarvoor gebruike men zooals reeds gezegd is, vlijtig de hevel!
Die reinigingsdienst is nu heel mooi en goed—zult ge zeggen—maar ik kan zelf mijn aquarium ook wel schoonhouden en ik zal wel oppassen, er geen klei in te brengen. Daarvoor alleen behoeven Elodea en Ceratophyllum en Myriophyllum niet zoo opgehemeld te worden! Gij hebt natuurlijk volkomen gelijk—maar er is nog meer.
Neem weer eens een van die suikergoed-flesschen, die ge op uw jachttochten naar klein waterwild gebruikt, maar kies een heel lichte; bewaar de groene maar voor ’t geval, dat ge dieren hebt, die afgezonderd moeten worden, zooals de geelgerande watertorren en hunne larven of dergelijke roovers. Ga nu naar uw sloot (ieder natuurliefhebber bezit natuurlijk in de buurt van zijn woonplaats een sloot, een moeras, een boschje enz. waar hij steeds de meest voorkomende planten en dieren voor onmiddellijke waarneming kan vinden) en vul uw flesch met frissche, gezonde takken van de drie planten, waarover ik nu eenmaal aan ’t praten ben geraakt. Glippen er soms wat van die lange groene draden, die in alle slooten drijven, mee in de flesch, dat is zoo erg niet—ook niet, als er een paar stukjes kroos in komen—die doen toch ook allemaal mee. Doe de flesch maar flink vol—natuurlijk niet zoo, dat de planten opeengeperst zitten, maar ze mogen de flesch toch van den bodem tot den rand vullen. Natuurlijk zitten er ook nog kleine diertjes tusschen, maar liefst had ik, dat hun aantal zoo klein mogelijk was; dan alleen kunnen wij, wat er gebeuren zal in onze flesch, toeschrijven aan de bezigheid der planten.
Nu naar huis; zie daar een emmer met water en een diep bord machtig te worden en jaag alle nieuwsgierigen de keuken uit. Neem nu de flesch met de planten en dompel die onder in de emmer met water, leg daarna de holte van het diepe bord op de opening van de flesch, en keer nu flesch en bord om—steeds zorgende, dat beide onder water blijve. Pak dan het bord, dat nu onderaan ligt, beet—zooals men een bord gewoonlijk aanvat met twee handen—en til bord en flesch de emmer uit. Het bord is dan vol water—de flesch, die er omgekeerd op staat, ook—gij weet al lang door welke natuurkundige wetten, en herinnert u dadelijk alles van drukking van de lucht en communiceerende vaten en barometers en dergelijken.
Als nu de rand van de flesch heel zuiver en de bodem van het bord juist vlak is, dan is er van communiceerende vaten geen sprake; het water in de flesch is dan geheel afgesloten van dat in het bord, maar—dat wil ik juist niet. Indien er dus vrees bij u bestaat, dat het water uit de flesch niet vrij in het bord kan komen, snij dan vier plakjes van een kurk en schuif die voorzichtig onder den fleschrand, natuurlijk zorg dragende, dat de rand niet boven komt, anders loopt de flesch leeg en dan kunt ge van voren af beginnen. Nu zal geen enkele Hollandsche huismoeder uw gemors in haar huis willen dulden, zet daarom uw toestel maar op een helder plekje in de tuin of in de vensterbank. Gij moogt uit het bord wel zooveel water verwijderen, dat het niet overstort; maar pas op, dat de rand van de flesch niet boven water komt, of, enz.
Nu zullen er wel Fransche thema’s te maken zijn, of sommen, of je moet nog een kaartje van Midden-Amerika teekenen; laat dus het toestel maar aan zijn lot over en kom over een paar uur eens kijken.
Word nu niet in eens kwaad, en zeg niet dat Johan er weer aangezeten heeft en dat je het wel zien kunt, want dat het diepe bord overloopt en dat er lucht in de flesch is gekomen. Gerust, Johan is er zelfs niet bij geweest en de meid heeft er ook niet aan gescharreld. Overtuig u. Hevel wat water uit het diepe bord weg—en ga dan erbij zitten—wakende over uw schatten. Binnen korten tijd is de luchtruimte boven in de flesch grooter geworden, het bord lijkt voller en weldra loopt het over. De lucht of wat het dan ook is, ontwikkelt zich in de flesch zelve! Die ontwikkeling wordt echter gaandeweg langzamer en houdt eindelijk geheel op, of wordt onmerkbaar. Laat gij het geheel nu nog eenige dagen staan, dan sterven de planten.
