Part 5
Zijt ge nog op school, breng dan den onderwijzer of leeraar eens zoo’n paar daphnia’s mee, en verzoek hem, ze u eens door een microscoop te laten zien. Dan blijkt zoo’n diertje lang niet leelijk te zijn; de parelmoerachtige schalen prijken met allerlei kleuren en teekeningen; bovendien valt er daarbij iets waar te nemen, dat ge niet elken dag te zien krijgt: de bloedsomloop in een levend, ongeschonden dier. Dicht bij den rug, ontdekt ge het hart, een rooden zak, die door beurtelings samentrekken en uit te zetten, den bloedstroom met glasachtige lichtroode lichaampjes er in, inzuigt en uitstuwt; ook de eieren zien er dan heel anders uit dan met de loupe.
Het zal u misschien opmerkelijk voorkomen, dat bijna alle volwassen daphnia’s in uw flesch wijfjes met eieren zijn: de veel kleinere mannetjes krijgt ge dan ook eerst laat in het najaar, soms eerst in het begin van den winter te zien. In den zomer komen uit de eieren der wijfjes diertjes, die meer op mijten of spinnetjes gelijken dan op daphnia’s; uit de wintereieren komen in het voorjaar weer nieuwe daphnia’s; deze eieren vormen het eenige overblijfsel van onze onvermoeide huppers, dat den winter overleeft.
De visschen, donderpadden, ruggezwemmers, en de ontelbare kever- en libellen-larven zijn het niet alleen, die de dichte drommen der éénoogige daphnia’s ijler maken.
Onder het groene blad van het drijvend kroos verborgen, loert een monster op die ongelukkige diertjes, dat zijn weerga niet heeft in onze zoetwaterslooten of plassen. Alleen in de volle zee vindt het zijn gelijken, maar dan in reusachtige afmetingen.
Ge hebt misschien wel eens gehoord van de reuzenpolypen, die met hunne lange voelarmen den parelduiker omstrengelen, zoodat door zijn kameraden in de boot zijn terugkomst aan de oppervlakte tevergeefs wordt verwacht; of ge hebt wel eens een plaat gezien van de kraken, die fabelachtige monsters uit de Noord-Atlantische Oceaan, die met hun reuzenarmen het schip om de masten grijpen en het met onweerstaanbare kracht in de diepte trekken; of anders zeker wel eens gelezen van de inktvisschen, die vleeschzakken met 8 of 10 armen, die als slappe touwen door het water zweven, tot een visch, een kreeft of een schildpad binnen het bereik der voelarmen komt; deze tentakels beginnen dan plotseling als slangen te kronkelen en zuigen zich met honderden zuignappen vast aan de prooi; in hun kronkels verstikt het gevangen dier, het wordt naar den mond van de vleesch-zak gevoerd, waar het spoedig verdwijnt.
Zoo’n monster, maar gelukkig voor de meeste slootbewoners, in zeer kleine afmeting, bewoont ook onze streken. Het is de zoetwaterpolyp, een diertje van hoogstens een centimeter lengte, wat het lichaam betreft.
Leeuwenhoek was al weer de eerste ontdekker van het bestaan van dit vreemdsoortig wezen. Zijn ontdekking werd vergeten en een goede honderd jaren geleden, meen ik, werd het opnieuw ontdekt door iemand, die de werken van onzen landgenoot niet kende. Het is geen wonder, dat het diertje zoolang onbekend bleef; wie zijn bestaan niet vermoedt, zal het niet licht vinden; zelfs als men weet, dat er polypen in een of andere sloot leven, kost het moeite ze te vinden.
Leeuwenhoek had al meermalen opgemerkt, dat tegen het glas van zijn fleschje met slootwater zich voorwerpen hechten, die hij voor planten hield. Het waren groene of bruine steeltjes, van een centimeter lengte, en zoo dun als een breinaald, vaak nog dunner, van boven echter wat dikker dan van onder; aan het dikkere gedeelte ontsprongen een 6 of 8tal zeer dunne, kronkelige, spinnewebachtige draden, die zich ver in het water verspreidden, tot ze onzichtbaar werden.
Wel was er beweging in die draden te bespeuren, maar hij schreef dat toe aan een zwakke beweging van het water, die door de kleine, ook door hem ontdekte infusie-diertjes werd veroorzaakt.
Voor een onderzoek met zijn microscopen leenden ze zich minder goed; want nam hij voorzichtig zoo’n takje uit het water, dan viel het geheel in elkaar tot een geleiachtig, bruin bolletje, zoo groot als een speldeknop en hieraan was onder het microscoop weinig bizonders te ontdekken.
Hij bleef het raadselachtige plantje langen tijd zorgvuldig gadeslaan, en bemerkte al spoedig, dat er zich aan den steel hier en daar een knobbeltje vertoonde; dat knobbeltje groeide aan en werd een takje, geheel gelijk aan dat, waaraan het gegroeid was. Het bleef eenige uren, soms ook wel een dag lang, met het oude. takje in verbinding, liet daarna los en hechtte zich, een eindje van het eerste af, op dezelfde wijze met zijn voet aan het glas vast.
Deze manier van voortplanten herinnerde Leeuwenhoek aan de voortplantingswijze van sommige gewassen, en het versterkte hem in de meening, dat hij hier eveneens met een plant te doen had. Toch had hij er geen vrede mede; telkens en telkens keerde hij tot zijn zonderling plantje terug, en bespeurde toen, dat het zich op de een of andere wijze verplaatst moest hebben.
Op zekeren dag dat hij, zooals gewoonlijk in zijn sitsen kamerjapon gekleed, voor zijn groote tafel aan het venster zat, en last had gegeven, hem in geen geval te komen storen, bemerkte hij, dat het plantje zich bewoog; Leeuwenhoek had al heel wat nieuws en wonderlijks onder zijne oogen zien gebeuren, maar dat gezicht deed hem hevig ontstellen, het glaasje trilde in zijn handen.
Geen wonder, wat hij daar zag, had hij nooit kunnen vermoeden. Het steeltje kromde zich; de knop, waar de draden ontsprongen, die nu allen waren ingetrokken, naderde den glasrand en hechtte zich daar vast,—wat eerst de voet was, werd nu de top, ook die boog en kromde zich tot een hoepeltje; nu liet de top weer los; het diertje—er was nu geen twijfel meer aan of het was een dier—richtte zich overeind en de draden kwamen één voor één weder te voorschijn. Het geheele diertje had zich op deze ongewone wijze, door langzaam over den kop te buitelen, verplaatst.
Maar die zonderlinge voortplanting door knoppen, die zijtakken worden! Een dier, al is het nog zoo eenvoudig georganiseerd, bot niet uit, groeit niet als een boom, het legt ten minste eieren, waaruit de jonge dieren voortkomen!
Daardoor twijfelde Leeuwenhoek nog; tegenwoordig weet men er meer van. Daar doet zijn gelukkig gesternte hem op den inval komen, eenige daphnia’s bij de polyp, in het fleschje te werpen. De diertjes huppen lustig rond. In de grootste spanning tuurt de onderzoeker naar de polyp,—hij houdt het glaasje tegen het licht en ziet duidelijk de zachte beweging der golvende draden, die zich soms tot een vinger lengte uitstrekken en zoo dun als spinrag worden. Daar nadert een daphnia één der voelarmen van de polyp; als door den bliksem getroffen valt het diertje geheel verlamd neer, maar het valt niet diep, het is of het aan een onzichtbare draad een oogenblik blijft hangen,—nu zinkt het op den bodem en blijft dood liggen. Een andere daphnia raakt bij zijn dolle bokkensprongen een tentakel aan, ook dit diertje valt, plotseling bewegingloos geworden, een eindje neer, maar bereikt den bodem niet. Het diertje blijft aan den voelarm kleven, zoo ’t schijnt; die kronkelt er zich om heen, en tot Leeuwenhoeks onbeschrijflijke verbazing, wordt het door diezelfde tentakel gevoerd naar de plaats, waaromheen alle armen van de polyp als een stralenkrans ontspringen. Daar opent zich de top, een wijde mond gaat open en de daphnia wordt als in een zak naar binnen geschoven.
In het lichaam van de polyp was de vorm van de prooi duidelijk te zien. Het onderste deel van het steeltje, een derde ongeveer van het geheele dier, bleek werkelijk een steel of een voet te zijn; tot zoover zakte de daphnia door en dit deel was dus niet hol. De polyp, die, nu hij zijn prooi binnen had, de armen had ingetrokken, werd langzamerhand weer dunner, en na een uur of vier was hij weer zoo dun en zoo lang als te voren. De daphnia was opgelost, verteerd, en de voelarmen tastten opnieuw in ’t rond, zoekend naar een tweede prooi.