Lucht of wat het anders zijn mag! Laat ons eens onderzoeken, wat wij in de flesch gekregen hebben. Het is een kleurloos gas. Wat voor kleurlooze gassen kent gij? Lucht, lichtgas, koolzuur, waterstof, zuurstof, dat zijn er al vijf—of vier en een allegaartje, zooals ge weet. Roep nu Johan er bij en je zusjes, als je ze hebt, en de meid (die kunnen gillen, als ’t noodig is, dat geeft meer voldoening). We zullen maar dadelijk de brandproef nemen, ongelukken zullen niet gebeuren, daar sta ik voor in. Een moet het lucifertje gereed houden, een ander de flesch onder water sluiten (met een nat stuk bordpapier of liever nog met een goed sluitende groote kurk) en overeind zetten.
Als wij nu de brandende lucifer in ons „gas” houden, kunnen er verschillende dingen gebeuren. De lucifer blijft rustig doorbranden, dan is het gewone lucht; het gas ontploft met een roode of gele vlam, dan is ’t lichtgas. In koolzuur dooft de lucifer uit, en waterstof ontploft met een blauwe vlam. Niets van dat alles gebeurt, maar de lucifer zelve begint ineens verblindend helder te branden, waardoor wij de zekerheid krijgen, dat in onze flesch zuurstof ontstaan is.
Waaruit? en waardoor? Dat kunnen wij zoo dadelijk niet zeggen, daarvoor moeten we de proef—(wij spraken thuis altijd van „de groote proef”)—nog eenige malen herhalen, onder andere omstandigheden.
We richten alles weer precies zoo in, alleen doen we in plaats van planten, dieren, b.v. stekeltjes in de flesch. In een paar dagen gaan de stekeltjes wel dood, maar ge neemt geen gas-ontwikkeling waar. Vul nu de flesch weer met planten, doch beplak haar aan de buitenzijde met dik zwart papier. Ook nu krijgen we geen zuurstof, of maar een heel klein beetje, waaruit volgt, dat de planten, die we in onze flesch gehad hebben, onder den invloed van het zonlicht zuurstof voortbrengen. Ze zijn dus als ’t ware gasfabrieken.
Wilt ge het wat mooier en eenvoudiger doen, koop dan een kookfleschje van dun glas van een halven liter inhoud. Vul het met water en waterplanten geheel en sluit het af met een kurk met een glazen buisje er door, dat bijna tot aan den bodem van ’t fleschje komt. Zet de flesch gewoon in ’t licht, dan is na korten tijd de hals vol zuurstof.
Uit uw aquarium zelve stijgt voortdurend zuurstof op in kleine belletjes, meestal zoo klein, dat ze onopgemerkt blijven. Als ge eens met aandacht door een opstaanden wand in uw aquarium kijkt, dan kunt ge heel fijne loodrechte draadjes in het water zien hangen, dunne parelsnoertjes; ze bestaan uit heel kleine zuurstofbelletjes, die omhoog stijgen, maar dat kunt ge haast niet zien, want de belletjes zijn zoo gelijk van grootte en bewaren zoo steeds denzelfden afstand onderling, dat er in de draad geen verandering waar te nemen is, geen beweging. Toch kunt ge u er van overtuigen. Plaats boven een plekje, waar eenige van die parelsnoertjes dicht bij elkander hangen, een omgekeerde toegestopte glazen trechter of een reageerbuisje, met water gevuld, en na eenigen tijd is het water eruit verdwenen en vervangen door zuurstof. Het zal u wel eenige moeite kosten, de trechter of het buisje eenigen tijd—een paar uren—stil boven de opstijgende belletjes te houden, maar ik vertrouw op uw geduld en vindingrijkheid en op een oordeelkundig gebruik van stukjes kurk en eindjes ijzerdraad, waarvan ge natuurlijk groote voorraden bijeengegaard hebt. Iedere jongen heeft immers een „arsenaal”, zooals wij het thuis noemden.
Het is voor ons Nederlanders een groote voldoening, te weten, dat deze uiterst belangrijke proef, en de groote ontdekking omtrent het leven der planten, die er het gevolg van was, nu ruim een eeuw geleden voor ’t eerst gedaan zijn door een landgenoot, den beroemden Jan Ingenhouss van Breda.