Het spreekt van zelf, dat zulk een merkwaardig dier een voorwerp van onderzoek werd van tal van natuurvorschers. En het werd er hoe langer hoe merkwaardiger door.
Al spoedig werd ontdekt, dat een polyp, die door een of ander ongeval een of meer zijner tentakels had verloren, daarvan niet voor zijn leven verstoken bleef, maar dat die afgerukte lichaamsdeelen weer aangroeiden. Men probeerde eens hoever die herstelkracht in het diertje wel gaan zou; en het bleek, dat die verbazend was; als alle voelarmen op één na werden weggenomen, kwamen er nieuwe, soms meer dan er oorspronkelijk geweest waren. Dit bezorgde de polyp de naam van hydra, naar het monster uit de fabelleer, dat voor elken afgehouwen kop er een aantal nieuwe in de plaats kreeg.
Ja, sterker nog; splijt men het diertje tot aan den steel toe in de lengte op, dan groeit elk deel weer tot een nieuw lichaam aan. Het was in de vorige eeuw zelfs een tijdlang mode, op de gezellige bijeenkomsten der natuurvrienden monster-hydra’s te vertoonen, die, op deze wijze verminkt, tot dertig nieuwe takken en lichamen met voelarmen op één steel droegen.
Dat zulke proeven op dieren, als ze voor de aardigheid genomen worden, voor de wetenschap geen nut hebben, is voor ieder duidelijk. En al komt de hydra, vooral ook door dat herstellings-vermogen, heel veel met een plant overeen, het blijft een wreed vermaak; al is het diertje waarschijnlijk lang niet zoo gevoelig als hoogere dieren, geheel gevoelloos is het zeker niet.
Een grens schijnt dat opnieuw aangroeien niet te hebben. Het lijkt wel, of Baron van Münchhausen bij het ranselen van zijn vos geen grooter leugen bedenken kon, dan deze: dat ’t dier zich binnenste buiten keerde en wegliep. Maar bij de polyp schijnt dit nog mogelijk te zijn: Na heel veel mislukte pogingen is het namelijk aan een onderzoeker gelukt, zoo’n zoetwaterpolyp binnenste buiten te keeren, en zie! het diertje stoorde zich aan die merkwaardige operatie al heel weinig, de buitenzij deed, zoo scheen het, dienst als binnenzijde, als maag, en nam doodgewoon voedsel op.
In den laatsten tijd, nu er op het gebied van de allerkleinste microscopische diertjes niet zoo gemakkelijk nieuws te ontdekken schijnt te zijn, als een poos geleden, is men weer met het waarnemen van grootere dieren en ook van onze inheemsche hydra begonnen. Nu is onlangs aan een Japansch natuuronderzoeker gebleken, dat die polyp, als een gevangen prooi wat te groot voor zijn mondopening is, zich zelf een eindje binnenste buiten keert, en den zoo omgeslagen zoom van zijn lichaam dan over de daphnia of het kevertje heenslaat. Dit terugslaan gaat zoo snel in zijn werk, dat de oude onderzoekers van de ongelooflijke omkeeringsproef zich wel eens vergist kunnen hebben, doordat het diertje, nadat het binnenste buiten was getrokken, bliksemsnel, zijn normalen stand kon hernomen hebben.
Ook is thans opgehelderd, hoe het mogelijk is, dat de polyp zoo geheimzinnig een daphnia kan verlammen, als zijn tentakels het dier nauwelijks hebben aangeraakt. Wonderlijke organen zijn met behulp van den microscoop in die tentakels ontdekt. Op verschillende plaatsen bevinden zich daarin holten, waarin een spits pijltje is geborgen, waarmee een lange opgerolde draad, in die holten van den voelarm vast zit; iets als een harpoen dus. Bij de geringste aanraking schiet de polyp zoo’n harpoen-draad af; als hij kan, verscheidene tegelijk; de einden slingeren om het lichaam van de prooi en, blijven ze hangen, dan kan de polyp de kabel inpalmen en zijn prooi naar zich toe halen.
Maar of dit nog niet wonders genoeg was, heeft het merkwaardige dier nog een tweede soort jachtwapenen in gebruik. Kleine holten in de tentakels bevatten een menigte losse werpspiesen, uiterst fijne naaldjes; deze gebruikt de hydra in massa tegelijk; een natuurkundige heeft een gevangen daphnia onderzocht, die op het punt stond in den mond van de polyp getrokken te worden, en hij zag het diertje van alle zijden, als een egel met pennen, bespikkeld met die fijne spiesjes. Waarschijnlijk dienen zij den polyp om een te zware prooi in ’t water zwevend, en zoodoende binnen zijn bereik te houden; dit maakt men op uit het feit, dat zoo’n honderdvoudig gespieste daphnia bovendrijft en een ander dood exemplaar in het slootwater terstond zinkt.
Ook bij andere kleine waterdieren zijn zulke naald- of harpoenvormige aanvalswapenen ontdekt; die draden met pijlen hebben den naam ontvangen van netelorganen en de dieren, die ze voeren, den naam van neteldieren; wellicht om de overeenkomst aan te geven met de werking der brandharen van de groote brandnetels.
Om het holle, zakvormige lichaam worden deze neteldieren ook wel holte- of zakdieren genaamd. Als ge bijgeval eens gelegenheid hebt, een uitgebreid werk over dierkunde in te zien, dan kunt ge ze onder een dezer rubrieken beschreven vinden en er nog veel meer bizonders van gewaar worden.
Alleen moet ik nog zeggen, dat onze hydra, behalve de voortplanting door vertakking, nog een andere meer dierachtige manier van voortplanting heeft. In het najaar vormen zich eieren onder in dit holle lichaam; die zinken, vóór het diertje sterft naar den slootbodem en zorgen, dat er ook in den volgenden zomer nog hydra’s zijn.
Een onbekommerd leventje heeft de polyp echter niet: verdelgen zonder kans te loopen, zelf verdelgd te worden, dat zou een uitzondering zijn op den regel; zoo iets is in ’t leven van een slootbewoner nog maar zelden opgemerkt.
Zooals heel veel kleinere dieren heeft hij zijn parasiet, zijn belager, die hem aanvalt en hem bij levenden lijve verorbert. Soms ziet men een hydra ongewone, heftige bewegingen maken; zijn armen strijken snel langs het lichaam en langs elkander, als was hij bezig zich te reinigen. En dit is werkelijk het geval, ten minste hij probeert het, maar het lukt hem zelden. Hij is aangevallen door een heel kleine mijt, die hem letterlijk den dood aandoet; dat beestje holt met zijn acht pootjes verbazend snel over het lichaam van de polyp heen, nu hier, dan daar hem knauwend. Gelukt het de hydra niet, de mijt te spietsen, of ten minste af te strijken, dan is ’t met hem gedaan.
Afstrijken helpt echter niet steeds afdoend, want de mijt beschrijft wel een boog in het water en bespringt zijn offer opnieuw. Is de hydra vermoeid, dan begint de parasiet hem de tentakels af te bijten.
Ook voor sommige visschen schijnt onze hydra een lekkerbeetje te zijn, zooals blijkt in de kleine aquariums van de Amsterdamsche diergaarde, zij snappen de hydra, met de daphnia er in, van het glas of van de waterplanten weg.
In de eendenvijvers van Artis komen de polypen in groote menigte voor; met het kroos, dat daar uitgenomen, in de bakken wordt gebruikt, geraken zij ook in de aquariums. Daar veroorzaken zij ook heel veel last, door het dooden van de daphnia’s en cyclopen, die tot voedsel voor de visschen bestemd zijn. Niet alle visschen vallen hen aan; de aal b.v. met zijn gevoelige snuit is er niet op gesteld, in aanraking te komen met de harpoenen van onze hydra. De waterslakken maaien ze met hun vijltong van het glas weg; ook moet ge geen stekelbaarsjes bij hydra’s plaatsen, die ge in leven wilt houden.
Het kroos van de vijvers uit Artis wordt geschept uit de slooten langs den Sloter- of den Amstelveenschenweg; ook komen hydra’s voor langs den Haarlemmerweg, dus aan drie zijden van Amsterdam; en waarschijnlijk zijn ze overal in ons land te vinden; maar het meest in slooten, waarin van tijd tot tijd eenden en ganzen zwemmen; in de mest van die vogels schijnen de wintereieren der daphnia’s goed te ontkiemen.
Er zijn verschillende wegen in te slaan, om polypen machtig te worden. Breng een flinken voorraad eendenkroos mee en verdeel die over een aantal flesschen; laat de blaadjes vijf minuten rustig aan de oppervlakte drijven en onderzoek dan, stuk voor stuk, de onderzijde; ook aan de onderzijde van de waterlelie-bladen komen ze veel voor; de bruine bolletjes lijken veel op eieren van waterslakken of kevers, maar in water geworpen nemen ze zeer spoedig de niet te miskennen polypenvorm aan.