Wilt ge u alleen tevreden stellen met belletjes te zien opstijgen en wel gelooven, dat het zuurstof is, scheur dan van een groeiende waterpestplant onder water een paar blaadjes stuk. Van tijd tot tijd stijgen daaruit vele en groote bellen zuurstof omhoog.
Waaruit bereiden de planten die zuurstof? Gij weet, dat het water bestaat uit 2 deelen waterstof en 1 deel zuurstof. Zouden onze waterplanten nu de waterstof uit ’t water gebruiken en zoodoende de zuurstof vrij maken? Dat lijkt wel mogelijk, maar gij herinnert u, dat de gasontwikkeling op een gegeven tijdstip eindigde, ofschoon er nog water genoeg in de flesch was. Neem de proef nog eens—en het zal weer gebeuren. Maar als nu weer het doode punt in de gasontwikkeling bereikt is, hevel dan het diepe bord zoover mogelijk leeg en vul het dan weer aan met spuitwater. Het spreekt vanzelf, dat dit spuitwater zich door de geheele watermassa verspreidt en dus ook in de flesch met de planten doordringt. En wat gebeurt er nu na eenige oogenblikken? Weldra is de gasfabriek weer in vollen gang—en telkens als er staking in de werkzaamheden komt, kunt ge door nieuwe bijvoeging van spuitwater weer nieuwe ontwikkeling te voorschijn roepen. Voor de zuurstofvorming is dus iets noodig, dat zich in het spuitwater bevindt—gij weet, dat dit ook een gas is, en wel koolzuur. Meteen maakt ge natuurlijk de gevolgtrekking, dat gewoon frisch water dan ook koolzuur bevatten moet, hetgeen volkomen juist is; gij kunt u door de kalkwaterproef ervan overtuigen.
Ook koolzuur is met gewone dampkringslucht in ’t water opgelost en kan door verwarming er uit gedreven worden. Laten wij zulk afgekookt water afgesloten weder bekoelen, en brengen wij er dan voorzichtig wat waterplanten in, dan zullen we geen gasontwikkeling waarnemen en de planten sterven. Gij weet reeds, dat dieren in zulk van gassen beroofd water ook niet leven kunnen.
Onze planten veranderen dus koolzuur in zuurstof door een eenvoudige aftrekking; ze slikken met kleine hapjes het koolzuur in, bereiden de kool eruit tot voedingsstof en geven de zuurstof als overschot weer terug. De zuurstof zet zich in uiterst fijne blaasjes aan de oppervlakte der bladeren af, die blaasjes vereenigen zich tot belletjes, welke we zien omhoog stijgen, als ze groot genoeg zijn. Niet al de zuurstof bereikt echter de oppervlakte, veel ervan blijft in het water zelve opgelost en dat maakt dan weer, dat de dieren, die zuurstof uit het water moeten inademen, er in leven kunnen. De dieren ademen dan weer koolzuur uit—waarvan de planten weer de kool gebruiken, om in ruil zuivere zuurstof terug te geven. Zoo maken planten en dieren elkander het leven mogelijk.
Voordat ik dit wist, heb ik mij er dikwijls over verwonderd, waarom in aquariums en goudvischkommen altijd het water ververscht moest worden en waarom met veel kosten in een aquarium vaak de morserij van fonteintjes en afvoerbuizen voor de luchtverversching moest aangebracht worden, terwijl toch in stilstaande poelen het rijkste leven zich kon ontwikkelen. Bracht de regen daar versche lucht mee? Maar als het dan in maanden niet regent? Het ligt voor de hand, dat in stilstaand water de levende wezens, planten en dieren door onderlinge samenwerking in leven blijven. Ook is het heel wel mogelijk, jaren lang een aquarium met levende planten en dieren te houden, zonder een enkele maal het water te ververschen.
In parken, die goed (al te goed soms) onderhouden worden, zijn wel vijvers, waarin men geen enkele waterplant duldt. Ik ken een groote stad, waar een heel mooi park is en in dat park zijn reusachtige vijvers, waarin geen waterplantje drijft en waar langs de oevers geen een van al die prachtige oeverplanten—lisch, zwanebloem, riet, dullen—wordt toegelaten, ’t Is vreeselijk jammer, dat het zoo is, maar het bestuur van ’t Park schijnt het niet anders te willen en handhaaft in zijn vijvers een echt Broek-in-waterlandsche zindelijkheid. Dit neemt niet weg, dat op sommige tijden van ’t jaar de watervlakte met een vuil wierschuim bedekt is, maar daar kan ’t vlijtigste parkbestuur niets aan doen, want die wierkiemen komen om zoo te zeggen, maar ineens uit de lucht vallen.