Een ander minder tijdroovend middel is dit: Werp een massa eendenkroos in een emmer met water, roer er een poosje flink met een stok in, giet daarna het water, zonder het kroos, snel in een witte kom over en de polypen, die er zich bevinden, vallen op den bodem, waar gij ze met behulp van een dun buisje kunt inzuigen. Ge weet wel, door van den luchtdruk op ’t water gebruik te maken: de duim houden op het eene open eind van het buisje, het andere eind boven de polyp in het water brengen, de duim er boven af (het water stijgt met de polyp in het buisje) den vinger er weer op, en den inhoud overbrengen, waar ge dien hebben wilt.
Maar, ne cherchez pas midi à quatorze heures! wat ge met zooveel moeite tracht te verkrijgen, ligt heel vaak zoo nabij voor het opnemen.
Het is mij meer dan eens gebeurd, dat ik lang en nog wel vergeefs naar hydra’s heb gezocht, om ten slotte bij toeval te bemerken, dat ik ze thuis al lang had.
In dat schaduwrijk oerwoud van eendenkroos, waarvan de worteltjes de stammen vormen en de ronde blaadjes het dichte looverdak, leeft een wereld van allerlei wezens, die niet zoo gauw in het oog vallen. Schept ge nu een netvol van dat kroos, alleen om schaduw en voedsel in het aquarium te brengen, dan komt er al zooveel in, dat eerst later bemerkt wordt; en plant ge er grootere waterplanten terstond uit de sloot in over, dan is de kans nog grooter, dat ge op een goeden dag tot de blijde ontdekking komt, dat ge al zoetwater-polypen hebt.
En heel dikwijls komen er meteen larven van salamanders binnen. Die behouden tot in den nazomer meestal nog hun kieuwen; daaraan zijn ze gemakkelijk te herkennen en te onderscheiden van kikkervischjes; want deze verliezen hun kieuwen al in de eerste weken van hun bestaan, ook zijn de meeste kikkervischjes in de zomervacantie reeds tot jonge kikkertjes bevorderd.
Zulke salamander-larven moet ge zien op te kweeken. Dat gaat nog al niet moeilijk, want de beestjes eten gretig al ’t kleine goed van ’t slootwater en lusten ook gaarne heel kleine aardwormen; daarvan groeien ze snel. Voert ge ze in ’t najaar goed en houdt ge ze ’s winters in een niet te koud vertrek, dan blijven ze dooreten en doorgroeien; en dan hebt ge kans, in ’t voorjaar bij de laatste wintervervelling een volwassen salamander in zijn prachtkleed te zien; wel is ’t dier in ’t eerste jaar klein van stuk, maar de kleuren zijn al vrij mooi. Honderd tegen een, dat de larven, die ge bij ’t daphnia-scheppen meekrijgt, er een is van den gewonen kleinen watersalamander: Triton taeniatus of Molge vulgaris, de laatste naam is de juiste. Maar mogelijk is het, dat er een larve bij is van den grooten-watersalamander (Molge cristata of Kamsalamander); dit is een voor ons land vrij zeldzaam dier. Maar ’t allerzeldzaamste is de Alpensalamander (Molge alpestris). Deze is een kwart eeuw geleden (1895) voor ’t eerst in ons land ontdekt, en wel door H. Beker het zoontje van een apotheker te Breda, later (1896) heeft Chr. H. J. Raad er een groot aantal gevangen bij Groesbeek. Wie zulke salamanders vangt, of weet waar ze gevangen zijn door anderen, moet vooral een briefje schrijven aan „De Levende Natuur” waar ook de eerste vondsten in vermeld zijn. Schrijf er den naam van mij of van Thijsse maar bij; doch alleen met „De Levende Natuur” Amsterdam, tot adres, komt de briefkaart ook terecht.
Die salamanders zijn eigenlijk geen echte waterdieren, alleen in ’t voorjaar zijn ze in de sloot te vinden, na ’t eierleggen gaan ze aan land. Eigenlijk hooren ze dan ook niet thuis in sloot en plas; maar de kans op ’t scheppen van larven is nog al groot, daarom heb ik de drie soorten maar even voor u geschetst; zoodat ge ze gemakkelijk van elkaar kunt onderscheiden, als het toeval u eens larven van verschillende soort in de handen speelt.
Zulke dieren met een dubbel leven zijn er meer in de slooten en plassen aan te treffen; een poos lang voeren ze een waterleven, om op een goeden dag het luchtleven aan te vangen. En ’t kost soms moeite, om menschen, die nu niet zoo veel geleerd en gelezen hebben, te doen gelooven, dat de larven van zoo’n tweeslachtig dier en ’t dier in volwassen staat een en hetzelfde wezen zijn.
Vooral tusschen het kroos leven veel van die diertjes in larve-staat, daar schijnen ze zich veiliger te voelen, dan in de onderste lagen van ’t water.
Ook met de overgebrachte slakkenhuisjes komt er heel wat anders binnen. Gaat ge zoo nu en dan eens een kwartiertje zitten turen naar het brokje natuur, waarmee ge uw huis hebt versierd, dan bemerkt ge wellicht een onverklaarbare beweging in kleine holle rietstukjes, in aan elkaar hangende blaadjes, in kleine leege of bewoonde slakkenhuizen, die aan elkaar schijnen te kleven, in de schelpjes van de zoetwatermossels—die ook al in het aquarium gekomen zijn, zonder dat ge weet hoe—ja, beweging in zandkluitjes soms.
Die raadselachtige beweging, dat voortglijden of dat drijven van levenlooze voorwerpen in stilstaand water, houdt op, zoodra ge die voorwerpen met een stokje aanraakt. Komt ge een dag of acht later nog eens kijken, dan zijn die rare dingen grooter geworden; de fijne blaadjes, de mosselschelpjes en slakkenhuizen zijn aan elkaar gegroeid tot langwerpige buizen, tot kokertjes, tot doosjes, tot nestjes, soms rond, soms vierkant, soms zeshoekig.
Daar moet ge natuurlijk meer van weten, en dat gelukt al heel gauw. Kijk, daar komt iets zwarts uit de voorste en wijdste opening van dat 2 cM. lange holle pijpje te voorschijn; een kop, een borst, 6 pooten, meer niet! Weg is het weer!
Een larve, zegt ge dadelijk; ja, een larve, maar van een bizonder soort, een kluizenaar, die zijn cel nooit meer dan ten halve verlaat, althans niet vrijwillig.
En hij heeft die beschutting wel noodig, zijn achterlijf is zoo week, de chitinehuid is daar zoo dun, dat een enkele hap van een tor of een stekeltje hem zijn hachje zou kosten.
Daarom steekt hij, even als de kluizenaarskreeft—waarvan ge zeker wel eens gehoord hebt en die ook zoo’n lastig, week achterlijf heeft—zijn zwakke zijde in een hulsel, dat niet zoo gemakkelijk is door te happen. De kreeft doet dat meestal in een gestolen of een gevonden huis van een zeeslak, een zoogenaamde wulk of kinkhoren—onze kokerlarve is minder diefachtig van aard: hij bouwt zijn huisje zelf.
De kalk of beter de lijm heeft hij bij zich, en met bek of pooten, bijt, en kneedt en lijmt hij net zoo lang, tot zijn kluis naar zijn smaak is. Met een paar haken houdt hij zich achterin vast, en om zijn achterlijf heeft hij een netje van zilverachtige draden, waartusschen de noodige lucht wordt bewaard; daartusschen eindigen luchtbuisjes, die den voorraad aanspreken als het noodig is.
Nu weet ik zeker, dat ge zoo’n phryganide, (dat is de geleerde naam voor deze belangwekkende diertjes) wel eens uit zijn kluisje zult zien te krijgen. Dat kan volstrekt geen kwaad, al is het diertje er volstrekt niet op gesteld. Neem hem apart op een schoteltje. Duw maar zachtjes met een speldekop tegen zijn achterlijf; wil hij niet dan steeds wat indringender. Daar is hij er uit! Wat een onbeholpen wezen! Wip, hij zit er al weer in, met de kop vooruit is hij in zijn schulp gekropen. Kijk er eens in! Raar hè? Hij zit er toch weer goed in, de kop voor de opening.
Neemt ge zijn huisje weg, als hij er uit gedreven is, dan zoekt hij allerlei gezonken blaadjes, stokjes, schelpjes, fijne steentjes, om in der haast een nieuwe woning te maken. Die is echter lang zoo mooi en stevig niet als de vorige.
Hebben ze voorraad van bouwstof in voldoende hoeveelheid, dan kiest iedere soort zijn eigen materiaal en houdt zich steeds aan een vaste bouworde. En er zijn heel wat soorten, zoodat een verzameling van phryganiden-huisjes een rijke verscheidenheid kan aanbieden.