Maar daar wilde ik het niet over hebben. De gewone toestand in die saaie vijvers is dus, dat er geen waterplanten in groeien. Toch leven er visschen in, mooie groote brasems in overvloed, en zoo groot, dat de hengelaars, die ’t park passeeren slechts noode al watertandend de lust kunnen weerstaan, om eens in ’t verboden vischwater een kansje te wagen.
Hoe houden die visschen ’t nu uit zonder waterplanten, hebben zij dan geen zuurstof noodig? Wel zeker, en zij krijgen er genoeg van ook.
Ge hebt wel eens stekeltjes in een flesch gehad zonder waterplanten. Na een poosje ziet ge, dat ze alle dicht bij de oppervlakte van ’t water zwemmen en daar naar lucht happen. Maar zij happen niet in de lucht, doch alleen in ’t bovenste laagje water, dat door zijn onmiddellijke aanraking met de lucht zelf, een voldoende hoeveelheid gassen in zich opneemt, absorbeert, zooals we in de natuurkundeles leerden zeggen.
Nu is ’t water in den vijver eigenlijk maar een heel dun laagje en in vergelijking met zijn diepte is er zoo’n groote oppervlakte met de lucht in aanraking, dat daardoor alleen het water al voldoende geventileerd wordt, vooral als de wind van tijd tot tijd meehelpt, door de krullende golfjes met lucht te vermengen.
Het is duidelijk, dat deze luchtverversching meteen ophoudt, wanneer de lucht niet meer in aanraking met ’t water kan komen, b.v. ’s winters, als een dikke ijslaag de vijvers bedekt. Dan hebben de visschen gebrek aan zuurstof; en dat weten de visschers wel, die bijten in ’t ijs hakken, waar dan binnen weinige oogenblikken de visschen elkander verdringen om een enkel hapje lucht machtig te worden.
Wie nu weinig planten in een aquarium heeft, doet niet goed met het toe te dekken, want daardoor wordt een belangrijke hoeveelheid luchtverversching onmogelijk gemaakt. Toch is ’t dekken van een aquarium zeer noodig, eensdeels, om te beletten, dat de vliegende insecten ontsnappen, anderdeels, om het schadelijke stof te weren.
Zorg maar ervoor, het steeds goed van planten te voorzien, en de afgestorven blaadjes en takjes zorgvuldig te verwijderen. De meeste planten, ook die in ’t water groeien, zijn afhankelijk van ’t licht; goed licht is voor hen levensvoorwaarde. Nu kan uw aquarium nooit erop rekenen, evengoed verlicht te worden als een sloot in ’t vlakke weiland, waar den geheelen dag de zon zich in kan spiegelen en waar slechts een smalle schaduwrand een toevluchtsoord blijft vormen voor de meestal lichtschuwe dieren.
Vandaar dat uw planten maar zelden voortdurend gezond en tierig blijven, vooral als ze „bovenlicht” missen moeten,—na eenige weken gaan ze kwijnen—ze sterven wel niet, maar ze worden tenger en bleek en slap; ze krijgen bloedarmoede. Wie het goed met zijn aquarium meent, vervangt bijtijds zulke zwakkelingen door nieuwe frissche planten.
Dat geeft meteen gelegenheid, om eens een middagje met schepnet en vork er op uit te gaan, en zoo de kans om merkwaardige vondsten te doen. Het behoeft niet altijd alleen maar Waterpest of Hoornblad of Duizendblad te zijn. We kunnen ook drijvende waterplanten gebruiken. Onze vischjes houden van schaduw en kunnen die in de ijle of draadvormig verdeelde blaadjes van onze drie voornaamste zuurstof-vormers niet gemakkelijk vinden. Er moet een groen dak bovenop het waterpaleis, dan eerst is het genoegelijk rond te dwalen in de koele ruimte tusschen de groene pilaren en guirlanden! Wat zou een sloot zijn zonder kroos! Waar zouden de kleine zilveren steenkarpertjes hun leven moeten slijten, als er geen kroos was, kroos, waartusschen en waaronder het wemelt en krioelt van allerlei klein watergedierte, maar waartusschen door maar al te dikwijls de scherpe haak en het verleidelijke wormpje van den lastigen hengelaar een eind aan hun zorgeloos bestaan komt maken.